Levenskunst & Levensgeluk 11

0

Elementaire levenskunst

Heidi Muijen

Een onderzoek naar “Het spirituele is politiek — het politieke is spiritueel!”, Civis Mundi digitaal, in 2016-11 — bewerkte versie op het Wijsheidsweb 2019-05

Met dank aan Joke Koppius voor haar waardevolle inbreng bij de totstandkoming van deze reeks!

deel 1deel 2deel 3deel 4deel 5deel 6deel 7deel 8deel 9deel 10deel 11deel 12deel 13deel 14deel 15samenvatting

Inleiding

In Civis Mundi Digitaal participeer ik met een artikelenreeks aan het thema Filosofie van de Levenskunst. Deze reeks wordt op het Wijsheidsweb — in delen bewerkt en herzien — opnieuw gepubliceerd.

Afbeelding 1: Het Rad van interculturele levenskunst — de basis van de drie Quests van de QFWF

Met deze reeks wil ik bijdragen aan de ontwikkeling van een laatmoderne levenskunst die antwoord geeft op noden van deze tijd. Er is met name inflatie van morele noties en andere waarden ― hoe het betekenisvolle te bewaren in de privésfeer, in professionele praktijken en publieke domeinen?
Dit is filosofisch onder andere gediagnosticeerd als ‘malaise van de moderniteit’ (Taylor, 2009). In het huidige tijdsgewricht worden waarden in het maatschappelijk leven onder invloed van de betekeniseconomie identiek aan marktwaarden en ‘ieders eigen smaak en keuze’. Daarmee ontstaat er betekenisverlies in (de duiding van) individuele en collectieve ervaringen.

De artikelen vormen stappen op een verkenningstocht, gericht op het ontwikkelen van een ethisch-politiek bewustzijn teneinde aan het gebrekkige begrip ‘postmoderniteit’ een positieve invulling te geven.
Aan de hand van mythen, filosofen en actuele vraagstukken verken ik meanderend het verschralen van ‘geluk’, ‘authenticiteit’, ‘spiritualiteit’ en andere thema’s van (populaire) levenskunst.

Doel is die begrippen te verrijken door ze in samenhang te bezien als aspecten van levensgeluk vanuit wijsheidstradities en filosofische levenskunst.

De artikelenreeks mondt uit in de noodzaak de rijkdom van de multiculturele samenleving te benadrukken. Steeds sterker krijgt de reeks een relationele focus en de laatste zes artikelen zijn een pleidooi een interculturele invulling te geven aan een filosofische levenskunst.
Als voorstel hoe deze langs verschillende wijsheidswegen te ontwikkelen is er een ‘Rad van interculturele levenskunst’ geschetst, geïnspireerd op de symboliek van de vijf elementen. Dit ‘Rad’ dient als vrucht van en richtingaanwijzer voor verdere ontwikkeling van interculturele levenskunst door middel van levende ontmoetingen en ‘storytelling’, spel en dialoog.

Afbeelding 2a: Lemniscaat

In dit elfde deel bespreek ik een metaforisch vocabulaire teneinde het intermenselijke niveau van levenskunst te verbinden met het macroniveau van het wereldtoneel, opdat culturen elkaar ontmoeten in plaats van elkaar bestrijden, uitsluiten of discrimineren. De symboliek van de natuurelementen geeft een mogelijkheid tot interculturele dialoog. Het ‘vurige, aardse, stromende, luchtige en etherische’ verwijst behalve letterlijk naar de natuur ook naar gevoel en beleving, naar het zich bevinden in een bepaalde ‘sfeer’. Aan die ‘brugfunctie’ tussen buiten en binnen koppel ik (zie afbeelding 2) symbolen, die mogelijk intercultureel verstaanbaar zijn: respectievelijk de hand, het oog, het hart, de spiraal en de lemniscaat.

Afbeelding 2: Oog, hart, spiraal en hand uit het filosofisch-mythisch bordspel Mens, ken je zelf!

Deze vijf symbolen verbinden elementaire gelukbelevingen en existentiële emoties, zoals vreugde en verdriet, liefde en haat, gunnen en gappen, woede en wrevel, vertrouwen en wantrouwen, deernis en dankbaarheid, weemoed en wrok, enz. met de mogelijkheid de omgang in het sociale verkeer te kantelen naar medemenselijkheid. De symbolen kunnen in die zin werken als wegwijzers hoe het vluchtige, oppervlakkige en egocentrische geluksgevoel te verdiepen tot een op wederkerigheid en het volle leven gebaseerd begrip van geluk (Schmid, 2008).

Interculturele symboliek

“Na het ontstaan van het universum uit een groot kosmisch ei ontstond er een strijd tussen vuur- en watergeesten. Er barstte een storm en heftige regens los en het water bleef stijgen. Een boer en zijn kinderen stapten in een kalebas-boot, waarin rijen met scherpe tanden schitterden. Het gelukte hen de bergen te bereiken en zo stapten zij de negende hemel binnen. Dit maakte de Geest van het Water, Gong Gong, zo kwaad dat hij het water in één keer liet zakken en de boer en de kinderen terug op aarde vielen. Uit hun nageslacht werd de aarde bevolkt met een nieuw mensenras: Fu Xi was zowel broer als zus en ontwikkelde sjamanistische kunsten….”

Draken Donder Geest uit het Chinese Sjamanisme, game Quest for wisdom (2016)

Hoe kunnen transculturele symbolen, zoals het ei, de levensboom en de symboliek van de natuurelementen, helpen verbindingen te maken tussen oost en west, noord en zuid ten behoeve van ‘glocalisering’ (Couwenberg, 2016), voor een ontwikkeling van kuddegeest naar kosmopolitisme?

Voor het inrichten van een kosmopolis is het nodig bruggen te bouwen tussen culturen. Dat kan met behulp van intercultureel verstaanbare symbolen en rituelen. De symboliek van de natuurelementen aarde, water, lucht, vuur en ether (licht, ruimte), komt voor in mythen uit alle windstreken. Dit transculturele gegeven gaf mij de inspiratie dat de symbolische taal van de natuurelementen met daaraan gekoppelde, interculturele symboliek over een ‘oorspronkelijke natuur’ van de mens en ‘medemenselijkheid’ de basis zou kunnen vormen voor een ‘elementaire levenskunst’.

Afbeelding 3: Het ei komt voor in diverse culturele mythen ― foto uit de game Quest for wisdom

In deze bijdrage ga ik een gelaagde betekenis uit van hart, oog, hand, spiraal en lemniscaat als interculturele symbolen:

  • ‘de hand’ staat voor ‘leven in een vurige sfeer’ vanuit een ethos van politiek handelen (Hermsen, 2019);
  • ‘het oog’ voor het zien van de ander vanuit presentie en het delen van verhalen, ‘aardse sfeer’, de kracht van ‘mythos’ (Fry, 2018);
  • ‘het hart’ staat voor leven in een ‘stromende sfeer van pathos’, empathie, kwetsbaar en moreel aanraakbaar zijn (Nussbaum, 2001);
  • ‘de spiraal’ voor leven in een ‘luchtige sfeer’ met winden van wederkerigheid tussen binnen en buiten, boven en beneden, ‘logos’ in de klassieke betekenis van afgestemd zijn op het algemene belang vanuit een morele en kosmische ordening (Nussbaum, 2014); en
  • ‘de lemniscaat’ verwijst naar de ether (‘quintessence’ ofwel het vijfde element) als ruimte waarin de vier elementen samenkomen in een oneindige proces van betekenisgeving via ontmoeting en dialoog (Muijen & Brohm, 2017).

Zouden deze symbolen niet alleen intercultureel verstaanbaar maar ook als transculturele bouwstenen kunnen helpen een elementaire levenskunst te ontwikkelen, waarmee mensen de waan van de dag kunnen kantelen naar wederkerig leven in gedeelde ‘psycho-socio sferen’ (Sloterdijk, 2005, p.42)? Die kanteling draait rond de spil en motto bij deze reeks “het persoonlijke (spirituele) is politiek en het politieke is persoonlijk (spiritueel)”, in de zin van de kunst oog te krijgen voor het complexe en gelaagde leven in de kosmopolis. Hoe ‘goed’ te leven tussen beide polen van het globale en het locale, in het spanningsveld tussen het najagen van (eigen- en groep-)belangen en het gericht zijn op een algemeen belang en een voller levensgeluk. Hoe zouden de vijf symbolen kunnen bijdragen relationele draden te weven tussen morele en machtsmotieven in het dagelijkse samenleven en werken in de groepen, waaraan mensen participeren (gezin, team, organisatie, vereniging, buurt, …? Kan die invalshoek behulpzaam zijn een intermenselijk weefsel te vormen dat zich uitstrekt naar hogere aggregatieniveaus? Hoe geeft die ‘elementaire levenskunst’ een perspectief op wereldburgerschap als bewoners van ruimteschip aarde te worden wie je bent …?

Over systeemdruk en levensgeluk

“Terugkomend van een langere vakantie bij wijze van herstelperiode na een overspannenheid als vaste onderwijskracht aan een Hogeschool, hoorde ik met grote ontsteltenis dat onze directeur na een hartaanval langdurig uit de running zou blijven. De afspraken over mijn werkhervatting zou ik verder moeten voeren met een interimmanager. Ik kreeg een uitdraai uit het computersysteem met codes van vakjes, die ik ooit in het verleden had gegeven, codes voor de groepen leerlingen en codes met de doorberekening in percentages van mijn dienstverband in uren en minuten, tot twee cijfers achter de komma. Het laten kloppen van de rekensommen vormde het doel van ons gesprek, niet zozeer een gezamenlijke verkenning ‘hoe’ bij te dragen aan waardevol werk, anders zou ‘… de opleiding niet te managen zijn’!
Een vervreemding maakte zich van mij meester en deed mijn perspectief dusdanig kantelen dat ik mijn ontslag indiende.”

Eenzijdige sturing op output en de ICT-aansturing van het primaire proces in zorg en onderwijs grijpt diep in op de gezondheid van mensen en in de onderlinge verhoudingen. De verhouding tussen studenten en docenten, patiënten en zorgprofessionals wordt een ‘klantrelatie’; tussen professionals, managers en bestuurders waait er een wind van ‘productie draaien’ en ‘concurrentieverhoudingen’. Wanneer ‘de productie’ centraal staat wordt ieders rol tot het primaire proces gedefinieerd in termen van consumenten- en bedrijfsbelangen. De focus op een efficiënte inzet van productiemiddelen, inclusief ‘human capital’, knaagt aan de wortel van waarden die betrokkenen met elkaar delen als zorg- of onderwijsgemeenschap. De dynamiek door opschaling en versnelling in die sectoren maakt dat professionals (en studenten) bij bosjes uitvallen door burn-out.

Afbeelding 4: Versnellende tijden[1]

De traditionele waarden in het werk, van Bildung en goede zorg, hebben plaats gemaakt voor opschaling en efficiency. Ze worden geëerd als een relikwie uit de ontstaansgeschiedenis van zorg- en onderwijsinstellingen; gememoreerd in een les door een nostalgische onderwijzer of in een mission statement als een mooie vlag op de productiedwang. Hetzelfde werk moet sneller en met minder mensen worden gedaan. Efficiënte productie vereist een geolied radarwerk van ICT, wat schuurt met natuurlijke processen van afstemming. Samen met de opgetuigde organisatiesystemen vormen zij een systeemwereld, die drukt op professionele en maatschappelijke waarden in het werk (Ende, 2011).

Vanuit steeds meer invalshoeken dringt het besef door dat er ook een kostenkant zit aan deze wijze van organiseren van het werk, wat ertoe leidt dat bestuurders en managers op zoek zijn naar alternatieven. De hoge systeemdruk in organisaties brengt met zich mee dat professionals het gevoel krijgen dat zij veeleer de (organisatie- en ICT-)systemen dienen in plaats van andersom, zoals oorspronkelijk de bedoeling was (Hart, 2012). Professionals dreigen een robot ofwel ‘cyborg’ te worden, een verlengstuk van de organisatiesystemen. Het morele kompas dat mensen als persoon en professional helpt te koersen in het leven, staat mensen als ‘medewerker’ in de weg, gezien dat het eerder vertragend werkt dan versnellend voor de productie.

De noodzaak tot een kanteling

Het organiseren van werk vindt plaats in een gelaagd krachtenveld waarin menselijke wezens waardevols in het leven willen tot stand brengen, maar ook hebben te volharden in het bestaan. Een kanteling van winst- naar waarden-gedrevenheid vraagt bewustzijn op de knooppunten, waarmee professionals, klanten, studenten, managers, bestuurders in een oneindig proces (lemniscaat) meeweven aan de relationele webben tussen mensen: door oog en hart te hebben voor elkaar, door zich al handelend, spiraalsgewijs (van buiten èn van binnenuit) met elkaar te verbinden.

Juist het schuren tussen handelen vanuit bewogenheid enerzijds en anderzijds het volgen van protocollen en voldoen aan functionele eisen in het werk, maakt mensen bewust van de mogelijkheid te scharnieren en te meanderen tussen de pool van het najagen van eigen belangen en de pool van het belangeloze en waardecreatie,— ofwel het belang van levensgeluk en de existentiële bodem van het bestaan zelf. Op het scherpst van de snede van het bewust hanteren van deze subtiele gelaagdheid, berust mijns inziens de ontwikkeling van kuddegeest naar kosmopolitisme. Mensen leven dikwijls vanuit een kokervisie en beperkte ego- en groepsbelangen (het dikke ik zoals Kunneman dit treffend noemt) maar kùnnen tevens het bestaan vanuit ruimer bewustzijn ervaren en vormgeven.

In mijn gastlessen ethiek en levenskunst in bachelor- en masterprogramma’s tracht ik mensen door middel van voornoemde symboliek bewust(er) te maken hoe de morele dimensie (de existentie) steeds meespeelt in het werk(leven). De symbolen duiden op het menselijk bestaan als een sfeer (Sloterdijk, 2005, p.37), die het leven in een binnen- en buitenwereld verdeelt en verbindt in een vurige, luchtige, stromende, aardse en etherische ‘elementaire sfeer’. De metaforiek van het ‘elementaire’ introduceer ik, gekoppeld aan de symbolen van hand, spiraal, hart, oog en lemniscaat, als het abc van de door mij ontwikkelde spel- en dialoogvormen: het filosofisch-mythische bordspel Mens, ken je zelf (Muijen, 2010), de dialoogtafel Wat is de kwestie? Wat is de questie! (Muijen, 2012) en de digitale spelvorm Quest for wisdom (Muijen, 2016).

Afbeelding 5: Symbolen op de dialoogtafel Wat is de kwestie?-Wat is de questie!

De kracht van deze spel & dialoogvormen is dat mensen met de metaforen en symbolen een taalspel krijgen aangereikt dat geschikt is de gelaagdheid en meerduidigheid van een volle levensgeluk, achter gestelde doelen in leven en werk, aan te kaarten. Existentiële vragen zijn niet te vangen in een kwantificeerbare gelukmeting. Evenmin kan het ‘juist’ uitvoeren van protocollen in het werk mensen ontslaan van morele verantwoordelijkheid. In die zin staan de symbolen voor zijnskwaliteiten: voor persoonlijke, professionele en onderzoekende kwaliteiten die verbonden zijn met de sfeer van het waardevolle in leven en werk. Het kan mensen ervan bewust maken hoe technisch-professionele competenties daar los van zijn geraakt.

Ethos en de sfeer van het relationele belang

“Mijn werk maakt mij nu weer gelukkig, er is volledig vertrouwen, ik ben zelf verantwoordelijk voor alles wat ik doe. Ik voel mij verbonden met mijn werk met 100% betrokkenheid.”

Mo Visscher, verpleegkundige

Deze verpleegkundige, werkzaam bij een centrum voor jeugd en gezin in Rotterdam, maakte de overstap naar Buurtzorg. In tegenstelling tot haar vorige dienstverband ging ze weer eigenaarschap ervaren in het proces van zorg verlenen, van intake tot uitvoering. Ze maakte deel uit van een zelfsturend team, zonder managers, alleen met coaches die haar en haar collega’s ondersteunen naar behoefte. Tussen grootschalige zorgaanbieders ontstaan er kleinschalige vormen van zorgverlening vanuit menselijke maat.

De hand staat symbool voor handelen. Waar ‘gedrag’ verwijst naar uiterlijke vormen van acteren en bewegen, daar impliceert ‘handelen’ innerlijkheid, bewogenheid, ontmoeting. De gerichtheid naar buiten op externe doelen en normen vraagt menselijkerwijs om verantwoording en motivering van binnenuit. Een sfeer verbindt beide kanten als een binnen- en een buitenkant van leven en werk. Deze roept op (‘ethos’) tot het aanbrengen van samenhang tussen beide (congruentie, integriteit), niet alleen functioneel maar ook professioneel en als mens verantwoordelijkheid te nemen.

De hand die zich opent, geeft en gunt of gapt, grist en graait

Afbeelding 6: De hand als symbool van ‘ethos’[2]

In het handelen kan zowel de kant van gunnen als van gappen de boventoon voeren. Dat is evident in geval van schenken of stelen. Evenwel, meestal is het minder zichtbaar maar wel als handeling of gebaar voelbaar. De morele lading van deze symboliek is letterlijk terug te zien in oude rechtssystemen, waar de hand van dieven werd afgehakt. De oude moraal van ‘oog om oog, tand om tand’ zit diep verankerd in diverse culturele, emotionele en sociale waardensystemen (Verplaetse, 2008). In die zin is menselijk handelen doortrokken van ethiek en staat de hand voor de mogelijkheid bewust stelling te nemen: symbolisch zichtbaar in een gebalde vuist of in een dankend gebaar. Ook in collectief handelen, bijvoorbeeld door actief deel te nemen aan een protestdemonstratie of door de weigering te participeren in georganiseerde vormen van onrechtvaardigheid.

Zo is Rosa Parks beroemd geworden omdat zij zich in 1955 teweer stelde tegen de indertijd geldende wetten van rassensegregatie in de VS en als zwarte vrouw weigerde in een bus op te staan voor een blanke man. Ook rolmodellen zoals moeder Theresa, Nelson Mandela, Etty Hillesum, Gandhi en Rosa Luxemburg inspireren mensen tot edelmoedigheid, door de wijze waarop zij met liefdevolle toewijding een algemeen belang boven korte termijn en persoonlijke belangen stelden. Ze belichamen een levenshouding die radicaal tegenovergesteld is aan een wereldwijde tendens van graaien en het organiseren van sociale ongelijkheid: door mensen die op het pluche van de bestuurskamer zitten x-maal zoveel te laten verdienen als het schrobben van de wc waarop die pluchen billen gaan zitten!

In de afgelopen decennia zijn de verschillen tussen arm en rijk gegroeid. Denivellering is geen ethisch neutrale, economisch ‘verstandige’ maatregel. Het is een moreel geladen politieke keuze voor een (on)rechtvaardige samenleving. Zijn de steeds groter wordende verschillen in beloning ethisch te rechtvaardigen? Welke effecten heeft een onrechtvaardig beloningssysteem op het sociale weefsel in organisaties en in de samenleving als geheel?

Handelen of manipuleren

Steeds minder verwijst ‘de organisatie’ naar een gemeenschap van mensen die een aantal belangrijke sociale en professionele waarden delen of een publiek en algemeen belang dienen — maar naar een op winst gerichte entiteit, die zowel landsgrenzen als solidariteit tussen volkeren, culturen en groepen doorkruist. Een organisme met een onverzadigbare begeerte naar winst — met inwisselbare individuen die welkom zijn zolang en in de mate ze het winstbejag en de bedrijfsdoelen dienen. Dit mechanisme zorgt niet alleen voor groei maar ook voor sociale fragmentatie en destabilisatie. De organisatie brokkelt als sociale gemeenschap af doordat de lijm van gemeenschappelijke waarden opdroogt, en er slechts het droge zand van atomaire individuen en groepen met belangentegenstellingen en strijdige waarden overblijft, van ‘wij’ tegenover ‘zij’ …

De controlerende hand van de manager (letterlijk is dit woord afkomstig van het Latijnse ‘manus’ dat hand betekent) die wil beheersen en manipuleren, draagt (vaak ongewild) bij aan het probleem. Hoe kan, andersom, het loslaten van het krampachtige ‘aansturen’ bijdragen aan de oplossing? Het openen en uitsteken van de hand is bij uitstek een gebaar van ontmoeting. Het toont symbolisch dat men zich opent naar de ander, de ander wil binnenlaten. Hoe kan ontmoeting de standaard worden voor het organiseren van het werk en het ontwarren van taaie vraagstukken (Vermaak, 2009)? De handdruk als alternatief voor systeemdruk in (werk-)verhoudingen?

Afbeelding 7: Het ‘managen’ is afkomstig van ‘manus’, manipuleren, paarden mennen[3]

Is het mogelijk dit proces te bevorderen, door de focus te kantelen van de als ‘absoluut’ ervaren macht en bedrijfsbelangen naar het inherent waardevolle van het werk? Van de waan van de dag, waarin het een kunst is te overleven door de dwang van ‘steeds meer’ en ‘sneller’ met ratinglists en scorelijstjes, naar een elementaire levenskunst in organiseren (Brohm & Muijen, 2010). Die kunst staat voor het stichten van vrijheidspraktijken, in plaats van ingezogen te raken in de productiedwang met een logica van schaarste, tekorten en schulden. Door elementaire menselijke waarden voorop te stellen — gastvrijheid en gunnen — in plaats van de ‘normale’ dynamiek van begeerte en agressie, van vluchten of vechten, van het verslaan van concurrenten en tegenstanders.

De hand die vormgeeft of uitvoert

Scores, protocollen en het dashboard van de manager meten alleen de buitenkant van het werk. De binnenkant van het handelen, welke morele effecten en motieven ermee gemoeid zijn, blijft onzichtbaar in de cijfers. Daartoe is een ander begrippenkader nodig. Zo reikt politiek filosofe Arendt (1958) een relevante nuance aan met haar onderscheid tussen drie levensdomeinen. Ten eerste het verrichten van arbeid, gericht op het overleven van de mens als animal laborans; ten tweede het maken van producten in het werk als homo faber door middel van ambachten, die blijvende en culturele waarde hebben; en ten derde het handelen, waarmee mensen, als politieke wezens, waarden belichamen en uitdragen voor de inrichting van organisaties en een publieke wereld. Het gevaar van ‘wereldloosheid’ is barbarij, aldus Arendt, wanneer mensen zich van de sfeer van het politieke afwenden en zich alleen om eigen belangen bekommeren.

Zo vormt de hand het symbool voor ethisch-politiek handelen in de interferentiezone (Kunneman, 2005) tussen systeem- en leefwereld, voor de wijze waarop mensen steeds keuzes maken in de inrichting van leven en werk, ook door niet bewust te kiezen. De hand als symbool duidt op beweging vanuit bewogenheid; op de mogelijkheid van een wending van gappen naar gunnen, van manipuleren naar handelen. Als persoon en professional is het een kunst ‘authentiek’ te handelen en als auteur van daden daarop aanspreekbaar te zijn. De menselijke hand durft een uitzondering te maken en stelt routines ten dienste aan het goede van wat er in de situatie op het spel staat. Wanneer die last te zwaar voelt is het verleidelijk in een organisatiekramp te schieten en gedragsmatig protocollen uit te voeren. In plaats van gehoor te geven aan de existentiële oproep mens te zijn.

Voor het opschalen van elementaire levenskunst als individu (persoon, manager, professional) naar interculturele verbanden luidt de vraag: is er speelruimte voor mensen om een waardegedreven keuze te maken in de groepen en teams waarin zij participeren? Of heerst er sociale kramp met ‘professionele’ normen die leiden tot graaien, fragmentatie en manipulerend gedrag? Wat is er voor nodig als community morele motieven zoals deernis, compassie en bekommernis (Nussbaum, 2014) te cultiveren?

Mythos en de sfeer van het esthetische belang

Afbeelding 8: De nar als figuur die ‘de normaliteit’ ontmaskert.[4]

“Het gebeurde in een theater dat er brand uitbrak achter de coulissen. De clown sprong voor het voetlicht om het publiek te waarschuwen. Maar de zaal dacht dat het een grap was en begon te applaudisseren. Hij herhaalde zijn waarschuwing, maar men jubelde steeds luider. Zo gaat dunkt me heel de wereld te gronde, onder het algemene gejuich van pientere koppen die menen dat het een Witz is.”

Søren Kierkegaard, 1995, p. 7.

Met deze parabel opent Kierkegaard zijn werk of-of (in 1843 als Enten-eller onder pseudoniem gepubliceerd). Daarin laat hij een clown figureren wiens ernstige boodschap door onbegrip van het publiek met gelach wordt ontvangen. Dit beeld toont hoe mensen geneigd zijn de werkelijkheid te interpreteren op basis van heersende referentiekaders.

Knipogen en genieten

Gekaderd kijken is niet vrij en open, maar vooringenomen en werkt blikvernauwend (kokervisie). Een knipoog is bevrijdend en schept ruimte! Het is veelzeggend dat zowel spirituele leermeesters als filosofen de kracht van humor en het narrige spreken roemen om de orde van de normaliteit te tarten.

Beroemde voorbeelden zijn de Lof der zotheid van Erasmus en Nietzsche’s De Vrolijke Wetenschap. In dit laatste werk zegt ‘de zot’:

“Hebt gij niet gehoord van die dolle mens, die op klaarlichte morgen een lantaarn aanstak, op de markt ging lopen en onophoudelijk riep: ‘Ik zoek God! Ik zoek God!”[5]

Nietzsche’s metafoor van ‘de dood van God’ betekent vrijheid, het besef als mens voorbij — van buitenaf opgelegde — zingevende kaders zelf verantwoordelijk te zijn. Hij wijst op het belang van een bestaansethiek ‘voorbij goed en kwaad’. Zijn visie op het belang zich te bevrijden uit dominante kaders en beknellende normen is zeer actueel. Het ziende oog is zich bewust van verschillende mogelijke manieren van kijken. Ze zijn een expressie van de wijze waarop mensen zich tot elkaar en tot de werkelijkheid verhouden en voor ‘waar’ houden. Volgens Nietzsche gaat ‘de waarheid’ gekleed in metaforen.

De verbeeldingskracht, het zien en het spreken met een knipoog, opent een ruimte van mogelijkheden. Daarin schuilt de kracht de werkelijkheid vanuit het narratieve principe van ‘mythos’ te benaderen. Dat is het vermogen verhalen te vertellen en oog te hebben voor het menselijk bestaan als het bewandelen van een ‘weg van de held(in)’.

Overwinning van logos op mythos

In de loop van de geschiedenis — weerspiegeld in processen van rationalisering en technologisering — heeft de ‘logos’ als regulerend principe de ‘mythos’ van haar troon gestoten. De werkelijkheid zou alleen conceptueel in haar fundamentele structuren te begrijpen zijn. Mythen hebben een stoffig imago als oude, bizarre verzinsels: vanuit het dominante discours zijn verbeelding en associatief denken primitiever dan conceptueel en analytisch denken: mythos doet onder voor logos. De hegemonie van logos resulteert in een instrumentele kijk op de wereld en een (ver)oordelende één-dimensionale blik.

Afbeelding 9: Verschillende kwaliteiten van zien, symbool op de dialoogtafel Wat is de kwestie?-Wat is de questie!

Als kinderen van de Verlichting is het lastig beelden en verhalen niet slechts als ‘kinderlijk’ te waarderen, maar als expressie van een (ver)beeldend vermogen de wereld esthetisch te ervaren. Het oog dat ziet is een existentiële kracht van gewaarwording. Het is een zintuiglijk en lijfelijk open staan, sensitief voor lagen van betekenis onder de oppervlakte. In de cirkel op het platte vlak ook de bol blijven zien. Het vermogen present te zijn en het vertelde (levens)verhaal van mensen te beluisteren (Banning & Banning, 2010), gelaagd en meer dan ‘inhoudelijk’ en ‘instrumenteel’ de boodschap relationeel te begrijpen.

Vrij en oordelend kijken

Het oog als symbool belichaamt daarom een kracht waarmee mensen zichzelf optillen boven het platte bestaan. Door niet alleen gefocust te zijn op het functionele, doemt er betekenis op achter woorden en dingen. Kijkend ‘tussen de wimpers’ of met geloken oog geeft beter zicht op patronen en gestalten, op zin tussen de regels. Die gelaagdheid voorkomt oppervlakkig (weg)kijken en dingen of mensen vastnagelen vanuit een (ver)oordelende blik.

Het organiseren van speelruimte en oog krijgen voor het schone, zingevende en plezierige creëert een esthetische sfeer. Daarin te verwijlen betekent belangeloos samen zijn. Een voorbeeld hiervan is hoe het vertellen van verhalen, samenspel en dialoog ook in een organisatiecontext een vrijere ruimte schept binnen een afgekaderde instrumentele samenwerking. De ‘normale’ muren in het sociale en economische verkeer vallen weg in een dialoog die gevoerd wordt vanuit een samenbindende sfeer van zien en zijn.

De mythische kracht van het oog kantelt de orde van het najagen van belangen naar het beschouwen van menselijk leven in sociale, culturele en natuurlijke verbanden. Kant bracht het esthetische in verband met een belangeloos belang; vooral met het genieten van het schone in de natuur en van de vrije kunsten. Het leven esthetisch bezien getuigt volgens Kant van een vrijer gebruik van het voorstellingsvermogen dan dingen vanuit ‘nut’, ‘plicht’ of ‘waarheid’ te beschouwen.

De speeldrift van de Homo ludens

Het esthetische domein van culturele activiteiten met vrije kunsten, spel en verhalen zou volgens filosofen bijdragen aan menselijke ontwikkeling (Lessing,1979; Schillers, 2009; Huizinga, 2008). Schiller stelde dat de mens alleen waarlijk mens is in het spelen, en door te spelen pas waarlijk mens wordt! Levenskunst door de speeldrift in het hartgebied te ontwikkelen, tussen de stofdrift — de buik die begeert — en de vormdrift — het hoofd dat be-grijpt. Huizinga beschreef in zijn boek, de Homo ludens, de domeinen sport, religie, kunst, rechtspraak, oorlogsvoering als culturele vormen, die ontstaan zijn uit het spelen. Hij maakte daarbij een interessant onderscheid. In kampspelen en sportwedstrijden overheerst een competitief element van belangen en machtstreven, terwijl in andere sociale en ludische spelvormen een sfeer van plezier in het spelen zelf overheerst.

Het ‘spelende’ (ludische) element betekent dat de mens zich op dubbelzinnige (‘alsof’) wijze tot het leven verhoudt. Die dubbelheid is ook de speelruimte waarin culturele uitwisseling — door verhalen, symbolen en rituelen — plaatsvindt. Bijvoorbeeld wanneer het genoeglijke van het samen eten, praten, werken, enz. op de voorgrond staat en het nuttige en noodzakelijke van ‘het overleven’ op de achtergrond. Het esthetische domein grijpt natuurlijke processen — zoals spijsvertering, zintuiglijkheid, seksualiteit — aan voor culturele vorming en geestelijke ontwikkeling. Zonder die ziende kwaliteit van het oog is er geen speelruimte en verengt de homo ludens (Huizinga, 2008) zich tot een wezen dat vals gaat spelen om te overleven.

Betovering

Vooral (inter)culturele vormen van storytelling zijn belangrijk voor menswording (Campbell, 2008). Zo leert de mythe van Odysseus een cruciaal moment van ‘ontwaken’ uit de betovering door het schone en het gebonden zijn aan genot. Tijdens diens omzwervingen bond deze held zich vast aan de mast van zijn schip om niet in de ban van het schone vogelgezang der Sirenen te raken.

Afbeelding 10: Sirene met haar betoverende zang…[6]

Symbolisch vertelt de mythische weg van de held Odysseus, dat het goed is de inspiratie van het culturele domein met kritisch bewustzijn open te houden! Bijvoorbeeld door middel van dialoog en interculturele ontmoetingen. In die zin staan ook andere helden en heldinnen symbool voor het proces van menswording en gemeenschapsvorming. Die weg begint met het horen van de oproep, het verzamelen van moed het avontuur aan te gaan en beproevingen te doorstaan, het openstaan voor het ontmoeten van magische helpers, en de terugkeer naar huis en haard.

Kierkegaard heeft — net zoals Heidegger en Sartre — in tegenstelling tot de hoofdstroom van de Westerse filosofische traditie die vanuit essenties denkt, de menselijke bestaanswijze beschreven als ‘existentie’: als de levenskunst de spanning vol te houden tussen het zelf ontwerpen van een authentiek bestaan èn het geworpen zijn, — dat is de neiging het leven door anderen, gewoonten en wetten, te laten bepalen. De geworpenheid verwijst bijvoorbeeld naar het onderhevig zijn aan natuurwetten en ‘gewoon’ te doen wat ‘moet’ en wat ‘men’ vindt. Die reflex is, bezien vanuit de existentiële filosofie, je verantwoordelijkheid als mens ontlopen: zoals wanneer iemand de eigen emotionele of juist rationele reactie motiveert als gevolg van het vrouw- of man-zijn. Sartre noemt die handelwijze ‘te kwader trouw’.

Zien of wegkijken

Te ‘kwader trouw’ handelen lijkt in werkcontexten ‘normaal’ te zijn — het is zelfs met het begrip ‘professioneel’ geïnstitutionaliseerd, wanneer ‘professioneel’ zijn betekent ‘het bewaren van afstand’ tot collega’s en klanten door ‘niet-persoonlijk’ te reageren. Deze ‘professionele’ levenshouding maakt het handelen laf (moreel gesproken èn als ‘smaak’ qua levensstijl). Voorbeelden zijn hiervan te over, zoals het legitimeren van onhebbelijk of ontmenselijkend gedrag omdat ‘de organisatie’ dat nu eenmaal zo wil. Of bij een lastige kwestie wegkijken of verwijzen naar anderen die formeel verantwoordelijk zijn, enz.. Zelf verantwoordelijk zijn, is een taai proces van het zich toe-eigenen van de existentie, wat moed vraagt! Als mens de verantwoording nemen voor het eigen bestaan èn vrij worden van bepalende referentiekaders gaan daarom hand in hand.

Afbeelding 11: zo vrij als een vogel in de lucht ― foto Joke Koppius

Het menselijk bestaan ‘objectief’ beschouwen betekent haar als existentie miskennen. De eigen bestaanswijze is niet vooraf te definiëren op grond van objectieve bepalingen, zoals het ‘man’ of ‘vrouw’ zijn, het ‘wit’ of ‘zwart’ zijn, maar volgt uit gemaakte keuzes en ieders unieke, geleefde leven. Het leven is geen aaneenschakeling van feitelijkheden (facticiteit) maar ìs het leven als ‘mogelijkheid’ zien en (be)leven. Door enkeling te worden, zo benoemt Kierkegaard dat proces van het toe-eigenen van het bestaan.

Kierkegaard beschrijft dit proces als het bewandelen van de drie stadia van de levensweg, het esthetische, het ethische en het religieuze stadium. Het cultiveren van een esthetische levenshouding betekent het toelaten van de sfeer van het oneindige in het eindige leven, door uit de tredmolen van het ‘overleven’ te treden en het leven te benaderen vanuit het perspectief van het schone en aangename. Wanneer mensen zich de beperktheid van de esthetische levenshouding realiseren maken zij een ‘sprong’ naar de volgende fase door te beseffen dat men steeds in een ethische verhouding tot anderen staat. Nog sterker kleurt het oneindige het levenspad in het religieuze stadium, wanneer de (af)grond van het bestaan onder elke stap voelbaar is en deze soms lijkt af te brokkelen bij het aangaan van beproevingen op de levensweg die de mens als ‘enkeling’ treffen.

In je element zijn …

Er zijn (on)eindig veel perspectieven op het leven mogelijk, aldus Nietzsche’s ‘perspectivisme’ en meest afgrondelijke gedachte! Mens worden wil zeggen waarlijk vrij worden: dus niet alleen vrij ‘van’ maar ook vrij ‘tot’… Ja, tot wat en waartoe?

In zijn afscheidsrede van de Universiteit Leiden problematiseerde filosoof Gerard Visser de eenzijdige nadruk op het vrije wilsbesluit in het dominante vrijheidsbegrip en ontdekte een andere betekenis: een in het mens-zijn ook lijfelijk verankerd en spontaan vrij-zijn. Als noodwendige èn vrije wil traceerde hij die betekenis in de westerse wijsheidstraditie — onder meer via Aristoteles’ vier oorzakenleer naar Schellings begrip van oerdaad — en duidde haar als innerlijke noodzaak. Die paradoxale betekenis komt dichtbij ‘het gelukkige leven’, in de zin van een verwijlen in ‘elementaire’ sferen. Wat een prachtige elementaire omschrijving van vrijheid:

“Een wezen is vrij wanneer het in zijn element is”

Gerard Visser, 2015, p. 47-49.

Door oog te krijgen voor de esthetiek van werkprocessen verschijnt het werkleven, net zoals een mierenhoop, een muziekstuk of een schilderij, als iets wonderbaarlijks en op zich nutteloos. Het toont zich als fenomeen, waar je uren naar kunt kijken. Sensitief zijn voor het esthetische schept een relationele verhouding tot het zijn, een sfeer die vrijer is van de dwang tot overleven en de druk door machtsverhoudingen.

Afbeelding 12: De kracht van liefde ― foto Heidi Muijen voor de game Quest for wisdom

In die sfeer beseft de mens zelf ‘een gesprek te zijn’, zoals Heidegger (1986) Hölderlin’s gedicht citeerde. Een dialogische sfeer ontstaat door middel van symbolen, verhalen, spel en rituelen. Deze vormen ook de basis voor het (anders) organiseren van het werk. Door het knellende van samenwerking als een samenspel in beleving te brengen kan er ruimte voor alternatieven ontstaan. Zo kan een beeldende dialoog (Muijen & Van Marissing, 2011, pp. 67-90) bijvoorbeeld mensen helpen out of the box te denken en het organisatiespel als maskerade te doorzien.

Buber (2003) duidde op vergelijkbare wijze de mens aan als scheppend in wezen, als in relatie zijn! De mens ìs de mogelijkheid een grondwoord uit te spreken — ik en jij òf ik en het — waarmee er een wereld van de relatie dan wel een wereld van objecten ontstaat. Door het vertellen van verhalen, door symbolische en religieuze handelingen (gebed en rituelen) stichten mensen een relationele wereld.

Deze mogelijkheid reikt tot aan de volgende ‘elementaire sfeer’ en de kracht van pathos. Het liefdevol, vanuit de grond van het hart, uitvoeren van een ritueel betekent een omkering van ‘de normale orde’ volgens het verstand:

“zoals het gebed niet in de tijd is, maar de tijd in het gebed; het offer niet in de ruimte, maar de ruimte in het offer”

Martin Buber, 2003, p.14.

Pathos en de sfeer van het hartsbelang

Alleen de liefde
draagt nog onder
iedere voetstap
de snelle steen aan
waarop ik kan staan
een voetstap lang.

Licht leeft wel mee
maar heeft geen been
om op te staan.
En niemand is niet bang.

Andreus, 1979, p. 57

De dichter Hans Andreus omschrijft de liefde als een dragende en verbindende kracht. Mooi hoe poëtische taal — als taal van de ziel, net zoals andere kunstvormen — zelf verbindend werkt en niet alleen ‘over’ verbinding en liefde spreekt. Dat is voelbaar wanneer een gemeenschap door het verlies van een persoon, door ziekte of dood, gebroken is. Dan kan de kracht van een verbindend verhaal, muziek of een rituele handeling de sociale ordening weer herstellen.

Het gedicht vertelt dat alle mensen bang zijn. Angst laat mensen vluchten, agressief, hyper-assertief, achterbaks, met duikgedrag, … op elkaar reageren; waar de liefde mensen aanspoort tot responsief handelen. Wanneer angstig, reactief gedrag de boventoon voert, heeft “de liefde geen been om op te staan”. Angstbeelden van mensen kunnen politiek bespeeld worden in organisaties en samenlevingen. Zulk politiek (macht)spel bevordert hardvochtig en narcistisch gedrag van mensen. Een liefdevolle respons, bij angst, sociale uitstoting of onderdrukking, door een meevoelend woord en poëzie schept verbinding.

Het hart dat bloeden kan

Pathos is het oud-Griekse woord dat nog hoorbaar is in empathie, pathetisch, pathologie. Dit klassieke begrip duidt op het geraakt kunnen worden en in die zin het open staan naar de ander, (aan)raakbaar zijn. Empathie verwijst naar een innerlijk meevoelen, mee bewegen met de ander, responsief zijn vanuit bewogenheid. Die betekenis is nog hoorbaar in de Latijnse wortel van het woord ‘e-motie’ dat letterlijk ‘in beweging komen’ betekent.

Afbeelding 13: Vrijmoedigheid als levenskunst ― foto uit de game Quest for wisdom

Leven vanuit ‘pathos’ creëert een elementaire sfeer waarin mensen het hart openen, het gemoed vrijelijk stroomt door ‘vrijmoedig te spreken’. Daar hadden de klassieke filosofen een eigen woord voor: parrèsia. Als we de levenskunst van vrijmoedigheid intercultureel vertalen, zou het kunnen gaan om de moed sociale codes van de eigen cultuur te relativeren en waar het hart dat vraagt, er tegen in te gaan; alsook de waarde van andere culturele waarden te omarmen. Dit kan door humor, als een relativerende zienswijze, ook als een zijnswijze en levenskunst te beoefenen (Rizzuto, 2014).

Kierkegaard beschreef in zijn proefschrift (Kierkegaard, 1995) de ironie als levenswijze. Wanneer het hart — door de bevrijdende kracht van humor — vrij en geopend is, spreken mensen een directe taal van hart tot hart. Kierkegaard leert dat het vrijmoedig spreken de moed vereist ook offers te brengen, zoals het buiten de groep vallen als enkeling in het derde ‘religieuze levensstadium’. Dit verbond hij met de pathos te leven vanuit een existentiële waarheid, die hij omschreef als:

“de objectieve onzekerheid, volgehouden in de toewijding van de hartstochtelijkste innerlijkheid, is de waarheid”

Kierkegaard, 1988, pp. 30-34.

Het belang van die existentiële pathos is voor werkcontexten prachtig uitgewerkt als bestaansethiek (Bersselaar, 2009) en de ontwikkeling van losse werknemers tot een professionele gemeenschap. Steeds is het de levenskunst de verbondenheid als groep te plaatsen in ruimere contexten, zoals een team in een organisatie en organisaties in een maatschappij. Een samenleving is opgenomen in een omvattender ordening van een interculturele wereldgemeenschap, wat van elke cultuur vraagt de dominante waarden te relativeren. De kosmopolis deelt op haar beurt het ruimteschip aarde met andere levende wezens in een kosmisch verband. Een oefening in ‘elementaire levenskunst’ kan zijn de ecologische en kosmische ordening niet alleen als een abstracte (meta)fysica te zien, maar deze te beleven, vanuit een ‘pathische’ verbondenheid met het leven als geheel.

Het hart dat zich pantsert of opent

Het vertoeven in een sfeer van ‘pathos’ is eigenlijk een vertrouwd iets, dat ‘vanzelf zo’ gaat en iedereen kent als emotionele (ver)binding met een dierbare, het opgaan in muziek die je raakt, of als verbondenheid met de natuur. Hoe mooi wanneer mensen die sfeer ook in samenwerking kunnen ervaren. Als plezier van het gezamenlijk tot stand brengen van waardevol werk, als samenspel en verbondenheid. Dan zijn de professionele waarden niet een abstractie op een website, maar voelbaar als blij, dankbaar en hoopvol zijn over (of wanhopig over verlies van) het schone en goede van het werk. Meer dan door contracten van ‘de organisatie’ ontstaat verbondenheid als gemeenschap door existentiële emoties.

Afbeelding 14: Vechten of vluchten? ― foto Joke Koppius

Voor het opbouwen van een (werk)gemeenschap is het nodig wederkerigheid in relaties te herstellen. Dit vraagt van mensen het werk niet alleen efficiënt te organiseren maar vooral door middel van inspirerende verhalen en verbindende rituelen. Wanneer mensen het team verlaten of komen versterken, is het van belang daar oprechte aandacht aan te schenken, alsook gebeurtenissen te markeren die de gemeenschap treffen, zoals een reorganisatie.

Een medicijn tegen de veelvoorkomende angst- en afrekencultuur en de dynamiek van fragmentatie en disciplinering in werkcontexten, is het uitbouwen van een pathos van vertrouwen. Daartoe is het nodig reactieve ketens van vechten en vluchten te doorbreken en een symbolische verbindende ordening te versterken. Door met elkaar passende rituelen te vinden, levende ontmoetingen te organiseren en door samenwerken als samenspel te ensceneren; in plaats van de gebruikelijke machtstructuur en een gehoorzaamheidsmoraal. Het ontwikkelen van verbondenheid als een gemeenschap berust op de pathos dienstbaar aan het leven zelf te willen zijn.

Het hart dat zich afsluit of verbindt met de levensstroom

In het groot, in de context van een samenleving, en in kleine leefverbanden zoals het gezin, zowel als bij het organiseren van werkverbanden, is er een parallel te ontdekken tussen meer onderdrukkende versus vrije en open vormen van samenhang en samenspel. Vrijheid aankunnen als groep vraagt van mensen zelf verantwoordelijk te willen en kunnen zijn. In de mate dat men dat niet kan, wil of verleerd is, ontstaan er vormen van overheersing en onderdrukking. Van openlijk en fysiek tot psychisch geweld op basis van ‘verdeel en heers’, met gedwongen loyaliteit aan de bedrijfsnormen (bijvoorbeeld door het ondertekenen van een gedragscode) en het afstraffen van afwijkingen van de norm.

Afbeelding 15: Bergen zijn bergen, of toch niet? ― ‘the Blue Mountains’ foto Heidi Muijen voor de game Quest for wisdom

Paradoxaal genoeg vraagt een weg van bevrijding uit dwingende kaders jarenlange discipline en is ze nochtans niet manipulatief te realiseren! Zogenaamde ‘koans’ en paradoxen zijn hulpmiddelen zich te bevrijden uit de dwang van de normaliteit en het rechtlijnige geloof in ‘regel is regel’. Het mediteren op een koan als oefening in bevrijding krijgen leerlingen van hun boeddhistische leermeester mee (Watts, 1976, 82-83, 96, 124).

Koans zijn paradoxale spreuken of onmogelijke vragen, zoals “Wat is het geluid van één klappende hand?”. In plaats van een ‘rationele oplossing’ van het raadsel, zijn humor, inleving en een gevoel voor het absurde goede ingrediënten de mens te bevrijden uit de beperking van een rationele benadering:

“Dertig jaar geleden, voordat ik de studie van zen begon zei ik: ‘Bergen zijn bergen, rivieren zijn rivieren.’

Nadat ik inzicht had verkregen in de waarheid van zen door het onderricht van een goede meester, zei ik: ‘Bergen zijn geen bergen, rivieren zijn geen rivieren.’

Maar nu, nu ik de plaats van uiteindelijke rust bereikt heb, zeg ik: ‘Bergen zijn werkelijk bergen en rivieren zijn daadwerkelijk rivieren.’

Het wordt afgesloten met de intrigerende vraag:

‘Denk je dat deze drie opvattingen hetzelfde zijn of verschillend?”

Rizzuto in: Quest for wisdom, 03-2018.

De antieke levenskunst benoemt ‘zielerust’ als pathos die bij de verbondenheid met een omvattende ordening behoort. Die ‘gelukzaligheid’ — in het oud-Grieks eudaimonia — is een rust die gepaard gaat met euthymia ofwel een ‘welgemoed’ zijn. Deze pathos raakt aan de grens van een andere elementaire, etherische sfeer, namelijk de verbondenheid met een kosmische orde, niet via redelijk inzicht (logos) maar als mystieke ervaring.

Ook andere wijsheidstradities omschrijven een eenheidservaring als hoogst haalbare vorm van levensgeluk, zoals satori, moksha, het deelachtig worden van genade, verlichting of het ont-wikkelen van een boeddha-natuur. Enerzijds worden doel en weg in verschillende culturele contexten zeer verschillend omschreven, anderzijds duiden ze op een proces van bevrijding, als een terugkeer naar een ‘oorspronkelijke natuur’ van spontaan, kwetsbaar en puur zijn. De ‘oorsprong’ ont-vouwt zich achter het masker (de persona). Dat kan zich evolutionair voltrekken door levenslange discipline in een moeizaam ontwikkelingsproces of revolutionair: verlichting als een blikseminslag, bij ‘genade’.

Logos en de sfeer van het algemeen belang

Het ogenblik komt
niet ver weg misschien
dat de mens zelfs verliest
wat hij niet bezit.

De glans van een steen
in de zandwoestijn
is dan nergens meer
zonder weg erheen.

Ik ga onteigend
Ik weet niet door wie
een weg die niet zijn kan
die mij gaat misschien.

Martin Leopold, 1976, p. 29

Dit gedicht van Leopold roept bij mij een mystieke levenswandel op: de wijsheid van het ‘niet-weten’ en het ‘onteigend’ zijn; het bewandelen van de levensweg vanuit innerlijke noodzaak, voorbij ego-gebonden belangen. Het verkrijgen van inzicht in de sfeer van het algemeen belang wordt in de klassieke filosofie aangeduid met ‘logos’. In het gedicht verwijzen mythische beelden van de woestijn, de glans op een steen en het gaan zonder weg, naar die sfeer.

Afbeelding 16: door het Zagros-gebergte (Iran) – foto Joke Koppius

De dichter keert de normaliteit om en laat daarmee het ware van het absurde voelen, net zoals bij een koan: door te schetsen dat de activiteit van het bewandelen van de levensweg niet van de mens uitgaat, maar van ‘het andere’. Een wending in de levenshouding klinkt in de zinsnede hoe de dichter op weg is, ‘op een weg die niet zijn kan, die mij gaat misschien’. Dat voelt als een zich terugtrekkende beweging, zoals de zee bij eb. Een zachte kracht die ruimte geeft. Als een zich vrij voelen en tegelijkertijd voortgedreven worden door een stille kracht. Daartoe is er ‘onthechten’ nodig, een mystiek motief waar stil-zijn en laten zijn als grondhoudingen bij passen. Zo’n levenshouding schept ruimte voor andere zienswijzen wat zowel zichzelf als de ander vrij maakt.

Stilte en laten zijn…

Houdt stilte in haar wijsheid iets verborgen dat de mens, juist dankzij die stille, omhullende wijze van zijn, iets te zeggen en te geven heeft? Verbinding met stilte voelt als een geschenk, een gevulde leegte. Die vervulling ontvangt de dichter op het ogenblik dat alle bezit (vasthouden aan zekerheden) wegvalt. Zoals de ademhaling ons verbindt met de lucht buiten ons, zo is er is er van binnenuit verbinding met iets dat het egobewustzijn overstijgt. Het gedicht verklaart niet, maar toont die omvattende ordening als onuitsprekelijke verbondenheid (religio) van waaruit mensen voortgedreven worden.

Symbolisch gezien geeft lucht zowel letterlijk als figuurlijk ruimte aan betekenisvolle handelingen en ontmoetingen, die — anders dan doelgerichte acties en resultaatgerichte interventies — zinvol in zichzelf zijn. Om dit te kunnen ervaren is het nodig eerst ruimte in en tussen mensen te scheppen. Dat kan bijvoorbeeld door stilte (De Ronde en Gronouwe, 2013) als element te erkennen dat ook van belang is in begeleiding. Stilte hoort bij een sfeer van bezinning op het waartoe. Dan kunnen ego- en bedrijfsbelangen verbonden worden met een algemeen belang. In die beweging kan ook voelbaar worden, waarover dichters en mystici stamelen, de sfeer van het onzegbare; en waarbij een levenswijze van ‘ontlediging’ en belangeloosheid past.

De spiraal als beweging: draaien rond leegte

Afbeelding 17: Leven vanuit natuurlijke verbondenheid, ‘circles of life’ ― foto Miny Verberne voor de game Quest for wisdom

De spiraal symboliseert allerlei draaiende bewegingen — naar het centrum en weer naar buiten, een heen en weer bewegen en een rondgang — zoals blaadjes in de wind, de golven op het water, eb en vloed van de zee, die haar ritmische patronen in het zand achterlaat. Ritmisch is de vrije ademhaling waarmee de mens resonerend verbonden is met ‘het andere’, met het luchtige element. Daarmee duidt de spiraal als symbool op congruentie tussen binnenkant en buitenkant, op afstemming tussen zichzelf en de ander. Die zijnswijze is een ritmisch naar binnen en weer buiten toe bewegen. De spiralende beweging kent een parallelle mentale kracht: een ont-wikkeling vanuit de scheppende, spontane levenswil.

Wanneer we de spiraal opvatten als een existentieel symbool, duidt ze op het wederkerig bij je zelf èn de ander, hier en daar, aanwezig kunnen zijn in een omvattend bewustzijn, volgens oude hermetische wijsheid: ‘zo boven, zo beneden, zo binnen, zo buiten’. Ademruimte brengt een vrije verbinding van mensen tot stand, met zichzelf en met anderen in kringen van betrokkenheid (circles of life); vrijer dan de verplichtende bloed- en familiebanden. De spiraal verbeeldt een vrijmakende èn verbindende beweging, gelaagd op meerdere niveaus: zowel politiek (kosmopolitisch), ecologisch (de natuur als ordening die de economische orde begrenst) en spiritueel (eenheidsbewustzijn).

Ademhaling als middel tot bevrijding

Het is opmerkelijk dat juist het basale gegeven van de ademhaling, dat zich buiten de bewuste wil om voltrekt, in meditatiepraktijken wordt gebruikt als focus voor bewustwording. De verbinding met het lucht element, de elementaire sfeer van ‘logos’, symboliseert hoe mensen elk moment in het leven als kantelpunt kunnen aangrijpen naar een andere ziens- en zijnswijze.

Alleen al het besef van die mogelijkheid geeft een heilzaam rustpunt: niet lineair als een pijl alleen maar vooruit willen gaan, maar spiralend ook weer terug- en inkeren. Dat kan door stil te staan bij de dingen, bij wat er toe doet. Bijvoorbeeld door het vertrek van iemand uit het team niet achteloos aan zich voorbij te laten gaan en aandacht te geven aan wat dat voor de mensen betekent. Niet alleen willen innoveren, maar ook het goede behouden. Niet veranderen om te veranderen, maar vragen ‘waartoe’?

Afbeelding 18: De spiraal, symbool op de dialoogtafel Wat is de kwestie?-Wat is de questie!

Als symbool van elementaire levenskunst roept de spiraal op tot een bevrijd bestaan door (knellende) kaders van zich af te werpen. De ritmische en ademende beweging duidt symbolisch op het verwijden van de beperkte logica van het verstand door ‘logos’ als een omvattender ijkpunt op te vatten met principes van gelaagdheid, meerduidigheid en wederkerigheid. Dit is voelbaar in het besef dat ‘de’ werkelijkheid geen objectiviteit buiten ons is, veeleer een resonantieruimte tussen binnen en buiten. De spiraal verbeeldt de werkelijkheid als verbinding tussen subjectieve beleving en objectieve realiteit.

Resonantieruimte en dia-logos

De spiraal beduidt de ‘logos’ als ijkpunt van ‘het goede leven’, niet volgens heersende opinies, maar bezien vanuit een overkoepelend gezichtspunt. Vertaald naar de huidige tijd zou dit principe ‘de dia- logos’ kunnen zijn, het open gesprek vanuit een onderzoekende dialoog met betrokkenen, met wijsheden uit verschillende culturele tradities. Interessant in dit verband is dat denkers zoals Derrida, Buber en Levinas, ethiek en spiritualiteit in verband brengen met ‘de vreemde ander’, die de mens oproept tot ‘ethos’ en ‘presentie’:

“Afstammeling van Abraham — mensen die van hun voorvaderen een moeilijke traditie hebben geërfd van verplichtingen jegens de ander (…) verplichting om te voeden en onderdak te bieden.”

Levinas in Baanders, 2007, p. 126.

De filosofische traditie van levenskunst reikt begrippen en beelden aan die helpen het menselijk bestaan als volheid (meerdimensionaal, diepte, gevulde leegte) te duiden. Door het leven te benaderen als een reis met hoogte en dieptepunten. Door aan de horizontale tijdsruimtelijke uitgestrektheid van verleden – heden – toekomst ook een dieptedimensie te verbinden. Geen metafysische verticaliteit, maar zeer nabij als ‘inslag van het Gelaat’. De complexe gelaagdheid en meerduidigheid vraagt ‘interpunctie’ door transities en ingrijpende gebeurtenissen te markeren, door te rouwen en door het leven te vieren.

Afbeelding 19: Het vonkje en de vlinder zijn symbolen voor de ziel ― foto Joke Koppius

Zo laat ik mij aanspreken door de metaforische wijze waarop dichters en filosofen van de levenskunst de existentie verbeelden: als vlinder of als ‘verhouding’, bevrijd van dominante kaders. Plato’s innerlijke stem ofwel daimon, de geest, het stoïcijnse ijkpunt van het innerlijk kompas, het geweten, of zielevonkje in teksten van mystici. Het zijn allemaal beelden die de stille stem uit de diepte vertolken: als een oproep, die mensen wakker schudt, spiralend tot zichzelf zowel als naar de ander en ‘het andere’ toe wenden, zich te realiseren relatie te zijn (in plaats van relaties te hebben).

De spiraal geeft een beweging van ‘deconstructie’ aan, die vrij maakt en mensen oproept zich te onttrekken aan de orde van de normaliteit, zoals prins Claus, in dat onvergetelijke televisie beeld, zijn stropdas afwierp. In de mate dat mensen kwetsbaar durven zijn, en zich zelf vrijer ten opzichte van dwingende referentiekaders voelen, realiseren zij tevens een bestaanswijze die vrijheid schept in verhouding tot anderen; en die daarmee ook anderen de ruimte geeft vrij en kwetsbaar te mogen zijn.

Differentiedenkers, dialogische filosofie en boeddhistische denkers wijzen allen, hoe verschillend ook, op een leegte ‘onder’ of ‘tussen’ de zichtbare zijnsordening, een ‘sfeer’ die vooraf gaat aan referentiekaders, voorbij identiteiten en toeschrijvingen (identificaties) volgens dominante vocabulaires en taalspelen. Genoemde filosofen kwalificeren ‘de’ werkelijkheid niet objectiverend maar relationeel, in de zin van een omvattende en verbindende ordening (de ‘logos’) die de gewoontewet en sociale codes van een groep (de ‘nomos’) relativeert! Ze laten zien hoe een door macht en agressie, door groeps- en eigen belangen bepaalde wereld niet ‘de’ werkelijkheid is. Dat geeft troost en schept ruimte, inter-esse, voor het kunnen laten zijn, open, mild en liefdevol.

De lemniscaat: de oneindige beweging tussen sferen

Spinoza beschouwde levensgeluk als het ‘waarachtige en hoogste goed’:

“de liefde tot een eeuwige en oneindige zaak die de ziel voedt en te allen tijde zonder droefheid is”. Dit in tegenstelling tot het najagen van rijkdom, eer en lust, drijfveren die de geest verstrooien en afstompen. De ziel voelt zich na het ‘bereiken’ van dit ‘platte geluk’ zelf ook terneergeslagen en leeg; steeds meer verlangend die leegte in zichzelf op te vullen, wat nooit gelukt. Door levensgeluk als hoogste doel te onderkennen, bereikt de mens een “sterkere natuur” en “kennis van de eenheid van de geest met de gehele Natuur”.

Spinoza in Klever, 1986, p. 61-65.

Uiteindelijk berust levensgeluk op het ervaren van en het liefdevolle inzicht in de eenheid achter de veelheid, aldus Spinoza. Het deelhebben aan die eenheid vormt tevens de basis voor betrouwbare kennis, passend in de traditie van levenskunst, die zelfkennis (volgens de klassieke oproep ‘gnothi seauton’) als sleutel aangrijpt voor kennis van het al.

Filosofische levenskunst verdiept de opvatting over geluk als een ’subjectief gevoel’, iets dat tussen de oren zit of zich beperkt tot de privésfeer, tot een gemeenschappelijke zaak van het hoogste belang. Wijsheidstradities uit oost en west, noord en zuid zien het als kern van menswording (zelfrealisatie als enkeling) en gemeenschapsvorming (compassie, liefde tussen mensen).

Een volle vorm van levensgeluk als interpretatiesleutel voor de kwestie van de kosmopolis blijkt een filosofische questie van het hoogste belang! Het vraagt een wending van de ziel niet alleen rationeel maar ook reëel en vanuit compassie ieders levensgeluk als het hoogste goed te zien dat deelbelangen relativeert.

Levensgeluk als hoogste belang

Afbeelding 20: sleutel als symbool voor inzicht in de samenhang der dingen.

In de context van globalisering is de ontwikkeling van een kuddegeest van met elkaar strijdige belangen en collectiviteiten naar een geest van kosmopolitisme een waagstuk, waarvan de uitkomst uiterst ongewis en broos is. Dit thema luidde ik in met behulp van de metafoor van Peter Sloterdijk: hoe het oprekken van de ‘geosfeer’ tot de gehele aarde sferologisch het uiterste van al haar bewoners vraagt. Toch lijkt het kantelpunt bereikt, gezien dat steeds meer mensen zich realiseren hoe er ecologisch, economisch en sociaal steeds hogere rekeningen gepresenteerd worden. In plaats van het optrekken van muren tussen culturen en het terugbetalen met gelijke munt van haat en agressie, is er juist een beweging in de omgekeerde richting nodig, teneinde de kwaal bij de wortel aan te pakken.

Een laatmoderne levenskunst (Rizzuto, 2014) staat voor de opgave de oude inzichten en oefeningen uit wijsheidstradities aan interculturele contexten aan te passen. In plaats van een strijd om de waarheid tussen religies en culturen is het zinvoller juist de mogelijkheid tot ‘perspectiefwisseling’ te omarmen voor vloeibare tijden (Bauman, 2001). Diverse wijsheidstradities geven verschillend vorm aan het beoefenen van een liefdevolle, open staat van zijn, met een eigen inkleuring van het volle levensgeluk, als praxis en concept.

Misschien gaat het er bij het beoefenen van elementaire levenskunst minder om zich letterlijk uit de wereld terug te trekken volgens religieuze of spirituele regels, als wel daarin volop te participeren in verbinding met het volle leven. De verbondenheid met de natuurlijke elementen en elementaire sferen van het bestaan helpt mensen gehoor te geven aan de oproep tot compassie en liefdevol handelen. Leven in ‘elementaire sferen’, met verbeeldingskracht (het oog, mythos), vurig ervoor gaan (de hand, ethos), meestromend (het hart, pathos), luchtig en relativerend en relaterend aan een omvattende onuitsprekelijke orde (de spiraalbeweging, logos).

Leven tussen mensen en levensmotieven

Ter afsluiting enkele kernpunten voor ‘the pursuit of happiness’ op de mondiale schaal van de ‘kosmopolis’, bezien vanuit het liefdevolle inzicht in de eenheid, zoals Spinoza dit formuleerde. Die eenheid zou de as van medemenselijkheid kunnen vormen, de axis mundi, waar andere aspecten van mens-zijn — bloedbanden, economische en religieuze verbanden, etnische en culturele verwantschappen en collectieve identiteiten — als een complex raderwerk omheen draaien.

De lemniscaat als symbool duidt op de oneindige beweging van de kosmische orde die ons omringt. Dat besef vraagt het relateren van de doelgerichte houding van de waan van de dag met het leven ‘van binnenuit’; zoals samenspel de speelruimte, het spel en de spelers (ondanks persoonlijke belangen) met elkaar verbindt.

Afbeelding 21: De lemniscaat als symbool van de quintessence, het samenspel van de vier elementen

Elementaire levenskunst roept op te vertrouwen op die ‘onzichtbare as’ van medemenselijkheid door:

  1. Ethos: een houding van betrokkenheid naar de ander, zich zelf en naar de wereld, als basis voor politiek handelen en verantwoording te nemen voor de inrichting van het dagelijkse (werk-)leven (de ‘politiek in organisaties’).
  2. Mythos: interculturele verhalen, rituelen en symbolen voor het weven van netwerken en bouwen van bruggen tussen (sub)culturen, door middel van storytelling, transculturele symbolen en verbindende rituelen.
  3. Pathos: het hart laten spreken vanuit geraaktheid: samen werken aan een cultuur van vertrouwen door kwetsbaar, aanraakbaar en aanspreekbaar te zijn voor elkaar, de liefdevolle kracht die aan de basis staat van alle samenlevingsvormen.
  4. Logos: liefdevol inzicht in de natuurlijke verbondenheid, de eenheid achter de veelheid: leven vanuit ecologische verbanden en een (globaal, kosmisch, mediaal, … ) bewustzijn als wezens die wederzijds afhankelijk zijn van elkaar.
  5. Lemniscaat: samenspel van Ethos, Mythos, Pathos en Logos door de diverse domeinen van het leven te verbinden in een oneindige dynamiek, een cyclisch leerproces zonder eindpunt.

Dat betekent een levenslange opgave zowel morele als machtsmotieven, liefdevolheid zowel als hebzucht en agressie, bij zichzelf en de ander steeds onder ogen te blijven zien.

Wanneer mensen zich ofwel rücksichtslos in dienst stellen van autoriteiten, dan wel eigen belang en groepswelzijn als ‘slecht’ willen uitsluiten, ontstaat er een vervreemdende en illusoire scheiding tussen ‘wij’ en ‘zij’, tussen een ‘goed’ zelfbeeld en ‘de eigen cultuur’, en een kwade buitenwereld. Dergelijke denkbeelden creëren een schijnwereld en zetten groepen (culturen) tegen elkaar op, afgescheiden van een verbindende werkelijkheid.

Het lijkt mij veeleer te gaan de onmiskenbare realiteit van egoïsme en groepsbelangen te verbinden met het scheppen van een vrijere, belangeloze verhouding tot het leven ten bate van gemeenschappelijk levensgeluk. Een duurzame pursuit of happiness berust uiteindelijk op het welzijn van alle wereldburgers en aardebewoners. Daarom is er voor de transformatie van kuddegeest naar kosmopolitisme zowel een filosofisch kader nodig om de wenselijke veranderingen te kunnen duiden als een symbolische taal van de ziel, die mensen in het hart raakt en motiveert zelf de verandering te zijn die zij wensen te zien, naar de wijze woorden van Gandhi:

“Be the change you want to see in the world!”

Langs de besproken vijf symbolische aangrijpingspunten kan het scharnieren van ethiek en politiek, van ‘spiritueel’ en ‘politiek’, gestalte krijgen en wanneer ieder in het klein en in eigen invloedssfeer begint. Deze route zal ik in een volgende bijdrage vervolgen met een beschrijving van een intercultureel Rad van Levenskunst. Op dit ‘filosofische rad’ is de game Quest for wisdom gebaseerd, waarmee mensen symbolische ankers krijgen aangereikt voor de ontwikkeling van interculturele levenskunst.

De complete literatuurlijst van deze serie is via levenskunst-en-levensgeluk-literatuur te vinden.

Noten

[1] Bron: Versnellende tijden
[2] Bron: De hand
[3] Bron: Het ‘managen’ is afkomstig van ‘manus’
[4] Bron: De nar
[5] Nietzsche, 1984, II, 400.
[6] Bron: Sirene 

Avatar foto

van Thymia, filosofische praktijk voor levenskunst en creatieve ontwikkeling te Weesp heeft in 2016 de Stichting Quest for wisdom foundation opgericht. Het eerste project van de stichting is de digitale spelvorm game Quest for wisdom. Als tweede project wordt het Wijsheidsweb ontwikkeld. Heidi Muijen is ontwerper van het filosofisch-mythische bordspel Mens, ken je zelf en van de ont-dekkende dialoogvormen Wat is de kwestie?-Wat is de questie!.