Jumeroeme ofwel “Sterke vrouw” vertelt

0

Een Indiaans verhaal van tante Rosa

Heidi Muijen & Johann Gomes op woensdag 15 juni 2022

Wij bezoeken ‘tante Rosa’ of ‘oma Rosa’, zoals ze door haar goede vrienden, familie en (klein)kinderen wordt genoemd, op een woensdagochtend, een stralende junidag: haar deur naar het balkon staat open en zij gaat koffie voor ons zetten.
In het gesprek leren we haar inheemse naam kennen, gegeven door de Surinaamse medicijnman die haar genas toen ze op 11-jarige leeftijd het leven leek te hebben gegeven: Jumeroeme, dat in de taal van de Caraïb Indianen ‘Sterke vrouw’ betekent.

Het gesprek meandert langs deze ‘tweede geboorte’ naar haar leven in Nederland, hoe ze sinds 1982 in Weesp heeft gewoond en gewerkt. Hoe ze samen met haar dochter Jennifer Chobin, voorzitter van de vereniging Wehpokamanong van inheems Surinaamse Indianen in Nederland, zich inzet voor het doorgeven van de eigen cultuur aan de volgende generatie. Steeds meer herinneringen borrelen er op uit de rivier van haar rijke herinneringen, waarvan het soms juist ook goed is die te vergeten.

En Rosa’s verhalen roepen ook gedeelde herinneringen op van de familiegeschiedenis in Suriname; zoals het leven van Johanns moeder als kindermeisje bij een Hollandse familie en de invloed van zendeling Jan Kool, die zendingswerk deed aan de Marowijne, op Johanns leven.

Waar zal ik beginnen?

Tante Rosa zet de koffie op tafel aan de ronde tafel, waar ze het liefste zit.

Ik was de vijfde van 12 kinderen en mijn broer Reinier was de oudste. Ik ben van 1944. We leefden in Bigi Poika, een dorp van de Caraïben, onder traditioneel inheems gezag van een zo geheten kapitein, in het district Para tussen de rivieren Saramacca en Coesewijne.

De ‘life changing event’ en ‘bijna dood ervaring’, zoals we nu haar schijndood zouden noemen, vond plaats op haar 11e jaar. Rosa werd met geneeskracht van de ‘Palulu bloem’ — een plant uit het oerwoud — als ‘sterke vrouw’ herboren, toen ze samen met haar zusje Stella was, op anderhalf uur lopen van het dorp.

“Mijn zusje is dood”, huilde zij en ook mijn moeder, terug in het dorp weende “Mijn meisje is dood, Rosa is dood!” en de kerkklokken werden geluid om iedereen in het dorp te laten weten dat er iemand uit de gemeenschap was ontvallen.

Naar de gewoonte zou zij direct begraven worden, ware het niet dat de piai dit tegenhield. Rosa benadrukt:

Een piai is niet zomaar iemand, maar een geleerde dokter! Deze nam toch zijn rammelaar ter hand, hoewel hij deze niet bij doden maar alleen bij ernstig zieken mag gebruiken, want hij zag dat er nog leven in mij was. Hij drukte mijn moeder op het hart elke dag verse cassavepap voor me te maken. Want hij wist dat ik daarnaar zou vragen als ik wakker zou worden na drie dagen. En zo gebeurde het ook!

Het was het vers opgevangen vocht uit een blad van de één keer per jaar bloeiende rode Palulu die haar genas.

De rode Palulu[1]

Als Heidi ‘Jumeroeme’, de door de piai gegeven naam probeer uit te spreken, verbetert Rosa haar nadrukkelijk:

Niet Joemeroemé maar Joemeroemúú!

Haar aanstekelijke lach vult de kamer:

Wanneer je het op é laat eindigen is het een ding en ik ben nog levend!

Zij vertelt verder en we horen hoe ze tijdens haar opgroeien in Suriname haar naam eer aandoet. De piai waarschuwde haar dat niemand haar mocht slaan, ook als ze een vriend zou krijgen en zou trouwen: “Laat niemand je op het hoofd slaan, anders ga je direct dood!”. Daar hield ze iedereen aan, behalve haar broer die mocht dat wel, maar niet op het hoofd.

Zoals gebruikelijk was in die tijd werd ze met een aantal Indiaanse meisjes naar de stad gestuurd voor werk in de huishouding van welgestelden. Ze werden een ‘kweekje’ genoemd en als de meisjes hard genoeg werkten mochten ze ook naar school.

Ja, dat was héél hard werken voor ‘de mevrouw’ totdat ik 14 jaar was en begon te menstrueren. Volgens de Indiaanse cultuur is het dan zo dat je vrouw bent geworden en gaat trouwen. Mijn oudste zus bracht me toen naar Bigi Poika, naar een heel oude man. “Nee, dat ga ik echt niet doen”, zei ik tegen mijn zus, en wij gingen weer de boot in en zij bracht mij terug de rivier af naar de stad.
Daar ben ik opnieuw bij een Nederlandse familie terecht gekomen. Het was eigenlijk net alsof de oude tijden van slavernij er nog waren; de mevrouw hoefde niets meer te doen en de Indiaanse meisjes deden al het werk. Tot ik dat niet meer aankon en ik in 1979 naar Nederland vertrok. Het leven daar was in het begin ook heel moeilijk!

In 1982 vond ik werk in Weesp in de bejaardenzorg, waar ik 200 gulden per maand kreeg met kost en inwoning. Echt een vorstelijk salaris voor die tijd en met wat ik in Suriname gewend was. Zo heb ik goed geboerd en ben er 43 jaar blijven werken.

Plots geeft Rosa een draai aan het gesprek:

Zo dat was mijn verhaal en nu komen jullie met jullie verhaal — ik ben er helemaal klaar voor!

Heidi herinnert haar aan onze ontmoeting in de Buurtkamer een jaar geleden en hoe wij vanuit de stichting Quest for wisdom ernaar streven culturen met elkaar in verbinding te brengen en het belangrijk vinden dat meer mensen haar verhaal kunnen horen en erdoor geïnspireerd raken.

Meteen veert Rosa op

Dat is een heel gevoelige plek, want ik heb de oorlog verklaard!

Dan komen er herinneringen naar boven aan een oude strijd tussen inheemse Surinamers, ook hier in Nederland met spanningen tussen groepen Arowakken en de Caraïben — tegen elkaar uitgespeeld door het koloniale bewind (Pronk, 2020, p. 20).

Laatst kwam mijn dochter thuis en zei “Ze hebben het weer over jou gehad.”

Rosa legt uit dat het haar missie is haar cultuur zoveel mogelijk over te dragen aan de jonge generatie met het inheemse eten en door hen taalles te geven:

Met mijn kleinkinderen wil ik ook in de Indiaanse taal kunnen spreken. En dat zij de oude liederen leren zingen.

Dat ligt kennelijk bij de Arowakken gevoelig: “Wat denkt die tante Rosa wel wat ze zomaar in haar woonkamer kan doen!” Rosa gaat niet mee in de roddel en achterklap en stelt haar dochter gerust:

Dat is toch goed wat ze zeggen, alleen maar reclame. Zoals ze het zeiden had ik het nog niet gedaan, maar wat een goed idee om in mijn woonkamer te beginnen, dank je, dat ga ik doen!

Ze speelt het spel met open vizier en spreekt de leider van groep erop aan:

U bent Arowak en ik ben Caraïb. Maar we eten allemaal hetzelfde en we dansen de sambura. Waarom kunnen we niet samen uit één bord eten?

Een groep Sambura drummers bij Bigi Poika[2]

En voegt zij er met klem aan toe

“Doe iets!”.

Rosa wil niet alleen de strijdbijl begraven maar steekt de handen uit de mouwen, waar ze kan. Zo heeft ze een oude eenzame vrouw in huis genomen en voor haar peperwater en cassave gekookt.

Wat was ze blij om niet vlees en aardappelen te hoeven eten!

Zij vertelt dat ze elke dag teveel eten kookt en het toch altijd op gaat. Haar deur staat altijd open.
Haar (klein)kinderen herinneren haar nog steeds aan een vermaarde bbq die zij eens als groep aan de Gaasperplas hielden en zij een donkere man aansprak, die zij alleen onder een boom zag zitten.

Dat kan toch niet; alleen blijven terwijl wij eten? En ik nodigde hem uit bij ons te komen zitten. Hij had zo’n honger dat hij bijna al het bbq vlees had opgegeten!

Met overtuiging voegt ze eraan toe:

Ja, buiten het Indiaans geloof ben ik ook een christen. En zo staat het ook in de bijbel, ‘Heb uw naast lief’!
Ja, het leven is een strijd …

Dat maakt haar gastvrijheid er niet minder om — in tegendeel. Hoe mooi en inspirerend is het te ervaren hoe zij haar Indiaanse cultuur trouw blijft en tegelijkertijd zich uitgesproken christen voelt. Hoe beide ‘overtuigingen’ in haar leven en wezen samenvallen. Zij toont ons een echt kosmopolitisme door haar levenswijze, door wat zij in haar doen en laten uitdraagt ‘wij zijn allen één!’

Zo blijft Rosa ‘Sterke vrouw’ en zet met haar inzet voor de gemeenschap eigenlijk het werk voort van de inmiddels overleden piai. Zij wil de mensen wakker schudden.

Ik ben begonnen met het vertalen van de oude liederen.

Johann begint spontaan te zingen

Penpentwa …, Penpentwa …

En hij toont een wiegend gebaar, zoals hij zijn kleinzoon met dat lied wiegde; op drie stappen voorwaarts en twee achteruit. Het is een oud lied[3] dat bij beiden een brede glimlach ontlokt! Wat betekent dat lied eigenlijk?
Rosa herkent in ‘twa’ de naam van de zangvogel Twa twa en Johann geeft op ‘penpentwa’ het ritme aan bij het dansend in slaap wiegen van zijn (klein)kindje. Ook zonder de herkomst precies te traceren is het mooi en betekenisvol. Dan herinnert Johann zich zijn indiaanse troetelnaam ‘Guyanahani’ of in het Nederlands Hanni, naar het goudmeer met veel roodgoud: “Zo waren mijn haren toen”.

Twa twa zangvogel[4]

In verband met de oude Indiaanse betekenissen noemt Johann een onderzoeksproject aan de Universiteit van Amsterdam onder leiding van Hermine Haman, waarbij studenten helpen de creoolse taal van Suriname, maar ook het Fries in Nederland, te behouden en samen de oude verhalen van mensen op te tekenen; verhalen over hoe zij zich het leven herinneren vanaf de slaventijd.

Rosa roept uit:

Dat vind ik zeer interessant! Ik wil graag met die groep in contact komen.

Dan vertelt zij van een vriendin uit de Bijlmer met een groep ‘Gran Krutu’. Johann vertelt van de herkomst van ‘Krutu’ als een inheemse vorm van rechtspraak, ontstaan uit de tijd van de bosnegers, die als verschillende groepen met elkaar het drinkwater, jachtgebied en andere noodzakelijke dingen des levens bespraken en de Basha’s (onderkapiteinen) bij meningsverschillen door onderling gesprek er uit moesten zien te komen. Eigenlijk zoals een ‘palaver’ of een ‘parlement’.
Rosa lacht bij dat laatste woord en vertelt hoe het leven hier in Nederland als een ‘parlement’ voelt door de drukte van hard werken en als gezin de dingen steeds moeten overleggen, zoals over het bezoeken van haar kinderen en wanneer daar tijd voor is.

Hier in Nederland heeft ze zich bij een kerk aangesloten en put veel kracht uit haar geloof. Hierdoor kan ze alle problemen aan, die hangt ze aan een olijftak die zo krachtig is dat deze nooit breekt. Ook kon ze door haar spirituele kracht een terugkerende droom met een slang, die haar belaagde, doen stoppen. Ze voelt zich een ‘wereldreiziger’. En is zo gelukkig met haar kleinkinderen en dat ze elke dag mag opstaan. Tegenwoordig houdt zij dat geluk meer voor zichzelf — vroeger belde ze elke dag haar kinderen even op, om te horen of ze nog leefden. Vooral met haar kleindochter, die zo mooi zingt, is ze zo blij!

Zo stromen er rijke beelden vol schoonheid, troost en symboliek in de gedeelde herinneringen als een ruisende rivier; zoals broer Reinier in zijn boek (Artiest, 2016, p. 80) beschreef als hij de stem van zijn grootvader herinnert, wanneer deze zijn verhalen doorgaf en een sigaar opstak als hij over heilige zaken sprak, zoals de betekenis van de mier voor de Indianen:

Mijn grootvader wordt een stem, die stroomt als de Saramacca, dan weer in een stroomversnelling dan weer rustig, maar gestaag naar haar eindbestemming, de zee; en op de golven en golfjes word een eeuwig verhaal meegedragen, te horen voor wie het hoort.

“Ja, hij noemt mij ook in zijn boek, maar dit verhaal staat er niet in hoor!”,

laat Rosa aan het einde van ons gesprek weten. Dan deelt zij haar droom van deze morgen waarin zij voor de kinderen van Reinier eten wilde koken, maar alleen nog maar wat kruimeltjes zag liggen …

De jongste zei “Maar ik heb helemaal geen honger hoor, oma Rosa.”. “Maar ik wel”, antwoordde zij in haar droom “Ik ga samen met je eten!”

Zo eindigde het gesprek zoals we waren begonnen, met het delen van wat je hebt, van de belangrijke dingen die zij zich, ondanks de toeslaande vergeetachtigheid waar zij ook verdrietig om is, wel herinnert; zoals de oude verhalen en betekenisvolle dromen.

Als we vertrekken valt er juist een rozenblad uit de bos bloemen in de vaas op de voicerecorder en zegt Rosa:

Volgende keer ga ik eten voor jullie koken, peperwater en cassave! Maar wacht niet te lang, hè!

  • Artist, R. (2016). Indiaans verhaal: In de schaduw van twee beschavingen. Zutphen: Walburg Pers.
  • Pronk, J. (2020). Suriname: Van wingewest tot natiestaat. Volendam: LM Publishers.
Noten

[1] Bron: Heliconia bihai (rode palulu) bloem
[2] Bron: A group of Carib Amerindians from Suriname (the village of Bigi Poika), playing the huge drums, called sambura
[3] Luister naar Pen Pen Twa https://youtu.be/rY4QiMzlxY0
[4] Bron: Twa twa zangvogel — foto Suniel Chedie

van Thymia, filosofische praktijk voor levenskunst en creatieve ontwikkeling te Weesp heeft in 2016 de Stichting Quest for wisdom foundation opgericht. Het eerste project van de stichting is de digitale spelvorm game Quest for wisdom. Als tweede project wordt het Wijsheidsweb ontwikkeld. Heidi Muijen is ontwerper van het filosofisch-mythische bordspel Mens, ken je zelf en van de ont-dekkende dialoogvormen Wat is de kwestie?-Wat is de questie!.