Wim van de Laar
Uit: Yoga International, mei 2025
Onze hond Bram eet elke dag zo’n beetje hetzelfde. Heel gretig overigens. ’s Ochtends brokken, ’s avonds wat smeuïgs, en zo nu en dan een kluifje. Hij drinkt alleen water, nooit een sapje, laat staan een mixdrankje. Bram oogt heel tevreden.

Als ik voor de derde dag hetzelfde voedsel voor mijn neus zie staan, word ik ongelukkig. Moet ik hier mijn vreugde uit halen?! Terwijl de schappen in de supermarkt uitpuilen van allerlei heerlijks, zit ik voor een onzalig bord met precies dezelfde prut als gisteren. Een hongerige leegte welt in me op. Ach ik, arme, arme ik. Mistroostig kijk ik het aan, dat walmende vat van sudderende verlangens. Waar oh waar, verzucht ik, ligt toch de vervulling van mijn bestaan?
Ik gekscheer wat, maar toch… Wat is toch dat ik dat we beleven als onszelf? Hoe anders dan Bram. Zo gauw je wakker wordt, plopt het op, ‘ik’. Ga je naar bed, dan kruipt het mee onder de lakens. Alleen in de vrede van de diepslaap ben je even van dat ik verlost. Het grijpt je voortdurend bij de kladden, onder het mom van ‘ik heb echt het beste met je voor’.
De beleving van jezelf als een ik geldt in de yoga-filosofie als dé sta-in-de-weg voor een vervullend leven in vrijheid. Het weerhoudt je te zijn wie je wérkelijk bent.
Wonderlijk is dat als je naar het ik gaat zoeken het zich niet laat vinden. Het bestaat alleen in je hoofd, als een bedenksel. Daarbuiten is het er niet. Hoewel het louter een creatie van het denken is – en in die zin een illusie – heeft het wel degelijk impact. Acht miljard mensen geloven er heilig in. Zeg dan maar eens dat het niet echt is!
Je hebt niets te zeggen over je geboorte, niets over het eindgegeven dat je ooit gaat sterven, en ook daartussen gaan de meeste dingen buiten je macht om. Vanwaar stamt dan toch dat idee van een eigenmachtig, geluk schenkend ik?
Een klassieke yogatekst – de Yoga Sūtra van Patañjali – zegt dat dit bedachte zelf voortkomt uit de zogeheten ‘kwellingen’ (klesha’s). Deze kwellingen of ‘verduisteringen’ creëren een soort nevel in je geest. Daardoor valt je oorspronkelijke zicht weg, bots je tegen allerlei dingen aan en doe je jezelf pijn. Er zijn vijf kwellingen: onwetendheid, ik-gevoel, begeerte, afkeer en zelfbehoud.

Onwetendheid geldt als dé oorzaak van lijden, ze ligt aan de basis van de andere vier. Door onwetendheid – het niet-zien van wat er werkelijk is – haal je zaken door elkaar. Je houdt bijvoorbeeld iets wat lijden in zich draagt voor iets wat gelukkig maakt, of iets wat voorbijgaat voor iets blijvends. Bovenal maak je je verschijningsvorm – het lichaam en het denkvermogen – tot je ware zelf, terwijl hij dat helemaal niet is.
Ik-gevoel volgt op onwetendheid. Het is het idee dat je een apart, op-zichzelf-staand iemand bent, los van alles om je heen. Ik-gevoel maakt je ogenschijnlijk tot het centrum van het universum, maar tegelijkertijd tot een eiland. Het wekt een soort ‘existentiële eenzaamheid’. Alles draait om jou en toch voel je je afgescheiden, opgesloten in jezelf. Niemand kan bij je komen, ik-gevoel heeft de verbinding verbroken.
Met ik-gevoel komt de gedachte van ‘mijn en niet-mijn’, mét de vele voorstellingen van wat bevredigd is en wat niet. Dat is de bron van begeerte en afkeer. Je gaat jagen op geluksgevoelens, hoe kortstondig ook, en probeert al het onaangename uit te bannen. Daar zet je steeds op in, al blijken je inspanningen steeds vergeefs. Je meet je aan anderen, als extra olie op het vuur. De hele wereld komt in het teken te staan van dit ego-mechanisme. Het lijkt dat je op zoek bent naar vervulling en waarachtigheid, maar feitelijk draait het om de overleving van het ik. Daar kun je heel gehecht aan raken. Die gebiologeerde blik op dat schijnzelf en de instandhouding daarvan noemt Patañjali zelfbehoud.
Tot zover het nare deel van het verhaal, al zeggen Patañjali en ook de Boeddha wel dat je dit alles echt onder ogen moet komen, wil je ervan bevrijd kunnen raken. Kijk je van dit lijden weg, dan zoekt het ondergronds zijn weg.
Wat de yoga-filosofie ‘opbeurend’ maakt, is dat ze stelt dat lijden en zelfbegoocheling eigen creaties zijn. Je denken kan je een loer draaien, maar je beschikt evengoed over onderscheidingsvermogen, goedheid, kracht en besluitvaardigheid. Als je het denken vanuit die innerlijke kwaliteiten benadert, kun je het vals gesponnen verhaal een andere wending geven. Het raakt de kern van wat men ‘geestelijke oefening’ noemt.
‘Het denken is wispelturig, onstuimig en hardnekkig,’ zegt Arjuna in de Bhagavad Gītā, ‘moeilijker te temmen dan de wind.’ ‘Toch kan het onder controle worden gebracht,’ antwoordt Krishna hem, ‘door oefening (abhyāsa) en onthechting (vairāgya).’
Het beteugelen van de geest is heel cruciaal. De gedachtestroom kan in twee verschillende richtingen bewegen. Er ligt dus een keuze voor. Het denken is óf een speelbal van het ego, óf een instrument waarmee je doordringt tot de werkelijkheid. Met dat laatste neem je afstand van het eerste, je onthecht je van het ik. Je brengt de geest tot bedaren. In die verstilling laat je allerlei identificaties los en ontstaat ruimte voor een andere blik, voor waarachtig inzicht wellicht.
Om het bevrijdende onderricht goed voor het voetlicht te brengen, maken leraren als Patañjali gebruik van metaforen. Het bedwingen van het denken bijvoorbeeld wordt in de Katha Upanishad, een oude wijsheidstekst van het hindoeïsme, verbeeld als ‘rijvaardigheid’. Een wagenmenner (het denken) weet zijn strijdwagen (het lichaam) te besturen, omdat de paarden (de zintuigen) aan hem gehoorzamen. Welbekend is ook het levenswiel, symbool voor hoe je steeds in hetzelfde kringetje kunt blijven ronddraaien (samsāra), of jezelf daaruit juist weet los te maken om weg naar iets anders te gaan, dankzij het ‘wiel van kennis’ (dharma). Dé metafoor van bevrijding is misschien wel de lotus die, ‘geworteld’ in de modder, zich door het water heen een weg baant naar het licht en, rustend op het watervlak, zijn volmaakte bloemenpracht tentoonspreidt.

Veel beeldspraak is ontleend aan de landbouw – logisch, gezien de maatschappij van toen. De geest, zo stelde men, is als een akker waar de gewassen van de gedachtestroom tot wasdom komen. Je woelt de aarde los en bevochtigt haar. In de vruchtbare zaaibedden van de geest strooi je de zaden en later begeleid je de planten in hun natuurlijke groei.
Elke boer kan je vertellen dat het leven op het land niet altijd even harmonisch verloopt. Het kan te nat zijn of te droog, er kunnen schimmels en ongedierte opduiken. Zoals het denken op hol kan slaan, raakt een akker soms overwoekerd door onkruid en invasieve exoten. Op dat moment begint de ware beoefening, het spirituele boeren. Je gaat schoffelen, ongewenste wortels uitgraven, wieden, snoeien, leiden, opbinden. In de dagen van Patañjali hield men er rigoureuze, ascetische methoden op na. Het onkruid stak amper de kop, wildgroei werd meedogenloos uitgeroeid en verbrand. Soms werd een akker volledig onder water gezet, zodat er niets meer kon ontkiemen.
Nu is het lente, het seizoen van ontluikende levenskracht. De vogels kwetteren uitbundig in vers bebladerde bomen. Ook de geest zal zich roeren. Koester de prille scheuten, wees streng naar het weerbarstige kronkelgewas. Vertrouw op je groene vingers, en verheug je in de dagen.