Zijn zonder onderscheid

0

Wim van de Laar

Uit: InZicht, Tijdschrift inzicht.org  

Ik vraag me weleens af hoe de wereld gekend wordt als wij mensen er niet meer zijn. Ons kennen is toch van een bijzondere soort. We zijn onszelf en de wereld om ons heen bewust. Wie anders in dit universum dan de mens maakt dat wonderlijke onderscheid tussen een wereld van fenomenen en een zelf dat daar los van staat? Voor zover ik weet wordt alleen de mens de wereld op die manier gewaar. Wat is de wereld als de mens er niet meer is?

‘Bewustzijn vindt heus wel een nieuwe “container”,’ antwoordde een wijze vriend op mijn vraag, ‘want leegte en vorm zullen elkaar altijd zoeken.’

Mmm, mooi is dat, maar wat als het niet zo is? Wat als onze unieke wijze van kennen ophoudt te bestaan en daar niets voor terugkomt? Het is onvoorstelbaar dat de wereld bestaat zonder onze waarneming, ofwel: dat er objecten zijn zonder een subject waaraan ze ‘verschijnen’.

Onze worsteling met het leven

Ons bestaan is eigenaardig: minuscule wezens overgeleverd aan een oneindige ruimte, in onwetendheid geboren, maar begiftigd met besef. De hond in de mand en de vogel op de tak hebben een heel andere belevenis van de wereld. Ze lijken er op hún manier vrij eenvoudig mee vereend, zonder al te veel verzet.

Glanzende hondenogen

Bij ons ligt dat anders. Wij zitten erin én we hangen erboven. Dat knaagt aan ons levensgemak, aan de ‘vanzelfsprekendheid’ waarmee we er zijn. Ik kijk weleens met afgunst in die glanzende hondenogen, zo authentiek onverschillig, met die onbeschaamde ‘zin erin’.

Onze worsteling met het leven heeft de wereld weinig populair gemaakt. Zeker in spirituele kringen heeft ze nogal eens een wat vulgair, onaangenaam, of zelfs afstotend imago.
In heel oude teksten, zoals de vroege Upanishads, merk je dat niet. De beperkingen en de veranderlijkheid die de wereld in zich draagt, zijn geen reden niet van haar te genieten en ‘met zin’ in haar op te gaan.
Later associeert de hindoeïstische en zeker de boeddhistische traditie de wereld met lijden. Wie zich met haar inlaat, haalt zich een hoop ellende op de hals en wacht vergeefs op iets van blijvende vervulling. De wereld grossiert in valse beloften van genot en weelde. Wie vrijheid verlangt dient zich van haar verlokkingen af te wenden en bij haar weg te gaan. Terugtrekking uit de wereld gold als een belangrijke eerste stap op weg naar verlichting. Ook het lichaam is een bron van pijn en verdriet, een ‘vat vol vuilnis’, bolstaand van zelfzucht, steeds begerig en vol verderf, een niet af te schudden last. Natuurlijk kun je dat zo zien, maar wie valt wat te verwijten? Vanwaar die afkerige blik?

De Wereld, werkelijkheid of voorstelling

In sommige non-dualistische kringen ziet men de wereld als louter een voorstelling, of een aaneenschakeling van voorstellingen. Die aaneenschakeling wekt de illusie van continuïteit. Omdat de wereld er steeds is, weliswaar veranderlijk maar toch tastbaar en concreet, lijkt ze echt. En omdat ze verschijnt als een voorstelling, kun je daar allerlei extra’s in leggen, zoals verlangens of donkerder dingen.
Uiteindelijk bestaat de wereld niet. Ze is illusoir, een droom. Ze verdwijnt als de voorstelling verdwijnt, op het moment dat de begoocheling is doorzien.
Maar waar is de voorstelling zelf op gestoeld? Komt ze alleen voort uit het verbeeldende denken? Of is er een werkelijkheid áchter de voorstelling, die ― vanwege die voorstelling ― verhuld en ongekend blijft? Kun je de werkelijkheid ook direct zien, dat wil zeggen zonder de voorstelling, zonder verlangen en afkeer?

De Upanishads, de bronteksten van het hindoeïsme, zeggen dat de wereld in het begin ongedifferentieerd was ― louter Zijn ― en dat ze zich vervolgens differentieerde in ‘naam en vorm’ ― het zijnde. De dingen, het zijnde, kunnen alleen zo gekend worden, via de koppeling van naam en vorm. Dat geldt ook voor jezelf, al zal niemand zijn uiteindelijke zelf benoemen als naam en vorm. Wie doordenkt weet dat hij zichzelf daarmee tekort doet. ‘Ik’ is meer dan naam en vorm, iets anders zelfs. Voor zijn ‘zelfvinding’ dient hij te zoeken naar het begin, het alles voorafgaande, het ongedifferentieerde. Hoewel het onbenoembaar blijkt, komt dat al dichter bij de waarheid. Het klopt met een intuïtief gevoelde werkelijkheid. Het staat los van de kennis van dingen.

Objecten bestaan echt, onafhankelijk van het denken

Patañjali[1]

De Yoga Sūtra van Patañjali, een van de klassieke yogateksten over Vrijheid, beschrijft nauwgezet hoe wij waarnemen en denken, hoe we de dingen tot ons nemen. Ze veronderstelt als basis voor de voorstelling van iets een ‘materiële’ werkelijkheid.
Volgens Patañjali bestaan objecten echt, los en onafhankelijk van het denken, en zijn ze op zichzelf niet bedacht of illusoir. Hoe anders kunnen ze er het ene moment wel zijn en een eerder of later moment niet? Het denken ziet de dingen als voorstelling. Daarom ook zien mensen de dingen verschillend, want ze verschillen in hun denken. Soms valt de voorstelling samen met hoe iets werkelijk is. Meestal niet.

De tekst schetst een toestand van het denken, ‘versmelting’ (samāpatti) geheten, waarbij de gedachtestroom geheel verstild is en het denken volledig samenvalt met het object waarop zijn aandacht rust. Patañjali vergelijkt die toestand met een doorschijnend kristal, dat kleurt naar het object in zijn nabijheid. Kenner, manier van kennen en het gekende ― de drie ken-elementen ― verdwijnen. Ze zijn versmolten, één. De onderscheiding valt weg, er is alleen ‘dat’.

Die kleuring van het kristal heeft niet meteen haar volmaakte zuiverheid. Dit komt omdat in het kennen nog een vermenging plaatsvindt van naam (woord), voorstelling en object. Deze drie lopen in die eerste fase door elkaar heen en laten zich moeilijk ontwarren. Wat is precies een koe, een tafel, een gedachte? Alleen het object is echt, de andere twee zijn noodzakelijke toevoegingen. Maar waar is het object anders dan in de geest, en hoe kan het daar iets anders zijn dan een voorstelling? De koe staat ginds in de wei, maar zit toch vooral hier (waar?) in je hoofd. Kun je iets kennen zonder het iets te noemen? En wie is eigenlijk de kenner? Waarop is hij gestoeld, zo hij al ergens op gestoeld is?

Het denken is ‘leeg van zichzelf’, onbelast en zonder neigingen

Verwarring en misleiding duren voort zolang het denken naar de dingen grijpt. Het initiatief tot kennen gaat logischerwijs uit van het denken. Dat beweegt zich naar de dingen toe en tracht ze als het ware toe te eigenen. Zeker een onvrije geest kan dat niet laten. In een volgend stadium echter bereikt de yogi ― door aanhoudende oefening (erbij blijven) en onthechting (het loslaten van vaste voorstellingen) ― een fijnere toestand, waarin het denken dusdanig ontspannen is dat de behoefte tot grijpen oplost. Het denken is dan ‘leeg van zichzelf’, onbelast en zonder neigingen. Het kengebeuren ondergaat een omkering: het denken is nergens op uit en gaat nergens naartoe, het neemt passief waar wat verschijnt. De dingen tonen zich nu zoals ze werkelijk zijn, vanuit zichzelf. Men noemt dit een ‘objectgericht conceptloos kennen’. Het is direct, evident, onpersoonlijk. Dit betreft niet alleen de fenomenen, die in het denken verschijnen. Het omvat evenzo de werkzaamheid van het denken zelf, het functioneren van de zintuigen en het ik-gevoel, dat in het denken huist en het idee van individualiteit en afgescheidenheid tevoorschijn brengt.

Murudeshwar Shiva tempel[2]

Verderop in de meditatieve ‘ontwikkeling’ laat de yogi zelfs de objectgerichtheid los en bereikt hij een ultieme toestand van meditatieve absorptie (samādhi). Men noemt haar de ‘Wolk van Totale Opheldering’ (dharma megha), want ze maakt een einde maakt aan alle versluiering en openbaart het ware zelf. Het is een tweede omkering: het ‘kennende’ kijkt nu achterom in plaats van vooruit, niet langer in de richting van objecten. In die finale staat van leegheid herkent het denken Bewustzijn als de alles voorafgaande, alles oplichtende werkelijkheid.

Een bedoeling ‘buiten zichzelf om’

De Sāmkhya-kārikā van Īshvarakrishna, een tekst die met de Yoga Sūtra verbonden is, geeft het bovenstaande een extra dimensie. Ze stelt dat objecten, wanneer ze zich aan het denken tentoonspreiden, een bedoeling meedragen ‘buiten zichzelf om’.
Die onbewuste drijfveer kent twee aspecten. Ze bestaat uit het schenken van ervaring (bhoga) én van bevrijding (apavarga) aan het Zelf dat louter Bewustzijn is, het uiteindelijke subject. Die tweeledige gift is de onderliggende en enige reden van het bestaan van objecten. Ervaring is de beleving van objecten, het proeven van de wereld. Ze geeft de mogelijkheid de aard van de wereld te doorgronden. Bevrijding komt met het inzicht dat de fenomenale wereld en het Zelf verschillend zijn, en de herkenning dat het laatste ― Bewustzijn ― de onverwoestbare eigen essentie is. Dat besef geeft een onmiddellijke ontspanning, een loskomen van de verstrikking met de wereld, en daarmee Vrijheid (kaivalya).

Deel van de 108 karanas of danshoudingen van Shiva Nataraja (uit de Natya Shastra van Bharata Muni)[3]

Objecten doen steeds dat appèl. Ze nodigen uit te ontdekken hoe de werkelijkheid zich verbergt in dit wonderlijke bestaan. De Sāmkhya-kārikā gebruikt ter verheldering van dat gegeven de metafoor van een danseres, die een ‘voorstelling’ geeft. De danseres vertegenwoordigt Oermaterie (prakriti), de oorsprong van de fenomenale wereld. Ze danst en tovert onvermoeibaar haar vele vormen tevoorschijn, puur ten dienste van de toeschouwer: het Zelf. Haar dans eindigt als ze weet ‘ik ben gezien’, en het Zelf, van zijn verstrikking verlost, beseft ‘dit is niet mijn, er is geen ik’.
In werkelijkheid is er ‘niemand die lijdt, niemand die gebonden is, niemand die dient te worden bevrijd’. De danseres verdwijnt van het toneel en keert niet terug. Īshvarakrishna prijst haar als ‘liefdevol en teder’, omdat ze zich zo belangeloos offert voor het heil van de ander. Zij geeft zichzelf, opdat de ander zichzelf vinden kan.

Dan volgt een opmerkelijk vers. ‘Hoewel de twee [Oermaterie en Zelf] nog steeds in elkaars nabijheid verkeren, vindt geen schepping meer plaats.’ Dit zou kunnen betekenen dat de wereld ophoudt te bestaan, dat ze oplost in haar oorsprong. De wereld verdwijnt en Bewustzijn rust in zichzelf. Het uitblijven van schepping kan echter evengoed duiden op de beëindiging van ‘oneigenlijke’ voorstellingen, op de mogelijkheid om de wereld vrij en onbekommerd te beleven, zonder erin verstrikt te raken.

Een ellendige wereld kan nooit iemands bedoeling zijn, een Bewustzijn zonder inhoud evenmin, lijkt mij. Wat als er alleen een ‘zelfgenoegzame’ stilte is, als Bewustzijn niets aan zich ziet verschijnen? Het is alsof de zon aldoor schijnt, zonder een wereld te doen oplichten. Als haar stralen nergens op vallen, blijft de ruimte zwart. Natuurlijk, ze verblijft in zichzelf, vervuld en gelukzalig, ze heeft het niet nodig, maar toch…

Twee eeuwigheden, één werkelijkheid

Wie in de ‘schepping’ tracht door te dringen, merkt dat ze even ongrijpbaar is als Bewustzijn. Ook de dingen laten zich niet ‘vatten’. De sāmkhyafilosofie, die uitgaat van een dualistische grondslag van de werkelijkheid, ziet twee eeuwigheden: Zelf en Oermaterie. Er is de eeuwige duur van het onveranderlijke en de eeuwige duur van dat wat steeds verandert. De eeuwigheid van het onveranderlijke behoort toe aan het Zelf, dat louter Bewustzijn is. De eeuwige duur van het veranderlijke is de onophoudelijke manifestatie van Oermaterie, het rijkelijke vloeien van haar scheppingsdrang, de constant veranderende stroom der dingen.

Één non-dualistische werkelijkheid

De Upanishads zien geen scheiding, zij duiden wereld en Zelf als

‘verschillend niet-verschillend’ (bheda-abheda),

als één non-dualistische werkelijkheid.

‘Waarlijk, dit is dat!’ En: ‘Dat is volledig. Dit is volledig. Volledigheid komt voort uit volledigheid. Wanneer volledigheid van volledigheid wordt weggenomen, blijft volledigheid volledig.’

Ze besluiten deze grote woorden met

‘Aum, vrede, vrede, vrede’.

Aum – pentekening Louis van Marissing

Het is een uitdagend genoegen te bestaan, om je, ‘wetende’ dat je Bewustzijn bent, door de wereld te laten raken en haar niet te verwerpen of af te doen als een begoocheling. Wat een gek idee dat de wereld zou moeten verdwijnen om vrij te kunnen zijn! Er schuilt geen kwaad in de dingen. Het stoplicht dat op rood springt is niet tegen je. De wereld is alom en wil omarmd worden.

In dat wat voorbijgaat word je herinnerd aan dat wat blijft. We zijn een levend mysterie, waarin wat verandert en wat onveranderlijk is zich tegelijkertijd afspelen, nú. In de kristalheldere beleving ervan vallen ze tegen elkaar weg. Het idee van scheiding is fictief, een onwetendheid, louter het gevolg van de vereenzelviging met een van beide. In die zin leert het leven je te balanceren, om niet over te hellen naar het een of het ander, om aan niets vast te houden en steeds in het midden te blijven, in de ontmoeting van het vergankelijke en het onvergankelijke.

Noten

[1] Bron: Standbeeld van Patañjali; dhyana beoefening
[2] Bron: Murudeshwar Shiva tempel, in Karnataka
[3] Bron: Each of the Gopurams have the display all the 108 karanas or dance poses of Lord Shiva as found in the Natya Shastra by Bharata Muni. These postures form the foundation of Bharatanatyam even today. Chidambaram temple ― Photo by Shefali Vaidya

geeft les in yoga en meditatie. Niet alleen de ervaring van openheid en levendigheid die uit de beoefening van yoga verkregen wordt, maar ook de immense rijkdom van de yoga-filosofie — met bovenal het gegeven van vrijheid als het wezen van de eigen natuurlijke staat — is voor hem een dagelijkse bron van inspiratie. Daarin zijn hem de klassieke bronteksten (en de vertaling daarvan) zeer dierbaar: De Upanishads zijn door hem vertaald en toegelicht en hij werkt aan een nieuwe vertaling en toelichting van de Yoga Sutra’s van Patañjali.