Integratie

0

Wim van de Laar

Uit: OM RISE Magazine (van de Leerstoel Hindoe Spiritualiteit en Samenleving, Vrije Universiteit Amsterdam) 

De term yoga lijdt nogal aan ‘betekenisverruiming’. Dat geldt voor meer begrippen uit het Oosten. Dao, zen, karma, nirvāna ― de oorspronkelijke inhoud van deze woorden lijkt ietwat verloren te zijn gegaan. Opvattingen verschuiven. In onze tijd van weelde, drukte en dreiging associëren we yoga doorgaans met lichamelijke en geestelijke gezondheid, met balans, ontspanning, energie, en wat meer stilte in het hoofd. De mens van nu wil ‘goed in zijn lichaam zitten’ en weerbaar zijn, minder prikkelgevoelig. Hij komt al zo moeilijk aan zichzelf toe en ziet nauwelijks meer het wat en hoe van alles, of wat er werkelijk toe doet.

Een van de oudste betekenissen van yoga is ‘intomen’, ‘bedwingen’, en had betrekking op het mennen van een span paarden vanaf de strijdwagen.
In de Katha Upanishad (I.3.3-4) werd dit een van de metaforen van de beheersing van het ‘persoonlijke’ zelf.

‘Ken het Zelf als de meester van de strijdwagen, en het lichaam als de strijdwagen. Ken de intelligentie als de wagenmenner, en het denkvermogen als de teugels. De zintuigen zijn de paarden, zo zegt men, de zintuiglijke objecten de wegen waarover ze gaan…’

Het is het oerbeeld van yoga als de kunst van beheersing. Wie zichzelf weet te beteugelen ― wie zijn wegen kent ― heeft de sleutel tot vrijheid.

Bhagavad Gītā: Krishna begint met zijn uitleg aan Arjuna tijdens de Kurukshetra-oorlog[1]

Ieder mens nestelt zich in zijn bestaan, hoe onmachtig soms ook, en houdt eraan vast. Tegelijkertijd is er het verlangen dit bestaan te ontstijgen, om voorbij de beslotenheid van het eigen zelf te geraken. Het zelf in zichzelf schiet tekort. De verblinding van het ik-gevoel ― de eigenlijke boosdoener, die in bovenstaande metafoor niet wordt genoemd ― doet het feit vergeten, maar het zelf van lichaam en geest is slechts een instrument. Het is niet onze ware identiteit, en zeker niet een oord van blijvende vervulling.
Yoga heeft daarom, naast het beteugelen van het zelf, verbinding tot doel. Verbinding betreft niet alleen het in het gareel brengen van het lichaam, het denken en de zintuigen. Het afstemmen van het instrument is noodzakelijk om een brug te slaan naar een grotere werkelijkheid, naar de vereniging van zelf en Zelf. De yogi verlangt naar een fundamenteel andere staat van zijn, vrij en vreugdevol, voorbij het vergankelijke bestaan en de ‘leegte’ van komen en gaan.

In de oude epische vertellingen, zoals de Mahābhārata, toen yoga evenzeer op het slagveld als in de geest beoefend werd, voerde ze de heldhaftige, maar gesneuvelde krijger voorbij de troebelen van het aardse bestaan naar onsterfelijkheid. Vaardig en verbonden (yogayukta) met zijn strijdwagen ― nu als een soort energetisch vehikel ― koerste hij naar ‘de hemelen voorbij de zon’.
Het slagveld is eenzelfde soort metafoor als het paardenspan. Ze staat, zo lees je in de Bhagavad Gītā, voor een strijd die elders gevoerd wordt, in het hart. Het hart geldt dan niet als een plek van sentimentaliteit, het is de verblijfplaats van het ware Zelf. Het vertegenwoordigt de essentie van wie je bent en, zo zegt de Gītā, het is waar God of Krishna huist. In het hart wordt het kleine zelf overwonnen. Iets sterft en geeft daarmee toegang tot iets anders. Zo krijgt yoga zijn betekenis van verheffing, omwenteling, transformatie.

Chandogya Upanishad, versen 1.1.9-1.2.6[2]

Niemand leeft voor zichzelf, althans niet in vrijheid. Waarachtige vervulling is niet louter individueel, ze beperkt zich niet door afzondering en uitzondering. Ze ziet eenzelfde zelf in alle dingen.

‘Er is geen geluk in iets wat klein is’,

zegt de Chāndogya Upanishad (VII.23).

‘Alleen in het Oneindige is geluk.’

Maar dit geluk sluit niet uit, ook niet het wereldlijke domein, dat wat men in spirituele kringen soms als ‘klein’ bestempelt. Vrijheid is verbondenheid, waar het kleine rust in het grote en het eigen zelf alle andere schepsels bij zich draagt De Bhagavad Gītā vraagt de mens zich niet buiten de wereld te stellen, maar juist daarin handelend aanwezig te zijn, onthecht, belangeloos.

‘Yoga is vaardigheid van handelen,’

leert Krishna Arjuna (Bhagavad Gītā, II.50).

De ‘gītā-yogi’ leeft niet in een afgelegen grot hoog in de bergen. De wereld is de spiegel van zijn innerlijke slagveld, zijn oefenterrein, zijn ‘veld van verwerkelijking’. Hij handelt en is betrokken, en toch is hij vrij, zonder verlangen.

Zo heeft yoga vele betekenissen. Misschien is het waar ze samenkomen ― in hun integratie ― dat het licht van yoga het helderst straalt.

Noten 

[1] Bron: Dolls of India, Kalamkari paintings on cotton
[2] Bron: Chandogya Upanishad; Sanskrit, Devanagari schrift, van vóór de 14e eeuw

Avatar foto

geeft les in yoga en meditatie. Niet alleen de ervaring van openheid en levendigheid die uit de beoefening van yoga verkregen wordt, maar ook de immense rijkdom van de yoga-filosofie — met bovenal het gegeven van vrijheid als het wezen van de eigen natuurlijke staat — is voor hem een dagelijkse bron van inspiratie. Daarin zijn hem de klassieke bronteksten (en de vertaling daarvan) zeer dierbaar: De Upanishads zijn door hem vertaald en toegelicht en hij werkt aan een nieuwe vertaling en toelichting van de Yoga Sutra’s van Patañjali.