Weten het niet-weten

0

Wim van de Laar

Uit: Tijdschrift voor yoga van de Vereniging Yogadocenten Nederland (VYN), www.yoganederland.nl

Elke tijd doet stof opwaaien. De onze doet niet bepaald onder voor een andere. In de gesprekken van de dag hoor je nogal eens de nodige stelligheid. ‘Dat is mijn vaste overtuiging.’ ‘U ziet het verkeerd, begrijpt u dat toch…’ Het hoge woord ligt voor op de tong en is rap uitgesproken. Mensen discussiëren en gaan elkaar verbaal driftig te lijf, ieder zeker van het eigen gelijk. Wonderlijk, zo’n tegenover elkaar staand zeker weten. Zelf ben ik ook geen heilig boontje. Ik bijt me evengoed vast in mijn ‘oprechte bevindingen’, zo nu en dan.

Kennis is iets anders dan een mening of een standpunt. In de oude stoïcijnse filosofische praktijk van de Grieken en Romeinen kende men de methode van bevraging.
Ook de Tibetaans boeddhistische traditie kent deze ‘rituele dans van zoekend redeneren’. Twee studenten beginnen een gesprek over een bepaald onderwerp ― deugd, vrijheid, waarheid of wat ook. De ene student brengt een stelling in, de ander bevraagt hem daar op, zo veel en zo lang hij nodig acht. Zo ontstaat een uitwisseling van ideeën en gezichtspunten, dingen die ze in hun eentje nooit bedacht zouden hebben.
Het doel is niet dat een van de twee als winnaar uit de bus komt en dat de ander afdruipt, door machtige argumenten weggevaagd. Het duel is geen tweestrijd. Dat soort dualisme willen ze juist te boven gaan. De een geeft handgeklap als zijn punt is gemaakt, de ander ontvangt en laat de woorden innerlijk resoneren. En als er vervolgens iets wezenlijks in hem opborrelt, neemt hij zijn beurt. Zo gaat het heen en weer.
Als gezegd, het is een dans. Het gesprek eindigt als het naar beider tevredenheid is afgerond.

Waar het in deze ‘antieke’ beoefening om draaide was waarheidsvinding. Wezenlijk waar was iets pas wanneer het hun persoon-zijn oversteeg, wanneer ze een gedeelde werkelijkheid ontdekten, die voor iedereen geldig was. Daarin lag de ruimte die geestelijke vrijheid is. Soms bleken woorden ontoereikend en was het brein als het ware te klein voor de grootsheid van het verkregen inzicht. Hoe dichter een mens de waarheid nadert, hoe meer ze zich aan de wereld van taal onttrekt.

‘Weten het niet-weten, dat is hoog,’

zei de Chinese wijze Laozi.

Mundaka Upanishad manuscript[1]

In de Mundaka Upanishad wordt door de ‘kenners van Brahman’ een onderscheid gemaakt tussen twee soorten kennis. Er is het domein van de objectieve werkelijkheid, van al wat de schepping tentoonspreidt.
De Veda’s, grammatica, astronomie, allerlei andere vormen van wetenschap, de kennis van lichaam en geest en van dingen ― dit alles geldt als de zogenoemde ‘lagere kennis’.
De hogere kennis daarentegen is van andere aard: ze betreft het ‘Onvergankelijke’. Dat Onvergankelijke ― het Zelf ― is onzichtbaar, ongrijpbaar en zonder komaf. Het is overal, maar heeft kleur noch omvang en het is geen object. ‘Alle dingen in de wereld ontspringen aan het Onvergankelijke.’
Hoe kun je zoiets kennen en er met zekerheid over spreken?

De verdeling van kennis in hoog en laag is misschien wat vreemd ― als liet de werkelijkheid zich in tweeën splitsen. Het lijkt alsof de lagere kennis zich nog in woorden vangen laat. Ze geeft daarmee houvast en structuur, een richtsnoer voor het leven. De andere kennis stijgt daar bovenuit en zo is ze hoger, van grotere waarde. Op die hoogte rest slechts een poëtische verwijzing, vanuit het weten dat woorden zover niet reiken. Ze deinzen ervoor terug, zo staat ergens.
De Kena Upanishad zegt er dit over:

‘Het wordt gekend door wie het niet bevatten kan.
Wie het bevatten kan, kent het niet.
Het wordt niet begrepen door hen die zeggen het te begrijpen.
Het wordt begrepen door hen die het niet begrijpen.’

Wanneer weet je iets? Als kind dacht ik dat als ik het woordenboek uit mijn hoofd zou leren, ik daarmee alles wist. Naïef en dwaas natuurlijk, en ondoenlijk bovendien, maar ook als volwassene heb ik nog wel eens van die malle gedachten. Waarom wil je iets weten? Komt het voort uit verlangen? Of is het slechts een bezigheid, een vorm van tijdverdrijf? Hunker je naar iets van macht of controle misschien? Kennis om kennis zogezegd, zonder uiteindelijk doel, iets waarmee je je gelijk kunt halen, een positie kunt bepalen?

In de Indiase filosofie staat kennis geheel ten dienste van vrijheid, onze oorspronkelijke staat van zijn ― van Vreugde, Liefde, Bewustzijn. Er is geen andere werkelijk goede reden om iets te willen weten. En voor dat bevrijdende weten moet je opzij stappen, zelfs geheel en al van het toneel verdwijnen. De ik-persoon hoort daar niet thuis.
Wie weet dan nog, en wat precies? Het antwoord daarop hoef je gelukkig niet te geven, want tegen die tijd is de vraag allang verdwenen.

[1] Bron: Mundaka Upanishad manuscript page, verses 3.2.8 to 3.2.10, Atharvaveda (Sanskrit, Devanagari script)

geeft les in yoga en meditatie. Niet alleen de ervaring van openheid en levendigheid die uit de beoefening van yoga verkregen wordt, maar ook de immense rijkdom van de yoga-filosofie — met bovenal het gegeven van vrijheid als het wezen van de eigen natuurlijke staat — is voor hem een dagelijkse bron van inspiratie. Daarin zijn hem de klassieke bronteksten (en de vertaling daarvan) zeer dierbaar: De Upanishads zijn door hem vertaald en toegelicht en hij werkt aan een nieuwe vertaling en toelichting van de Yoga Sutra’s van Patañjali.