Zijn

0

Wim van de Laar

Uit: Tijdschrift voor yoga van de Vereniging Yogadocenten Nederland (VYN), www.yoganederland.nl

Leven gebeurt zomaar, het ontpopt zich als vanzelf, varend op eigen impuls. Het leven doorgronden is minder makkelijk. Het duizelt me als ik probeer te begrijpen wat leven of zijn is, wat er aan ten grondslag ligt, hoe het zich voltrekt.
Denk eens aan een zonnebloemzaadje. In dat kleine zaadje zit alle informatie om een twee meter hoge plant te worden, met een bloem waarin opnieuw honderden zaadjes zitten, die weer diezelfde informatie bevatten. Het zaadje kan zelfs een hele poos droog in een zakje zitten, en dan nog houdt het de kennis die erin verborgen ligt vast. Je kunt het zaadje ook opeten. Waar blijft die informatie dan? Blijft iets dat zich herinneren?

Mijn hart klopt buiten mij om. Als ik slaap, blijf ik ademen. Het is alsof wat ik ben tegelijkertijd aan mij gebeurt. Ik bén zijn, ik kom eruit voort. En alles wat ik doe en zie is een vorm van zijn. Maar begrijpen wat zijn is lukt me niet. Het glipt als zand tussen mijn vingers.

Tat tvam asi[1]

Het Sanskriet heeft legio woorden om allerlei aspecten van zijn aan te duiden. Zo zijn er as en bhū. As betekent ‘zijn’. Sat, ’werkelijk’, ‘het zijnde’ is het tegenwoordig deelwoord van as. Het zit in woorden als satya, ‘waarheid’, of sattva, ‘lichtheid’, ‘zuiverheid’.
Bhū betekent ook ‘zijn’, maar dan meer in de zin van ‘ontstaan’, ‘tevoorschijn komen’, ‘verblijven in’. Het komt terug in bhāva, ‘wording’, ‘toestand’, ‘geboorte’.

Zo lijkt zijn twee dimensies te hebben. Er is het wezen van iets, dat wat maakt dat iets er kan zijn. En er is het ‘feitelijke’ gebeuren van zijn, het zich voltrekkende bestaan in tijd en ruimte.
Om deze tweeheid te verhelderen gebruikt men in de Indiase filosofie het voorbeeld ‘klei’. Klei bestaat op allerlei manieren. Je hebt een homp klei of een kleien vaas. De vaas kan breken en dan heb je scherven. Scherven kunnen ‘vergaan’ tot gruis. Het zijn allemaal vormen van klei, maar de klei zelf ken je eigenlijk niet. Klei bestaat wel, maar dat weet je alleen omdat je het zo noemt en omdat de klei zich uitdrukt in vormen. Klei als zodanig noemt men de essentie ― Patañjali noemt het in de Yoga Sūtra de ‘vormdrager’ (dharmin) of ‘oersubstantie’. De verschillende manifestaties ― homp, vaas, scherf, gruis, stof ― zijn de vergankelijke, maar karakteristieke toestanden daarvan, het dharma. De Upanishads noemen de onderliggende essentie satyasya satyam, het ‘werkelijke van het werkelijke’. Het is ‘voorbij dat wat is’.

Het zijn en het zijnde gaan samen. Het is moeilijk het een voor te stellen zonder het andere. Het wordende zijn is tijdelijk. De vaas was er ooit niet, toen een poos wel en daarna niet meer. De klei is er steeds. Zo is er ook de mens, en zijn er de mensen die worden geboren, leven en sterven. Het ongrijpbare ‘mens zijn’ blijft hetzelfde, terwijl je peutert en pubert en verder ijvert, en ook als de eerste rimpels verschijnen. Je identificeert je makkelijker met het zijnde, met wat gaande (bhāva) is, maar ware vervulling, zegt men, huist in het onderliggende zijn.

Ik ken een dame van honderdeen. Ze zei:

‘Als ik stil zit, voel ik mijn leeftijd helemaal niet. Dan ben ik er gewoon.’

Zou dat een ingang zijn om het mysterie te doorgronden?

Een fragment uit een Upanishad ter besluit.

Chāndogya Upanishad, versen 1.1.9-1.2.6[2]

In het zesde deel van de Chāndogya Upanishad onderwijst Uddālaka Āruni zijn zoon Shvetaketu. Het onderricht betreft, zoals hierboven, het zijn dat, ongezien, alle bestaan draagt. De vader vraagt zijn zoon wat zout in een kom water te doen. De volgende morgen vraagt hij zijn zoon waar het zout is. Het blijkt onvindbaar, opgelost. Uddālaka vraagt Shvetaketu vervolgens het water te proeven, zowel aan het oppervlak als van de bodem. Shvetaketu merkt dat, waar hij ook van het water proeft, het zout er steeds is.

‘Zoals je het zout niet ziet, mijn jongen, zo kun je het zijn niet waarnemen. Maar toch, het is er steeds! Dát, die subtiele essentie, is het Zelf van deze wereld. Dat is het Werkelijke. Dat is het Zelf. Dat ben jij (tat tvam asi), Shevetaketu.’

[1] Bron: tat-tvam-asi
[2] Bron: Chandogya Upanishad; Sanskrit, Devanagari schrift, van vóór de 14e eeuw

Avatar foto

geeft les in yoga en meditatie. Niet alleen de ervaring van openheid en levendigheid die uit de beoefening van yoga verkregen wordt, maar ook de immense rijkdom van de yoga-filosofie — met bovenal het gegeven van vrijheid als het wezen van de eigen natuurlijke staat — is voor hem een dagelijkse bron van inspiratie. Daarin zijn hem de klassieke bronteksten (en de vertaling daarvan) zeer dierbaar: De Upanishads zijn door hem vertaald en toegelicht en hij werkt aan een nieuwe vertaling en toelichting van de Yoga Sutra’s van Patañjali.