Het beest in de bek kijken

0

Wim van de Laar

Uit: Tijdschrift voor yoga van de Vereniging Yogadocenten Nederland (VYN), www.yoganederland.nl

Er zijn best wat yogageschriften die uit zicht blijven. Dat geldt bijvoorbeeld voor de Yoga Upanishads en de vroege hatha yogateksten. Een boek dat zich door zijn omvang niet zo makkelijk over het hoofd laat zien, is de Yoga Vasishtha. Met 29.000 verzen is het net zo ‘dik’ als de Bijbel. Er zijn helaas maar een paar Engelstalige versies van. In het Nederlands zijn alleen enkele hoofdstukken vertaald.

Valmiki schrijft de Ramayana[1]

De Yoga Vasishtha is een rijkgevulde, weelderige brontekst van yoga, die na eeuwen vertelkunst ergens in de 15e eeuw werd voltooid. De tekst wordt toegeschreven aan Valmiki, die ook de Ramayana zou hebben geschreven.
Het is een weergave van het onderricht van de wijze Vasishtha aan Prins Rama. Zijn leringen verwoorden vooral de non-dualistische (advaita) zienswijze van vedānta. Vasishtha schenkt zijn wijsheid via verhalen en parabels, waardoor het zowel een aantrekkelijk als verwarrend ‘leesavontuur’ is. In hoe de verhalen allerlei slingerpaden nemen en in elkaar overlopen, raak je het spoor soms volledig bijster.

De reden waarom ik het boek aanhaal, is vanwege het eerste van de zes delen ― ‘onthechting’ ― dat uitgebreid ingaat op lijden. Het vormt de aanleiding voor het onderricht van Vasishtha. In dat begin zorgt de wonderschone prins Rama voor een nogal gedeprimeerde stemming aan het hof van zijn vader.
De jongeling, geliefd en begiftigd met tal van kwaliteiten, ‘doet niet meer mee’. Hij is onlangs teruggekeerd van een lange pelgrimage en heeft op tal van heilige plekken in het land gemediteerd, gebeden en wijsheid geproefd.

Nu hij weer thuis is, lijkt Rama zijn appetijt voor het leven verloren te hebben. Hij heeft nergens meer zin in. Het gezelschap van zijn vrienden verveelt hem, de jacht, voorheen een van zijn favoriete bezigheden, kan hem niet meer bekoren. Hij verkiest een urenlang verpozen in lotushouding boven het zoveelste liederlijke feestmaal. Het liefst zwijgt hij en is hij alleen.

Tekst uit de Yoga Vasishtha[2]

Zijn vader en ook zijn broers maken zich ongerust over hem. Gelukkig verblijft de oude wijsgeer Vasishtha in het paleis, die zich over de jongeman ontfermt en hem vraagt wat hem zo terneerslaat. Rama vertelt Vasishtha vervolgens ― en zijn relaas neemt vele, vele pagina’s in beslag ― hoezeer hij doordrongen is van het lijden dat aan onze wereld verbonden is. Rama is iemand die alle geneugten heeft geproefd, alles ligt voor hem open ― rijkdom, macht, gelukzaligheid, kennis, extase. En toch, al leeft hij op de toppen van het mensenbestaan, het kan hem geen vervulling meer geven.

Vasishtha onderwijst prins Rama[3]

De mens, zegt hij, zit gevangen in zichzelf. Hij is verstrikt, begoocheld, blind, ijdel, onmachtig. Wat is rijkdom, waarom leeft een mens de dwaze begeerten naar bezit, genot en aanzien? Ze geven geen werkelijk genoegen en glippen almaar door je vingers, vergankelijk als de dingen van de wereld zijn. Vreugde is kortstondig, lijden kleeft aan alles. De tijd drijft het lichaam naar aftakeling, vergetelheid en zijn onontkoombare einde. Dierbaren vallen weg, vrienden worden vijanden of vreemden. Niets is bestendig, het onaangename en onverwachte kan je elk moment treffen.

Het denken, bedwelmd door het ik-gevoel, is beperkt, warrig en onwerkelijk, en het lichaam is een voortdurende bron van kwelling, hartzeer en ziekte.
Ieder mens leeft, afgescheiden op zijn eiland, de illusie van een zelfstandig, eigenmachtig zelf. Aan lijden valt niet te ontkomen, al doet de mens nog zo zijn best. Hij draait zich een rad voor ogen te draaien door telkens nieuwe genoegens op te werpen.

Rama walgt van dit onverschillige en armzalige bestaan. Wat heeft hij nog te zoeken in deze wereld, of in enig andere? Hoe kan hij daar ooit vervulling in vinden? Hij ziet geen uitweg, geen verlossing, geen vergoelijkende vrede, niets wat deze ellendige situatie beëindigen kan.

Het bovenstaande staat niet met vijfsterrensticker als aanprijzing op de omslag van het boek. Het zou de verkoopcijfers geen goed doen. Lijden is niet geliefd. Toch wordt er in belangrijke teksten en leringen steeds op gewezen.
Het is de eerste Edele Waarheid van de Boeddha. Patañjali zegt in de Yoga Sūtra dat voor een ‘mens met onderscheidend vermogen’ alles in deze wereld lijden is. De Sāmkhya Kārikā zegt in het eerste vers dat het door de kwelling van het lijden is dat het verlangen naar vrijheid wordt gewekt.
Lijden is overweldigend aanwezig in ons bestaan. Toch draaien we er graag omheen, of maken het al ‘struisvogelend’ wat milder of minder omvattend. Het is ook niet ‘fijn’ of gemakkelijk.

Standbeeld van Yudhishthira[4]

Ergens in de Mahābhārata wordt Yudhishthira gevraagd wat het grootste wonder is.
Hij antwoordt:

‘Elke dag slaat de dood overal om hem heen toe, en toch leeft de mens als was hij onsterfelijk. Dat is het grootste wonder.’

De erkenning van lijden is de eerste ‘primaire’ stap in de weg naar bevrijding. Wie van lijden verlost wil zijn, moet het beest vol in de bek kijken, onverdoezeld, zonder verzachting, zonder er meteen iets van geluk tegenover te stellen. Wie dat niet doet, staat zijn vervulling in de weg.

Yoga Sūtra II.22 zegt:

‘Hoewel het geziene ophoudt te bestaan voor degene die zijn doel bereikt heeft, houdt het niet geheel en al op te bestaan, aangezien het de gedeelde ervaring blijft van anderen.’

Een ander kan het niet voor je doen. Je moet deze stap zelf zetten. Iemand kan je daarbij aan de hand nemen, zoals Vasishtha zal doen bij Rama, maar het is iets waarbij je geheel op jezelf wordt teruggeworpen. Dat geldt overigens evenzeer voor de ‘sprong’ naar bevrijding. Zo bezien tonen lijden én vrijheid, ieder vanuit een eigen licht, het bestaan in al zijn naaktheid.

Noten

[1] Bron: Valmiki schrijft de Ramayana
[2] Bron: Yoga Vasishtha
[3] Bron: Vasishtha onderwijst prins Rama, Kopeshwar Mandir, Khidrapur (India) – foto सुबोध पाठक
[4] Bron: standbeeld van Yudhishthira bij de Birla Mandir, Delhi – foto आशीष भटनागर

geeft les in yoga en meditatie. Niet alleen de ervaring van openheid en levendigheid die uit de beoefening van yoga verkregen wordt, maar ook de immense rijkdom van de yoga-filosofie — met bovenal het gegeven van vrijheid als het wezen van de eigen natuurlijke staat — is voor hem een dagelijkse bron van inspiratie. Daarin zijn hem de klassieke bronteksten (en de vertaling daarvan) zeer dierbaar: De Upanishads zijn door hem vertaald en toegelicht en hij werkt aan een nieuwe vertaling en toelichting van de Yoga Sutra’s van Patañjali.