Door wat bewogen?

0

Wim van de Laar

Bron: OM RISE Magazine (van de Leerstoel Hindoe Spiritualiteit en Samenleving, Vrije UniversiteitAmsterdam)

De Chāndogya Upanishad verhaalt in het vijfde deel over hoe de levensfuncties ruziën over wie de allerbeste zou zijn. Spraak, Zicht, Gehoor, Denkvermogen ― elk van hen denkt superieur te zijn aan de ander.

Spraak, Zicht, Gehoor, Denkvermogen ― elk van hen denkt superieur te zijn aan de ander[1]

Om hun onenigheid te beslechten gaan ze te rade bij Prajāpati, de Heer van de Schepping. Deze zegt dat de meest superieure onder hen diegene is die, als hij weggaat, het lichaam in de meest ellendige toestand achterlaat.

De functies nemen de proef op de som, maar al gauw blijkt dat het lichaam het prima weet te stellen als een van hen ontbreekt. De andere moeten weliswaar doof, blind, stom of dwaas verder, maar erg dramatisch is die hinder niet.
Pas wanneer Levensadem zich opmaakt voor vertrek, ontstaat er groot tumult. De andere functies worden als wilde paarden, nerveus rukkend aan de leidsels waaraan ze gebonden zijn. Ze beseffen dat Levensadem de grootste van hen allemaal is en dat hij hun lot bepaalt.

Maar het is meer dan dat. Spraak realiseert zich dat Levensadem al de andere overtreft, maar dat de rijkdom die hijzelf tentoonspreidt, voortkomt uit de Levensadem.
Zicht vindt er zijn fundament, Gehoor de vervulling van verlangen, Denkvermogen zijn thuis. Het is door wat hen omvat en draagt dat zij hun plaats en bestemming kennen.

Prajāpati[2]

In deze tijden van onzekerheid dringt zich de vraag op wat leidend is in hoe we handelen. Sommige leiders in onze wereld zitten verstrikt in dezelfde schoolpleinachtige wedijver als de levensfuncties en ‘volgen’ vooral hun ik-geluid.
Ze zijn gevoelig voor hun achterban en de dreiging van dalende peilingen en populariteit. Omdat het hun belang kan schaden, geven ze een dubieuze of te lichte voorstelling van zaken. Met alle gevolgen van dien.

Groot leiderschap kent geen eigenbelang. Het ziet de gedeelde zorg en pijn.
Zoals het coronavirus geen onderscheid maakt en zich pandemisch over de aarde verspreidt, zo zou ook het leidende principe alomvattend moeten zijn.
Het vraagt moed en een groot hart om ruim te denken, om geen verschil te maken waar dat ten diepste ook niet bestaat.

De Isha Upanishad zegt:

‘Wie alle schepsels in zijn Zelf ziet en zijn Zelf in alle schepsels, deinst niet voor Dat terug. Welke misleiding, welke smart is er nog, wanneer iemand deze ongescheidenheid ziet en beseft dat alle schepsels in hemzelf zijn.’

Isha Upanishad 6-7

En de Katha Upanishad:

‘Wat hier is, is evenzo daar. Wat daar is, is evenzo hier. Wie verschil maakt, gaat van dood naar dood.’

Katha Upanishad II.1.10

Daarbij mag ‘van dood naar dood’ gelezen worden als ‘van de ene onvervulde rondgang naar de volgende’.

Door wat laten we ons leiden? Aan wat geven we gevolg? Stopt onze gemeenschapszin bij de landsgrens, bij degenen die we rekenen tot ‘de onzen’? Of bekommeren we ons evenzeer om wie verder weg zijn, ‘de vreemden’?
In de gerichtheid op onze eigen problemen, lijkt de blik zich af te wenden van ander leed. Terwijl corona onophoudelijk de krantenkoppen haalt, zijn sprinkhanenplagen en vluchtelingenkampen opeens teruggedrongen naar een smal kolommetje achterin. Is ook in ons hart daar nog maar nauwelijks plek voor?

Chāndogya Upanishad manuscript[3]

Moge het zo zijn dat, als we straks terugkijken op deze crisistijd, het knagende geweten niet almaar opspeelt omdat we zo vaak wegkeken. Laat het zo zijn dat we, ondanks alle dreiging en pijn, kunnen bogen op onze medemenselijkheid.

Noten

[1] Bron: Levensfuncties
[2] Bron: Prajapati is the lord of creatures
[3] Bron: a Chandogya Upanishad manuscript. It is the second oldest known Upanishads, dated to between 900 to 600 BCE

Wim van de Laar

geeft les in yoga en meditatie. Niet alleen de ervaring van openheid en levendigheid die uit de beoefening van yoga verkregen wordt, maar ook de immense rijkdom van de yoga-filosofie — met bovenal het gegeven van vrijheid als het wezen van de eigen natuurlijke staat — is voor hem een dagelijkse bron van inspiratie. Daarin zijn hem de klassieke bronteksten (en de vertaling daarvan) zeer dierbaar: De Upanishads zijn door hem vertaald en toegelicht en hij werkt aan een nieuwe vertaling en toelichting van de Yoga Sutra’s van Patañjali.