Het licht waar geen licht op valt

0

Wim van de Laar

Uit: Tijdschrift voor yoga van de Vereniging Yogadocenten Nederland (VYN), november 2016, www.yoganederland.nl

De donkere winterdagen maken op hun manier zichtbaar hoe je je verhoudt tot licht. Veel mensen zijn gevoelig voor de mindering van zonne-uren. Ze worden sip en moe, alsof ook van binnen een kaars is uitgeblazen.

De onderdompeling in duisternis is in de natuur de tijd van winterslaap en inkeer.
In de Upanishads echter staat het synoniem voor het verkeren in onwetendheid, voor het ontbreken van ware kennis en helder zicht. Over jezelf en de wereld, over hoe de dingen zijn. Maar wat houdt dat andere precies in? Wat wordt bedoeld met wat genoemd wordt ‘het opgaan in smetteloos licht’?

Deel van de Brihad-āranyaka Upanishad[1]

In de Brihad-āranyaka Upanishad vraagt Koning Janaka aan Yājñavalkya wat een mens tot licht dient. Yājñavalkya antwoordt hem dat het de zon is, of bij aanwezigheid daarvan de maan, dan wel een vuur. Of spraak, want een leidende stem kan een mens voeren naar waar hij zijn moet. Maar, vraagt de koning, als al deze lichten gedoofd zijn, wat is de mens dan tot licht? Dan, zegt Yājñavalkya, is het Zelf zijn licht.

Externe lichten zijn betrekkelijke lichten. Wie ze voor absoluut neemt, zo zegt de Īsha Upanishad, valt in nog diepere duisternis. Vals licht maakt dat je nog minder ziet. De kernvraag — en die stelt ook Kerst — is wat het uiteindelijke licht is. Wat is het licht dat de andere lichten en ook het verstand te boven gaat, dat altijd schijnt en nimmer dooft, het licht dat ieder ander oplichten mogelijk maakt?

De Upanishads noemen het het Licht der lichten, het Zelf, Bewustzijn. Verscholen in het hart verblijft het in ieder schepsel.
Zoals de Katha Upanishad zegt:

‘Daar werpt de zon geen licht, noch de sterren of de maan. De bliksemschichten aan de hemel lichten daar niet op, laat staan dit vuur. Alles straalt door het stralen van dit licht. Dit hele universum wordt opgelicht door zijn licht.’

[1] Bron: One of about 70 surviving leaves of a manuscript Brihadaranyaka Upanishad verses 1.3.1 – 1.3.4

geeft les in yoga en meditatie. Niet alleen de ervaring van openheid en levendigheid die uit de beoefening van yoga verkregen wordt, maar ook de immense rijkdom van de yoga-filosofie — met bovenal het gegeven van vrijheid als het wezen van de eigen natuurlijke staat — is voor hem een dagelijkse bron van inspiratie. Daarin zijn hem de klassieke bronteksten (en de vertaling daarvan) zeer dierbaar: De Upanishads zijn door hem vertaald en toegelicht en hij werkt aan een nieuwe vertaling en toelichting van de Yoga Sutra’s van Patañjali.