Het is altijd lente

0

Wim van de Laar

Uit: Tijdschrift voor yoga van de Vereniging Yogadocenten Nederland (VYN), maart 2016, www.yoganederland.nl

In het begin was de wereld er niet. Dat wil zeggen, ze was er wel, maar ze lag nog ongezien verborgen in haar oorsprong. De Chāndogya Upanishad (III.19) spreekt over hoe ‘het zijnde’ werd tot een ei. Een ei dat een jaar lang lag, tot het brak in de twee helften van hemel en aarde.

Zonsondergang[1]

Het kuiken dat uit het ei geboren werd was de zon. Toen de zon aan de hemel kwam, klonk overal gejubel en kwamen alle schepsels en verlangens tevoorschijn. Dat gebeurt elke dag opnieuw: als de zon terugkeert van de nacht, verheugt alles in de hele wereld zich in het ontluikende, wonderlijke mysterie van leven. Het is onweerstaanbaar, uitbundig, stromend, kietelend, en hoogst uitnodigend. Wie dit ziet en meegaat in de stroom, vult zijn hart met vreugde.

In de Yoga Sūtra’s valt als het gaat over ‘de persoon’ enkele malen de term asmitā. Het wordt wel vertaald als ‘ik-gerichtheid’ of ‘zelfzucht’. Het is — naast onwetendheid, begeerte, afkeer en vastklampen aan het leven — een van de oerkwellingen die je blind houden voor wie je werkelijk bent. Maar asmitā betekent in wezen ‘het besef dat je bent’. Het is de realisatie van het naakte feit dat je bestaat, dat het leven door je heen stroomt en dat je onlosmakelijk verbonden bent met de oerbron ervan.

Asmitā is als het jubelen bij de opkomende zon. In het vorderen van meditatie, als het denken gestild, gericht én wakker is, gaat dit bestaansbesef gepaard met ānanda, vrede of gelukzaligheid. Beide wellen spontaan op. Die onuitsprekelijke vreugde van springlevend zijn bespoedigt de verwezenlijking van vrijheid, ons diepste verlangen. Vrijheid is niet alleen weten dát je bent, maar bovenal wíe je bent.

Het deel zijn van (of één zijn met) de dans van het leven is natuurlijk niet gebonden aan seizoenen. Maar het voelt als eeuwige lente.

[1] Bron: zonsondergang

geeft les in yoga en meditatie. Niet alleen de ervaring van openheid en levendigheid die uit de beoefening van yoga verkregen wordt, maar ook de immense rijkdom van de yoga-filosofie — met bovenal het gegeven van vrijheid als het wezen van de eigen natuurlijke staat — is voor hem een dagelijkse bron van inspiratie. Daarin zijn hem de klassieke bronteksten (en de vertaling daarvan) zeer dierbaar: De Upanishads zijn door hem vertaald en toegelicht en hij werkt aan een nieuwe vertaling en toelichting van de Yoga Sutra’s van Patañjali.