Dit is dat

0

Wim van de Laar

Uit: InZicht, jaargang 18 nummer 1, februari 2016, www.inzicht.org

Naamgeving

giraffe zonder naam met jong [1]

Niet zo lang geleden kondigde het bestuur van dierentuin Artis aan dat het de gewoonte om de dieren een naam te geven wilde afschaffen. De nieuwgeborenen zouden voortaan naamloos blijven, zo besloot men, om daarmee een eind te maken aan de vermenselijking van de dieren die als ‘bijeffect’ met de naamgeving meekwam.

In hoe wij onszelf en de wereld ervaren gebeurt iets soortgelijks. We dichten ons lichaam (met het denken en voelen) allerlei zaken toe die het niet in zich draagt. Zo benoemen we op grond van het lichamelijke bestaan een ik. We stellen onszelf vast als een identiteit van ‘naam en vorm’. Wanneer iemand je vraagt ‘wie ben je?’ refereer je doorgaans aan dit ik. Deels is dat idee van een ik, van een eigen en ‘uniek’ zelf, opgelegd door ouders en omgeving, maar bovenal doen we dit toch zelf. In ieder van ons zit een ‘ik-maker’ (ahamkāra). Dat ik grondt zich door zichzelf af te bakenen en apart te zetten, door zich te (onder)scheiden van al het andere. Het verzekert zich van zijn bestaan doordat het deze dualiteit opwerpt. Zo, dankzij een tegenover, weet het wat het is en wat het te doen staat. Maar de prijs die het ik daarvoor betaalt is dat het alleen komt te staan. Meer nog, met het creëren van het ‘tweede’ is waarachtige vervulling onmogelijk geworden. Dit is de kern van wat ons doet lijden.

Vrijheid, en daarmee de opheffing van deze dualiteit, is het uiteindelijke doel van heilige geschriften zoals de Upanishads. De oplossing ligt, heel eenvoudig eigenlijk, in het besef van wie je wérkelijk bent, het Zelf. Met dit besef wordt de fundamentele denkfout van gescheidenheid vernietigd.

Enkele grondgedachten van de Upanishads

In dit artikel zal ik enkele grondgedachten van de Upanishads bespreken. Wat is precies de oorsprong van dit ‘valse’ ik en hoe steekt de valstrik in elkaar? En hoe kom je tot besef of herkenning van het ‘ware’ ik? Vooral voor dat laatste kan het concept van de vierledigheid van het Zelf zeer behulpzaam zijn.

De oorzaak van gebondenheid én van bevrijding is het denken. De sleutel ligt dus bij hoe we kennen, of beter gezegd, van waaruit we kennen, en wat dat kennen nu precies is. Kennen maakt onze beleving mogelijk. Het wonderlijke van identificatie is dat je een identiteit aanneemt, juist omdat je niet weet wie je bent. Vanuit die onwetendheid meet je je iets aan. Onwetendheid (avidyā) is niet hetzelfde als domheid, ze treft evengoed de briljanten van geest. Ze is eerder het ontbreken van zicht, het over het hoofd zien van iets wat schuilgaat ‘achter de dingen’. In dit geval is dat een zeer fundamenteel iets, namelijk datgene van waaruit alles gekend wordt.

Onwetendheid

In de Upanishads is onwetendheid verwant aan donkerte (tamas), vrees en verstarring. Een van de termen die hiermee – vooral in de latere Upanishads – in verband wordt gebracht is upādhi, ‘inperking’ of ‘verbijzondering’. Deze aanduiding van begrenzing wijst er al op dat het ware, niet geziene zelf onmetelijk is. Identificatie is een vernauwing, een contractie. Je trekt je zelf samen tot iets, tot een vastheid die herkenbaar is, een omgrenzing te midden van andere omgrenzingen. En dat iets neem je voor waar. Daarin vindt het ik de bevestiging van zijn bestaan. Althans, daarop zijn alle inspanningen gericht. De beleving van de wereld, van verworvenheden en bezit liggen in het verlengde daarvan. Wie je oorspronkelijk bent, het Zelf, oningevuld en onverdeeld, raakt verhuld. Het werkelijke verlangen, zegt de Chāndogya Upanishad, krijgt een bedekking die onwerkelijk is.

Behalve dat je het zelf tot iets maakt, maak je ook iets tot het zelf. Dat klinkt bijna als hetzelfde, maar toch is er een subtiel verschil. Het ware zelf wordt, hoewel het het uiteindelijke (en dus objectloze) subject is, als object gezien. Andersom wordt een  object, het lichaam, voor het ware zelf gehouden. Het gevolg hiervan is dat de kwaliteiten van de een worden toegekend aan de ander. Het is een verwarring die met onwetendheid meekomt. De Upanishads noemen dit adhyāsa, ‘oneigenlijke, wederzijdse toekenning’. Als gevolg daarvan lijkt het Zelf, dat van zichzelf vrij, ongeconditioneerd, volledig en vervuld is, begrensd te zijn in een individueel bestaan, in een ‘van-mij’. Andersom worden allerlei kwaliteiten van het Zelf op het lichamelijke geprojecteerd. Als zou daar blijvende vervulling, vrede en gelukzaligheid te vinden zijn.

De onwetendheid en de daaruit voortvloeiende verwarring vormen de oergrond van ons lijden. We verblinden onszelf met onszelf, door een onjuist, ik-gericht denken. Dat houdt ons gevangen en doet ons ‘wenen om ons onvermogen’. Bevrijding volgens de Upanishads is niets anders dan de herkenning van het ware zelf, ‘het Zelf dat in je en in alles is’. Dat geeft onmiddellijk de opheffing van het valse ik-gevoel. De oplossing is dus als gezegd heel eenvoudig en ligt in het denken. Inzicht vraagt niet meer dan een juiste blik. Toch is daadwerkelijke en blijvende bevrijding niet velen gegeven. Blijkbaar laat het Zelf zich niet zo makkelijk zien.

De vele paradoxale omschrijvingen in de Upanishads duiden op de bijzondere ‘status’ van het Zelf, hoe het buiten alle categorieën valt. ‘Wie het zegt te kennen, kent het niet.’ ‘Het beweegt en het beweegt niet. Het is binnen in alles hier, én het is daarbuiten.’ ‘Zonder handen en voeten grijpt hij en beweegt hij vliegensvlug. Hij ziet zonder oren en hoort zonder oren. Hij kent al wat kenbaar is, maar er is niemand die hem kent.’ En ook: ‘De logicus kan het niet bevatten. Alleen wanneer een ander iemand erover spreekt, wordt het in al zijn eenvoud begrepen.’ ‘Wanneer het gekend wordt in ieder kennen, wordt het waarlijk gekend.’

Het Zelf laat zich niet vangen

Toch spreken de Upanishads eigenlijk over niets anders, poëtisch, cryptisch, krachtig en onophoudelijk. Vers na vers word je uitgenodigd ‘het mysterie’ binnen te gaan. De woorden zijn precies, want juist in het precieze ligt de mogelijkheid tot herkenning. In ‘bevestigende’ zin wordt het Zelf omschreven als Zijn (sat), Bewustzijn (chit), Vreugde (ananda), Oneindigheid (ānanta), als liet het zich zo aanwijzen. Andere omschrijvingen zijn vooral negatief, in de vorm van een ontkenning. Door aan te geven wat het niet is, kan duidelijk worden wat het wel is. Het is ‘niet dit, niet dit’ (neti neti), ofwel niet een object (zoals al het andere wat je kent). Het is de niet geziene Ziener, de Kenner die niet gekend wordt. Het is ongeboren, onveranderlijk, zonder oorzaak, onbegrensd, voorbij de drievoudige tijdspanne.

Wie je bent is iets vanzelfsprekends, want je bent het steeds. Hoe kun je iets anders zijn dan jezelf? Toch ken je jezelf niet, je kunt niet de vinger leggen op dat wat je ten diepste bent. Het vraagt op zijn minst om een ander kijken, niet een kijken dat tracht te vergaren of te begrijpen, maar een kijken dat herkent, dat ziet wat steeds is. Dat kennen reikt voorbij het geconstrueerde ik, voorbij de grip die stoelt op wat meetbaar en aanwijsbaar is. Vertrouwde denkwijzen werken hier niet, want die zijn geënt op onwetendheid, op de allereerste denkfout. Het wordt niet door studie of door het verstand begrepen, maar door het ‘hart’, iets dat directer is dan het verstand. ‘Daar waar woorden terugwijken, samen met het denkvermogen, niet bij machte het te bereiken, is de vreugde van Brahman (het Uiteindelijke).’

In het onderzoek naar jezelf beland je zo aanvankelijk in een niemandsland. Het ene zelf is een begoocheling gebleken, het andere zelf is ongrijpbaar. Je staat met lege handen, en vraagt je misschien zelfs af óf je wel bestaat. Dat verlies van controle of ‘zelfredzaamheid’ lijkt nodig. Want de herkenning van het Zelf is niet iets wat kan worden bewerkstelligd. Het is iets wat aan je gebeurt, als genade of als een donderslag bij heldere hemel. Je kunt daar met je vertrouwde ik niet bij zijn, want dat ik is nu juist wat daarbij verdwijnt.

Cruciaal in zelfonderzoek is het vermogen tot onderscheiding. Het ware Zelf en het aangenomen zelf zijn naar schijnbaar elkaars tegengestelden, maar de verhaspeling ervan door het denken maakt dat je dat niet ziet. Het ontwarren van de twee geldt als een heikele onderneming, als een bewegen op het scherpst van de snede. Hoe houd je beide uit elkaar als ze zo verweven lijken? Hoe onderscheid je werkelijk van onwerkelijk, blijvend van voorbijgaand, onbeweeglijk van veranderlijk, ongeboren van sterfelijk, subject van object?

De vierledigheid van het Zelf

Verschillende Upanishads bieden als hulp daarin het onderricht van de vierledigheid van het Zelf, de vier toestanden van waken, dromen, diepe slaap en de vierde (turīya), Bewustzijn.
De Māndūkya Upanishad bespreekt deze vier toestanden in relatie tot Aum, de ‘onverwoestbare’ lettergreep, die synoniem is aan Brahman. Aum omvat al wat bestaat, binnen de tijd (als klank en als de afzonderlijke letters A, U en M) én daarbuiten (als stilte of niet-geluid). De onderscheiding en het doorzien van elk van de eerste drie toestanden zou leiden tot de vernietiging van de misvatting over het Zelf.

De waaktoestand

In de vierledigheid behelst de letter A de waaktoestand, de gerichtheid op uiterlijke objecten, op de wereld om ons heen. Ze wordt gezien als gemeenschappelijk, voor ieder mens vertrouwd en eender.

De droomtoestand

De letter U staat voor de droomtoestand, de gerichtheid op een innerlijke wereld. Deze is, ook in zijn bevrediging, subtieler dan de waaktoestand. Waar in de waaktoestand het licht vooral van buiten komt, is de persoon hier zelf het licht. Hij schept de wereld vanuit zijn eigen verbeelding. Dromen en waken beïnvloeden elkaar. De belevenissen tijdens het waken zijn het materiaal voor de dromer. Omgekeerd, hoe de uiterlijke wereld op je toekomt, is het gevolg van de neigingen, verlangens en voorstellingen uit de droomtoestand. Het oneigenlijke ik beleeft A en U, de toestanden van waken en dromen, als dé werkelijkheid. Daaraan ontleent het zijn identiteit. Het is zonder weet van iets daarbuiten, dit is zijn domein. Of zijn gevangenis, want hoe dit ik zich ook wendt of keert, de diepgezochte vervulling blijft uit. Er is voortdurend werveling, drift, frustratie, onvrijheid. Deze hele dualistische constellatie is wat het kent, en hoe het kent.

De diepe slaap

Dit ik en daarmee ook zijn werelden verdwijnen gedurende de diepe slaap. Het valt simpelweg ‘uit’. De toestand van de diepe slaap (M) is daarom gelukzalig en rustgevend. Er is geen activiteit, geen dualiteit, louter vrede. Alles is één geworden, een ongedifferentieerde massa ‘kennendheid’ (prājña). Tegelijk is de toestand van de diepe slaap die van onwetendheid. Hij ontbeert ieder besef. Als zodanig ligt diepe slaap ten grondslag aan de andere twee toestanden. Waken en dromen rijzen eruit op. Het denkbeeldige ik komt voort uit het zaad dat in de diepe slaap bewaard wordt, het is zonder benul van de werkelijkheid.

Bewustzijn

Shri Gaudapadacharya [2]

De toestand van de diepe slaap is verwant aan de vierde toestand van Bewustzijn. Beide zijn ik-loos, ongeconditioneerd, zichzelf vervullend, natuurlijk, vrij. Hun verschil ligt in het besef van het Zelf. Diepe slaap weet van niets, Bewustzijn is altijd gewaar. Bewustzijn ís gewaarzijn.
Gaudapāda, de eerste vedantisch geschoolde non-dualistische denker uit de zesde eeuw, zegt hierover het volgende: ‘Droom (en waak) behoort tot degene die anders ziet dan hoe het is. Slaap behoort tot degene die geen weet heeft van de Werkelijkheid. Wanneer deze twee misvattingen zijn doorzien, bereikt men zijn doel, de vierde.’

De kunst van onderscheiding bestaat uit kijken, almaar kijken, en zien wat blijft. De drie toestanden van waken, dromen en diepe slaap wisselen elkaar af. Ze sluiten elkaar ook uit: als de ene is, is de andere niet. Terwijl deze toestanden elkaar afwisselen, is er steeds een ononderbroken ‘je zelf zijn’. Dat blijvende zelf is niet de andere drie toestanden: omdat het steeds is, is het anders dan waken, dromen en diepe slaap. Het is vrij van conditionering, open, alom aanwezig, en kennend. Dit is het Zelf, Bewustzijn, ofwel Kennen op zich. Als zodanig is het de grondslag van de andere toestanden. Het brengt ze voort, het geeft ze gelegenheid.
De Aitareya Upanishad:

‘Al dit wordt opgeworpen door Bewustzijn. Bewustzijn geeft hen werkelijkheid.’
De drie zijn de beleving van de ene, uiteindelijke ‘toestand’.
‘Waarlijk, dit is Dat!’

Er is geen ander zelf dan dit. Al het andere is begoocheling. Dualiteit bestaat niet. De hoogste waarheid is non-dualiteit. Dat besef, dat kennen, is vrijheid. ‘Dat ben jij’. Of, naar een citaat uit de Sarva-sāra Upanishad:

Ik ben niet de doener, niet de ervaarder. Ik ben de getuige van al wat opkomt en verdwijnt. Ik ben vorm, naam noch handeling. Ik ben eeuwig, feilloos, niet aflatende gelukzaligheid. Hoe kan gebondenheid en bevrijding voor mij bestaan? Ik ben altijd, louter Bewustzijn. Hierover is geen enkele twijfel.’ Dit is werkelijk alles. Ieder ander idee van het zelf is een identificatie en ‘zit ernaast.

Noten

[1] bron: giraffe
[2] bron: Shri Gaudapadacharya

geeft les in yoga en meditatie. Niet alleen de ervaring van openheid en levendigheid die uit de beoefening van yoga verkregen wordt, maar ook de immense rijkdom van de yoga-filosofie — met bovenal het gegeven van vrijheid als het wezen van de eigen natuurlijke staat — is voor hem een dagelijkse bron van inspiratie. Daarin zijn hem de klassieke bronteksten (en de vertaling daarvan) zeer dierbaar: De Upanishads zijn door hem vertaald en toegelicht en hij werkt aan een nieuwe vertaling en toelichting van de Yoga Sutra’s van Patañjali.