Wim van de Laar
Met toestemming van de auteur overgenomen uit: Tijdschrift voor yoga van de Vereniging Yogadocenten Nederland (VYN), november 2018, www.yoganederland.nl
Als je leest in de Upanishads, de oude bronteksten van zelf-bevrijding, zou je sommige woorden zomaar kunnen misverstaan, omdat hun betekenis anders is dan je op het eerste gezicht zou denken. Het Sanskriet heeft soms meerdere woorden voor een bepaald begrip, waar het Nederlands er maar een of twee voor heeft. Het gevaar is dan dat de bedoelde strekking onopgemerkt blijft.

Het woord ‘vreugde’ bijvoorbeeld kan in het Sanskriet zowel sukha als ānanda zijn. Sukha is de vreugde die we genieten als het ons goed gaat, die we delen met anderen, en waarmee de wereld ons verlokt. Sukha wordt vergezeld door haar tegendeel duhkha, lijden, dat we eveneens delen met anderen. De Upanishads zeggen dat deze twee dusdanig met elkaar verbonden zijn dat in dit soort vreugde altijd lijden verborgen zit. Ze is vergankelijk, het tegendeel ligt steeds op de loer. Deze vreugde is ook kleiner omdat ze gekoppeld is aan een ‘persoon’, aan iemand die naar geluk verlangt. Je wordt erdoor in bezit genomen.
De ‘wijze’ laat zich er niet door van de wijs brengen en verkiest die andere vreugde, ānanda. Van deze vreugde zou je kunnen zeggen dat ze niet van buitenaf bepaald is. Hoewel ze van binnenuit komt en je tot in je diepste vezels doordringt, is ze ook weer niet van jezelf. Het is een vreugde die jezelf als persoon ontstijgt. Je wordt erdoor bevrijd.
Een ander woord is ‘kennis’. Het Sanskriet kent er vele uitdrukkingen voor. Een wat algemeen woord is vidyā. Ook dit gaat samen met zijn tegendeel, a-vidyā, ofwel onwetendheid. Ze hebben eenzelfde soort relatie als vreugde en lijden. Ze zijn met elkaar vermengd, zelfs zo dat je soms niet weet wat wat is.
De Upanishads nodigen daarom uit tot een ander soort kennis, prajñā of jñāna genoemd. Deze kennis is vergelijkbaar met de ānanda-vreugde. Het is de kennis die iedere persoonlijke en wereldse kennis te boven gaat, maar die tegelijk de uitdrukking is van het meest wezenlijke van jezelf.
Ze heet vi-jñāna als ze je eigen ervaring is, als ze je werkelijk toebehoort en je haar leeft. En je alle boeken die er over gaan niet meer nodig hebt.
[1] Bron in het Publieke Domein van een Schilderij met Bharadwaja (begin 19e eeuw) Bharadwaja, a Rishi who Rāma, Sita and Laksmana spent time with during their exile. Bharadwaja is shown seated on the ground in front of a building. A tree is shown behind the building and hills and foliage are shown in the far distance. Bharadwaja is seated on an antelope skin and on the ground around him are implements needed during his meditations. He is seated with his right leg folded over his left and his hair is loose down to the ground. He wears a white dhoti and is bare-chested except for a string of beads around his neck. He rests his left hand on his lap and holds his hair with his right hand. He has a full beard and moustache. The painting is surrounded by a black border.
Date 19thC(early); Company School – Bharadwaja, a Rishi who Rāma, Sita and Laksmana spent time with during their exile. Bharadwaja is shown seated on the ground in front of a building. A tree is shown behind the building and hills and foliage are shown in the far distance. Bharadwaja is seated on an antelope skin and on the ground around him are implements needed during his meditations. He is seated with his right leg folded over his left and his hair is loose down to the ground. He wears a white dhoti and is bare-chested except for a string of beads around his neck. He rests his left hand on his lap and holds his hair with his right hand. He has a full beard and moustache. The painting is surrounded by a black border.
Date 19thC (early); Medium watercolor on paper – British Museum, Source/Photographer https://www.britishmuseum.org/collection/object/A_1880-0-2069