Morele verbeeldingskracht in reflectie — 4

0

Heidi Muijen

Bewerkt en in delen heruitgegeven hoofdstuk
Deze tekst is een bewerkte en met afbeeldingen verrijkte versie van het hoofdstuk ‘Morele verbeeldingskracht in reflectie’ uit het boek — Zelfreflectie in het hoger onderwijs — dat onder redactie van Frans Meijers & Kariene Mittendorff in 2017 (pp. 109-145) bij uitgeverij Garant is verschenen.

Zie deel 1deel 2deel 3deel 4 — deel 5

De bewerking verschijnt in 5 delen op het Wijsheidsweb.
Deel 4 bespreekt het belang van de dialoog in het proces van reflecteren als een transgressief proces dat binnen met buiten, ik en ander met elkaar verbindt, gesymboliseerd door de spiraal.

De voorbeelden uit de praktijk zijn ontleend aan een onderwijspraktijk op masterniveau. Voor de rijke reflecties, illustraties en citaten uit de ethiekverslagen en een mailwisseling: dank aan mijn reflectieve studenten begeleidingskunde. Sommigen wensten anoniem te blijven en heb ik alleen met een (gefingeerde) voornaam aangeduid: Paul, Gerrit, Celine, Vera, Froukje, Ron, Vanja, Monica, Dagobert Wolswijk en Robin Stemerding.

De spiraal: ritmische afstemming tussen binnen en buiten, ik en ander

“Tijdens de lessen ethiek heb ik steeds meer de toegevoegde waarde van verbeelding en spel leren waarderen. In eerste instantie vond ik het lastig en spannend om hierin mee te gaan, echter doordat ik mij hieraan heb overgegeven, heb ik geleerd dat juist door het gebruik van verbeelding en spel je tot diepere lagen van reflectie komt. Je bent in staat om met behulp van deze middelen woorden te geven aan dat wat juist soms zo moeilijk is te verwoorden.”

Vera, 2015, p. 3-4

De spiraal symboliseert een voortgaande beweging van buiten naar binnen en van binnen naar buiten dat reflectie toont als een gelaagd en dialogisch proces van betekenisgeving. In deze bijdrage beschrijf ik hoe de praktische betekenis van ethische principes ervaarbaar kan worden door in reflectie-opdrachten ook de verbeeldingskracht aan te spreken. Zo kan een gebruikelijk perspectief op waarden als een privézaak, als uitsluitend een kwestie van belangen en sociale codes, gaan kantelen.

In deel 3 is beschreven hoe een onderzoekende dialoog naar het maatgevende van gedeelde waarden in combinatie met creatieve werkvormen een constructief samenspel van beleving en begripsvorming kan bewerkstelligen. In dit deel bespreek ik hoe door de verbeeldingskracht aan te spreken er resonantie in de ruimte tussen ‘ik en ander’ stem kan krijgen. Deze is in ethische reflectie voorondersteld: resonantie tussen mensen, met de (sociale en ecologische) omgeving en tussen verschillende stemmen in de persoon zelf.

Vaak maken mensen een onderscheid in hun eigen handelen als ‘persoon’ of als ‘professional’, wat vragen oproept over het ‘strijdige’ of juist het ‘saamhorige’ van ethische maatstaven bij de morele afwegingen van mensen (Taylor, 2009). Door het schuren tussen persoonlijke en professionele waarden kritisch te bevragen, ontstaat er aandacht voor ijkpunten op basis waarvan afwegingen worden gemaakt. Dit kan tot een herijking van waarden leiden door middel van een onderzoekende dialoog naar ‘het maatgevende’ achter de persoonlijke beleving van kwesties.

Zou juist in het fragiele dialogische midden (‘inter-esse’ ofwel ‘tussen-zijn’ waarmee Heidegger de betekenis van dit woord verschuift van ‘belangen’ naar een existentiële ‘(af)grond’) en door de derde stem van het creatieve medium een gedeelde ‘bodem’ onder momentane en persoonlijke belevingen gevonden kunnen worden?

Resonantie in ‘de tussenruimte’

Afbeelding 1: Dialogische afstemming als een derde weg[1]

Deze dialogische benadering van het moreel maatgevende zou licht kunnen werpen op de verantwoordingsvraag in ethische reflectie: hoe zouden wij waarden kunnen (her)ijken in een tijdperk voorbij goed en kwaad (Nietzsche, 1984b, pp. 9-203)? Een prangende vraag in een ‘postmoderne context’ waarin een universeel, vanzelfsprekend moreel referentiekader niet meer geloofwaardig is en we de ‘grote verhalen’ — bijvoorbeeld het bindende van de tien geboden die in Gods woord hun oorsprong en legitimatie zouden vinden — dood hebben verklaard! De relativering van traditionele maatstaven lijkt tot de onverbiddelijke conclusie te leiden dat we ofwel een andere maatgevende grond hebben te vinden ofwel waarden tot ieders persoonlijke smaak moeten verklaren. De slotsom zou dan zijn dat er geen bindende gedeelde (ethische) zin aan waarden te geven is; slechts smaakverschillen die de deur openen naar een (politiek) machtsargument in het losse zand van waarden-relativisme.

In de eerste bijdrage is er tussen relativisme en fundamentalisme een ‘derde’ dialogische richting gewezen voor het vinden van een existentiële ‘bodem’ — veeleer een ‘gevulde leegte’ of de drassigheid van een dialoog dan vaste grond — als antwoord op de filosofische verantwoordingsvraag. Daar werd getoond hoe deze door de morele verbeeldingskracht kan worden ontsloten. Hier wordt in de zin van het symbool van de spiraal op die existentiële (af)grond voortgebouwd: hoe kan een creatieve ont-dekkende dialoog een bedding, ritme en richting geven belichaamde morele beleving te expliciteren en onderzoeken?

Het morele in vloeibare tijden…

Het morele laat zich in vloeibare tijden meer als houding dan als inhoud (Bulhof, 1989), meer als appèl dan als vaststaande morele regels kennen volgens een filosofische, mediale levenskunst. In die zin is onder meer gewezen op Socrates’ daimonion, Wittgensteins ‘vanzelfzwijgendheid’ en Levinas’ gelaat (Rizzuto, 2014, pp. 24-31). Zou, in dat spoor doordenkend, het waardevolle door middel van pluriforme media (poëtische taal, beelden, theater, muziek, dans) stem kunnen krijgen als beleving van ieders unieke ‘mediale’ verhouding tot anderen en tot het andere (de vreemde ander, dingen, natuur, kunst etc.)?

Voor zover het maatgevende in een kunstzinnig, oorspronkelijk samenspel gevonden kan worden zou het veeleer uit resonantie bestaan, de echo van een existentiële oerverhouding die in (creatief, sociaal) samenspel aan de orde is. Ethiek zou in die zin geen vaste grondslag hebben maar veeleer een dialogische en dynamische: een heen-en-weer bewegen door middel van dialoog (polyloog) tussen ik en ander èn hetgeen waarover gesproken wordt (het andere).

Primair is er resonantie; beweging door ritme, verbeelding, vertolking en klanken, die tot betekenisvolle duiding in (denk)beelden en woorden uitnodigt. Betekenisgeving door middel van creatieve media kan ethiek verdiepen van een abstract praten over waarden tot een spreken vanuit de existentiële verhouding die wij zijn (als een verhouding tot anderen, tot onszelf en tot ‘het zijn’, een groter geheel). Stamelend kunnen wij dit trachten te expliciteren als dat wat het leven waardevol maakt.

De verbeelding als mediale ruimte

In de diepte van de ervaring kan er een doorleefd begrip ontstaan in een resonantieruimte tussen mensen en met betrekking tot een omvattender ordening (groepen, de samenleving, de natuur, de kosmos). Dit kan ‘polylogisch’ (Rizzuto, 2014) door middel van verschillende media — kunst, muziek, expressie van natuurbeleving, het ambachtelijk maken van dingen, het feestelijk samenzijn, … enz. — tot bewustzijn komen. In de verbeelding, als mediale ruimte, komen resonanties in ervaringsonderstromen — zoals een warm, openend gevoel of juist in een beklemmend onderbuikgevoel — tot bewustzijn via beelden. Bijvoorbeeld in het gevoel dat een diep verlangen naar iets schoons je meetrekt of dat iets dat afschuwelijk voelt je juist terugfluit.

Zou die resonantie op een oerverbondenheid met de werkelijkheid zelf kunnen duiden — met een impliciete ordening (Bohm, 1980)? In het onderzoeken van deze questie hoor ik plots dit verband in het klassieke begrip adequatio uit traditionele filosofische definities van waarheid! Voor zover de menselijke oerverhouding tot ‘het zijn’ inherent ethisch van aard is, ligt er in de kunst van afstemming vanuit resonantie door middel van creatief samenspel een sleutel ‘het maatgevende’ te ervaren en polylogisch te verstaan en tot begrip te brengen.

Ethiek als het voortgaande gesprek dat wij ‘zijn’…

In de module ‘ethiek en levenskunst in organiseren’ vormen creatieve werkvormen en morele dialogen de middelen om voorlopige antwoorden te vinden op een onderzoekende vraag naar een situatie die participanten moreel heeft geraakt.
Belangrijke leerdoelen zijn inzicht in de principes achter de ethische invalshoeken, sensitief zijn voor verschillen in taalspelen en de gespreksvaardigheid van het voeren van een dialoog voor het ontwikkelen van een open houding voor morele vragen.

Afbeelding 2: Mindmap van Monica, begeleidingskundige i.o.

‘Het goede leven’ voor mijn ambacht als begeleidingskundige: “Ik heb geprobeerd de waarden in kaart te brengen. … dat is waar ik als begeleidingskundige voor wil staan. Ruimte maken voor alle stemmen, lagen, contexten.”

Uiteindelijk doet het een beroep op de moed morele knelpunten in organisaties aan te kaarten en op de agenda te zetten. Dit vraagt van mensen het besef dat waarden niet (alleen) subjectief of (alleen) abstract zijn, noch identiek zijn met heersende sociale codes (‘zo doen we dat hier’) en machtsaanspraken in organisaties.

Onder een oppervlaktelaag van meningen en emoties kan het waardevolle door middel van verbeeldingskracht in een creatief samenspel betekenis krijgen, als een verlangen naar het goede, schone en ware. Door broze verlangens te delen veeleer dan in een verbale vorm te gieten met vaststaande ethische inhouden, bijvoorbeeld een regel of een protocol. Juist vanuit die broze ervaringsbasis kan er met elkaar een intersubjectieve vorm worden ontwikkeld: een herkenbaar symbool, ritueel of verhaal, dat des te sterkere zeggingskracht heeft wanneer het vanuit eigenaarschap is ontstaan. Hieronder zal deze zeggingskracht als metaforiek in de taal en in creatieve media en sociale praktijken worden besproken.

Het aanspreken van de verbeelding en het gebruik maken van spelvormen kan ook op onbegrip en weerstand stuiten. Terwijl ethische reflectie op waarden veelal eenzijdig als een abstracte bezigheid wordt opgevat, worden creatieve werkvormen en spelvormen vaak, even eenzijdig, als een ‘spelletje’ ervaren. Dit kan het beoogde existentiële leerproces ook in de weg staan. Dan is het de kunst juist deze weerstand als ‘werkmateriaal in de tussenruimte’ tot voorwerp van reflectie te maken om het leerproces weer op gang te krijgen. Bijvoorbeeld door toestemming te vragen ook kwetsbaarheid in de creatieve dialoog toe te laten; of door mensen uit te nodigen voor een ‘experiment’, zoals Vera, een hogeschooldocente, het ervoer. Haar open onderzoekende houding leidde tot een reflectie op haar normatieve professionalisering:

“Mijn sensitiviteit groeit, evenals bewustzijn voor de complexiteit waarin wij leven. Ik wil graag afsluiten met het ‘elfje’ dat ik in de eerste les ethiek heb gemaakt en dat verwoordt hoe ik mezelf als mens en als begeleidingskundige zie:

Balans
Voelend laveren
Verantwoordelijkheid en plichtsbesef
Levenskunst, vertrouwen en meanderen
Leven!”

Vera, 2015, p. 11

Metaforiek in de taal en in sociale praktijken

Een poëtische reflectie in een compacte dichtvorm, zoals een haiku, kwatrijn of een elfje, is een oefening om een (morele) essentie uit een ervaring zintuiglijk voelbaar te beschrijven. Ook wanneer studenten aangeven ‘niet creatief te zijn’ of ‘niets met metaforen of poëzie te hebben’, kunnen creatieve middelen de aandacht vestigen op de beleving van waarden.

In vergelijking met beelden komt muziek nog directer binnen. Aan een muzikale ervaring kunnen we trachten betekenis te geven door middel van beelden, bijvoorbeeld symfonische muziek die een landschap lijkt te verklanken. Andersom ontlenen we aan muziekbeleving metaforen voor (verbale) vormen van ‘afstemming’. Zoals resonantie in een klankkast van een gitaar of viool ontstaat, kunnen we ons een ‘resonantieruimte’ tussen mensen voorstellen.

Mediale levenskunst (Rizzuto, 2014) verplaatst de aandacht van vaste vormen van verbale afstemming naar het proces van afstemmen, metaforisch gesproken: naar de klankruimte tussen ik en ander, tussen binnen en buiten. In die zin kan men zich oefenen muzikaal te luisteren hoe iemand iets zegt en welke lichaamstaal mensen gebruiken om iets betekenisvols aan te duiden.

Zo heeft ieder de mogelijkheid sensitiever te worden voor de mediumkracht van taal: door aandacht te geven aan toon, klanken, gebaren, ritmen en beelden die mensen gebruiken bij het spreken en zwijgen. Die kanteling helpt de focus te verplaatsen van een gericht zijn op de inhoud en het behalen van doelen naar relationele aspecten tussen mensen. Door het stimuleren van zo’n wending van inhoud naar houding schept men voorwaarden voor ethische reflectie. Voor een lerende houding ter bevraging van morele aspecten van een werksituatie: hoe open zijn we naar elkaar? Hebben we het er nog wel over hoe we elkaar zien en ervaren in samenwerking? Mogen gevoelens er zijn? Hoeveel ruimte mag er bestaan voor verschil?

Aan de hand van een narratieve metafoor — een schip in zwaar weer — reflecteert Gerrit, teamadviseur, op een morele vraag in het krachtenveld van een zorgorganisatie:

“Als ik aan onze organisatie denk, dan zie ik een schip voor mij. Een schip wat al menig storm doorstaan heeft, onder meer omdat het een stevig schip is met een goede bemanning. Hier en daar zijn plekken van opgelopen averij zichtbaar, bijv. sporen van scheuren in zeilen en gaten in de romp, die ook weer gerepareerd zijn. De rederij die het schip bezit, heeft aangegeven dat er minder geld beschikbaar is en dat het schip toe moet kunnen met minder bemanning. In de havens die we tot nog toe hebben aangedaan, hebben we goede en minder goede bemanningsleden over de loopplank het schip zien verlaten. Een loopplank die dan door de kapitein zodanig wordt vastgezet dat je maar één kant op kunt; van het schip af en er niet meer op. De bestemming van het schip is ongewis. Wat we wel weten is dat we zwaar weer tegemoet zeilen en al ons vakmanschap nodig hebben om niet ten onder te gaan.”

Gerrit, 2015, p. 3

Het betreft de kwestie hoe goed te handelen als begeleider van medewerkers in een instelling voor begeleid wonen en werken, gezien het hoge ziekteverzuim en de maatschappelijke veranderingen in de zorg. Hij is moreel geraakt over het voorstel van de verzuimcoach een langdurig zieke medewerker een mobiliteitspremie aan te bieden. Dit vanuit bedrijfseconomisch perspectief ‘neutrale’ besluit krijgt, herkaderd in het perspectief van deze metafoor, een morele lading.

Organisatie metaforen

Afbeelding 3: Mechanisering van het werkleven. Film ‘Modern Times’[2]

In het taalspel van een organisatiemetafoor (Morgan, 1986) wordt het rationele besluit relationeel: bedoelde en onbedoelde effecten op de beleving en de levens van mensen in de organisatie worden zichtbaar. De metafoor toont morele betekenis door de aandacht te richten op hoe het ‘samen’ in de geschetste situatie op het spel staat: als bemanning die in hetzelfde schuitje zit is het de vraag wie er van de groep bij de volgende aanleghaven geofferd gaat worden! In die zin kan het moreel knellende, dat in organisatiejargon wordt uitgewist (‘boventalligheid’ van werknemers), in beeldtaal juist aandacht krijgen.

Verborgen morele emoties ten gevolge van organisatiebeleid en managementbesluiten kunnen ook in een verhulde vorm worden aangeduid, bijvoorbeeld als het collectief volgzame gedrag van een kudde dieren of als een uitdrogende plant in een woestijnlandschap. Behalve dergelijke organische metaforen zijn er ook mechanische metaforen, die geschikt zijn het moreel knellende van situaties te verbeelden, zoals de organisatie als machine. Zo toont Charlie Chaplin in de film Modern Times op humoristische wijze hoe de mechanisering van arbeid (de lopende band) in menselijke aspecten van het werk ingrijpt.

Door de kracht van verbeelding — via film, metaforiek en beeldende kunst — kunnen relationele aspecten, die in een organisatiediscours veelal onbesproken blijven, op de voorgrond komen. In een inmiddels klassieke studie hebben Lakoff & Johnson (1980. pp. 14-24) basale vormen van metaforiek in kaart gebracht. Ze tonen hoe de dynamiek van ‘archetypische metaforen’, zoals de ruimtelijke metafoor van boven en onder, zowel fysieke, emotionele als mentale lagen met elkaar verbindt tot een integrale ervaringswerkelijkheid. Zij laten zien hoe we van jongs af aan, door opvoeding en sociale praktijken, ook in een beeldtaal worden ingevoerd. Wanneer we ons daarvan bewust worden, kunnen we van de in spreektaal verborgen metaforiek gebruik maken om culturele normen en sociale waarderingen te onderzoeken.

Afbeelding 4: De apenrots, een metafoor voor sociale hiërarchie[3]

Bijvoorbeeld in het voorbeeld van de ruimtelijke metafoor zit de connotatie dat hoger ook beter is. Deze ‘vanzelfsprekendheid’ geldt des te meer wanneer de betekenisgeving wortelt in belevingen uit de kindertijd van het hoger kunnen klimmen in bomen en de euforie van een toppositie in een gevecht. Dergelijke metaforiek kunnen we beluisteren in zegswijzen en uitdrukkingen die kenmerkend zijn voor culturele vooringenomenheid: bijvoorbeeld “In de toekomst zal het beter gaan en komen we weer hoger in de ranking te staan!”. Via deconstructie van metaforiek is het mogelijk kritisch te reflecteren op de sociale praktijken die ermee worden aangeduid.

De reflectieve kracht van verbeelding via creatieve media

Uit de besproken voorbeelden blijkt de intensiverende kracht van reflectie via beeldende en andere (muzikale, theatrale, dansante) media. Hiermee worden relationele en dus morele aspecten van het sociale samenspel in de organisatiecontext uitvergroot en daarmee onderzoekbaar gemaakt.

In begeleidingskundig onderzoek is het de kunst een metafoor te vinden die de specifieke couleur locale van het sociale en morele weefsel in een complexe situatie weerspiegelt. Door betrokkenen uit te nodigen de metafoor in een creatieve oefening uit te spinnen, kan het (ethisch) reflecteren op de situatie in de creatieve ruimte van de metafoor worden verbonden met (morele) emoties van betrokkenen.
Bijvoorbeeld de organisatiemetafoor, ‘het schip in zwaar weer’, kan gevoelens van verlies en rouw van mensen ontlokken wanneer de metafoor als narratief met elkaar wordt gedeeld. Zo kan de morele beleving, waar men in de waan van de dag aan voorbij gaat, juist aandacht krijgen: het verhaal werkt als metaforische spiegel waarin de morele betekenis van ‘neutrale’ besluiten niet meer verzwegen wordt, maar stem krijgt: Hoe voelt het zware weer voor de bemanning? Hoe is het ontstaan? Heeft de kapitein nog andere opties dan mensen van het schip af te sturen? Morele emoties over het managementbesluit, die in het normale taalspel niet meetellen, kunnen via creatieve middelen betekenis en gewicht krijgen.

Spreekwoorden en zegswijzen

Een ander methodisch middel dat de aandacht kan vestigen op morele knelpunten zijn uitdrukkingen in de taal: een gevoelslaag kan aangeraakt worden door de versleten metafoor (Heidegger, 1986; Ricoeur, 1975) in zegswijzen en spreekwoorden weer levend maken. Ter illustratie een voorbeeld.

Afbeelding 5: Ethische reflectie van Ron, begeleidingskundige i.o. met Schilderij van Richard Westall: Het zwaard van Damocles[4]

Ton Turkenburg, docent, stagebegeleider en supervisor van een hogeschool geeft een ethische reflectie op diens aanvankelijke strenge scheiden van verschillende petten; mede door sensitiever te worden voor de zeggingskracht van van beelden in overdrachtelijke taal:

“De stagiair is door de praktijkbegeleider ondertussen op non-actief gesteld. Ik voorvoel dat dit een lastig gesprek zou kunnen worden … Krijgt de stagiair nog voldoende kans of hangt al ‘het zwaard van Damocles boven zijn hoofd’?”

Turkenburg, 2015, p. 1

Het klassieke beeld waarnaar de uitdrukking verwijst, heeft in deze casus geholpen de reflectie te richten op gespannen onderlinge verhoudingen. Zo konden vooringenomen posities en meningen worden ontrafeld en achterliggende waarden besproken worden. Er ontstond een veilige en vrije sfeer waarin wederkerigheid in verhoudingen werd hersteld. Docent en stagiair reflecteren achteraf op deze ervaring en op de waarde van symboliek voor ethische reflectie:

“Voor mij wordt de verbeelding van mijn morele vraagstuk in deze casus vooral vormgegeven via klassieke beelden, zoals in het schilderij Het zwaard van Damocles, in dit geval boven het hoofd van de stagiair. In een van mijn gesprekken met deze stagiair heb ik hem later in supervisie een andere afbeelding voorgehouden van een schip op woelige zee, dat tussen de vervaarlijke rotsen van Scylla en Charybdis een koers zoekt naar een veilige haven.

Dit beeld werd in mij opgeroepen door zijn moeizame zoektocht. Mijn verbeelde feedback raakte ook deze supervisant/ stagiair recht in het hart. Hij voelde zich hiermee ook goed gezien en begrepen, waardoor hij gemakkelijker woorden kon geven aan de complexiteit van zijn situatie. Wat een rijk beeld dan wel niet kan zeggen!”

Turkenburg, 2015, p. 1

Met verbeeldingskracht is het mogelijk het knellende in onderlinge verhoudingen in een metafoor te vangen, door sensitief te zijn voor de toon, gebaren en zegswijzen die iemand gebruikt. Het aldus analoog beluisterde kan zichtbaar en tastbaar gemaakt worden door middel van creatieve media. Beelden en klanken, timbre en ritme van het besprokene geven analoge mediumaspecten ‘achter’ de discursieve betekenis: ze weerspiegelen belevings- en relationele aspecten van wat men zegt en vindt. Dergelijke analoge aspecten van verbale uitwisseling bieden een aangrijpingspunt taboes, gevoeligheden en vanzelfsprekendheden op te merken en bespreekbaar te maken.

Spiraalsgewijze opbouw van reflectieopdrachten

De voorbeelden laten ook het belang zien van het spiraalsgewijs aanspreken van verbeeldingskracht — eerst inzoomend op de morele geraaktheid en daarna uitzoomend door middel van denkkracht — om zowel sensitief en responsief de betekenis van morele emoties te onderzoeken, als analyserend aan de hand van ethische perspectieven. Dit vooronderstelt èn helpt studenten opmerkzaam te zijn voor de sfeer tussen betrokkenen waarin morele gevoelens van schuld, woede, schaamte, wroeging, jaloezie, eergevoel …meespelen.

Het bevragen van de betekenis van emoties tussen mensen vraagt veeleer expressieve dan zakelijke taal: het vinden van een treffende metafoor kan helpen het opgemerkte in gezichtsuitdrukking, houding, gebaar, het veelzeggende van spreek- en handelwijze aan te duiden en bespreekbaar te maken. Door het open te bevragen kan de aandacht verlegd worden naar onderstromen in organiseren (Van Es, 2009), naar achterliggende denkbeelden (Vroon & Draaisma, 1985) en zingevingssystemen (Morgan, 1986), die mede van invloed zijn op het krachtenveld in organisaties.

Een onderzoekende houding vraagt de aandacht te laten verspringen van analoge naar discursieve aspecten, en andersom, van de voorgrond naar de achtergrond van organiseren. Verbeeldingskracht helpt oog te krijgen voor verschil: “Een foto heeft een buitenkant die samenvalt met het doel waarmee de fotograaf haar geschoten heeft. Maar hierachter kan een andere lading schuilgaan. Een stemming die niet te verwoorden is.” (Moor, 2012, p. 95). Reflectie als een onderzoekende en een relationele kwaliteit vraagt uiteindelijk van mensen innerlijk bewogen en aanraakbaar te zijn.

Wisselwerking tussen analoge en discursieve aspecten

Voor lastig te verwoorden aspecten is een hermeneutiek nodig die verbonden kan worden met kritische reflectie op machtsprocessen in organisaties.

Afbeelding 6: Een foto heeft een ‘binnenkant’, zoals een stemming die niet te verwoorden is — uit game Quest for wisdom – foto Miny Verberne

Het is van belang dat creatieve middelen niet ter ‘opleuking’ maar methodisch worden ingebed, in afstemming met betrokkenen en met het oog op het doel dat men wil bereiken. Wanneer men bijvoorbeeld de aandacht van de discursieve inhoud naar analoge aspecten wil verplaatsen, zou men heel concreet het schurende in de relatie tussen mensen, met behulp van creatieve media en met de mediumkracht van taal kunnen uitvergroten. Bijvoorbeeld door het geven van een rijke beschrijving van een werksituatie. De fenomenologisch rijke ervaringsbodem ontglipt in een feitelijk verslag in functionele taal waar zintuiglijke details en gevoelslagen buiten beeld blijven. Door een wisselwerking van creatieve expressie en begripsvorming kan er gelaagdheid in betekenis worden meegenomen.

Uit een rijke beschrijving kan een morele gevoeligheid oplichten, die in de context van het levensverhaal betekenisvol blijkt. Dergelijke betekenisvolle patronen kan men op het spoor komen door studenten de eigen wordingsgeschiedenis en socialisatie te laten beschrijven. Die fungeert als bedding voor een reflectie over de werking en het belang van normatieve kaders in levensloop en loopbaan:

“Vanuit een intrinsieke motivatie ben ik begonnen aan de opleiding tot verpleegkundige. Ik vond het niet gemakkelijk omdat ik niet zo goed in Nederlands was en ook rekenen vond ik moeilijk. Maar met mijn doorzettingsvermogen en mijn passie in het werk lukte het mij om de opleiding af te ronden en kon ik in de stageperiodes genieten van het werk. Ik genoot van de contacten met de patiënten en cliënten die ik mocht begeleiden. Vaak zei ik tegen mijn ouders: wat fijn dat ik zoveel kan genieten van mijn werk en dat jullie mij zo hebben geholpen op de moeilijke momenten van het leren. (…) Tijdens deze jaren heb ik geleerd dat present zijn erg belangrijk is. Later in mijn werk als waarnemend hoofd in een verpleeghuis en nu als docent aan een ROC heb ik daar vooral mijn nadruk op gelegd.”

Vanja, 2015, p. 2

Morele dialoog: hermeneutische speelruimte en trage vragen

De kracht van verbeelding in reflectie beruste mede op hermeneutische principes: dat verstaan plaatsvindt op grond van een ‘voor-verstaan’. Het beeld van de creatief beschreven werksituatie wordt als tekst in de context van een belevingswereld geplaatst (de morele geraaktheid). En andersom kan de beleving als ‘pretext’ betekenis krijgen in de context van een organisatieverhaal. Het interpreteren vindt plaats door heen-en-weer te bewegen tussen deel en geheel, tussen reïficatie (stollen van betekenis) en de-reïficatie (vloeibare betekenissen); tussen hier en daar; tussen verleden en heden en toekomst.

In twee richtingen kan de morele geraaktheid present worden gesteld: naar buiten toe door gebeurtenissen in het krachtenveld van de organisatie (tussen wij en zij) te plaatsen; en naar binnen toe, naar het broze dat leeft in de diepte van de ziel en in onderstromen van gedeelde beleving tussen mensen. Door steeds de binnen- en de buitenkant van gebruikte beelden en begrippen met elkaar te verbinden of te confronteren, ontstaat er een gelaagd en meerstemmig proces van betekenisgeving. De opgeroepen emoties, herinneringen en associaties spreken over geluk en tragiek in het organisatiespel; over hoe het goede in werksituaties op het spel staat.

De sleutel van dit spiraalsgewijze proces van betekenisgeving ligt in het vinden van een open onderzoekende vraag, waarmee de persoonlijke geraaktheid (de ervaringsbasis voor ethische reflectie) kan worden bevraagd in een morele dialoog. Door steeds terug te keren naar de vraag kan men het complexe proces methodisch (vragend, problematiserend) hanteren: achter het dominante referentiekader doemt een kwetsbare laag op. Deze kan men via de-reïficatie (vloeibaar maken of ‘deconstrueren’ van begrippen) aanboren en duiden door samen op zoek te gaan naar passende beelden en woorden.

In het vijdde en laatste deel buig ik het onderzoekende dialogische proces weer terug naar de begeleidingskundige onderzoeker en laat zien hoe de dialoog tussen binnen en buiten, tussen ik en ander de basis biedt voor congruent ethisch handelen, verbeeld met het symbool van de hand.

  • Abma, T.A. (2010) Herinneringen en dromen van zeggenschap. Cliëntenparticipatie in de ouderenzorg. Den Haag: Boom/ Lemma uitgevers
  • Andreus, H. (1979). Dat licht van mij. Haarlem: Uitgeversmaatschappij Holland.
  • Argyris, C., & Schon, D. (1978) Organisational learning: A theory of action perspective. Reading, Mass: Addison Wesley
  • Aristoteles, (2008). Ethica Nicomachea. (2e druk, vert. Hupperts, Ch.& Poortman, B) Budel: Damon.
  • Baanders, B. (2007) Overgeleverd aan de toekomst. Emanuel Levinas en de Talmoed. Budel: Damon.
  • Banning, H. & Banning-Mul, M. (2010) Narratieve begeleidingskunde. Hoe het gebroken verhaal professioneel te waarderen. Amsterdam: uitgeverij Nelissen/ Boom.
  • Bauman, Z. (2011) Vloeibare tijden, Leven in een eeuw van onzekerheid. Zoetermeer: Uitgeverij Klement.
  • Bohm, D. (1980), Wholeness and the Implicate Order. London: Routledge.
  • Brohm, R. & Muijen, H. (2010) Leven in organisaties: een kunst! –
    Een kritiek op de zelfgenoegzame redelijkheid in organisaties. Filosofie 20 (1) 45-50;
    Participatie en nabijheid als kwaliteiten van afstemming en samenwerking. Filosofie 20 (2) 50-55;
    Zelfwording tussen de bedrijven door: levenskunst in organisaties als medley. Filosofie 20 (3), 49-54.
  • Buber, M. (2003) Ik en jij. Utrecht: Bijleveld.
  • Bulhof, I. (1989) Deugden in onze tijd. Over de mogelijkheid van een eigentijds deugdenethiek. Amsterdam: Ambo.
  • (2015). Organisatie-Ethiek (opdracht Organisatie-Ethiek). Masteropleiding Begeleidingskunde, Hogeschool Rotterdam, Rotterdam
  • Coenen, B. (2009) Schuren, knutselen en schooieren. Barneveld: uitgeverij Nelissen.
  • Coenen, B. (2013). Coaching de oorlog verklaard! Een driedimensionale benadering van denken en handelen bij begeleiding en verandering. Rotterdam: 2010 Uitgevers
  • Declerq, A. (1998) geraadpleegd op 11 november 2015 van Interferentiegebied tussen systeem en leefwereld.pdf
  • Derrida, J. (1972) Marges de la Philosophie. Paris: Du Seuil.
  • Draaisma, D. (2008) Waarom het leven sneller gaat als je ouder wordt. De geheimen van het geheugen. Amsterdam: Rainbow Paperbacks.
  • Draaisma, D. (2010) Vergeetboek. Groningen: Historische Uitgeverij.
  • Draaisma, D. (2013). De dromenwever. Groningen: Historische uitgeverij.
  • Ende, T. van den (2011). Waarden aan het werk. Amsterdam: Uitgeverij SWP.
  • Es, R. van (2009) De onderstroom van organiseren. Deventer: Kluwer.
  • Ewijk, H. van (2014). Omgaan met sociale complexiteit. Professionals in het sociale domein. Amsterdam: Uitgeverij SWP.
  • Ewijk, H. van., & Kunneman, H. (2013). Praktijken van normatieve professionalisering. Amsterdam: SWP
  • Foucault, M. (1986) De geboorte van de kliniek. Een archeologie van de medische blik. Nijmegen: SUN.
  • (2015). De T-shaped professional. Belicht vanuit verschillende ethische perspectieven. (Verslag Organisatie-Ethiek). Masteropleiding Begeleidingskunde, Hogeschool Rotterdam, Rotterdam.
  • Gadamer, H-G. (2010). De actualiteit van het schone — Kunst als spel, symbool en feest. Amsterdam: Boom Kleine Klassieken.
  • Gadamer, H-G (vertaling Mark Wildschut, 2014). Waarheid en methode. Hoofdlijnen van een filosofische hermeneutiek. Nijmegen: Vantilt.
  • (2015). Organisatie-Ethiek (Verslag Organisatie-Ethiek). Masteropleiding Begeleidingskunde, Hogeschool Arnhem en Nijmegen, Nijmegen.
  • Grant, D. & Oswick, C., (ed.) (1996). Metaphor and Organizations. London/ Thousand Oaks/ New Delhi: Sage.
  • Haak, N. van den (1999). Metafoor en filosofie. Studie naar de metaforische werking in de filosofie aan de hand van Julia Kristeva en Paul Ricoeur. Leende: Damon.
  • Hanfling, O. (1981) Logical Positivism. Oxford: Basil Blackwell.
  • Hart, W. (2012). Verdraaide organisaties. Terug naar de bedoeling. Deventer: Kluwer.
  • Heidegger, M. (1984) Sein und Zeit. Tubingen: Max Niemeyer Verlag.
  • Heidegger, M. (1986) Unterwegs zur Sprache. Pfullingen: Gunther Neske Verlag.
  • Hermsen J.J. (2014) Een nieuwe bevlogenheid. Utrecht/ Amsterdam / Antwerpen: Uitgeverij De Arbeiderspers.
  • Holitzka, M.& Remmert, E. (2004). Systemische organisatieopstellingen. Conflicten oplossen in en op het werk. Katwijk: Panta rhei.
  • Huizinga, J. (2008) Homo ludens. Proeve eener bepaling van het spel-element der cultuur. Amsterdam: Amsterdam University Press/ Athenaeum Boekhandel Canon.
  • Kessels, J., Boers, E. & Mostert, P., 2002. Vrije ruimte. Filosoferen in organisaties. Amsterdam: boom.
  • Kopland, R. (1999) Geluk is gevaarlijk. Amsterdam: uitgeverij Muntinga Pockets i.s.m. G.A. van Oorschot, Rainbow Pockets.
  • Klever, W.N.A. (1986) Verhandeling over de verbetering van het verstand. Amsterdam: Ambo-wijsgerig.
  • Kroesen, O. (2008) Leven in organisaties. Ethiek, communicatie, inspiratie. Vught: Skandalon.
  • Kunneman, H. (1996), Van theemutscultuur naar walkman-ego. Meppel: Boom.
  • Kunneman, H. (1998), Post-moderne moraliteit. Amsterdam: Boom.
  • Kunneman, H. (2005). Voorbij het dikke ik. Bouwstenen voor een kritisch humanisme. Amsterdam: SWP.
  • Lengelle, R., Meijers, F., Poell, R., Post, M. Career writing: Creative, expressive and reflective approaches to narrative identity formation in students in higher education.
    a Faculty of Humanities and Social Sciences, Athabasca University, Canada
    b School of Education, The Hague University of Applied Sciences, The Netherlands
    c Department of Human Resource Studies, Tilburg University, , The Netherlands Journal of Vocational Behavior, Volume 85, Issue 1, August 2014, Pages 75–84.
  • Kuijpers, M. & Meijer, G. (red, 2008) Loopbaanleren. Onderzoek en praktijk in het onderwijs. Antwerpen-Apeldoorn: Garant
  • Kwee Swan-Liat (1966) Denken met de rechterhand. Een poging tot metasystematische explicatie. Amsterdam: Meulenhoff
  • Lakoff, G. &Johnson, M.(1980). Metaphors we live by. Chicago/ London: University of Chicago Press.
  • Maso, I. & Smaling, A. (1998) Kwalitatief onderzoek: praktijk en theorie. Amsterdam: Boom.
  • Meijers, F. (red., 2012) Wiens verhaal telt? Naar een narratieve en dialogische loopbaanbegeleiding. Antwerpen/ Apeldoorn: Garant.
  • Meijers, F., Kuijpers, M., Mittendorff, K. & Wijers, G. (2014). Het onzekere voor het zekere. Antwerpen/ Apeldoorn: Garant
  • Meijers, F. & Mittendorff, K. (red.) (2017). Zelfreflectie in het hoger onderwijs. Apeldoorn/ Antwerpen: Garant.
  • (2015). De organisatie als (tijd)machine? (Verslag Organisatie-Ethiek). Masteropleiding Begeleidingskunde, Hogeschool Rotterdam, Rotterdam.
  • Morgan, G. (1986). Images of Organisations. Thousand Oaks: Sage.
  • Muijen, H.S.C.A. (2001). Metafoor tussen magie en methode. Narratief leren in organisaties en therapie. Kampen: Kok Agora.
  • Muijen, H., Appel, G., Cock Buning, T.de (red) 2004. Hoe word je wijzer als je ruim denkt? Amsterdam: VU uitgeverij.
  • Muijen, H.S.C.A., (2010). Mens, ken je Zelf! [spel]Weesp: Thymia.
  • Muijen, H.S.C.A. & Van Marissing, L. (2011). ‘iets’maken. Beeldend werken nader bekeken. Antwerpen/ Apeldoorn: Garant.
  • Muijen, H.S.C.A., (2012). Wat is de kwestie? — Wat is de kwestie! [spel]Weesp: Thymia.
  • Muijen, H.S.C.A. (2014). “De narrige levenskunstenaar als begeleidingskundige” in: Tijdschrift voor Begeleidingskunde 3 (2) 28-37.
  • Muijen, H.S.C.A. (2016) game Quest for wisdom, een Intercultureel Rad voor levenskunst. [spel]Weesp: Thymia.
  • Moor, M. (2012). Tussen de regels. Een esthetische beschouwing over geweld van organisaties. Utrecht: Uitgeverij IJzer.
  • Nietzsche, F (1982). Also spracht Zarathustra. Ein Buch für Alle und Keinen. Stuttgart: Reclam.
  • Nietzsche, F. (1984a) “Die fröhliche Wissenschaft” Werke II; Ulm: Ullstein Materialien.
  • Nietzsche, F. (1984b) “Jenseits von Gut und Böse” Werke III; Ulm: Ullstein Materialien.
  • Nussbaum, M. (2001) De breekbaarheid van het goede. Geluk en ethiek in de Griekse filosofie en literatuur. Amsterdam: Ambo.
  • NVAO (2015) geraadpleegd op 22-09-2015 van Begeleidingskunde
  • Obama, B. (2015) Speech for the African Union geraadpleegd op 18 augustus 2015, van remarks-president-obama-people-africa
  • (2015). Een innerlijke verwerking van ethische perspectieven in een tollende werkelijkheid. (Verslag Organisatie-Ethiek). Masteropleiding Begeleidingskunde, Hogeschool Arnhem en Nijmegen, Nijmegen.
  • Perjorie, M. (2015) geraadpleegd op 2016-02-21 van buffalo.edu/authors/perloff/witt_intro.html
  • Reid, L. (1998) “Wittgenstein’s Ladder: the Tractatus and Nonsense.” Philosophical Investigations 21 (2). Oxford: Blackwell Publishers.
  • Ricoeur, P. (1975) La métaphore vive. Paris: Du Seuil.
  • Rizzuto, G. (2014). Mediale levenskunst. Een interculturele polyloog. Brussel: ASP.
  • Ronde, de M.A. (2005) geraadpleegd op 11 november 2015 van Trage-vragen-in-een-snelle-wereld
  • Ronde, M.A. de (2015). Speelruimte voor ervaring en reflectie. Een praktijkgericht onderzoek naar het gebruik van spel in begeleidingssituaties. Delft: Eburon.
  • Ronde, M.A. de & Gronouwe, J. (2013). Stilte in het handelingsrepertoire van de begeleidingskundige. Tijdschrift voor Begeleidingskunde, 2 (3) 2-14.
  • Schiller, F. (2009). Brieven over de esthetische opvoeding van de mens. Amsterdam: Octavo publicaties.
  • Schmid, W. (2008) En waarom het niet het belangrijkste in het leven is. Amsterdam: Ambo.
  • Schön, D. (1991) The Reflective Practitioner. How professionals think in action. Aldershot, Brookfield USA, Singapore, Sydney: Ashgate Arena.
  • Stemerding, R. (2015). Presentie of ‘waar de schildpad wel komt’ (Verslag Organisatie-Ethiek). Masteropleiding Begeleidingskunde, Hogeschool Rotterdam, Rotterdam.
  • Stralen, G. van & Gude, R., (red) (2012). En denken! Bildung voor leraren. Leusden: ISVW Uitgevers.
  • Tongeren, P. van. (2014). Leven is een kunst. Over morele ervaring, deugdethiek en levenskunst. Zoetermeer: Uitgeverij Klement.
  • Taylor, Ch. (2006, 8e druk). Sources of the Self. The Making of Modern Identity. Cambridge University Press.
  • Taylor, Ch. (2009) De Malaise van de Moderniteit. Kampen: Ten Have.
  • Turkenburg, T. (2015). ‘Wegen’ vanuit verschillende ethische perspectieven (Verslag Organisatie-Ethiek). Masteropleiding Begeleidingskunde, Hogeschool Arnhem en Nijmegen, Nijmegen.
  • Uden, R. van & Pieper, J. (red.) (2012) Ritualiteit tussen heil en heling. Tilburg: KSGV.
  • (2015). Vooruitgang van inzicht. (Verslag Organisatie-Ethiek). Masteropleiding Begeleidingskunde, Hogeschool Arnhem en Nijmegen, Nijmegen.
  • (2015). Organisatie-Ethiek (Verslag Organisatie-Ethiek). Masteropleiding Begeleidingskunde, Hogeschool Arnhem en Nijmegen, Nijmegen.
  • Vermaak, H. (2009) Plezier beleven aan taaie vraagstukken; werkingsmechanismen van vernieuwing en weerbarstigheid. Deventer: Kluwer.
  • Vermeulen, B. (1983) De betekenis en ontwikkeling van het woord parresia. Opgevraagd 29 augustus 2015, van www.hypothesis.nl/Aristoteles/parresia.doc
  • Vroon, P. & D.Draaisma (1985). De mens als metafoor. Baarn: Ambo.
  • Wierdsma, A.F.M & Swieringa J. (2011). Lerend organiseren en veranderen. Groningen: Noordhoff Uitgevers.
  • Weick, K.E. (1995) Sensemaking in Organisations. Thousand Oaks: Sage.
  • Wittgenstein, Ludwig (1977) Philosophische Untersuchungen. Frankfurt am Main: Suhrkamp Tasschenbuch Wissenschaft.
  • Wittgenstein, L. (Vertaald door W.F. Hermans, 1998) Tractatus logico-philosophicus Amsterdam: Atheneum-Polak & van Gennep.
  • Wolbink, R. (2013) Het coachvak binnenste buiten. Een filosofisch perspectief. Amsterdam: Uitgeverij Boom/ Nelissen.
  • Wolswijk, D. (2015). Achter alle regels is een oneindige en niet vastgestelde verantwoordelijkheid. (Verslag Organisatie-Ethiek). Masteropleiding Begeleidingskunde, Hogeschool Rotterdam, Rotterdam.
Noten

[1] metafoor tussen magie en methode – narratief leren in organisaties
[2] Bron: Modern Times poster
[3] Bron: Monkeys in Artis Zoo
[4] Bron: het zwaard van damocles 1812, Ackland Art Museum.

Heidi Muijen

van Thymia, filosofische praktijk voor levenskunst en creatieve ontwikkeling te Weesp heeft in 2016 de Stichting Quest for wisdom foundation opgericht. Het eerste project van de stichting is de digitale spelvorm game Quest for wisdom. Als tweede project wordt het Wijsheidsweb ontwikkeld. Heidi Muijen is ontwerper van het filosofisch-mythische bordspel Mens, ken je zelf en van de ont-dekkende dialoogvormen Wat is de kwestie?-Wat is de questie!.