Metaforen in communicatie- en veranderingsprocessen — 1

0

Naar een dialogische benadering van organisatievraagstukken

Heidi Muijen

Bron: Filosofie in Bedrijf — nr. 4 — jaargang 14 — december 2002, p. 22-33[0]

Deel 1deel 2

Dit artikel gaat in op een verandering in (het denken over) sturend handelen in organisaties. Deze verandering wordt geplaatst tegen de achtergrond van een algemenere reflectie over de relatie waarden en wetenschap met als doel om een drietal filosofische posities te typeren.

Eerste positie

In het organisatiediscours is er een wending in denkbeelden en benaderingen met betrekking tot de kerntaak van het managen van organisaties te traceren: van het tellen van producten, diensten, tijdpaden en geldstromen naar het vertellen van missie, bedrijfsfilosofie en markante anekdotes in organisaties. Kortom een accentverschuiving ‘van tellen naar vertellen’.

Tweede positie

Deze betekenisverschuiving wordt uitgewerkt aan de hand van de (verschillende) wijzen waarop metaforen figureren in het organisatiediscours en in de praktijk van organisatietrainingen en van creatieve therapie.

Derde positie

Ten slotte wordt er een derde — integratieve — invalshoek geïntroduceerd aan de hand van een casus over een dialogisch proces van organisatieontwikkeling.

Metaforen en waardevolle wetenschap

Waarden- en metaforische communicatie behoort zich volgens velen tot de marge van de wetenschap te beperken. Metaforen en waarden in wetenschap spiegelen niet getrouw de werkelijkheid.

Metaforen mobiliseren onze geest — Waarden zijn de kruiden van onze kennis

Vrijheidsbeeld[1]

Hoewel vaak moeilijk te traceren en te analyseren maken metaforen van neutrale brokken informatie een smakelijke maaltijd die herkenbaar is en je beroert: aangenaam of juist niet te verteren! Vooral wat betreft het aspect van ‘in beroering brengen’ lijken waarden en metaforen een verbond te hebben gesloten: ze doen hun werk veelal onopgemerkt, als het ware op organische wijze, indirect, aan het (rationele) oog onttrokken.

Vaak opereren waarden en metaforen hand in hand in een tekst, want een metafoor kan abstract klinkende waarden zoals ‘rechtvaardigheid’, ‘vrijheid’, ‘dapperheid’ in beeld brengen: bijvoorbeeld met de weegschaal boven de poort van een gerechtsgebouw, met het Amerikaanse vrijheidsbeeld en met een strijder die zijn zwaard trekt.

Intuïtief zinspeelt het beeld in de metafoor met het concept van dapperheid, van vrijheid, of van rechtvaardigheid, en roept een betekenisveld aan associaties op. Mogelijk creëert zij zo een onverwachte wending in een betoog en voert de geest langs irrationele routes en ‘omwegen’. Metaforen en waarden mogen dan beschouwd worden als randfiguren in de wetenschap, maar hun werkelijke effectiviteit laat zich niet marginaliseren.

Waarden en metaforen

Gat in de weg[2]

Maar ‘wat’ zijn waarden en ‘wat’ zijn metaforen eigenlijk? Hoe spelen ze die dubbelzinnige rol in het wetenschappelijk vertoog en in het bijzonder in het organisatiediscours?

Eerst een taalfilosofische opmerking vooraf.
Moeten we als bedrijf hier niet op inspringen? Dit lijkt me een gat in de markt!
Pas op dat gat in de weg! Kun je er niet overheen springen?

Twee uitspraken, die allebei vrij alledaags en direct klinken in (ogenschijnlijk) letterlijke taal. Toch wordt door het verschil tussen beide zinnen meteen duidelijk, dat de kwestie of de betekenis van woorden letterlijk of metaforisch (bedoeld) is, een gecompliceerde is.

De woorden ‘springen’ en ‘gat’ fungeren in dit opzicht anders in de eerste context van een bedrijf dan in de tweede alledaagse context. In deze tweede zin is hun betekenis onmiskenbaar letterlijk, in de eerste zin mogen ze weliswaar direct en zonder bijbetekenis zijn bedoeld maar functioneren ze niettemin als (versleten) metaforen.

De betekenis en metaforische waarde van woorden is aldus direct gekoppeld aan het tekstuele verband waarin ze figureren en aan de manier waarop ze worden gebruikt in de (non)verbale context van communicatie.

De rationalistische en de romantische positie

In een ‘ideaaltypische’ zin zijn er ten aanzien van het gebruik van metaforen als communicatiemiddel twee extreme posities te onderscheiden.

Een ‘Rationalistische’ positie stelt dat de toepassing van metaforen methodologisch afgemeten wordt ten opzichte van de wijze waarop concepten en modellen geoperationaliseerd en gevalideerd worden. Vanuit deze positie is het wetenschappelijk gezien redelijk om sceptisch te staan ten aanzien van het ‘opportunistische gebruik’ van metaforen in een context van organisatietheorieën.

De andere positie is een ‘Romantische’ die uitgaat van een intuïtieve benadering van organisatievraagstukken. Vanuit deze positie is het gebruik van metaforen in een context van communicatie- en interactieprocessen en als aanduiding van een management benadering (bijvoorbeeld ‘lean and mean’, letterlijk: ‘slank en doelgericht’) organisch in te passen in andere, traditionelere benaderingen van managementproblemen in de organisatiekunde.

Van beheersen naar participeren — een narratief-existentiële invalshoek in de organisatiekunde

Dit artikel gaat over een narratief-existentiële invalshoek in de organisatiekunde die in de negentiger jaren van de vorige eeuw opkwam, onder invloed van een verandering in (het denken over) de aansturing van organisaties. Ik plaats deze verandering tegen de achtergrond van een algemenere reflectie over de relatie waarden en wetenschap met als doel om binnen het aldus afgezette filosofische veld de drie posities nader te typeren.

Van tellen naar vertellen

‘Het paradijs’: de voorstelling van een gouden tijd als oorsprong van de mensheid visualiseert ‘de Romantische benadering’ — Jan Brueghel[3]

De bedoelde omslag in denken en doen heb ik elders[4] getypeerd als een veranderende (ver)houding van de manager c.q. onderzoeker tot de organisatie: van een beheersende naar een participerende (ver)houding. In het organisatiediscours is er een wending in denkbeelden en benaderingen met betrekking tot de kerntaak van het managen van organisaties te traceren: van het tellen van producten, diensten, tijdspaden en geldstromen naar het vertellen van missie, bedrijfsfilosofie en markante anekdotes in organisaties. Kortom een accentverschuiving ‘van tellen naar vertellen’.

Eerst illustreer ik deze betekenis-verschuiving aan de hand van de (verschillende) wijze waarop metaforen figureren in het organisatiediscours: als managementconcept, als bouwsteen voor organisatietheorieën; en als praktisch instrument in de toolkit van managers[5] en van creatief therapeuten. Daarna introduceer ik een derde — integratieve — invalshoek aan de hand van een beschrijving van een dialogisch proces van organisatieontwikkeling.

Twee extreme posities

Ten aanzien van het gebruik van metaforen in (het denken over) organisaties zijn, parallel aan de veranderende (ver)houding van de manager of onderzoeker tot de organisatie, twee extreme posities te onderscheiden: een opportunistische versus een sceptische houding.

Deze posities komen grofweg overeen met de houding van de pragmaticus die vertelt dat metaforen in de praktijk ‘gewoon blijken te werken’ resp. de houding van de wetenschapper voor wie telt dat hun toepassing in organisatietheorieën en management-benaderingen ‘onwetenschappelijk’ is, aangezien metaforen zich aan de method(olog)ische greep van de organisatiekunde onttrekken.[6]

Een integratief perspectief

In mijn promotieonderzoek is naar voren gekomen dat beide posities zich schuldig maken aan een vergelijkbare doch polair tegengestelde eenzijdigheid in benaderingswijze, welke ik gekarakteriseerd heb als een Romantische versus een Rationalistische benadering van (denken over) organisaties en organiseren. Deze polarisering en het extreme karakter van beide benaderingswijzen roept de vraag op naar een derde positie: een integratief perspectief, waarin zowel de Romantische als de Rationalistische ‘insteek’ een plek krijgen. Die derde positie zou de gevoelsmatig-intuïtieve werking van metaforen kunnen integreren met een method(olog)ische invalshoek. Een veelbelovende optie voor dit derde integratieve perspectief is een dialogische benadering van organisatievraagstukken.[7]

Hieronder geef ik eerst een typering van beide extreme benaderingswijzen aan de hand van voorbeelden van creatieve bedrijfstrainingen en coaching trajecten. Daarna breng ik het derde perspectief voor het voetlicht aan de hand van twee voorbeelden. De casus die ik in dit eerste deel schets gaat over de werkzaamheid van metaforen en creatieve middelen in therapie en training. In een volgend tweede deel ga ik in op een casus hoe de ontwikkeling van ‘(ethisch) reflectief onderwijs’ in een universitair curriculum werd vormgegeven door de dialoog een spilfunctie te laten vervullen in een parallel proces van onderwijsontwikkeling en organisatieontwikkeling.

Organisatie- en managementmetaforen

De rol van de metafoor

Een wolf in schaapskleren — foto Joke Koppius

Sinds de jaren tachtig spelen metaforen een onmiskenbare maar controversiële rol in het organisatiediscours. Van oudsher is de metafoor een dankbaar heuristisch instrument, een beproefd literair en doeltreffend communicatie middel: als hulp voor technologische ontdekkingen, ter verfraaiing van wetenschappelijke teksten en voor het verbloemen van een harde boodschap. Waar een letterlijke beschrijving soms inadequaat is om bijvoorbeeld een intentie of een intuïtie aan te geven, kan een metaforische omschrijving doel treffen, mits op het goede moment, op de juiste toon en met een raak beeld. Ze kan de aandacht richten op een specifiek aspect of op een indirecte en veilige manier hoe een boodschap over te brengen. De overdrachtelijke manier van spreken kan zozeer aanslaan en succesvol zijn dat de oorspronkelijk originele vondst een cliché wordt, zoals

“De nieuwe manager lijkt me eigenlijk een wolf in schaapskleren.”

De metafoor als instrument

Vanuit pragmatisch oogpunt is de metafoor aldus een uitstekend instrument om op een zichtbaar detail te focussen, en om dat uit te vergroten. Of om de aandacht juist te richten op een onzichtbare dimensie ‘achter’ de zichtbare, fysieke werkelijkheid: de verzwegen wereld van taboes, achterliggende gevoelens en metafysische waarden. Een ‘gevoelige metafoor’ kan, wanneer ze bepaalde reacties bij betrokkenen oproept en in het heldere licht van het bewustzijn laat verschijnen, verborgen agenda’s op het spoor komen. Vervolgens zou deze metafoor eventueel kunnen worden verrijkt en bewerkt, teneinde wensen en idealen te exploreren en een veranderingsrichting te helpen organiseren.

Het gebruik van metaforen

Het Gelaat dat zich achter ‘het masker’ verbergt — foto Joke Koppius

Steeds meer managers en organisatietrainers hebben in de praktijk van hun werk deze (meer)waarde van metaforen ontdekt en exploiteren haar: metaforen als gevoelig meetinstrument (‘sensor’) voor verborgen motivaties en aspiraties en als krachtig communicatie- of veranderingsmiddel.

Voor zover metaforen in deze pragmatische context verwijzen naar achterliggende gevoelens en gevoelige informatie zijn ze ook gekoppeld aan onze systemen van normen en waarden met hun taboes. Ze bieden ons als het ware een luikje naar de verborgen ruimte van wat er tussen de regels door en ‘met andere woorden’ wordt gezegd. Ze verwijzen ons naar wat er in het innerlijk van mensen leeft en intuïtief als een zinvolle samenhang ‘achter’ de fysieke werkelijkheid wordt ervaren.

Deze ervaarbare zinsamenhang is door filosofen als concept aangeduid, waarin metaforisch een beeld meespreekt, — zoals ‘het Omvattende’ (Jaspers), ‘het Gelaat’ (Levinas), ‘de roep van het Zijn’ (Heidegger).

De Rationalistische positie

Laten we de aangesneden problematiek eerst vanuit de Rationalistische positie beschouwen. Vanuit een analytisch oogpunt zijn letters en woorden neutrale tekens die, in een consistent systeem gerangschikt en eenduidig verwijzend, kennis produceren; vergelijkbaar met de essentiële rol die eiwitten, vetten en mineralen spelen als elementaire bouwstenen van een maaltijd.

Natuurkundige kennis kun je bijvoorbeeld beschouwen als een bepaald betekenissysteem, een ordening in het systeem van tekens, definities en experimentele gegevens, welke naar de natuur buiten ons verwijzen.

Het Rationalistisch perspectief binnen de sociale wetenschappen

Sociale kennis, bezien als een systeem van tekens, definities en grootheden, brengt een ordening aan in de sociale werkelijkheid. Vooral wanneer de empirische gegevens gekwantificeerd kunnen worden en de verhoudingen tussen de aangetroffen grootheden in verifieerbare (resp. falsificeerbare) wetmatigheden kunnen worden geformuleerd, verkrijgen deze betekenissystemen een wetenschappelijk cachet. Het Rationalistische perspectief is in het bijzonder geëxpliciteerd in de uitwerking van deze optiek tot methodologische spelregels.

Waardevrije wetenschap

Het positivistische wetenschapsideaal van ‘waardevrije wetenschap’ geeft bij uitstek uitdrukking aan het Rationalistische perspectief. Vanuit deze optiek verschijnen waarden, niet als uitdrukking van ‘metafysische’ zaken, zoals de ziel of een goddelijke macht, maar als te objectiveren grootheden. Bijvoorkeur als ‘cijfers’, die naar kwantificeerbare preferenties van sociale en economische actoren verwijzen.

Subjectiviteit versus rationaliteit

De Rationalistische positie markeert een heldere grens tussen het wetenschappelijke en het politieke of religieuze domein. We overschrijden die grens daar waar we meer over waarden zeggen dan op deze wijze objectiveerbaar is. Bijgevolg impliceert een logisch positivistisch standpunt dat elk surplus aan betekenis dat aan de aangetroffen cijfers wordt toegekend, verwijst naar een metafysische werkelijkheid waar we wetenschappelijk gezien geen uitspraken over kunnen doen. We verwijzen die overvloed aan betekenis naar het domein van fabeltjes en ficties ofwel naar de ‘subjectieve kant’ van waarden: als privépersonen vinden we ook altijd iets van de zaak die wetenschappers onderzoeken.

Rationalistisch gesproken dient de integere wetenschapper de persoonlijke preferenties uit te schakelen.

Wetenschappelijke objectiviteit stuurt binnen het Rationalistische wereldbeeld als waarde de opbouw van betrouwbare kennis

Waardevrij of waardegeladen

Wetenschapsfilosofische en methodologische discussies gaan onder meer over de problematiek in hoeverre het mogelijk is om waarden en wetenschap conform de methodologische modellen te scheiden.[8] Zo lijkt er overeenstemming te zijn over het feit dat de keuze voor een bepaald soort onderzoeksvragen of juist het stelselmatig negeren ervan waardegeladen is.

Was bio-sociologisch onderzoek in de jaren 1970-1980 nog taboe, tegenwoordig staat deze onderzoeksrichting weer volop in de belangstelling. Naarmate het politieke taboe verdwijnt, kan er een veelbelovend onderzoekmarkt ontstaan. Dat betekent dat in de ‘marge’ van het wetenschappelijk bedrijf er een waarden- en belangenstrijd woedt, die de richting van de onderzoeksgelden bepalen. Dat laat onverlet dat de ideologie van ‘zuivere’ ( ‘evidence based’) wetenschap vasthoudt aan de waarde van waardevrijheid binnen het ‘eigenlijke’ veld van kennisgeneratie.

Een pragmatische oplossing

De metafoor van ‘de mens als machine’ typeert de Rationalistische positie

Met de scheiding tussen criteria voor wetenschappelijke en maatschappelijke relevantie van onderzoek is er een pragmatische oplossing inzake deze filosofische kwestie gevonden, hoewel het oude ideaal van waardevrije wetenschap daarmee aan glans heeft ingeboet.

Echter beschouwd vanuit een postmodern of een ideologiekritisch oogpunt is dit een schijnoplossing die aan het fundamentele probleem voorbij gaat. Nog meedogenlozer dan de ‘Kritische theorie’ voor hen, hebben postmodernen een relativistische visie in de discussie ingebracht die het positivistische wetenschapsideaal definitief onderuit haalt.

Uit postmoderne tekstanalyses volgt dat het principieel onmogelijk is om waarden los te koppelen van de disciplinaire vakinhoud en wetenschappelijke kerncompetenties. Dat wetenschappers dat niettemin pretenderen en (sociale, ethische, spirituele, …) waarden in hun teksten stelselmatig onzichtbaar te maken, zien deze critici als een soort stijlkenmerk van het wetenschappelijk product.

De pretentie van objectiviteit zou dan een kenmerk van het ‘genre’ van wetenschappelijke teksten zijn. Buiten deze esthetische betekenis zou daaraan geen waarde kunnen worden gehecht. Dat onzichtbaar maken van waarden in een ‘objectieve’ tekst lukt evenwel nooit restloos: er zullen steeds (metaforische) sporen van waardegeladen betekeniselementen in een wetenschappelijk verhaal blijven bestaan.[9]

Het gebruik van metaforen in het organisatiediscours

De Rationalistische en de Romantische (ideaaltypische) posities ten aanzien van waarden in wetenschap waarderen navenant gebruik van metaforen in het organisatiediscours op radicaal verschillende wijze. In de praktijk komen we velerlei varianten tegen en tussenposities van deze methodologisch-wetenschapsfilosofische discussie.

Meestal worden die posities — sceptische, positivistische, misprijzende, relativistische visies — simpelweg geventileerd, zonder historisch en filosofisch besef ten aanzien van de relativiteit en de ontstaansgeschiedenis van het eigen standpunt.

Zo wordt de waarde van metaforen in organisatietheorieën en in de managementliteratuur soms als een wetenschappelijk gevaar afgeschilderd en soms tot magische proporties opgeblazen.[10] Taalfilosofisch beschouwd zijn metaforen in het proces van zingeving en betekenisconstructies onontbeerlijk; zowel in alledaagse als in wetenschappelijke communicatie.

We gebruiken metaforen zonder dat we daar bewust van zijn of er een speciale bedoeling mee hebben. Een metafoor sluipt het dagelijkse spraakgebruik binnen en lijkt buiten de bewuste intentie van de spreker of schrijver om haar werk te doen.

Het Romantische verbond met metaforen

Promotieonderzoek naar de werking van metaforen

Vanuit een Romantische grondhouding kan de pragmaticus inspelen op de intuïtief-magische werking van metaforen.

Wanneer zij/hij zich identificeert met betrokkenen en zich inleeft in hun situatie blijkt deze empathische relatie de dragende grond te zijn waaruit treffende metaforen kunnen ontspringen. Een pragmaticus zal zich aan de theoretische legitimatie minder gelegen laten liggen dan aan het vertellen van een aansprekend verhaal dat aan de praktijk recht doet.

Intuïtie en betrokkenheid

Deze Romantische grondhouding is aan te treffen bij een organisatietrainer of coach, die eerst een vertrouwensbasis met cliënten creëert alvorens een ‘plan van aanpak’ of een ‘veranderingstraject’ op te stellen. Zij zullen geen Romantische ideologie verkopen maar ‘neutraal’ en ‘praktisch’ een methode voorstellen voor een begeleidingstraject. Zonder zich van een Romantische attitude bewust te zijn, bedient een pragmaticus zich van intuïtie en betrokkenheid en genereert voor de klant of cliënt aansprekende metaforen die de huidige situatie als onwenselijk voorstellen; en die een aangrijpingspunt aanreiken voor een wenselijke verandering.[11]

De praktijk

De Romantische positie was in het kader van mijn promotieonderzoek gedeeltelijk herkenbaar bij de groep organisatietrainers, die creatieve en ludieke middelen inzetten door middel van bedrijfsworkshops, loopbaanbegeleiding en organisatieontwikkeling. De creatieve en psychodynamische kracht van het gezamenlijk zingen, schilderen, trommelen, paardrijden, jongleren etc. hanteren zij op intuïtieve èn methodische wijze.

Een deskundige trainer begeleidt het creatieve bezig zijn op dusdanige wijze dat losgemaakte gevoelens, interactiepatronen en groepsdynamische processen een ‘meerwaarde’ verkrijgen ten opzichte van de creatieve activiteit als zodanig. Deze ‘meerwaarde’ bij de toepassing van (kunst-)media zoals muziek, dans en beeldende vormgeving, genereert het ‘oefenmateriaal’ waarmee aan de gewenste trainingsdoeleinden wordt gewerkt. In het creatieve medium wordt dit wenselijke doel metaforisch uitgesponnen in deze workshops. Het gaat daarbij niet zozeer om de creatieve of ludieke elementen als zodanig.

Djembé en jongleren

De ‘djembé-workshop’ beoogt een leerproces te faciliteren ‘als of’ leren een samenspelen op de djembé inhoudt. Haar werkzaamheid berust ‘eigenlijk’ op het ‘samenspel’ als een praxis, waarin mensen naar elkaar luisteren, op elkaar reageren en met elkaar (al dan niet) samenwerken. Muzikaal samenspel wordt in deze workshop gebruikt als een uitgesponnen ‘metafoor’ om het thema samenwerking vorm te geven.

De workshop ‘jongleren’ beoogt via het spel met ballen de ‘managementkunst van het loslaten’ in bedrijven in beleving te brengen.

Een training over de kunst van het paarden mennen wordt gebruikt om deelnemers een spiegel voor te houden over hun managementstijl, gezien de sensitieve wijze waarop paarden onmiddellijk reageren op hun berijders.

Parallel met de ontwikkeling van creatieve therapie

Schilderij als vorm van creatieve therapie[12]

Wat betreft de introductie van creatieve en ludieke elementen in organisatietrainingen en bedrijfsworkshops is er een interessante parallel te trekken met de pioniersfase in de ontwikkeling van creatieve therapie. Toen na de tweede wereldoorlog de zogenaamde ‘actieve therapieën’ steeds meer werden ingezet om lastige, ledige of luidruchtige patiënten aan te spreken, te activeren e n een zinvolle dagbesteding aan te bieden, ontstond er een bonte keur aan ‘arbeids-, bezigheids- en creatieve therapieën’ (indertijd de ‘a, b, c-therapieën’ genoemd).

Kunstenaars, psychologen, psychiaters en agogen ontwikkelden in de praktijk therapeutische en creatieve methoden om heilzaam met patiënten te kunnen werken. De sterke aanwas van therapeutische benaderingen, de toepassing van de meest uiteenlopende creatieve materialen groeide in de loop van de tijd uit tot een ‘veelkleurig’ creatief therapeutisch ‘palet’ van methodieken binnen het multidisciplinaire behandelaanbod, onder supervisie van een psychiater als hoofdverantwoordelijke.

Uiteindelijk is deze therapievorm gedisciplineerd door het taalspel van de cognitieve gedragstherapie als dominant discours te kiezen, die de kunstzinnige ‘talen’ van de vier creatieve media (beeldende vormgeving, muziek-, dans- en dramatherapie) overvleugelt in de HBO-opleidingsinstituten die studenten opleidt tot een nieuwe generatie zogenoemde ‘vaktherapeuten’.

Psychomotore therapie

Een verwante en sterk in opmars zijnde therapievorm die zich, anders dan de creatieve therapie, ook academisch heeft ingebed door haar koppeling aan de zogenoemde bewegingswetenschappen, is de psychomotorische therapie (p.m.t.). De koppeling met het wetenschappelijk onderwijs en onderzoek en een beroepsvereniging, die sterk gericht is op het politieke lobbyspel ten behoeve van wettelijke erkenning en bescherming, gaf p.m.t. ten opzichte van creatieve therapie een voorsprong in het proces van professionalisering.

Mede onder invloed van bezuinigingen, reorganisaties en fusies in de zorg werden creatief therapeuten gedwongen om de organisatie van hun werk aan de veranderende omgeving aan te passen en bijgevolg ook inhoudelijk te herijken als een door de klant in overleg met het centrale beheer (een zorgmanager) in te kopen dienst.

Standaardisering van creatieve therapie

De ontwikkelingen in de (geestelijke) gezondheidszorg leidden ertoe dat creatief therapeuten hun (creatieve) dienst gingen standaardiseren in de vorm van een verzameling ‘modules’. Dat wil zeggen aan de DSM-IV-diagnostiek aangepaste stappenplannen die richtlijnen bieden hoe (creatieve) trajecten voor bepaalde patiëntenpopulaties en welomschreven therapeutische doeleinden kunnen worden ingezet. Met een dergelijke bestuurlijk en top down ingegeven standaardisering van het vak dreigt creatieve therapie ver af te geraken van haar ‘Romantische oorsprong’, toen de pionier therapeut vrij spel kreeg en intuïtief te werk mocht gaan zonder vooraf sturende pathologische concepten en therapeutische modellen.

De therapeutische vertrouwensrelatie

Niettegenstaande de rationalisering van de zorg is het te hopen dat de therapeutische vertrouwensrelatie, en daarmee de ‘Romantische grondhouding’, in de praktijk de dragende grond blijft voor een effectief genezingsproces. (Hoe) kan deze ‘Romantische grond’ van interactionele, invoelende en intuïtieve aspecten in het begeleidingsproces samengaan met rationele (top down) sturing door middel van standaard diagnostiek en daaraan gekoppelde behandelplannen? Is er een ‘middenpositie’ te reconstrueren op basis waarvan de Romantische grondhouding van de creatief therapeut met de Rationalistische optiek van de gereorganiseerde zorg kan samengaan?

Standaardisatie en instrumentalisering van metafoorgebruik?

Van creatief therapeut naar creatief dienstverlener

Samenspel als metafoor voor samenwerking (North See Jazz[13])

De geschetste ontwikkeling in de geestelijke gezondheidszorg impliceert de introductie van marktwerking en rationalisering in de voorheen ‘zachte zorgsector’. Tegelijkertijd is er een ander interessant proces in gang gezet: creatief therapeuten startten buiten de zorgsector hun eigen bedrijf, als zelfstandig gevestigd therapeut of als ‘creatieve ‘trainer’ in de ‘harde sector’ van het bedrijfsleven.

Zij springen handig in op een gat in de markt van organisatietrainingen en bedrijfsworkshops, waar in de jaren negentig een groeiende belangstelling voor kunst en creativiteit ontstond. Een deel van de door mij geïnterviewde creatieve organisatietrainers bleek oorspronkelijk werkzaam geweest of opgeleid te zijn als creatief therapeut.

Kwaliteitscriteria

Anticiperend op een met de creatieve therapie vergelijkbaar proces van professionalisering en disciplinering in deze sector van organisatietraining en advisering, heb ik op basis van de visie van trainers en coaches op hun werkwijze en vak een ‘profielschets’ opgesteld van mogelijke criteria waaraan de professionaliteit van de nieuwe discipline creatieve coaching en training ‘gemeten’ zou kunnen worden. In ieder geval zou het volgende cluster door nader onderzoek kunnen worden gepreciseerd:

  • expertise ten behoeve van het hanteren van het creatieve medium (bijvoorbeeld door middel van een opleiding muziek dans, drama, beeldend vormen);
  • expertise op het gebied van organisatievraagstukken en veranderingsprocessen;
  • expertise met betrekking tot groepsprocessen en psychologische begeleiding.

Authenticiteit in communicatie en interactie

Een interessante bevinding uit mijn onderzoek is dat de professionaliteit op genoemde drie gebieden draaien rond een spil van directe menselijke betrokkenheid en een intuïtieve invoeling (empathie) hoe een ontwikkelingsproces creatief vorm te geven. Dit niet weg te rationaliseren grondgegeven heb ik ondergebracht onder de ‘humanistieke’ noemer ‘authenticiteit’ in communicatie en interactie.

De professionele trainer werkt inderdaad vanuit een deskundigheid op voornoemde drie gebieden, maar bezit primair een kwaliteit die deze professionaliteit te boven gaat. Daadwerkelijke effectieve professionele begeleiding bouwt voort op een kern van directe menselijke en authentieke betrokkenheid.

De meetbaarheid van authenticiteit

(Hoe) is het mogelijk om ‘authenticiteit’ als kernkwaliteit van het vak en als kenmerk van professionaliteit te bewaken? Vanuit een Rationalistische positie bezien zou het antwoord op deze vraag in principe gemeten moeten kunnen worden door middel van het ‘scoren’ van opleidingseisen (erkende opleidingen en registratie), werkervaring (in jaren, supervisie- en bijscholingseisen) en werkprestaties (behaalde patiënten- of cliëntenload). Maar valt hetgeen je meet met die (kwantificeerbare) criteria inderdaad samen met de kwaliteit van de te meten relationele kwaliteit in de begeleiding, training of coaching?

De romantische benadering van authenticiteit

’Iets’ maken: over de werkzaamheid van het beeldende medium

Vanuit een Romantische positie zou deze vraag wellicht negatief beantwoord worden op basis van een andere interpretatie van de gezochte kwaliteit. De kwaliteit van de relatie tussen therapeut en cliënt is ‘niet in getallen te vangen’. Het gaat om een intuïtief-empathisch vermogen direct invoelend weet te hebben van wat de cliënt behoeft en daarop in te spelen. Het bewaken van de (therapeutische) kwaliteit van zorg aan de hand van het standaardiseren van het zorgaanbod, in casu van de aangeboden creatieve begeleidings-trajecten, zou vanuit Romantisch oogpunt veeleer een vertekening geven van de gezochte ‘authenticiteit’ in communicatie. Vanuit de ‘Romantische insteek’ ontspringen werkzame metaforen intuïtief en organisch aan het empathische interactionele midden tussen therapeut/ coach en cliënt.

De Romantische benadering laat principieel ruimte voor intuïtie en spontaniteit. Met andere woorden, voor onbeslisbaarheid en onbeheersbaarheid van het proces. Een vrije (tussen) ruimte, die niet te instrumentaliseren en rationaliseren valt..

Het spanningsveld als uitdaging

Dit spanningsveld tussen de noodzaak tot professionalisering, deskundigheidsbevordering en kwaliteitsbewaking enerzijds en anderzijds het bewaren van de oorspronkelijke (Romantische) grondhouding van intuïtie, authenticiteit en empathische betrokkenheid, lijkt de uitdaging te zijn waar de beroepsgroep van creatief therapie voor staat, ook wanneer zij zich ‘vaktherapie’ zijn gaan noemen.

Een noodkreet die in dat verband de laatste jaren dient te worden onderstreept, is dat ervoor gewaakt moet worden dat het creatieve kind niet met het schuimende badwater van professionalisering en standaardisering wordt weggegooid. In de vlugge en vluchtige[14] wereld van managementmodes en bedrijfstrainingen is dit gevaar niet minder reëel.

Tegen deze achtergrond is een andere bevinding uit mijn onderzoek vermeldenswaard: niettegenstaande de ‘opportunistische omgeving’ waarin creatieve trainers moeten opereren, slagen zij erin om de ‘humanistieke kern’ van ‘authenticiteit’ in hun (metaforische) werkwijze te bewaken.

Taalspelen

Jongleren ofwel de kunst van het loslaten[15]

Het is een interessant gegeven dat creatieve organisatietrainers een organisatievraagstuk (bijvoorbeeld een training om beter met de tijdsdruk om te leren gaan) weliswaar onder de kapstok van ‘timemanagement’ in het taalspel van de manager kunnen gieten in een intakegesprek. Doch daarbij de vrije ruimte bewaken de uitvoering van de training te vertalen in de taal van het creatieve medium. De metaforische vormgeving in het creatieve medium biedt de vrijheid het managementdoel minder rationeel en ‘voor de hand liggend’ maar speels en ‘eigenzinnig’ vorm te geven. Creatieve vormgeving biedt een interpretatieruimte waarmee het mogelijk is om de training af te stemmen op de ervaring, wensen en belevingswereld van betrokkenen.

Integratie als uitdaging

De uitdaging waar de beroepsgroepen van creatief therapeuten en creatieve trainers derhalve voor staan, is het bewaren van een professionele vrijplaats waarin het mogelijk is om de creatieve vormgeving van begeleidingstrajecten te laten afstemmen op de belevingswereld van betrokkenen. Wanneer de intuïtief-empathische relatie het uitgangspunt voor verdere professionalisering van creatieve trainers en coaches blijft, kunnen de kwaliteitseisen op de drie genoemde deskundigheidsgebieden in deze ‘Romantische grondhouding’ verankerd worden. Deze ‘integratieve insteek’ zou een zodanige richting kunnen helpen inslaan dat aan het organisatorische krachtenveld met verregaande rationalisering en standaardisering tegenspel kan worden geboden.

De dialogische grondhouding en professionele vormgeving van metaforen

Op zoek naar de integratieve middenpositie

Waar de Romantische positie van nature paste bij de pioniersfase van creatieve therapie lijkt de Rationalistische optie van standaardisering tot ‘vaktherapie’ een logisch antwoord te zijn op het organisatorische krachtenveld waarin de jonge discipline zich als concurrent te midden van het groeiende zorgaanbod staande moet zien te houden.

Waar de optie van rationalisering van het dienstenaanbod een antwoord op lijkt te zijn is de legitieme vraag aan een nieuwe discipline om de Romantische ‘beginners’ mind’ te disciplineren en de ‘know how’ zodanig te vorm te geven dat ze voor een volgende generatie professionals overdraagbaar wordt.

Het antwoord van rationalisering en disciplinering kan evenwel zo extreem worden doorgevoerd dat ze haar doel voorbijschiet. Dan dreigt de ‘Romantische’ intuïtieve kwaliteit in de relatie tussen therapeut en cliënt door krachten van disciplinering verloren te gaan. Een ‘integratieve’ middenpositie met de dialoog als het dragende midden, lijkt een veelbelovende kandidaat te zijn om eenzijdige ontwikkelingen te voorkomen.

De dialogische grondhouding

In mijn proefschrift heb ik een precisering gegeven van de dialogische grondhouding op basis van filosofische reflectie en een (theoretische en praktische) studie naar (creatieve) begeleidingstrajecten. Essentieel hiervoor is dat een intuïtief-empathische betrokkenheid wordt gekoppeld aan principiële openheid ten aanzien van de verschillende wijze waarop een situatie door betrokkenen verwoord en vormgegeven wordt.

De dialoog is een manier om verschillende interpretaties van de situatie, verschillen in perspectief, waarden en belangen, met elkaar te confronteren en op elkaar af te stemmen met het oog op een te nemen beslissing dan wel een op of voort te zetten samenwerkingsverband.

Verschil mag er zijn

Jamsessie[17]

Dialogische communicatie is een vorm van communicatie en verantwoording, waarbij er niet gestreefd wordt naar een uiteindelijke ‘ware’ interpretatie, maar waarbij juist verschillen in interpretatie constructief worden ingezet om een zo rijk mogelijk beeld van de situatie te verkrijgen.

Als model hiervoor is het beeld van een jamsessie van jazzmuzikanten gebruikt.[16]

Zij vertolken met hun wijze van improviseren op een muzikaal thema en met de manier van naar elkaar luisteren en op elkaar reageren een dialogische wijze van communicatie.

Bij de dialoog is het niet uitgesloten dat een bepaalde interpretatie toonaangevend wordt maar dit is niet het oogmerk; het dialogische proces bewaakt juist dat afwijkende interpretaties ook gehoord worden en hun geldigheid (kunnen) blijven behouden.

Levensechte verhalen

Het resultaat van een dialogische benadering van organisatievraagstukken zal bijgevolg geen eensluidende wetenschappelijke — of managementmonoloog kunnen zijn, maar zal zijn opgebouwd uit een veelheid van verhalen. Deze derde benadering vraagt derhalve veeleer om een existentieel-narratieve vormgeving van authentieke betrokkenheid van de deelnemers en van levensechtheid van de verhalen die uit de dialoog zijn voortgekomen.

Tussen mening en meting

Huidige (‘postmoderne’) relativering van waarden heeft erin geresulteerd dat de waarheidsvraag zich teruggetrokken heeft achter de horizon van radicale subjectivering van uitspraken tot ‘meningen’ enerzijds en anderzijds geobjectiveerd is tot ‘metingen’.

Ten opzichte van deze horizon vindt er een scheiding der geesten plaats. Waar ‘sociaal constructivisten’ en ‘postmodernen’ een principieel relativisme of nihilisme uitdragen, daar houdt het adagium van ‘evidence based’ vast aan een criterium buiten de mens — op een geobjectiveerde Logos, die in een protocol kan worden vastgelegd — teneinde een objectieve waarheid te grondvesten.

Op zoek naar een existentieel-narratief waarheidsbegrip

Tussen beide extremen van relativisme (nihilisme) ‘positivistische’ wetenschap geeft een fenomenologische en hermeneutische benadering zicht op een ‘existentieel-narratief’ waarheidsbegrip. Zouden vormen van creatieve begeleiding als een ‘jamsessie’ dialogisch kunnen worden vormgegeven, waarbij ‘authenticiteit’ als criterium kan gelden bij wijze van een existentieel waarheidsbegrip?

Dit is de thesis die ik op basis van mijn promotieonderzoek heb verdedigd. In een volgende bijdrage concretiseer ik de dialogische middenpositie aan de hand van een andere casus: de dialoog als ‘coachingsmodel’ om een onderwijsinnovatieproject als een organisatie-ontwikkelingsproces vorm te geven.

Noten 

[0] Met dank aan WW-redacteur Gea Smit
[1] Bron: Statue of liberty
[2] Bron: Really bad road
[3] Bron: Jan Brueghel de Oude (1568-1625) – Het paradijs met dieren (1620) 
[4] In mijn proefschrift Muijen, Heidi S.C.A. (2001) Metafoor tussen magie en methode. Narratief leren in organisaties en therapie. Kampen: Kok Agora.
[5] Zie bijvoorbeeld de publicaties over ‘metaforen en organisaties’ onder redactie van David Grant en Cliff Oswick.
[6] Voorbeelden van beide benaderingswijzen zijn resp. Goodman, M. (1995) Creative Management. London: Prentice Hall; en Ortony, A. (1993) Metaphor and Thought. Cambridge: University Press; Ankersmit, F.R. & Mooij, J.J.A. (1994) — Knowledge and Metaphor. Berkeley: Univ. of California Press.
[7] Veelal blijkt Habermas’ concept van een communicatieve rationaliteit inspirerend voor de dialogische insteek in de organisatiekunde. Zie bijvoorbeeld:

  • Gustavson, B (1992) Dialogue and Development, Assen: van Gorcum
  • Argyris, C. & Schon, D. (1978) Organizational Learning. Mass: Reading, Addison-Wesley
  • Argyris, C. & Schon, D. (1994) The Reflective Practioner. How professionals think in action, Ashgate: Alderscho
  • Weick K. (1995) Sensemaking in Organizations. Thousands Oasks: Sage
  • Van Dongen, e.a. (1996) een kwestie van verschil. Conflicthantering en onderhandeling in een configuratieve integratietheorie. Delft: Eburon
  • Guba, E.G. & Lincoln, Y.S. (1998) Fourth Generation Evaluation. London: Sage
  • Abma, Tineke (1996) Responsief evalueren. Proefschrift, Erasmus Universiteit Rotterdam.

[8] Vanaf Max Webers geschriften is de discussie hierover aangezwengeld, zie bijvoorbeeld m.b.t, de sociale wetenschappen: Boer, de Th, & Kobben, A.J.F., (1974) Waarden en wetenschap Bilthoven: Ambo.
[9] Bekend in dit opzicht zijn Derrida’s deconstructieve analyses van teksten, zie zijn Marges de la Philosphie (1972) Paris.
[10] Bijvoorbeeld: Ortony, A. in David Grant en Cliff Oswick: Metaphor and Organizations, 5: ‘Metaphors characterize rhetoric, not scientific discourse.’ versus Barry, D. & Elmes, M. in Academy of Management Review 22 (2) ‘Strategy retold: Toward a narrative view of strategic discourse’, p. 429-452.
[11] Het aspect van de ‘gewenste’ veranderingsrichting is een heikel punt in deze kwestie, waar machts- en waardenaspecten onvermijdelijk mee verbonden zijn: metaforen kunnen manipulatief gebruikt worden om ‘de neuzen dezelfde kant op te krijgen’ of meer ‘democratisch’, bijvoorbeeld in een context van ‘action research’.
[12] Bron: Goed-omgaan-met-dementie.pdf
[13] Bron: North Sea Jazz
[14] Karsten, L. en van Veen, K. (1998) Managementconcepten in beweging: tussen feit en vluchtigheid Assen: Van Gorcum.
[15] Bron: jongleren
[16] Kahn, M. (1995) De Tao van het gesprek. De kunst van het luisteren. Rainbow, 26-27. Muijen, Heidi S.C.A. (2001) Metafoor tussen magie en methode, Kampen: Kok, p. 197.
[17] Bron: Djembes

Heidi Muijen

van Thymia, filosofische praktijk voor levenskunst en creatieve ontwikkeling te Weesp heeft in 2016 de Stichting Quest for wisdom foundation opgericht. Het eerste project van de stichting is de digitale spelvorm game Quest for wisdom. Als tweede project wordt het Wijsheidsweb ontwikkeld. Heidi Muijen is ontwerper van het filosofisch-mythische bordspel Mens, ken je zelf en van de ont-dekkende dialoogvormen Wat is de kwestie?-Wat is de questie!.