Een zomerse queeste naar heilige woede

0

Heidi Muijen

Wijsheidsweb, juli 2019

Motto

“In der minnen orewoet”

Hadewych (+/- 1210-1260) dichteres, Begijn en mystica.

Hadewych schreef niet, zoals in die tijd gebruikelijk was, in het latijn maar in het Diets (Middelnederlands). Het woord ‘orewoet’ gebruikte zij ter aanduiding van haar mystieke minnekunst, het verlangen naar eenwording. Het is verwant aan ‘woet’, ‘woeden’ ‘verwoedelijk’ en ‘verwoet’.

Omschrijving van woede als grondstemming voor levenskunst

Afbeelding 1: een afbeelding van een Begijn[1]

“Ik wil niet in een wereld zonder kathedralen leven. Ik heb hun schoonheid en verhevenheid nodig. Ik heb ze nodig als verzet tegen de platvloersheid van de wereld. Ik wil opkijken naar de stralende kerkramen en me laten verblinden door hun bovenaardse kleuren. Ik heb hun glans nodig. Die heb ik nodig als verzet tegen de smerige eenheidskleur van uniformen. Ik wil mij hullen in de bittere kou die in de kerken hangt. Ik heb hun gebiedend zwijgen nodig. Ik heb het nodig als verzet tegen het gebral van de kazernes en het stompzinnige gezwets van de meelopers ….”

Mercier, 2016, p. 163.

Hoe kan heilige woede helpen aandacht voor het waardevolle in het leven te vragen, zodat mensen, zowel letterlijk als figuurlijk, schone, goede en vrije ruimten met elkaar blijven bouwen?

In de roman ‘Nachttrein naar Lissabon’ lees ik over deze levenskunst: in het citaat schuilt achter het pathos van verzet een verlangen naar schoonheid en grootsheid. Aanstekelijke vonken van heilige woede! Het steekt mijn enthousiasme aan en ik word me er pijnlijk van bewust dat deze tijd en cultuur niet tot het bouwen van kathedralen aanzet. Wel tot maximalisatie van winst en het afvinken van highlights, de bucketlist en andere scorelijstjes in leven en werk …

In deze queeste wil ik onderzoeken hoe uit vonken van heilige woede een vuur kan ontstaan dat verschil maakt op de schaal van een collectief. Het krachtenspel van ‘superlatieven’ en ‘verplatting’ resulteert in korte lontjes, in versnelling van het leven en een ‘vermoeide samenleving’ (Han, 2014). Gezien dat het op de kleine schaal van het eigen leven al lastig genoeg is, luidt de existentiële questie: Hoe het heilig vuur niet te laten uitdoven noch je erdoor te laten verteren? Immers: het percentage van jongeren met burn-out, depressie en suïcidale gedachten stijgt schrikbarend!

Afbeelding 2: alchemie van samenwerking voor het bouwen van een kathedraal[2]

De levenskunst ieders vuur niet destructief maar constructief te laten werken, vraagt een ‘alchemie van samenwerking’, zoals voor het gezamenlijk bouwen aan een kathedraal. Een vergelijkbaar pathos hoor ik in de waarschuwing ‘de Holocaust niet te vergeten’ en nieuwe vormen van fascisme te herkennen achter gladde maskers van populisme. Hoe mooi als rebelse stemmen zelf tonen wat ze willen zeggen, zoals de roman van Mercier ontroering en verwondering in de wereld brengt!

De kwestie in deze queeste luidt: hoe kan ieders steentje bijdragen aan een gezamenlijk bouwwerk dat schoonheid uitstraalt? Hoe te creëren als gemeenschap, zonder een puinhoop of een zielloze betondoos te laten ontstaan?
Deze vragen herinneren mij aan een avontuur uit vervlogen tijden, waarin ik het lastige van die onderneming aan den lijve heb ervaren.

Kwestie: hoe wrevel en woede lucht te geven?

“Je kunt niet zomaar de druk opvoeren op alle programmaleiders om te moeten excelleren op topniveau. Er moet zoveel. Dit komt ook de werksfeer niet ten goede, want het zal nooit goed genoeg zijn. Veel ambitie gaat over ruggen van werknemers heen. Dit moet men zich beter realiseren. Anders creëer je cynisme in de wandelgangen, en gaat het averechts werken.”

Een vurige uitspraak van een programmaleider, waaruit blijkt dat er iets op het spel staat! Met het oog op de profilering van een academisch medisch onderzoeksinstituut verrichtte ik een inventariserend onderzoek over de identiteit van het instituut, zowel intern onder medewerkers en management, als extern in relatie tot concurrenten.
Het doel was strategisch gericht op een sterkere profilering naar buiten toe en het implementeren van de ‘core values’ in beleid. Dat zou ook intern consequenties kunnen hebben wat betreft de keuze van thema’s voor onderzoeksprogramma’s.

De externe inventarisatie kreeg vorm in een krachtenveldanalyse, waaruit bleek hoe vergelijkbare instituten zich op de (inter)nationale markt handig profileerden in een eigen niche. Het grootste deel van de oriëntatiefase was evenwel intern gericht. In een eerste individuele interviewronde kwamen waardevolle ideeën boven tafel over hoe kernwaarden konden worden vertaald in pr-activiteiten en als kwaliteitscriteria ten behoeve van de prioritering van onderzoeksprogramma’s.

Met de programmaleiders organiseerde ik bijeenkomsten die resulteerden in een discussiestuk hoe het project in beleid zou kunnen worden uitgewerkt met wellicht een reorganisatie van het instituut. Zo zou de matrixstructuur (als orgaan dat enerzijds aan faculteiten was verbonden en anderzijds een zelfstandige eenheid vormde met een diversiteit aan groepen en onderzoeksprogramma’s) opnieuw tegen het licht gehouden moeten worden, teneinde beter in te spelen op overheidssubsidies èn prestigieuze (markt-) geldstromen.

Vanuit het bestuur werd er een sterke ambitie uitgesproken:

“We moeten in de (inter)nationale top 3 van beste onderzoeksscholen in haar soort komen!”

Mogelijke consequenties en implicaties van het gestelde doel werden door de onderzoekers haarfijn aangevoeld:

“Het project komt op mij erg ‘managerial’ over. Het gaat uiteindelijk toch om personen. Onderzoek is een spel met, voor en door personen. Mensen vragen mensen, dat is nog nooit anders geweest, ook in onderzoeksland.”

“Er is een wereld van verschil tussen: je bedrijf concurrerend maken of dat op de spits drijven. Dan wordt het een afvalrace en krijgen we een soort Japanse toestanden, waar we als maatschappij al een heel eind op weg naar zijn.”

Zo kwam er een opmerkelijk fenomeen boven drijven tijdens de inventarisatieronde: met zowel vinnige uithalen tot onderkoelde en onderhuidse gevoelens en cynische sentimenten brachten de programmaleiders meer zorgen dan enthousiasme over de toekomst naar voren. Een verschuiving van ‘vrij academisch onderzoek’ naar ‘het binnenhalen van projecten’ leek onvermijdelijk.

Een culturele kanteling

Juist die versterkte doel- en resultaatgerichtheid en de onmiskenbaar strategische focus van het project betekende reeds een culturele kanteling. En daarmee zouden de menselijke verhoudingen onder spanning komen te staan door zowel een interne markt te creëren als een externe concurrentiestrijd aan te moeten binden.

Afbeelding 3: ‘Japanse toestanden’ en internationale concurrentie[3]

De profilering naar bepaalde aspecten van gezondheidszorg zou bijvoorbeeld een verschuiving kunnen inhouden van de maatschappelijk gerichte en generieke (van preventie tot nazorg) focus naar meer concurrerende programma’s, zoals ‘innovatie van de zorg’. Dit zou kunnen betekenen dat andere onderzoeksprogramma’s (en dus medewerkers) overbodig konden worden! Deze omslag stond op gespannen voet met een meer humaniserend perspectief waarvan sommige programmaleiders blijk gaven:

“De onderzoekers zijn de beste ambassadeurs van hun eigen onderzoek en daarmee voor het instituut”

“Niet iedereen moet alles maar kunnen; toponderzoeker blijf je niet voor de rest van je leven”

“Niet de vraag: ‘waarin zijn we beter?’ maar ‘wat doen we anders?’ zou leidinggevend moeten zijn: de concurrentie aangaan op basis van kwaliteit en uniciteit.”

Tijdens de afronding van deze eerste fase was er een onrustige sfeer voelbaar. Deze trachtte de directeur bedrijfsvoering te sussen:

“Het gaat om het creëren van ‘ownership’ en het trots zijn op ons instituut, niet alleen op het eigen onderzoek”.

De inhoudelijke directeur leek de onderstroom ook aan te voelen en maakte dit expliciet:

“Er zal wat dit betreft een keuze gemaakt moeten worden hoe top-down dan wel bottom-up het project vormgegeven wordt.”

Evenwel verhulde diens formulering in het organisatietaalspel de ‘pathos’ en ‘ethos’ die programmaleiders uitten bij het doorvoelen en doordenken van de aangekondigde wending.

Veranderingsmetaforen

Hoewel het een risicovolle zet was (zowel wat betreft het onvoorspelbare van wat de beelden bij de participanten zouden oproepen als dat dit de kans op het acquireren van een vervolgopdracht niet groter zou maken) besloot ik als onderzoeker die onderhuidse gevoelens bij het presenteren van de uitkomst van de oriëntatiefase mede een stem te geven. Dit deed ik door impliciete metaforen die ik had beluisterd expliciet te maken en uit te spinnen.

Afbeelding 4: het vliegwiel als metafoor voor versnelling en slagkracht[4]

De twee uitspraken die exemplarisch waren voor de tegenstelling waren:

“We hebben een vliegwiel nodig ter versterking van pr en imago, wat we gelijk op kunnen laten gaan met de ‘continuing story’ van de interne visieontwikkeling”.

“We kunnen ook gaan voor ‘eenheid in verscheidenheid’, zoals een ‘Garuda’, die met haar veelkleurigheid en vleugels verschillen in niveau en oriëntatie in onderzoek en belangen met elkaar kan verbinden.”

Op basis van de beelden van ‘het vliegwiel’ en ‘de Garuda’ schetste ik twee veranderingsmetaforen, die om een principiële keuze zouden vragen. De (geanonimiseerde) uitspraken van participanten positioneerde ik onder beide ‘strategieën’. Zo benadrukte het totaalbeeld vooral de ambivalentie rond het project, wat daarmee veeleer op de noodzaak van een verdiepend onderzoek zou wijzen, dan dat het de wenselijkheid van een strategisch eenduidige koers in beeld bracht.

In het rapport vatte ik in die zin beide richtingen uit de inventarisatieronde als opties samen:

De koersbepaling zou aangevlogen kunnen worden

  • vanuit een mechanische ‘maakbaarheid’-metafoor die de toenemende versnelling en slagkracht uitdrukt, het vliegwiel’:
    Dit kan wenselijk zijn wanneer de grootste urgentie gegeven wordt aan het steeds sterker concurrerend willen zijn op de internationale onderzoeksmarkt.
    Deze keuze betekent het zo snel mogelijk inzetten van een sterke ‘pr-aanval’ (met kenmerkende oorlogsmetaforiek) teneinde de grote subsidies binnen te kunnen halen! Intern wil dat zeggen: sturen op ‘excellente’ onderzoeksprogramma’s, die zich kunnen meten met de wereldtop. Daartoe zouden er zwaartepunten moeten worden geformuleerd die de historisch gegroeide zeer diverse twintigtal onderzoeksprogramma’s laten slinken naar bijvoorbeeld vijf ‘programmalijnen’.

Anderzijds kan de koers worden bepaald

Afbeelding 5: Garuda, de Indonesische Vuurvogel als metafoor voor de kracht van ‘eenheid in verscheidenheid’[5]
  • vanuit het mythologische beeld van de Garuda — een veelkleurige goddelijke vogel die nectar uit de hemel op aarde brengt — een sterk en veelzijdig dier, die verschillende deelidentiteiten in zich weet te verenigen in een ‘Garuda’-identiteit. Dat wil zeggen:
    In plaats van het negatieve imago van vermeende ‘vaagheid’ is de historisch gegroeide diversiteit aan onderzoeksprogramma’s juist haar kracht en vormt haar kloppende hart. Die diversiteit bestrijkt de gehele zorgketen met een gebalanceerde mix van kwantitatieve en kwalitatieve onderzoeksbenaderingen. Deze keuze betekent: niet alleen aandacht voor de kliniek in engere zin, maar voor generieke aspecten van gezondheidszorg en ‘heikele punten’-dossiers.

Zoals deze Indonesische vuurvogel uit haar eigen as herrijst, zal een ontwikkeling van binnenuit (versterking historisch-cultureel gegroeide eigenheid) juist vleugels kunnen geven aan een kwaliteit die zich maatschappelijk bewezen heeft.

Questie: ‘heilige woede’ als sleutel voor inzicht

In deze kwestie gaat het om een principiële (ethische en politieke) keuze hoe de identiteit van een organisatieonderdeel via tegengestelde wegen vorm te geven. Enerzijds vanuit een externe gerichtheid op de verbetering van het imago en het vergroten van het marktaandeel en anderzijds door middel van een intern ontwikkelingsproces met betrokkenen van het onderzoeksinstituut.

Naarmate de ethos-kant van het vraagstuk minder openlijk wordt meegenomen in vergaderingen over het beleid en wat betreft het (moeten?) kiezen tussen onderzoekprogramma’s, zal zij onder de oppervlakte olie op het vuur gooien van sentimenten. De ‘heilige’ woede wil gehoord worden omdat het hart van de academische cultuur is getroffen met het ‘overrulen’ van de oude professionele waarden door marktwaarden. Wanneer hier geen openlijke dialoog over wordt gevoerd zullen de onderhuidse gevoelens als gemopper en verhalen bij het koffiezetapparaat naar boven komen en leiden tot ongezonde patronen in samenwerking.

Wrevel als klopsignaal

Als onderzoeker is het goed alert te zijn op ‘klopsignalen’ (Kunneman, 2009) in de vorm van wrevel, cynische opmerkingen en andere vormen waarin de (verhulde) woede zich aandient. Dat kan door je voelsprieten daarop te richten en middelen zoals metaforen en andere vormen van de verbeeldingskracht aan te wenden. Deze zijn geschikt de emoties te vertolken en er lucht aan te geven. Zo creëer je voorwaarden opdat de sterke pathos in plaats van destructief te werken van betekenis kan zijn.

Door de terechte zorgen en ‘de ethos’ van het academisch onderzoek een stem te geven, kan er een kanteling (Ende, 2001) plaatsvinden waardoor de morele aspecten expliciet worden en ertoe doen. Voor het expliciteren van die betekenislaag is ‘mythos’ ofwel de verbeeldingskracht nodig. In termen van klassieke levenskunst: van ‘pathos’ via ‘mythos’ naar ‘ethos’ en ‘logos’.

Tijdens de interviews wekten de door de programmaleiders gebruikte metaforen mijn interesse. De beelden van het vliegwiel en de Garuda duidden op (impliciete) gevoeligheden. Door ze als metaforen te expliciteren gaf ik een ‘vertaalsleutel’ voor waardenaspecten in de uitkomsten van het onderzoeksrapport, die anders in de strategische conclusies ‘ongezegd’ zouden blijven. Zo werd, door op de beelden in te zoomen, expliciet wat er op het spel stond. Een dialoog over de koersbepaling van het instituut was ontlokt.

Afbeelding 6: Het uitspinnen van een metafoor – (tarantula) foto Joke Koppius

Het uitspinnen van de beelden tot twee polaire ‘veranderingsmetaforen’ maakte zichtbaar, waar een discussie over de koers in managementtaal verhullend werkte wat betreft de principiële ethisch-politieke keuze. In dat taalspel blijft ook het gegeven dat er iets wezenlijks verhuld wordt in nevelen gehuld, want wie zou er niet deel van een ‘excellent’ instituut willen zijn? En welke loyale medewerker wil er niet aan meewerken het instituut een aantrekkelijk ‘smoel’ te geven?

Mythologische wegwijzer: de vuurvogel als beeld voor transformatie

Een schare vogels kwam tot het inzicht dat zij een koning wilden hebben. Zij lieten zich niet afschrikken door de beproevende reis over woeste zeeën en grillige gebergten. Met vele duizenden vogels reisden zij af.
Door de onherbergzame bergstreken sneuvelden vele vogels onderweg, verdronken in zee of keerden terug uit angst. Met een kleine schare van slechts 30 vogels kwamen zij aan op de plaats van bestemming, het paleis van de grote vuurvogelkoning, de Simurgh.

Zij wierpen zich in deemoed op de grond en vroegen de boodschapper hun diensten aan te bieden aan de Simurgh.

De vuurvogelkoning Simurgh liet hen weten dat ze maar terug moesten vliegen, want hij “heeft hun dienst en gehoorzaamheid niet van node”.
De vogels raakten vertwijfeld en lieten nogmaals een boodschap overbrengen: “Wanneer de koning ons niet nodig heeft, laten wij weten Hem nodig te hebben om te kunnen dienen!”
De boodschapper van de koning keerde terug met de woorden: “Maakt u op voor de terugreis, want jullie zijn niet in staat de nabijheid van de koning te verdragen!”

De vogels waren ten einde raad, want terugkeren en nog eens die barre reis ondernemen zou hun dood betekenen! Daarom bereidden zij zich voor op hun sterven.

Op dat moment kwam de boodschapper van de koning terug: “Vrees niet, hoewel wij jullie terugstuurden uit onze verhevenheid en onbehoeftigheid, uit genade mogen jullie blijven. Want mijn hof is er voor de behoeftigen en de armen.”
Zo werden de 30 vogels toegelaten aan het hof.

Farid ad-Din Attar

Farid ad-Din Attar schreef het gedicht ‘De samenspraak van de vogels’ (1177) – een symbolische vertelling uit het Soefisme (‘Attar’ uit: de game Quest for wisdom, 2016).

Het mythische beeld van de uit haar as herrijzende vuurvogel is een narratief in meerdere culturen. De Simurgh uit de Soefistische verteltraditie is het mythologische equivalent van de Arabische Phoenix, de Chinese Feng Huang en de Indonesische Garuda. Deze vuurvogels worden herboren uit hun eigen as! Daarom verwijst de vuurvogel als symbool naar transformatie.

Afbeelding 7: De samenspraak van de vogels[6]

Het woord ‘simurgh’ betekent in het Perzisch zowel ‘phoenix’ als ‘dertig’: de dertig vogels die de beproevende reis ondernamen, waren op weg een koningsvogel te worden (Wessels, 2001).

Door zijn vurige uitstraling roept de Simurgh bij deze vogels een ambivalentie op, tussen angst voor de (eigen) grootsheid en verlangen naar het ontwikkelen van diezelfde innerlijke kracht. Met de boodschap hen terug te sturen wanneer zij slechts uit ‘gehoorzaamheid’ willen dienen, laat hij hen voelen wat het betekent een vrije levenshouding te ontwikkelen. Pas wanneer zij bereid zijn te sterven — het grootste offer — realiseren zij zich hun eigen kracht en transformeren tot koning.

Meesterschap in het leven

De vrijheid en kracht van de koning-Simurgh werkt aanstekelijk op de groep van 30 vogels om meesterschap te ontwikkelen in het leven. Daarbij gaat het om de verbinding van een innerlijke transformatie met een uiterlijke verandering van leiderschap. In een mythisch beeld krijgen we hier een wegwijzer voor levenskunst, hoe het ontwikkelen van (innerlijke) schoonheid en kracht van ieder individu vraagt zich vrij van beperkende kaders tot een ‘enkeling’ (Kierkegaard) te ontwikkelen. Noch uit gehoorzaamheid aan een externe autoriteit noch uit begeerte naar rijkdom, uiterlijk vertoon en macht.

In de casus dreigt het project voor het herdefiniëren van de identiteit van het instituut te worden overvleugeld door de stem uit het bestuur die de strategie eenzijdig wil vestigen langs de marktgerichte route met externe criteria.
De onrust hierover had ik beluisterd als een onderstroom van cynisme tot onderhuidse woede, bij het bespreken van de nieuwe strategie tijdens de interviews en groepsbijeenkomsten.

De principiële keuze die door een strategisch taalspel verhuld bleef werd metaforisch uitgesponnen als een ‘Vliegwiel-strategie’ versus een ‘Garuda-strategie’. Hiermee werd de richtingenstrijd binnen het instituut en binnen de directie expliciet gemaakt. De resultaten uit de oriëntatiefase werden verder intern in bestuur en managementteam doorgesproken. Helaas kwam er geen vervolgopdracht in de vorm van het begeleiden van een intern ontwikkelingsproces ter versterking van de identiteit naar buiten toe. Die richting leek mij als onderzoeker ethisch-politiek het meest wenselijk.

Het ontwikkelen van ethos en praktische wijsheid (‘phronèsis’) als professionele gemeenschap en collectieve levenskunst, vraagt de ‘wereldlijke’ weg van succes te verbinden met een reis naar binnen (meesterschap).

Filosofische wegwijzer: onthullende en verhullende taalspelen

“Is het verwonderlijk dat dit identiteitschendende machtsvertoon van westerlingen [de geschiedenis van kolonialisering, HM]verzet oproept en een echo van geweld doet klinken?
Is het verbazingwekkend dat er vrijheidsstrijders, alias terroristen, opstaan als een aanklacht tegen deze levensstijl?
Zou het geen tijd worden om de (pseudo)religieuze motieven van zelfverheerlijking en winstbejag in ons eigen handelen onder ogen te zien, in plaats van valselijke ideeën over vooruitgang en wetenschap aan te wenden als rechtvaardiging van ons handelen?
Zou het geen tijd worden schuld te bekennen en met oprechte interesse te luisteren naar de godsdienstige motieven van mensen en volkeren van wie wij de identiteit hebben geschonden, de woongebieden hebben verstoord, het leven hebben ontwricht en de bodemschatten hebben gestolen?”

Michiel de Ronde (2018)

Waar in het citaat heilige verontwaardiging weerklinkt over een ontwrichting op wereldschaal tussen volkeren en culturen, is er in de casus een mythisch (metaforisch) taalspel aangewend teneinde wrevelige opmerkingen en uitingen van ‘heilige woede’ als richtingenstrijd boven tafel te krijgen.

Afbeelding 8: Mythische taal en verbeeldingskracht[7]

Culturele en sociale aspecten van het vraagstuk kregen door het inbrengen van de organisatiemetaforen (Morgen, 1995; 1993) nadrukkelijk de aandacht. De traditionele academische waarden en de inhoudelijke gerichtheid op het eigen onderzoek van de programmaleiders en medewerkers schuurden met een strategische gerichtheid op ‘de top drie op wereldschaal’ en een ‘sexy’ smoel naar buiten.
De ‘mythische taal’ bracht een opening voor het bevragen van de identiteit van het instituut. Daarmee konden de ethische dilemma’s, die ‘geneutraliseerd’ leken te worden in het strategische taalspel, expliciet worden gemaakt. De nieuwe koers zou andere ambities kunnen aanwakkeren ten koste van de vanzelfsprekende ‘academische vrijheid’ als groep ‘professionals’.

Bijvoorbeeld zouden de succesvolle ‘cohort studies’ ten opzichte van onderzoek dat meer uitgaat van maatschappelijke aspecten, zoals zorg voor ‘mensen met vage en/of chronische klachten’, bevoorrecht kunnen worden.
Heikele en existentiële vragen onder de marketingtechnisch eenduidige keuze doemden op: wie willen wij zijn, vanuit de ogen van wie? Welke onderzoeksthema’s zijn het belangrijkste en op basis van welke criteria? Hoe spelen daarin (welke?) ‘core values’ van het instituut mee? Hoe worden deze in (medische, sociale en economische) kwaliteitscriteria vertaald?
Het kiezen voor de ‘excellente’ programma’s lijkt door het woordgebruik evident — maar de vraag is ‘excellent’ vanuit wiens ogen en met welk perspectief bezien en voor wie (cliëntperspectief)?

De questie onder de kwestie

De gelaagde ethische questie onder de kwestie was goed aangevoeld en adequaat verwoord door de programmaleiders en via de ‘veranderingsmetaforen’ in het inventariserende onderzoeksrapport kwam hun zorg op de agenda van het bestuur.
Er lag een tussen beide richtingen balancerende uitkomst op tafel, die uitnodigde tot het vervolgen van de dialoog: “Naarmate de identiteit ‘van binnenuit’ duidelijker vorm krijgt, kan ook het gezicht naar buiten toe sterker worden”.

Afbeelding 9: Koersbepaling[8]

Beide richtingen werden in zekere zin belichaamd door de tweekoppige directie. Waar de directeur bedrijfsvoering in een strategisch discours sprak en met klem zei alleen op resultaten te kunnen sturen, daar sprak de inhoudelijk directeur in een ander, cultuursensitiever taalspel. Niet verwonderlijk dat deze directeur enige tijd later, samen met zijn onderzoeksgroep, als een Garuda de vleugels uitsloeg en neerstreek bij een andere universiteit.

Zou er een keuze zijn gemaakt voor de Garuda-strategie, dan zou ik met liefde de eigen wijsheid van de onderzoekers hebben willen aanboren ten behoeve van het stichten van een vrijheidspraktijk (Foucault, 1985). Daartoe had ik in de oriëntatiefase bijzonder vruchtbare ideeën beluisterd onder deze groep professionals:

“Je moet ook niet alles willen organiseren, ongeveer 30% vrij laten. Wel meer gelegenheid om elkaar te ontmoeten, voor een deel ook open bijeenkomsten om op informeler wijze met elkaar contact te hebben en elkaar te besnuffelen. Zo kom je eerder op creatievere ideeën voor (gezamenlijk) onderzoek dan wanneer alles is voorgestructureerd. Dit is er nu nauwelijks.”

Bijzonder hoe hieruit blijkt dat juist het stem geven aan pathos (heilige woede) door middel van mythos (de veranderingsmetaforen) onthulde wat er op het spel stond (ethos), waar management-taal als een versmalde en berekenende ‘logos’ dat verhulde.

Koersen vanuit verbeeldingskracht

Beeldend vormgeven is een activiteit, waarbij de Maker geheel betrokken is, lijfelijk, voelend, vormend en verbeeldend. Beelden kunnen vanzelfzwijgend uit het lijfelijke maken opdoemen en als een ‘vrij’ spel van de verbeelding de wereld anders tonen. (…)

Vanuit het fysieke, zintuiglijk actieve proces van Maken ontstaan er contouren, nog in beweging en ongedefinieerd. De impliciet gemaakte keuzes leiden tot iets (…) van een innerlijke dynamiek, een emotie, een vermoeden (…)

Muijen & Van Marissing, 2011, p. 87.

Waar in de casus de verbeeldingskracht beperkt werd aangesproken (door middel van metaforen), zijn er arts-based-methoden zoals het musiceren, dramatiseren en beeldend vormgeven die veel sterkere mogelijkheden bieden voor het creëren van speelruimte (Ronde, 2015). Daar kan men, meer dan ‘alleen’ spelen, elkaar ontmoeten in een vrije onderzoeksruimte (Kessels, 2002) en ‘generatieve’ gesprekken met elkaar te voeren.

Werkend met kunstzinnige middelen kun je zowel de heftigheid als het betekenisvolle van sterke emoties als ‘heilige woede’ tot uiting brengen. In de ‘mythische’ vorm die zo ontstaat zijn ‘pathos’- en ‘ethos’-aspecten door het proces van maken innig met elkaar verbonden. Door die vorm een stem te geven in de dialoog kan de innerlijke bewogenheid helpen een beweging te initiëren in een taai vraagstuk. De werkzame richtinggevende principes daarbij zijn emergentie en resonantie (afstemming):

Afstemming is een soort resonantie tussen de bezig doende handen en de gesteldheid van de klei.

Er ontstaat weerslag van de makende handen in het Materiaal – sporen die de eigenheid van het knijpen en kneden tonen. Het Materiaal met haar specifieke wetmatigheden komt in het ritme van de Maker met diens drijfveren, gevoelsimpulsen en vitale energie.

Muijen & Van Marissing, 2011, p. 85.
Afbeelding 10: Kleien kan weerstand oproepen[9]

Het dialogeren via kunstzinnige middelen kan, in een ‘holding space’ (Winnicott, 1972) en mits kundig gehanteerd door een begeleider, helpen nieuwe perspectieven op het vraagstuk te creëren.

Emergentie

De keuze voor en toepassing van een bepaalde creatieve werkvorm, zoals het werken met klei, beelden, muziek of theater, dient afgestemd te worden op de eigen vertrouwdheid: alleen met plezier en kundigheid begeleid, werkt het aanstekelijk! Dan kunnen (morele) emoties zoals schaamte en schuld, woede en wraak betekenis krijgen in een dialoog over de wenselijke richting. Zo ontstaat een dynamiek van ‘het laten emergeren’ van betekenis, die echter en krachtiger is dan wanneer professionals ‘over’ hun waarden gaan praten. Het gevaar daarbij is dat de kracht van ‘pathos’ en ‘ethos’ juist verloren gaat doordat de als ‘vaag’ bestempelde woorden overruled worden door ‘strategische’ taal uit het dominante discours, zoals in de casus gebeurde.

Ook is het belangrijk de gepastheid van het gekozen middel met de participanten in de betreffende organisatiecontext af te wegen. Daarbij kan een verrassingselement juist effectief zijn mensen te bewegen ‘out of the box’ naar het vraagstuk te laten kijken. Tegelijkertijd is het goed af te tasten of deze middelen niet averechts zullen werken, wanneer de afstand van de cultuureigen ‘mores’ te groot is en de keuze voor ‘kleien’ bijvoorbeeld teveel weerstand zou oproepen.

Al pratende ‘met’ en vanuit’ het creatieve materiaal, ontstaat er al doende betekenis over wat er op het spel staat. Er kan een ‘transformatief’ taalspel ontstaan voor zover er ‘van binnenuit’ een proces van betekenisgeving ontstaat, dat dicht bij de praktijk en de betrokkenen blijft. Door met het gemaakte in dialoog te gaan (interne dialoog) en van daaruit ook in gesprek te gaan met anderen, zodanig dat de creatieve expressie ‘een derde stem’ vertegenwoordigt (Muijen, 2001). Zo kan men het gewicht van de zaak met elkaar afwegen en letterlijk en figuurlijk vorm geven aan de onderhuidse gevoelens, wat bijdraagt aan empowerment en emancipatie. De ‘generatieve dialoog’ geeft bedding aan politiek handelen (Arendt, 1958) hoe de ‘ethos’ om te zetten in een collectieve actie, ten behoeve van het ontwikkelen van levenskunst als professionele gemeenschap.

In het labyrint van het leven…

De arts-based-dialogue methods (ADM, Muijen & Brohm, 2017; 2018) zijn geen recht toe recht aan plan om van ‘a naar b’ te komen, maar een fragiel en afstemmend proces het gevoelige en taaie te mogen aanraken en zo ontwikkelprocessen te helpen emergeren.
Dit vraagt de kunst zowel verschillende stemmen in zichzelf te laten klinken (Hermans & Hermans-Konopka, 2010) als meerstemmigheid in polylogen (Rizzuto, 2014) te creëren.

Afbeelding 11: Het heilige vuur — uit de game Quest for wisdom

Woede kan alleen constructief worden gemaakt als zowel de pijn en het falen alsook het verlangen en de vreugde erkenning krijgen.

Waar de woede zich op richt blijkt een aantasting van een ‘heilige’ zaak te zijn, het hart van waaruit mensen leven en werken!

Soms werpt het schelle licht van de aangekondigde innovatie een nog sterkere slagschaduw op de vraag waar de vernieuwing goed voor is en welke oude waarden en verworvenheden met het badwater worden weggegooid.

Ook de vraag ‘voor wie’ dient te worden gesteld: niet iedereen ambieert het wereldse goud te ‘excelleren’ op de scorelijstjes. Zowel omdat er niet alleen een prijs van de ‘internationale top 3’ gewonnen wordt, maar ook te betalen is – in de casus waren dat sociale waarden en de vrije beoefening van het academische onderzoek. Zoals de mythische wegwijzer van de ‘vuurvogel’ vertelt is er een ‘alchemistisch’ goud te verwerven wanneer de innerlijke reis naar leiderschap aanvaard wordt.
Vanuit de filosofie van de levenskunst dient de lichte kant en de schaduwzijde van het bestaan in samenhang te worden gezien en beluisterd. Alleen dan kan het krachtige vuur van (heilige) woede scheppend in plaats van vernietigend werken.

  • Arendt, H. (1958). The human condition. University of Chicago Press: Chicago.
  • Bloch, E. (1955). Das Prinzip Hoffnung. Suhrkamp: Insel.
  • Cooperider, D. (2005). Appreciative inquiry handbook. Barrett-Koehler: New York.
  • Ende, van den T. (2011). Waarden aan het werk. Over kantmomenten en normatieve complexiteit in het wek van professionals. Amsterdam: SWP/UvH Press.
  • Fry, S. (2018). Mythos. Amsterdam: Uitgeverij Rap.
  • Foucault, M. (1985). De zorg voor zichzelf. Nijmegen: SUN.
  • Hadewych (z.d.). Geraadpleegd op 2019-02-04 van http://hadewijch.net/orewoet
  • Han, Byang-Chul (2014). The Burnout Society. Stanford: Stanford University Press.
  • Hermans, H.J.M., & Hermans-Konopka, A. (2010). Dialogical self theory. Positioning and counter-positioning in a globalizing society. Cambridge, UK: Cambridge University Press. Doi: 10.1017/CBO9780511712142
  • Jorna, T. & Voois, W. (2014). Onmetelijke eenzaamheid. Eenzaamheid als mogelijkheid tot zelfwording en zinvinding. Delft: Eburon.
  • Ommen, A. van (2015). Jezelf openen door te dichten. Tijdschrift voor Begeleidingskunde, 4 (3), p. 40-47.
  • Kessels, J, Boers, E. & Mostert, P. (2002). Vrije ruimte. Filosoferen in organisaties. Amsterdam: Boom.
  • Kunneman, H. (2005). Voorbij het dikke-ik: Bouwstenen voor een kritisch-humanisme. Amsterdam: Humanistic University Press.
  • Morgan, G. (1995). Images of Organization. Thousand Oaks/ London/ New Delhi: Sage.
  • Morgan, G. (1993). Imaginization: the Art of Creative Management. Thousand Oaks/ London/ New Delhi: Sage.
  • Mercier, P. (2016). Nachttrein naar Lissabon. (Vertaling Gerda Meijerink). Amsterdam: Wereldbibliotheek.
  • Muijen, H.S.C.A. (2001). Metafoor tussen magie en methode. Narratief leren in organisaties en therapie. (proefschrift Universiteit Maastricht). Kampen: Agora.
  • Muijen, H. & Van Marissing, L. (2011). ‘iets’ Beeldend werken nader bekeken. Antwerpen/ Apeldoorn: Garant.
  • Muijen, H.S.C.A. & Brohm, R. (2017). Art dialogue methods: phronesis and its potential for restoring an embodied moral authority in local communities. British Journal of Guidance & Counselling. DOI: 10.1080/03069885.2017.1413170.
  • Muijen, H. & Brohm, R. (2018). Art Dialogue Methods: De kracht van kunst en dialoog voor het ontwikkelen van morele werkgemeenschappen. Waardenwerk. 2018, nr. (73), p. 33-42.
  • Ronde, M.A. de (2015). Speelruimte voor ervaring en reflectie. Een praktijkgericht onderzoek naar het gebruik van spel in begeleidingssituaties. Delft: Eburon.
  • Ronde, M. de (2018). Heilige verontwaardiging. Over geloof en wetenschap voorbij westerse superioriteit, naar aanleiding van ‘Die Macht des Heiligen’ van Hans Joas. Jg. 2018, nr. 74/75, p. 181-185.
  • Rizzuto, G. (2014). Mediale levenskunst. Een interculturele polyloog. Brussel: ASP.
  • Quest for wisdom (2016). Geraadpleegd op 2019-02-05 van https://www.gameforwisdom.com.
  • Wessels, A. (2001) Islam verhalenderwijs. Amsterdam: Uitgeverij Nieuwezijds.
  • Winnicott D.W. (1972). Holding and interpretation. London: Hogarth Press.
Noten

[1] Bron: Begijn
[2] Bron: Sint-Catharinakathedraal in Utrecht
[3] Bron: Skyscrapers of Shinjuku
[4] Bron: vliegwiel
[5] Bron: Garuda
[6] Bron: de samenspraak van de vogels, detail van het kaft van het epos van Farid al-Din Attar.
[7] Bron: Mythology
[8] Bron: Kompasroos
[9] Bron: Clay

 

Heidi Muijen

van Thymia, filosofische praktijk voor levenskunst en creatieve ontwikkeling te Weesp heeft in 2016 de Stichting Quest for wisdom foundation opgericht. Het eerste project van de stichting is de digitale spelvorm game Quest for wisdom. Als tweede project wordt het Wijsheidsweb ontwikkeld. Heidi Muijen is ontwerper van het filosofisch-mythische bordspel Mens, ken je zelf en van de ont-dekkende dialoogvormen Wat is de kwestie?-Wat is de questie!.