Burgerschapsonderwijs krijgt eindelijk de vereiste aandacht

0

Wim Couwenberg

Uit: Civis Mundi Digitaal #63, 2018-08

Historische achtergrond burgerschapsvorming

Volkspetitionnement [1]

In Nederland heeft de patriottenbeweging van de jaren ’80 van de 18e eeuw, met de Bataafse Omwenteling van 1795 als uitvloeisel, een eerste aanzet gegeven tot bewustwording van het belang van burgerschapsvorming als voorwaarde voor een vitale burgerlijke samenleving.

Vervolgens deed dat de liberale burgercultuur van de 19e eeuw, met de invoering van algemeen kiesrecht als bekroning. Maar nadien is ons land in de greep geraakt van een de hele samenleving omvattende verzuiling, en raakte staatsburgerschap daardoor ondergeschikt aan het cultiveren van de eigen identiteit en belangen van de verschillende zuilen.
In de jaren ’60, toen het proces van ontzuiling op gang kwam, herleefde ook het streven naar burgerschapsvorming via politieke vormingsactiviteiten en politieke vernieuwing. Maar sinds de jaren ’70 raakte burgerschap als concept weer in diskrediet, nu als gevolg van de toenemende individualisering van de maatschappelijke verhouding, maar ook onder invloed van links-radicale opvattingen waarin burgerschap geassocieerd werd met een liberaal-kapitalistische mentaliteit.

Sinds de Fortuynrevolte zien we een hernieuwde waardering voor burgerschap en burgerschapsvorming. In de wereld van kunst en cultuur, die vanouds een afweerhouding cultiveert ten opzichte van alles wat met burgerlijk geassocieerd wordt, manifesteert zich zelfs dan een stroming die zich inzet voor ontwikkeling van een nieuw cultureel burgerschap, om daarmee de bindende kracht van kunst in onze samenleving te stimuleren. De Stichting InterArt lanceerde met het oog daarop in 2005 een omvangrijk project onder de titel Nieuw Cultureel Burgerschap.

Maar ook in de wereld van opvoeding en onderwijs valt die hernieuwde waardering te bespeuren. Het boekje Opvoeding in democratie is daarvan een nieuwe uiting. Het is de neerslag van een symposium, met als doel het debat over democratie, dat zich pleegt toe te spitsen op democratische instituties, te verbinden met de discussie over opvoeding en onderwijs, ten dienste van democratisch burgerschap.

Uitgangspunt daarbij was de oratie van Micha de Winter, die hij hield bij de aanvaarding van de Langeveld leerstoel. En centraal daarin staat een krachtig pleidooi voor opvoeding tot democratisch burgerschap. Dat is wel de belangrijkste bijdrage in deze bundel.

Interessant is daarnaast ook de bijdrage van D. Mijnhardt over vaderlandse geschiedenis en zijn kritische kanttekeningen bij de discussie over de historische canon voor die geschiedenis. Zo’n canon zou een eenzijdige nationale reflex in de hand werken, meent hij.

Dat hoeft echter niet het geval te zijn, als zo’n canon maar integraal verbonden wordt met de Europese en westerse geschiedenis, en het mondiale integratieproces dat uit die geschiedenis is voortgekomen. Het gaat uiteraard om een synthese tussen de nationale realiteit en identiteit, en de ontwikkeling van kosmopolitisch burgerschapsbesef, dus om concentrische cirkels die beginnen op sub-nationaal niveau en uitmonden op het niveau van de wereldmaatschappij, kortom om een organisch geworteld en pluralistisch geleed kosmopolitisch burgerschapsbesef als referentiekader.

Veel te vaag

Sinds 2005 zijn scholen verplicht aandacht te besteden aan burgerschap. Maar het is niet duidelijk waaruit dat precies zou moeten bestaan. De wet zegt dat burgerschapsonderwijs moet bijdragen aan de ontwikkeling van actief burgerschap en sociale integratie.

Maar dat is voor veel scholen veel te vaag, vindt de onderwijsinspectie, die begin 2017 daarover met een kritisch rapport kwam. De inspecteurs constateren over dit thema dat schoolactiviteiten inzake burgerschapsonderwijs weinig verband met elkaar hebben. Er is vaak geen planmatige aanpak. Niets is vastgelegd wat scholen de leerlingen willen leren. De inspecteurs hebben dan ook weinig zicht op wat scholieren eigenlijk opsteken. De lessen zijn te zeer afhankelijk van hoe de individuele leraar het onderwijs zelf inricht.

Dit is een treurig teken van het gehalte van ons burgerschapsonderwijs. In aansluiting op de naoorlogse ontwikkeling hierover in de Duitse Bondsrepubliek (BRD) is in Civis Mundi al vanaf de oprichting begin jaren ’60 hardnekkig gepleit voor doelbewuste ontwikkeling van democratisch burgerschap als pedagogische grondslag van onze democratie.

Onder invloed van de verzuiling is dat jarenlang veelal nagelaten. Sinds 2005 is hiervoor eindelijk aandacht gekomen, maar in tegenstelling tot de burgerschapsvorming in de Bondsrepubliek bleef dat veel te vaag. Met Arie Slob is er nu eindelijk een Minister van Onderwijs gekomen die duidelijk vast wil stellen wat burgerschapsonderwijs dient voor te stellen.

Veel te vrijblijvend

Nederlandse scholieren hebben, vergeleken met hun leeftijdgenoten in de ons omringende landen, weinig kennis van de basisprincipes van democratie en rechtsstaat. Wij scoren echt slecht op dit punt, vindt de minister. Wij zijn op het gebied van deze vaardigheden veel te vrijblijvend geweest. Leerlingen op basis- en middelbare scholen moeten daarom allemaal les krijgen over democratie, vrijheid, mensenrechten en rechtsstaat.

Zodoende wordt het voor de inspectie van het onderwijs ook gemakkelijker om in te grijpen als een school ideeën onderwijst die niet stroken met de democratische rechtsorde. Als Slobs plannen doorgevoerd worden, krijgt de onderwijsinspectie betere mogelijkheden om in te grijpen als een school in een les burgerschapsvorming, bijvoorbeeld de gelijkheid tussen mannen en vrouwen, in twijfel trekt. Op dit moment sluit het burgerschapsonderwijs niet goed aan bij onze maatschappelijke ontwikkeling. Kinderen worden immers niet geboren met een democratisch gen, en krijgen niet vanzelfsprekend van huis uit respect voor de basiswaarden van onze samenleving, aldus de minister in een toelichting bij zijn wetsvoorstel.
De huidige situatie van toenemende spanningen en afnemende binding onderstreept de noodzaak van een prominente positie van burgerschap in het lesprogramma van het primair en voortgezet onderwijs.

Werken aan democratisch burgerschapsonderwijs[2]

De minister sluit hiermee aan bij recent onderzoek waaruit blijkt dat in Nederlandse schoolklassen kennis van de democratie relatief laag is. Nederlandse leerlingen weten minder over democratie, rechtsstaat en mensenrechten dan hun leeftijdgenoten in omringende landen, zo bleek eind 2017 uit een grootschalig internationaal onderzoek onder scholieren in Europa.
De haperende democratische gezindheid heeft volgens de minister onder meer te maken met al het afkalven van sociale verbanden, zoals kerken en verenigingen, individualisering en de komst van migranten uit landen zonder democratische traditie.

Treurige realiteit van de praktijk van algemeen kiesrecht

Op de plannen van de minister werd in kranten al onmiddellijk kritisch gereageerd, onder meer in een artikel van een socioloog die zelf ook lesgeeft. Zadel ons niet op met een onzinnig uurtje democratieles en Wilhelmusuitleg. Wees ons schild ende betrouwen waar dat nodig is, en laat ons verder met rust.
In het licht van deze kritische reactie herinner ik hier aan een eerder artikel in Civis Mundi over de vraag hoe de treurige realiteit van het algemeen kiesrecht aan te pakken.

De bekende publicist en inmiddels ook prominent lid van de nieuwe partij Forum voor Democratie P. Frentrop bepleitte een tijdje geleden behalve voor de afschaffing van het Nederlands ook voor afschaffing van het algemeen kiesrecht.
Een groot deel van de bevolking kan zijn stemrecht heel goed uitoefenen bij populaire zaken als Big Brother of het Songfestival, maar niet als het om de publieke zaak gaat.
Het algemeen kiesrecht houdt slechts de illusie in stand dat ieder mag meebeslissen, maar in feite wordt er over ons beslist. Omdat we niet durven bepalen wie wel en wie niet mag stemmen raakt ons politieke stelsel steeds meer verloederd.
Kiesrecht dient evenmin automatisch verkregen te worden als een uitkering of een plaats in het hoger onderwijs. Het komt alleen toe aan wie iets gepresteerd heeft, t.w. burgers die door eigen inspanning en bezit niet afhankelijk zijn van de overheid. Een nieuwe vorm van censuskiesrecht dus.

Al maakt dit pleidooi vanwege zijn reactionaire strekking geen schijn van kans, het is wel een reactie op een probleem dat al centraal stond in de strijd om het algemeen kiesrecht en nadien herhaaldelijk terugkeert. Dit recht veronderstelt dat iedere volwassen burger in staat is een politiek verantwoord oordeel uit te spreken over de vraagstukken van algemeen belang die bij verkiezingen aan de orde zijn.
Worden aan de gemiddelde burger daardoor niet te hoge eisen gesteld, is een vraag die in de jaren ’30 vaak is opgeworpen, maar ook nadien o.a. door de bekende Amerikaanse journalist Walter Lippmann in zijn The Public Philosophy (1955) en bij ons o.a. door de filosoof B. Delfgaauw[3] en de polemoloog Röling[4].
Feit is dat politiek bewust burgerschap, zich uitend in actieve politieke participatie, weloverwogen politieke oordeelsvorming e.d. beperkt blijft tot een selecte minderheid.

Burgerschapsoorkonde

Burgerschapsvorming[5]

Is het geen psychologische fout het kiesrecht, d.w.z. een belangrijk publiek ambt, aan ieder die de kiesgerechtigde leeftijd bereikt zomaar cadeau te doen?
Het kiesrecht wint aan waarde als men er enige moeite voor moet doen. Met het oog hierop heb ik in de jaren ’60 voorgesteld ieder die daarvoor formeel in aanmerking komt te verplichten tot het bijwonen van een burgerschapsconferentie waarin gewezen wordt op de publieke betekenis en verantwoordelijkheid van het politieke burgerschap en de daarmee verbonden plichten en dit alles te bevestigen door uitreiking van een burgerschapsoorkonde.
Wie een aantal keren zonder geldige reden verzuimt het kiesrecht uit te oefenen zou bovendien tijdelijk het kiesrecht dienen te verliezen. Daarmee zou de politiek ongeïnteresseerde burger op aanvaardbare wijze uitgeschakeld kunnen worden[6].
Tot onze burgerlijke vrijheid behoort m.i. ook het recht zich niet voor politiek te interesseren. Dat was ook een van de redenen waarom eind jaren ’60 de opkomstplicht is afgeschaft. Maar dit voorstel voor een verplichte burgerschapsconferentie dat gedaan werd in de veronderstelling dat de politiek op haar beurt dan wel reële keuzemogelijkheden zou bieden vond als elitair geen genade in die tijd, toen heel radicale opvattingen van democratie de toon aangaven. Nu maakt het wellicht meer kans.

Burgerschap geassocieerd met extreemrechts

Voor de effectuering van het algemeen kiesrecht is bovendien algemene burgerschapsvorming een essentiële voorwaarde, was een tweede voorstel mijnerzijds dat na ampel beraad wel tot iets geleid heeft, t.w. het Nederlands Centrum voor Democratische Burgerschapsvorming (NCDB).
De aanvankelijke bedoeling hiermee was te komen tot een Nederlandse pendant van de Bundeszentrale für Politische Bildung in Duitsland. Maar daar is niets van terechtgekomen. Het hele begrip burgerschap raakte in de jaren ’70 en ’80 onder invloed van toenmalige linkse opvattingen in het verdomhoekje als steunpilaar van kapitalisme, patriciaat en witte raciale overheersing, ja het werd zelfs geassocieerd met extreemrechts[7].
Politieke of burgerschapsvorming als educatieve ondersteuning van het algemene kiesrecht is hier tot nu toe niet goed van de grond kunnen komen.

Het ontwerp voor de Grondwet van 1815[8]

Een migrant die Nederlands burger wil worden moet openlijk de Nederlandse constitutie aanvaarden en in een examen blijk geven van voldoende kennis ervan, zo merkte de uit Iran afkomstige jurist Afshin Ellian eens op in een interview[9].
Maar Nederlanders kennen zelf niet eens hun eigen constitutie, riep de interviewer uit. Dat merk ik vaak ook, aldus Ellian, maar is dat niet treurig? Dat is het zeker.
De schrijver Stephan Sanders zoekt de essentie van onze nationale identiteit in grondwetspatriottisme. Hij stelde daarbij het Amerikaanse grondwetspatriottisme als voorbeeld.
Maar het gros van de bevolking heeft nauwelijks enige emotionele binding met onze grondwet. Dat geldt ook voor de gemiddelde jurist. Die is in de grondwet alleen geïnteresseerd als hij er in een zaak mee kan scoren.
In tegenstelling met wat Ellian als iets heel normaals veronderstelt, wordt onze grondwet niet of nauwelijks opgevat en beleefd als grondslag en inspiratiebron van onze samenleving en rechtsorde.
Het ontbreken van algemene burgerschapsvorming is daarvan een belangrijke oorzaak.

Noten

[1] Bron: Volkspetitie-kiesrecht
[2] Bron: leerlingraad-werken-aan-democratisch-burgerschapsonderwijs/
[3] Zie B. Delfgaauw, Democratie, Branding, 2, 1959
[4] Zie B.V.A. Röling, Over oorlog en vrede, 1963, pp. 111-120
[5] Bron: burgerschapsvorming-start-op-jonge-leeftijd
[6] Zie S.W. Couwenberg, Hervorming der politieke democratie, in: S.W. Couwenberg (red.), Problemen der democratie, 1965, pp. 88-89
[7] H. Vlug, Aan het begrip burgerschap kleeft een nare bijsmaak, in: Afscheid van 25 jaar Nederlands Centrum voor Democratische Burgerschapsvorming, uitgave NCDB, 1992, p. 106 e.v. Zie in dezelfde bundel ook: Van burgerschapsvorming naar inspraakbegeleiding, pp. 42-51
[8] Bron: Grondwet 1815
[9] Zie het interview met Afshin Ellian in-de-boeien-die-el-moumni in NRC-Handelsblad, 10 november 2001

(1926-2019) was oprichter en hoofdredacteur van het filosofisch tijdschrift Civis Mundi. Ooit begonnen als journalist, was Couwenberg in de jaren zestig politiek actief voor de toenmalige KVP. Van 1976 tot 1995 was hij hoogleraar staats- en bestuursrecht aan de Erasmusuniversiteit in Rotterdam. Hij publiceerde regelmatig in dagbladen, tijdschriften en boeken.

Schrijf een reactie