Organisch geworteld kosmopolitisme/ wereldburgerschap

0

Wim Couwenberg

Bron: Civis Mundi Digitaal #48 (2017)[1]

Nieuwe polariserende tegenstelling

Begin jaren ’70 is de oorspronkelijke naam Oost-West — erfenis van de Koude Oorlog — veranderd in Civis Mundi, evenals de naam van de stichting als uitgever van dit tijdschrift. Dit is gebeurd om zodoende de oost-west tegenstelling en daarmee samenhangende polarisatie (antikapitalisme versus anticommunisme) te overstijgen.

Wereldburgerschap versus (staats)nationalisme

In plaats van die tegenstelling is, na het einde van de Koude Oorlog, een nieuwe polariserende tegenstelling op de voorgrond getreden, te weten tussen kosmopolitisme/burgerschap van de wereld en (staats)nationalisme, dat na de Tweede Wereldoorlog jarenlang een negatief imago kreeg, maar met het doorzetten van de Europese integratie een opmerkelijk romantisch-conservatief reveil beleeft.

Gezien de wijdverbreide Euroscepsis die met dat reveil van staatsnationalisme gepaard gaat, lijkt de nodige vitaliteit en politieke wilskracht niet langer voorhanden om het naoorlogse Europese integratieavontuur koelbloedig voort te zetten en te voltooien. Heeft dat wellicht te maken met een zekere beschavingsmoeheid, als uitvloeisel van de snel groeiende vergrijzing van dit werelddeel, en een toenemende bevolkingskrimp? Raakt het daardoor meer naar binnen gekeerd, en is het niet langer geboeid door nieuwe mondiale uitdagingen?

Pluralistisch geleed kosmopolitisme: glocalisering

De ontwikkeling van een mondiaal bewustzijn en daarop geënt mondiaal burgerschapsbesef stoelt in onze visie op een bonte verscheidenheid van culturen, sociale en politieke structuren, talen, gebruiken en religieuze tradities; op het besef derhalve dat we leven in een complexe reeks van interdependent geworden kringen van menselijke activiteit met ieder een eigen identiteit en loyaliteit, zich uitstrekkend van het subnationale (lokale en regionale) tot het topniveau van de wereldmaatschappij. Het is een besef dat we kort kunnen omschrijven als een organisch geworteld en pluralistisch geleed kosmopolitisme.[2]

Emancipatie van het overspannen geraakte wereldburgerschap

Het is, met andere woorden, een kosmopolitisme dat haaks staat op het overspannen geraakte kosmopolitisme uit de jaren ’60, en op de aanzienlijke verschuiving van loyaliteiten en prioriteiten die zich dan voltrekt in de richting van radicaal individualisme en internationalisme.
Maar dat is nu niet langer zo sterk het geval. Kosmopolitisch georiënteerde culturele elites uit die tijd die geen boodschap meer hebben aan in hun ogen zoiets voorbijgestreefd als lokale en nationale identiteiten en cultuur, zijn wat meer bescheiden en ingetogen geworden.

Nationaal identiteitsbesef: elementaire behoefte aan geborgenheid

Nationaal identiteitsbesef beantwoordt tegenwoordig aan de elementaire behoefte aan een zekere geborgenheid, een eigen plek en identiteit als sociaal wezen. Lange tijd is daarin primair voorzien door familie, stand, kerk, zuil en lokale gemeenschap.
Maar naarmate die aan betekenis inboeten als gevolg van economische en politieke moderniseringsprocessen is nationale identiteit een nieuwe identificatiemogelijkheid geworden, die in onze tijd alles te maken heeft met de zogenaamde global paradox: processen van globalisering die hand in hand gaan met hernieuwde bewustwording van lokale, regionale en nationale identiteiten.
Als deelgenoten van verschillende identiteitsbepalende verbanden zijn we uiteraard steeds dragers van een meervoudige identiteit die zich uitstrekt van het subnationale niveau tot dat van de wereldmaatschappij.

Mondiale identiteit: complexe opgave

Vanwege de graad van complexiteit van de wereldmaatschappij veronderstelt een mondiaal burgerschapsbesef een intellectueel niveau van kennis en inzicht, waaraan alleen hoogopgeleide intellectuele en politieke elites vooralsnog bij benadering kunnen beantwoorden.
Ook voor die elites is wereldburgerschap overigens veeleer een rationele categorie dan een emotionele identificatie met de wereldsamenleving en haar belangen. Juist vanwege het bijzonder complexe karakter daarvan kan men beter ook niet spreken van ‘global village’.

Glocalisering: synthese van globale en lokale identiteiten

Globalisering als dominerende eigentijdse trend staat de laatste tijd steeds meer ter discussie, vanwege haar eenzijdige benadering van het wereldgebeuren, waarin uitsluitend de inter/transnationale dimensie tot uiting komt.
Vandaar dat we eerder als alternatief het idee van glocalisering gelanceerd hebben, waarin globalisering hand in hand gaat met een opmerkelijk reveil van lokale/nationale identiteiten.

Rol nationale staat nog niet uitgespeeld

Nationalisme als ideologie van de nationale staat

Geschiedenis van het Nationalisme

Aan nationalisatie van staatsmacht en staatsdoel als fundamentele elementen in het politieke democratiseringsproces ontspringt sinds de 19e eeuw ook het nationalisme als politieke ideologie van de nationale staat. Als zodanig is het een cruciale factor in de ontwikkeling ervan. Dat nationalisme in zijn eerste ontwikkeling een positieve en inspirerende factor is geweest in het proces van moderne staatsvorming, is door de ontaarding ervan in de 20e eeuw veelal uit het politieke geheugen verbannen geraakt. Zijn eerste inspiratie ontleent het zowel aan de Verlichting en Franse Revolutie als aan de Romantiek.
Ondanks de kosmopolitische oriëntatie van Verlichting en Revolutie, hebben beide de bodem rijp gemaakt waarop het nationalisme ontkiemen kon door de ontwikkeling van nationale soevereiniteit en zelfbeschikking als nieuwe constitutionele uitgangspunten van de gemoderniseerde staat en het daarop gebaseerde volkenrecht.

In het voetspoor van nationalisme in politieke en etnische zin voltrekt zich een tweetal diep ingrijpende bewustwordingsprocessen die op hun beurt het uitgangspunt zijn geworden van talrijke grote en vaak bloedige politieke conflicten:

Democratiseringsprocessen

  • de politieke bewustwording van het volk als bron van soevereine politieke macht als vrucht van Verlichting en Franse Revolutie en de democratiseringsprocessen die daaruit voortvloeien;

Cultuurbeweging

  • en onder invloed van de romantische cultuurbeweging van de 18e en 19e eeuw de etnisch-culturele bewustwording als volk dat zich onderscheidt door gemeenschappelijke etnisch-culturele kenmerken en die etnisch-culturele verbondenheid verankeren wil in een eigen nationaal staatsverband.

In de rechtsontwikkeling heeft dat geleid tot erkenning van het zelfbeschikkingsrecht der volkeren als legitieme grondslag van beide strevingen, en tot de ontwikkeling van de nationale staat als belangrijkste uitkomst van moderne staatsvormingsprocessen.

Invloed en rol van nationale welvaarts- of verzorgingsstaat

De nationale staat behoort, evenals het nationalisme, vooralsnog zeker niet tot het verleden. Allerlei staatloze volken eisen waar mogelijk nog een eigen nationale staat voor zich op. De meeste politici zien in die staat bovendien nog onverminderd de belangrijkste bron van politieke loyaliteit en soevereiniteit. Hoewel grensoverschrijdende rechtsvorming steeds belangrijker wordt — de exclusiviteit van het nationale rechtsstelsel is definitief doorbroken -, blijft de nationale staat niettemin onontbeerlijk als ankerplaats van internationale rechtsvorming. De implementatie en handhaving daarvan zijn ondenkbaar zonder de medewerking van nationale staten.[3]

De nationale welvaarts- of verzorgingsstaten

In de nationale welvaarts- of verzorgingsstaten die in de tweede helft van de vorige eeuw tot stand komen als sociale aanvulling van de liberale rechtsstaat en democratie raken burgers ook veel sterker dan voorheen geïntegreerd in en afhankelijk van de natiestaat. Vandaar een sterke neiging de eigen collectieve welvaart en stabiliteit te beschermen tegen externe invloeden als economische globalisering en internationale migratiebewegingen en daarop te reageren met een defensief staatsnationalisme zoals economisch, etnisch en cultureel protectionisme en het koesteren van de nog resterende nationale soevereiniteit in het kader van de Europese Unie.

“Eigen volk eerst”

In de geest van het taaie en vaak verzwegen staatsnationalisme is Europese integratiepolitiek op de keper beschouwd nog altijd meer gemotiveerd door nationale motieven en belangen dan door Europees idealisme. Vandaar dat de EU nu in tegenstelling tot de idealistische jaren ’50 voornamelijk gewaardeerd wordt als noodzakelijk geworden voorwaarde voor de instandhouding van de Europese natiestaten in de 21e eeuw.

“Eigen volk eerst” is een bekende leuze van extreem rechtse politieke richtingen. Maar ook politici en partijen die daar beslist niet mee geassocieerd willen worden, brengen die leuze als dat opportuun is eveneens onbekommerd in de praktijk. Grote mogendheden als de VS, China, India, Brazilië en Rusland opereren in hun buitenlandse economische en politieke betrekkingen meestal zonder enige politieke gewetenswroeging in de geest van die leuze. En in een land als Nederland met bevordering van de internationale rechtsorde als grondwettelijke opdracht valt die tendens eveneens waar te nemen.

Structureel democratisch tekort Europese Unie

Het Europese integratieproces, zoals in de jaren ’50 van de vorige eeuw gestart als reactie op het eeuwenlange Europese oorlogsverleden en ter uitbanning daarvan door Europese politieke samenwerking en eenwording, is voorlopig uitgemond in de Europese Unie.

Dat de EU al sinds lang ter discussie staat, heeft met allerlei klachten en ergernissen over Europa te maken, maar vooral ook met de ongeloofwaardige politieke structuur ervan, die uitgaat van democratische beginselen en alleen democratisch functionerende staten als lidstaat toelaat, maar zelf een structureel democratisch tekort vertoont.

Het is een tekort dat alleen opgeheven kan worden als duidelijk gekozen wordt tussen een confederaal of federaal georganiseerd Europa. Die keuze is jarenlang ontweken door onderlinge verdeeldheid.

Een politiek-strategische versus pragmatische richting

Twee richtingen staan hierbij tegenover elkaar: enerzijds een politiek-strategische, die op die vraag een duidelijk antwoord nodig acht, en anderzijds een pragmatische, die haar uit de weg gaat en prioriteit geeft aan stapsgewijze vooruitgang met Europese samenwerking.
Die laatste functionele benadering heeft jarenlang het gelijk aan haar kant gehad. Zodoende is veel bereikt, wat alleen op die manier te realiseren was. Het grootste probleem in het proces van Europese eenwording, zo merkte de bekende Amerikaanse politicoloog Stanley Hoffmann niettemin al in 1966 op, is sinds vele jaren de vraag hoe consensus te creëren over de structuur, het doel en de rol van Europa in de wereld.[4]

Een bestuurlijk compromis

Eind jaren ’50 heeft de Franse president De Gaulle die politiek-strategische vraag al glashelder aan de orde gesteld, met zijn voorstel te kiezen voor een Europese Politieke Unie op strikt intergouvernementele grondslag.
Het was toen Nederland dat zich daar, bij monde van onze minister van buitenlandse zaken J. Luns, principieel tegen verzet heeft.

Aan een federaal Europa was men toen in Europa evenmin toe, met als gevolg dat we sindsdien als compromis een Europa gekregen hebben met deels federale elementen (o.m. de Europese Commissie, die het Europese belang moet behartigen, en een Europese rechtsorde, die rechtstreeks bindende werking heeft in de lidstaten), en confederale elementen (o.m. de Europese Raad, waarin de regeringsleiders van de lidstaten beslissen over voorstellen van de Europese Commissie).

Een halfslachtige situatie

Europese Commissie NL-logo[5]

De Europese Commissie is in die opzet uitgegroeid tot een technocratisch en bureaucratisch instituut van hoge kwaliteit, dat als zodanig opkomt voor Europese belangen, zonder te kunnen bogen op politieke representativiteit, en zonder verplicht te zijn tot democratische verantwoording.

Het is de Europese Raad waarin regeringsleiders achter de brede technocratische rug van de Commissie beslissen over de voorstellen van die Commissie. Dat resulteert in de halfslachtige situatie, waarin politici op Europees niveau belangrijke beslissingen nemen, waarop zij op nationaal niveau aangesproken en afgerekend worden, maar daarbij geneigd zijn de verantwoordelijkheid daarvoor af te schuiven op dat Europese niveau, dus de Europese Commissie.

Van die halfslachtige situatie moeten we nu eindelijk af. We hadden eind jaren ’50, toen Europese samenwerking nog slechts de oorspronkelijke zes stichters van de Europese Gemeenschap omvatte, wellicht beter kunnen kiezen voor het confederale Europa van De Gaulle, in de wetenschap dat confederaties, als zij na enige tijd niet weer uit elkaar vallen, op den duur vanzelf uitgroeien tot een federatie.
Gezien de inmiddels sterk gegroeide globalisering van de economische en politieke wereld, kunnen we daar nu beter niet meer op terugvallen, zoals bepaalde eurosceptici beogen.

Kiezen voor een federaal bondgenootschap via meerdere integratiesnelheden

We zouden nu in principe moeten kiezen voor een federaal bondgenootschap in de geest van het subsidiariteitsbeginsel: een nevenschikking en dus een gelijkwaardige positie van het centrale gezag in Brussel (de bond) en de deelstaten die ieder in hun respectievelijke bevoegdheidssfeer soeverein zijn (‘competitive federalism’).

In federaal verband het democratische tekort repareren

In plaats van een superstaat ontstaat zodoende een federatie van natiestaten, die gebaseerd is op gedeelde soevereiniteit en een heldere Kompetenz-Katalog, d.w.z. een duidelijke bepaling van exclusief Europese, nationale en gedeelde bevoegdheden. Pas in zo’n federaal verband kan het democratische tekort van de EU effectief opgeheven worden, als we als Europese burgers tenminste niet willen terugvallen op een louter intergouvernementeel Europa om het Europese democratisch tekort te elimineren.

Zo’n Europees federatief samenwerkingsverband, voorlopig beperkt tot lidstaten van de Europese Unie die daarvoor openstaan, zien wij als een adequate poging de moeilijk te overbruggen tegenstelling tussen de natiestaat en zijn loyaliteiten en de eerder genoemde economische en politieke processen van de globalisering te overstijgen.

Europese politieke eenwording kan samengaan met de historisch gegroeide nationale verscheidenheid

De groeiende behoefte aan Europese politieke eenwording kan zodoende harmonisch samengaan met de historisch gegroeide nationale verscheidenheid en handhaving van de volkssoevereiniteit als politieke basis van alle functies van nationaal en Europees gezag. Als heterogene landen door veranderende politieke machtsverhoudingen, zoals die zich nu opnieuw voltrekken, genoopt worden tot de nodige politieke samenwerking, lijkt een federatief staatsmodel de meest aangewezen staatsvorm. Zo’n 40% van de wereldbevolking is al in minstens 28 federatieve staten georganiseerd.

Noten

[1] Deze bijdrage is door de WW-redactie van tussenkoppen, afbeeldingen en tags voorzien.
[2] Zie in deze denkrichting: K.A. Appiah, Cosmopolitanism. Ethics in a World of Strangers, 2016. En in Nederland: René Cuperus, De wereldburger bestaat niet, 2009.
[3] Zie WRR-rapport, De toekomst van de nationale rechtsstaat, 2002.
[4] F. Hoffmann, Obstinate or obsolete. The Fate of the Nation State and the Case of Western Europe. Daedaluss, Summer, 1966, pp. 883-884.
[5] Bron: Europese Commissie logo NL

Wim Couwenberg

(1926-2019) was oprichter en hoofdredacteur van het filosofisch tijdschrift Civis Mundi. Ooit begonnen als journalist, was Couwenberg in de jaren zestig politiek actief voor de toenmalige KVP. Van 1976 tot 1995 was hij hoogleraar staats- en bestuursrecht aan de Erasmusuniversiteit in Rotterdam. Hij publiceerde regelmatig in dagbladen, tijdschriften en boeken.