Hoe te leven met de veronderstelde zinloosheid van ons bestaan?

0

Wim Couwenberg

Bron: Civis Mundi Digitaal #3, www.civismundi.nl
Imre Kertész in Szeged (2007)[2]

Als we uitgaan van het nihilistische wereldbeeld zoals dat sinds Nietzsche tot uitdrukking komt in de literaire en filosofische literatuur[1], waarin ook het moderne vooruitgangsgeloof als zingevend motief van de moderniteit op losse schroeven komt te staan, rijst uiteraard de vraag wat dan nog de zin is van het beschavingsproces en al wat we ten dienste daarvan ondernemen om dat proces op een hoger niveau te tillen.

Waarom blijven we ons daarvoor inspannen, gezien de absurditeit ervan, waarvan de moderne literatuur niet moe wordt te getuigen, ja die zij soms uitschreeuwt, zoals bijvoorbeeld de Hongaarse Nobelprijswinnaar Literatuur Imre Kertész dat deed in zijn roman getiteld Ik — de ander:

“Hebben we wel weet van de absurditeit van ons aller levenslot en van de schandelijke toevalligheid ervan waaraan wij, feilbare mensen, ons zo schandelijk vastklampen, omdat die reeks van absurde ogenblikken nu eenmaal ons leven is?”

De auteur weet dat in ieder geval wel. Als dat leven zo absurd en schandelijk toevallig is, waarom dan aan de vooruitgang ervan toch blijven bijdragen met literatuur die een Nobelprijs waardig is?

Consequent in de geest van dit nihilistische wereldbeeld ziet de schrijver W.F. Hermans in religies en seculiere utopieën slechts vrome praatjes en verdichtsels die de tragische waarheid verhullen van de volstrekte zinloosheid van ons bestaan. Al onze inspanningen leiden uiteindelijk tot niets. Dat is trouwens ook het oordeel van Prediker in het Oude Testament. In zijn ogen is alles wat we doen en ondernemen en zodoende verwerven zoals macht, rijkdom en wijsheid, ijdelheid en het najagen van wind. 
Mensen hebben ook niets voor op het dier. Hun wacht hetzelfde lot. Alles is lucht. Die zwartgallige visie bracht Prediker er echter niet toe het bestaan van God te loochenen, zoals Hermans deed. Ons lot is in de handen van de ondoorgrondelijke almacht van God die daar naar volstrekte willekeur over beschikt.

Als alles wat we doen en ondernemen ijdel is en vervliegt zonder een spoor achter te raken, waarom blijven we ons dan toch inspannen? Is het vanwege de blinde levenswil die in Schopenhauers ogen de essentie uitmaakt van ons bestaan, in zijn ogen een doelloze drang die de bron is van al het wereldleed? Of is het de wil tot macht waarin die levenswil volgens Nietzsche in positieve zin tot gelding komt, namelijk als de wil te realiseren wat we in onszelf aan mogelijkheden hebben, dus te kiezen voor een authentiek leven naar eigen maat en inzicht als alternatief van het conventionele leven naar traditie en sociaal verwachtingspatroon; en in lijn hiermee onvoorwaardelijk ja te zeggen tegen het leven in al zijn ondoorgrondelijkheid, ook tegen het noodlot (amor fati)?

Zijn we ondanks die veronderstelde zinloosheid in de geest van het postmoderne denken geneigd in ieder geval toch maar net te doen of ons bestaan ertoe doet en ergens toe leidt? Een voorbeeld van zo’n manier om die veronderstelde zinloosheid in die trant te pareren is de uiterlijke vormen van religie als gebed, sacramenten en ander ritueel te blijven koesteren als bron van troost en vertrouwen in dit leven en zodoende te blijven doen alsof God toch bestaat, zoals twijfelende gelovigen vaak geneigd zijn te doen. 
Die uiterlijke vormen fungeren in dit geval als performatieve handelingen waarin we al doende in leven willen roepen wat we uitspreken.

Nutteloze zelfkwelling: wees blij dat het leven geen zin heeft

Een geheel andere manier om met dat nihilisme probleem klaar te komen is de vraag naar een ultieme zin van het bestaan als irrelevant, ja als een nodeloze en nutteloze zelfkwelling terzijde te schuiven, zoals gebruikelijk in het postmoderne denken. 
Een psychiater als B.E. Chabot[3]  ziet in die vraag zelfs een uiting van psychische onvolwassenheid. Al die zinzoekers die die vraag wel serieus nemen, verkeren in zijn ogen in een psychisch onvolwassen stadium.

Dat geldt niet voor het post-humanistisch type mens. Dat is een type mens dat die zinledigheid als iets normaals gaat zien en dat probleemloos uitdraagt. 
Wees blij dat het leven geen zin heeft, roept de psycholoog en essayist J. van Heerden zijn lezers opgewekt toe in een boek met een gelijknamige titel. Het heden ervaart dit type mens als een eindeloze voortzetting van het heden in de geest van Nietzsche’s eeuwige wederkeer van het zin- en doelloos gelijke. 

Also sprach Zarathustra[4]

Het is de zogenaamde laatste mens die Nietzsche geportretteerd heeft in het eerste deel van zijn Also sprach Zarathustra en Fukuyama op zijn beurt in zijn The end of history and the last man (1992). In de cultus van consumentisme en hedonisme van het late kapitalisme is voor dat type mens de zinvraag niet langer relevant. In de post-humanistische roman[5]  vinden we een literaire expressie van dit mensbeeld. 
Postmoderne zinledigheid krijgt daarin gestalte met daarbij behorende gevoelens van al of niet verdrongen levensangst en verveling, maar ook van wanhoop en walging. In de Nederlandse literatuur is W.F. Hermans van dat mensbeeld een bekende vertolker. De mensenwereld wordt daarin opgevoerd als een zinloos en sadistisch universum waarin alles gedoemd is te mislukken en misverstand menselijke relaties continu verstoort.[6]

Consumptie- en amusementscultus als populaire oplossing

De meest populaire manier om die zinvraag uit de weg te gaan, is ongetwijfeld haar zoveel mogelijk te verdringen in de roes van een uitbundige consumptie- en amusementscultus zoals de kapitalistische consumptiemaatschappij die dag in dag uit met alle beschikbare middelen aanbiedt en stimuleert en daarbij tevens voorziet in een rijk scala van roesmiddelen.

We consumeren en amuseren ons kapot, zo is in dit verband opgemerkt.[7]  
Is dat omdat we ons in de geest van Awee Prins’ dissertatie Uit verveling (2007) anders kapot vervelen? Hoe dit zij, in de ogen van de neoconservatieve ideoloog Irving Kristol[8]  is dat consumentisme, dat continu najagen van kortstondig aards geluk, slechts een compensatie voor het teloorgegane geloof in een hiernamaals. Andere beoordelaars van menselijk gedrag interpreteren dat in de postmoderne context waarin we leven weer anders.[9]

In de wijze waarop de kapitalistische consumptiemaatschappij zich dienstbaar maakt aan het bevredigen van de geneugten van de geseculariseerde massamens van de (post)moderniteit zien zij veeleer een nieuwe instantie die op die manier zin en betekenis geeft aan het anders bleke leven van die massamens. ‘Shopping is the meaning of life’, zo zou men dat kort kunnen samenvatten. Het consumentisme, de permanente staat van begeerte die de consumptiemaatschappij creëert en in stand houdt, krijgt daarmee een metafysische dimensie.

Van hiernamaals naar hiernogmaals

Visioenen uit het hiernamaals – Jeroen Bosch[10]

Als de zinloosheid van ons bestaan de ultieme waarheid is, wat maakt het dan eigenlijk nog uit of dit zinloos geachte leven wat eerder of later teniet gaat door een ecologische ramp of atoomoorlog? Waarom nog streven naar duurzame ontwikkeling? Waarom ons kwaad maken over het kwaad in de wereld? In een consequent nihilistisch geïnterpreteerde wereld waarin ons bestaan als mens volstrekt contingent is en zonder enigerlei zin, is er, lijkt mij, geen enkele doorslaggevende morele reden te bedenken waarom we verplicht zouden zijn het voortbestaan van de mens op deze planeet veilig te stellen. 

Als in de juist genoemde dissertatie van Awee Prins verveling wordt aangemerkt als de onderdrukte grondstemming van het technisch-wetenschappelijke tijdperk van de moderniteit, waarin ons bijna alles ter beschikking staat, maar eigenlijk niets meer ons werkelijk raakt, heeft dat onmiskenbaar te maken met dat wijdverbreide nihilistische wereldbeeld waarin niets duurzame betekenis heeft. 

Hiernogmaals[11]

De toneelschrijver Samuel Beckett heeft die verveling in zijn werk treffend uitgebeeld als het ontbreken van die zo begeerde betekenis en het vergeefse wachten daarop. Na afschaffing van het hiernamaals als onwetenschappelijke denkcategorie rest ons slechts een eindeloos Hiernogmaals, de eeuwige wederkeer van het eindeloos gelijk blijvende in de geest van Nietzsche.[12]

Vraag naar de zin van ons bestaan als spoor naar God?

Moeten we in het licht hiervan maar net doen alsof ons bestaan en ons streven op de een of andere manier zin hebben om te voorkomen dat we in een uitzichtloos nihilisme verstrikt raken? We kunnen namelijk niet leven alsof dat nihilisme — ‘der unheimlichste aller Gäste’, aldus Nietzsche — uiteindelijk de waarheid is.[13]  
Doen alsof ons leven zin heeft is eigenlijk een vorm van zelfbedrog. Het is nochtans een veel toegepaste manier om met het leven klaar te komen.

Het voornaamste spoor naar God, meent de procestheoloog en godsdienstfilosoof J. van der Veken[14], is tegenwoordig voor de meeste mensen juist de vraag naar zin en betekenis van hun bestaan. 
Een impliciet geloof in God is overal aanwezig waar mensen, op zoek naar een laatste gerechtigheid en ondanks alle ongerijmdheden die zij op hun pad ervaren, vertrouwen blijven koesteren in het leven als een ondoorgrondelijk en vaak verbijsterend mysterie, waarin, naar zij vermoeden, een verborgen zin schuilgaat. Dat maakt het mogelijk ondanks alle wederwaardigheden zin te blijven ontwaren in een anders uiteindelijk zinloos lijkend bestaan[15], een mallotige omweg van Niks naar Niks, zoals de Roemeens-Franse filosoof Cioran dat eens duidde. 
Ik ben geneigd op die manier die veronderstelde zinloosheid te pareren.

Noten

[1] Zie J. Goudsblom, Nihlisme en cultuur, 1960; en voorts Zingeving als specifiek modern probleem, Civis Mundi, 1, 1996
[2] Bron: Imre Kertész in Szeged (2007)
[3] B.E. Chabot, De wil om niet te geloven, Trouw, 3 juni 1995
[4] Bron: Also sprach Zarathustra
[5] Zie o.a. A. Sivirski, The posthumanistische romanfiguur, Maatstaf, maart 1957
[6] Zie R. Havenaar, Muizenhol. Nederland volgens Willem Frederik Hermans, 2003
[7] Zie D. Geldof, We consumeren ons kapot, 2007; en M. Postman, We amuseren ons kapot (Nederlandse vertaling van M. Postman’s Amusing ourselves to death, 1985
[8] Zie I. Kristol, Neoconservatism, 1995, p. 99
[9] Zie o.a. M.B. ter Borg, Zin-economie, 2003
[10] Bron: Visioenen uit het hiernamaals – Jeroen Bosch
[11] Bron: film Hiernogmaals
[12] Zie Awee Prins, Uit verveling, 2007, p. 19
[13] Zie in dit verband R. Struton, Moderne cultuur, 2003, pp 86-87
[14] Zie J. van der Veken, Geloven in God en het probleem van de zin van het leven, in: A.D. Fokker (red.), Zin in het bestaan, 1996, p. 71 e.v.; zie ook P. Tillich, Die Verlorene Dimension, 1962, pp. 8-9
[15] Zie J. van Baal, Boodschap uit de stilte. Mysterie als openbaring, 1991, p. 47.

(1926-2019) was oprichter en hoofdredacteur van het filosofisch tijdschrift Civis Mundi. Ooit begonnen als journalist, was Couwenberg in de jaren zestig politiek actief voor de toenmalige KVP. Van 1976 tot 1995 was hij hoogleraar staats- en bestuursrecht aan de Erasmusuniversiteit in Rotterdam. Hij publiceerde regelmatig in dagbladen, tijdschriften en boeken.