Moderniteit als nieuw beschavingstype ter discussie

0

Wim Couwenberg

Bron: Civis Mundi Digitaal #47[1], juni/juli 2017

Liberale consensus

Het liberale concept van de moderniteit onderscheidt zich van stonde af aan door de ruimte die zij in principe geschapen heeft voor tegenspraak en kritiek.
Zoals gezegd komt die tegenspraak onmiddellijk tot gelding in ideologische polarisatieprocessen, waarin modernisering van de samenleving in liberale geest krachtig aangevochten is door tegenkrachten van zowel links als rechts.

Dat eindigt zoals bekend in 1989, wanneer de moderniteit als liberaal project na de fascistische contrarevolutie ook het wereldcommunisme als belangrijkste linkse tegenkracht uitschakelt.

“Zoals in het premoderne Europa christelijke waarden gefungeerd hebben als breed gedragen bron van legitimatie en inspiratie, zo zijn het in de moderne westerse samenleving liberale waarden die nu een soortgelijke functie vervullen…”

CVSE handvest[2]

Er ontstaat dan in de westerse wereld een nieuwe ideologische en constitutioneel verankerde consensus met de liberale beschavingstraditie als grondslag, zoals dat plechtig bevestigd is in het CVSE-Handvest van Parijs voor een Nieuw Europa van november 1990.
Het is een consensus die sindsdien tevens deel uitmaakt van een internationale gedragscode voor ‘good governance’ en wereldwijd uitgedragen wordt in een actief mensenrechtenbeleid.

Zoals in het premoderne Europa christelijke waarden gefungeerd hebben als breed gedragen bron van legitimatie en inspiratie, zo zijn het in de moderne westerse samenleving liberale waarden die nu een soortgelijke functie vervullen en de grens vormen waarbinnen het openbare optreden zich in principe behoort te bewegen.

Voorbeeld: Duitsland

In de Duitse grondwet is die consensus het meest rigoureus omlijnd als liberaal-democratische basisorde en gesanctioneerd als onaantastbare kern ervan.
Wat zich daarbuiten beweegt, wordt gemeenlijk gestigmatiseerd als extreem-links of –rechts.

Over de wijze waarop die liberaal-democratische basisorde beschermd en verdedigd dient te worden, bestaat geen consensus. Dat kan op rekkelijke of meer rigoureuze wijze gebeuren. In de Duitse Bondsrepubliek heeft men bewust gekozen voor een rigide verdediging ervan via partij- en beroepsverboden, vooral als reactie op de traumatische herinnering aan de legale overgang van de Weimar-republiek naar het Derde Rijk.

In de jaren ’70 is dat rigide defensiesysteem wel sterk ter discussie geraakt door de wijze waarop met behulp daarvan afgerekend werd met de agitatie van de Rote Armee Faktion.[3]

Discussiethema’s en tegenspraak binnen de liberale consensus

Die liberaal-democratische consensus is een historisch compromis tussen tegenstrijdige motieven, principes en waarden van de moderniteit en tevens het kader waarbinnen de politieke en sociale strijd zich in principe verder afspeelt.
Zij betekent dus niet het einde van de politiek in inhoudelijke zin, zoals wel gesteld is in de sociologische en bestuurskundige literatuur. Zij spitst zich nu toe op uiteenlopende opvattingen over de politieke interpretatie en toepassing van die principes, motieven en waarden en op politisering van onderbelichte maatschappelijke problemen en spanningen zoals dat in Nederland bijvoorbeeld gebeurd is tijdens de Fortuyn-revolte in 2002.

Inherent aan het liberale concept van de moderniteit is er in de eerste plaats de intrinsieke spanning tussen de grondmotieven van de moderniteit: het beheersings- en het emancipatiemotief.

Het beheersingsmotief

Het beheersingsmotief kan in bepaalde situaties doorschieten in totalitaire richting en zodoende fundamentele mensenrechten als vrucht van het emancipatiemotief aantasten.[4] In de kritische theorie van de Frankfurter Schule (Adorno, Horkheimer, Marcuse, Habermas) wordt dit gevaar expliciet gesignaleerd. De hoogontwikkelde westerse samenleving neigt in haar beheersingsdrang naar nieuwe, technocratisch georiënteerde vormen van totalitaire controle achter een liberaal-democratische façade.[5]

In de doorgeschoten implementatie van het voorzorgbeginsel in verband met de strijd tegen terrorisme, klimaatverandering, uitingen van ongezond en afwijkend gedrag, opvoedingsperikelen e.d. wordt de laatste tijd een nieuwe tendens in die richting gekritiseerd.[6]

Het emancipatiemotief

Wat het emancipatiemotief betreft, dat bestaat op zijn beurt uit twee conflicterende waarden: de cultivering zowel van individuele vrijheid als maatschappelijke gelijkheid.
Die kunnen ieder op hun beurt op verschillende wijzen geïnterpreteerd worden: vrijheid in negatieve en/of positieve zin; gelijkheid als gelijkheid voor de wet, gelijkheid van startposities, van kansen, van aanspraken, van voorzieningen en van uitkomsten.

Voorts is er de continue spanning tussen politieke integratie en centralisatie als staatkundig grondmotief en het liberale principe van machtsspreiding en differentiatie; en steeds meer ook die tussen economische groei en ecologische leefbaarheid.
En er is uiteraard de permanente spanning tussen officieel beleden liberale en democratische beginselen en de politieke en maatschappelijke praktijk, met andere woorden de kloof tussen le pays légal en le pays réèl; en tenslotte de spanning tussen oligarchische tendenties binnen de politieke klasse en burgers aan de basis die de nodige invloed en inspraak voor zich opeisen.

Kritisch tegenover de gevestigde orde (Marcuse)

In het kader van de culturele revolutie van de jaren ’60 was er in filosofie en wetenschapsbeoefening een kritische tegenstroming die stelling nam tegen de inkapseling daarvan in de gevestigde orde door het heersende empirisme en positivisme en daartegenover opkwam voor een principieel kritische opstelling ten opzichte van die gevestigde orde.

De Amerikaanse filosoof H. Marcuse ondersteunde die rebellie theoretisch met zijn ideeën van het eendimensionale mensbeeld en de repressieve tolerantie van de gevestigde orde.
In feite beriep Marcuse zich hiermee op de liberale beschavingstraditie die in zijn ogen in de knel dreigde te komen door teveel conformisme in de maatschappelijke en politieke praktijk[7].

Het politiek en cultureel correcte denken

Ongetwijfeld is er met het oog op carrière- en andere overwegingen steeds de verleiding ingekapseld te raken in de bestaande orde en zich probleemloos te voegen naar het heersende politiek en cultureel correcte denken.
De ironie van de geschiedenis is wel dat de rebellerende en maatschappijkritische generatie van de jaren ’60 spoedig zelf een saillant voorbeeld geworden is van dat politiek-correcte denken en wat daar van afweek, bijvoorbeeld op het terrein van migratie en integratie, met stigmatiserende etiketten als racisme en fascisme placht te bestrijden.
In Nederland was de Fortuyn-revolte daartegen een spectaculaire reactie.

Postmoderne cultuurkritiek

De laatste decennia is het vooral het postmoderne denken, zoals dat door filosofen als M. Foucault, J.F. Lyotard, J. Derrida, R. Rorty en J. Baudrillard ontwikkeld is, dat zich opwerpt als cultuurkritische tegenstroming en als zodanig de grondslagen en pretenties van het moderne denken zonder voorbehoud deconstrueert en onderuit haalt.

Mythologieën, projecties en mystificaties

Alain Badiou (2012)[9]

In de taal weerspiegelt zich in het postmoderne denken niet langer de hele werkelijkheid. De taal is wel onze enige werkelijkheid. Buiten de tekst is er niets (Derrida). Dit wordt aangeduid als het einde van de representatie.
Evenals de moraal en het mens- en wereldbeeld valt alle begripsvorming te herleiden tot arbitraire conventie of cultureel bepaalde keuze. De mens en zijn cultuur zijn op de keper beschouwd het product van een eindeloze reeks van mythologieën, projecties en mystificaties en zijn geschiedenis is een louter contingent gebeuren.[8]

“aan de kaak zijn gesteld (…) in het postmoderne denken (…) de zekerheden van het moderne, rationeel geconstrueerde wereldbeeld en de daarmee verbonden pretenties van objectiviteit, universaliteit en lineaire progressie”

Zoals eerder de zekerheden van de religieus-metafysische orde van de premoderniteit in en door de kritiek van het moderne denken als evenzovele illusies aan de kaak zijn gesteld, zo gebeurt dat nu in het postmoderne denken met de zekerheden van het moderne, rationeel geconstrueerde wereldbeeld en de daarmee verbonden pretenties van objectiviteit, universaliteit en lineaire progressie.
In kennistheoretisch opzicht mondt dit uit in existentiële zelftwijfel en onzekerheid; in ethisch opzicht in radicaal relativisme; en in de politiek in welig tierend cynisme en opportunisme.

Effecten postmoderne cultuurkritiek

 “Existential insecurity – ontological contingency of being – is the result”,

zoals de socioloog Z. Bauman in dit verband constateert.[10] Daaraan verbindt hij ook het einde van de leidinggevende positie en rol van de moderne intelligentsia die zij eens ontleende aan haar vermogen universele en objectieve maatstaven te formuleren ter bepaling van wat als waar goed en recht behoort te gelden, zoals klerikale elites die pretentie zich eerder hadden toegeëigend.
Bij ontstentenis daarvan rest die intelligentsia nog slechts de rol van specialistisch deskundige zoals dat door Ortega y Gasset in zijn geruchtmakende boek De opstand der horden (1936) al was aangekondigd.

Het einde van de waarheid en veranderende rol van de intelligentsia

Marli Huijer (2015)[11]

Na het traditionele, op het verleden gerichte type mens van premoderne culturen en de op een betere toekomst gerichte moderne mens belichaamt het postmodernisme zich in een type mens dat zoveel mogelijk in de geneugten van het heden opgaat en de toekomst nog slechts ziet als eindeloze voortzetting met enige variaties van het heden.
Dit is ook steeds meer kenmerkend voor de hedendaagse politiek bij gebrek aan een ideologisch alternatief.[12]

Aantasting van klassiek-liberale beginselen als rechtszekerheid, rechtseenheid en rechtsgelijkheid

Onder invloed van het postmoderne denken groeit ook een sceptische rechtscultuur waarin weinig geloof meer gehecht wordt aan objectieve criteria ter bepaling en beoordeling van wat als recht behoort te gelden.

Dat hangt veeleer af van wisselende maatschappelijke invloeden en van belangafwegingen van subjectieve aard. Een vonnis, aldus een prominente Nederlandse rechter[13], is altijd het resultaat van een mengsel van juridische argumenten, persoonlijke voorkeuren en emoties.
Dit betekent wel een directe aantasting van klassiek-liberale beginselen als rechtszekerheid, rechtseenheid en rechtsgelijkheid.[14]

In dezelfde lijn ligt een oproep tot een hernieuwde evaluatie van de vanzelfsprekend geworden overtuigingen van de heersende liberale ideologie en tot bezinning op politieke alternatieven.[15]
Hoe moeten we dat postmodernisme en zijn cultuurkritiek interpreteren en evalueren?

De kloof tussen pretenties van de moderniteit en de praktijk

De kloof die blijft gapen tussen de pretenties van de moderniteit en de ondermaatse praktijk is niet alleen een voedingsbodem van postmoderne destructie van die pretenties, maar ook van een wijdverbreid diffuus cynisme. En het effect daarvan is wellicht nog destructiever.
Die kloof is een telkens terugkerend thema in cultuurkritische beschouwingen.

Omkering van doel en middel

Een constante in het historisch proces die in de moderniteit ondanks aanvankelijk luidruchtig verkondigd geloof in onomkeerbare vooruitgang niet uitgeschakeld is, is de omkering van doel en middel.
Ook in het moderne beschavingstype wordt macht van middel tot een positief doel (bijvoorbeeld emancipatie van onderdrukte groepen) steeds opnieuw doel-in-zichzelf (negatieve dialectiek). Ondanks alle pretenties van lineaire progressie dankzij wetenschap, technologie en rationeel bestuur kan het moderne beschavingsproject zich evenmin onttrekken aan die constante.

Verloren verhaal

In het postmoderne denken is er geen alternatieve ideologie in de zin van een nieuw groot verhaal meer voorhanden. We zitten derhalve opgesloten in een moderne samenleving en cultuur die op de automatische piloot van het eerder genoemde WTE-complex (Wetenschap – Technologie – Economie, red.) voort dendert.

Het a-historische van het burgerlijk-liberale denken ter discussie

Hoe de postmoderne cultuurkritiek, zoals die de afgelopen decennia sterk de aandacht trok in een brede stroom van publicaties, opvattingen, metaforen, onderzoeksstijlen e.d. te interpreteren?

Naar het mij toeschijnt, gaat het in die kritiek om een doorgeschoten bijdrage tot relativering van de overspannen pretenties van de moderniteit die in de liberale economie, democratie en cultuur operationeel gemaakt zijn als belichaming van de natuurlijke orde der dingen en uit dien hoofde universeel toepasbaar.

Een voorstellingswijze die te herleiden valt tot de abstract-algemene en dus a-historische oriëntatie van het moderne burgerlijk-liberale denken dat al in het klassieke conservatisme van Edmund Burke ter discussie gesteld is.
Het is een denkwijze die op gespannen voet staat met de historische ontwikkeling en praktijk.

De pretenties van de moderniteit zijn namelijk voor hun verwezenlijking afhankelijk van bepaalde historische voorwaarden die alleen door doelbewuste inspanning gecreëerd en vervolgens in stand gehouden moeten worden.

In het postmoderne denken en de ironische toon waarmee dat de moderne realiteit benadert en bejegent, komt, lijkt mij, een nuttige reactie tot uiting op die overspannen pretenties.
Dat is m.i. zijn voornaamste historische betekenis en invloed.

Noten

[1] Deze bijdrage is door de WW-redactie van tussenkoppen, afbeeldingen en tags voorzien.
[2] Bron: CVSE handvest
[3] Zie Verdediging van de democratische rechtsstaat, Civis Mundi, mei (I) en juli (II), 1977
[4] Zie o.a. A. Papandreou, Toward a Totalitarian World?, 1970; R. Huntford, The New Totalitarians, 1971; en R. Heilbronner, An Inquiry into Human Prospect, 1974
[5] Zie o.a. J. Baars, De mythe van de totale beheersing, 1987
[6] Zie P. Frissen, De preventieve staat: waarom de droom van de gelijke samenleving een nachtmerrie is, in: F. Ankersmit en L. Klinkers (red.) De tien plagen van de staat, 2007, p 154 e.v. en R. Pieterman, De Voorzorgcultuur – streven naar veiligheid in een wereld vol risico en onzekerheid, 2008
[7] Zie H. Marcuse, De eendimensionale mens, 1968
[8] Voor een kritische stellingname hiertegen zie onder andere het werk van de Franse filosoof Alain Badiou, waarin hij onder andere opkomt voor een herstel van het waarheidsbegrip zonder daarbij terug te vallen op een transcendente metafysica. Voor een goed overzicht van zijn werk verwijs ik naar R. de Brabander (red.), Het uur van de waarheid. Alain Badiou – revolutionair denker, 2006
[9] Bron: Alain Badiou
[10] Z. Bauman, Intimations of Postmodernity, 1992
[11] Bron: Marli Huijer
[12] Zie voor een relativering van deze schematische voorstelling van tijdsbesef en –beleving M. Huijer, Je hebt meer tijd als je denkt, 2008
[13] Zie Mr., december 1998, p. 19
[14] Zie o.a. N.F. van Manen, Rechtszekerheid: vervlogen droom, Ars Aequi, december 1998. In het gezaghebbende Algemeen Deel (1932), waarin de problematiek van de rechtstoepassing centraal staat, stelde een prominente Nederlandse jurist als Paul Scholten trouwens al dat het rechtsoordeel in concreto steeds een irrationele beslissing is.
[15] Zie Th. Mertens, Rode Draad: Recht en Ethiek, Ars Aequi, april 1998

(1926-2019) was oprichter en hoofdredacteur van het filosofisch tijdschrift Civis Mundi. Ooit begonnen als journalist, was Couwenberg in de jaren zestig politiek actief voor de toenmalige KVP. Van 1976 tot 1995 was hij hoogleraar staats- en bestuursrecht aan de Erasmusuniversiteit in Rotterdam. Hij publiceerde regelmatig in dagbladen, tijdschriften en boeken.