Vanwaar die beeldenstorm tegen kopstukken uit de koloniale tijd?

0

Wim Couwenberg

Bron: Civis Mundi Digitaal #56, maart 2018

De kolonisatie- en dekolonisatiegeschiedenis van Nederland is in Nederland herhaaldelijk onderwerp van reflectie en evaluatie geweest, onder meer in een themanummer Kolonisatie en dekolonisatie: een evaluatie in historisch en mondiaal perspectief (Civis Mundi 2, 1969).

Losmaken van het koloniale verleden

Op een symposium in 1989 over dit onderwerp, naar aanleiding van dit speciale nummer, werd door meerder inleiders nog eens gewezen op de grote moeite van Europeanen om zich los te maken van hun koloniale verleden.
De socioloog JAA van Doorn signaleerde dat ook in zijn vakgebied. De politieke dekolonisatie is niet gevolgd door een dekolonisatie van het sociaalwetenschappelijke denken. Men blijft denken vanuit het Westen: dáár liggen de beslissende criteria en normen. Het is een stellingname die geheel in de lijn ligt van wat Edward Said daarover in zijn bekende werk Orientalism (1978) aan het licht gebracht heeft, evenals in de daarop aansluitende postkoloniale studies.

Schaamte over het eigen verleden

Opmerkelijk is dat 50 jaar na de onafhankelijkheidsverklaring van Indonesië het Nederlandse collectieve bewustzijn nog steeds moeite heeft dat koloniale verleden adequaat te verwerken, constateert in 1995 in lijn hiermee de politicoloog-jurist Lambert J. Giebels in zijn Beel-biografie[1]. Men doet er liefst zoveel mogelijk het zwijgen over.

Er is wel een toenemende neiging zich af te zetten tegen historische periodes en gedragspatronen in het eigen Europese en Nederlandse verleden, die niet meer beantwoorden aan de morele en juridische maatstaven van de eigen tijd; een neiging ook tot schaamte over dat eigen verleden. Sinds het doorzetten van het dekolonisatieproces uit die neiging zich in het bijzonder tegen het Europese en Nederlandse koloniale verleden en het daarmee samenhangend racisme.

Kolonialisme, slavernij en migratie

De historicus Piet Emmer, emeritus-hoogleraar Europese expansie en migratie, heeft onlangs in zijn boek getiteld Het zwart-wit denken voorbij een interessante bijdrage geleverd aan de discussie over kolonialisme, slavernij en migratie.

Er raast een nieuwe Beeldenstorm door ons land

Er raast, zo schrijft hij daarin, een nieuwe beeldenstorm door ons land. Tal van standbeelden en straatnamen blijken nu een eerbetoon aan foute, witte mannen te zijn, zoals Jan Pieterszoon Coen, Peter Stuyvesant en generaal van Heutz in Amsterdam, en meer recentelijk Michiel de Ruyter in Vlissingen, en Witte de With in Rotterdam.
Beide laatsten werden tot voor kort nog als dappere Nederlandse zeehelden gevierd.

Hij hoopt dat de huidige beeldenstorm weer gaat liggen. Het verleden heeft nu eenmaal andere maatstaven, en die moeten we ook gebruiken om dat verleden te beoordelen. Hoe die nieuwe, scherpe en kritische stellingname tegenover het koloniale verleden onder ogen te zien?

Het lineaire vooruitgangsgeloof
Dat heeft, lijkt mij, te maken met de neiging op grond van het lineaire vooruitgangsgeloof van onze moderne cultuur alles wat in het verleden afwijkt van de nu heersende morele en juridische opvattingen ter discussie te stellen en in moreel en juridisch opzicht aan te klagen. Dat meten van toestanden uit het verleden naar inmiddels sterk veranderde, actuele maatstaven, lijkt in veler ogen probleemloos, en derhalve geen punt van discussie. Maar is dat wel zo vanzelfsprekend?

De veronderstelde opgaande lijn

Michiel de Ruyter ― Ferdinand Bol[2]

Onder invloed van dat lineaire vooruitgangsgeloof als duiding van het geschiedverloop en de zin ervan wordt de beoordeling van vroegere periodes in het geschiedverloop ook gebaseerd op de bijdrage die zij aan de veronderstelde opgaande lijn in dat verloop geleverd hebben.
In die geest zijn de Middeleeuwen zoals bekend lange tijd geïnterpreteerd en gekritiseerd als een onderbreking van of zelfs als een tijdelijke teruggang in die opwaartse lijn sinds de Klassieke Oudheid.

Historicisme

Het is een interpretatie die krachtig is aangevochten door aanhangers van een andere beoordeling van het geschiedverloop, benoemd als eigenwaardetheorie, zoals die ontwikkeld is door de vermaarde Duitse historicus Leopold von Ranke[3] (1795-1886); een van de meest uitgesproken representanten van het historisme: de geschiedfilosofische stroming die de fundamentele historiciteit van alle politieke en maatschappelijke werkelijkheid als nieuw paradigma geïntroduceerd heeft.[4]

Ieder tijd heeft zijn eigen karma
Dat we het verleden niet moeten meten naar hedendaagse maatstaven, maar naar die van dat verleden, is ook een logische consequentie van deze geschiedfilosofische visie, evenals het besef dat bijna iedere tijd zijn eigen (positieve en negatieve) karma heeft.

Dat het koloniale verleden niet meer beoordeeld wordt naar de maatstaven van dat verleden heeft, lijkt mij, ook te maken met een op het heden geconcentreerde tijdsbeleving (present-focused) als kenmerkend voor de huidige postmoderne tijdsbeleving, waarin mensen continu met dat heden bezig zijn, en in lijn hiermee geneigd de waarden en normen daarvan tot ultieme maatstaf te maken.
Die neiging deel ik niet.

Zijn die daarmee foute auteurs geworden?

Charles Dickens[5]

Een nu verwerpelijke koloniale en racistische mentaliteit treffen we aan bij ettelijke prominente westerse schrijvers van weleer, bij een Jane Austen, Charles Dickens, Rudyard Kipling, Joseph Conrad, en vele anderen.

Zijn die daarmee foute auteurs geworden?
De kinderboeken van de bekende Zweedse schrijfster Astrid Lindgren staan ook ter discussie, want bol van nu aanstootgevende racistische clichés, die dan ook flink onder vuur liggen.
Het debat daarover spitst zich nu toe op twee opties: snijden of niet snijden in de tekst van haar boeken.

Wat als recht geldt, hangt af van de historische context

In een constitutionele rechtstheorie, zoals ik die eerder verdedigd heb[6], ga ik in de geest van het historisme uit van de historiciteit van morele en rechtsopvattingen.
In lijn hiermee is het niet mogelijk a priori universeel geldende ideeën te formuleren over wat goed en kwaad, recht en onrecht is.

Wat als recht geldt, hangt af van de historische context met de daarin heersende machtsverhoudingen, en het daarmee samenhangende collectieve rechtsbewustzijn. Als recht geldt dus wat gerechtvaardigd kan worden in het licht van de heersende politieke moraal en daarop afgestemde rechtsopvattingen.

Eeuwenlang gold er ook in Europa een rechtsorde, waarin universeel verklaarde mensenrechten nog onbekend waren, althans geen rechtskracht hadden.

Noten

[1] L.J. Giebels, Van vazal tot onderkoning, 1995, p. 590.
[2] Bron: Michiel de Ruyter door Ferdinand Bol in 1667. Hij draagt zijn Orde van de Heilige Michaël.
[3] Zie zijn grote werk Weltgeschichte (9 Bände 1881-1888)
[4] Dat heeft ook geleid tot nieuwe artistieke genres als de historische roman, en specifieke aandacht voor historisch erfgoed en de eigen persoonlijke geschiedenis (autobiografie).
[5] Bron: Charles Dickens, ca. 1867
[6] S.W. Couwenberg, Gezag en vrijheid. Inleiding in de constitutionele rechts- en ontwikkelingstheorie, 1991, pp. 191-203.

Wim Couwenberg

(1926-2019) was oprichter en hoofdredacteur van het filosofisch tijdschrift Civis Mundi. Ooit begonnen als journalist, was Couwenberg in de jaren zestig politiek actief voor de toenmalige KVP. Van 1976 tot 1995 was hij hoogleraar staats- en bestuursrecht aan de Erasmusuniversiteit in Rotterdam. Hij publiceerde regelmatig in dagbladen, tijdschriften en boeken.