Erotiek en seksualiteit 2

0

Ton Lathouwers

Voordracht in de Abdij van Averbode rond 1990[1]

deel 1, deel 2

Ikkyu

Zen priest Ikkyu, and the courtesan Jigoku Reigan[10]

Er zijn in het Oosten prachtige verhalen van courtisanes, hoertjes, die heilig worden. Een heel bekend voorbeeld van zo’n beschrijving vind je in de werken van iemand die ik ook nog zou willen noemen, Ikkyu, een zenmeester uit de zeventiende of achttiende eeuw. Hij heeft prachtige poëzie geschreven, erotische poëzie, waarvan ook stukjes in het Nederlands zijn vertaald. Ik weet niet of het seksuele poëzie is, dat is niet altijd duidelijk. Voor mij is het dat niet, voor mij is het eerder sensueel en erotisch dan seksueel. Het is wel heel vrij erotisch, over orale seks, tederheid, streling, heel ontroerend.

Ikkyu heeft veel relaties gehad en van die meisjes heeft hij gezegd dat er bodhisattva’s bij waren, heiligen. De boeddhistische geschiedenis kent zulke heiligen. Ik heb zo’n verhaal ook gehoord van San Sunim, in dat Koreaanse klooster waar ik maandenlang was, van een vrouw die met iedereen naar bed ging. In het Engels heet dat pass a million.

Maar iedereen die bij haar was, die ontmoette in haar een JIJ en nam een stukje mee van ONTMOETEN, die nam een stuk zuiverheid mee.
En er zijn boeddhistische verhalen dat een bodhisattva — een wezen dat zijn eigen verlossing en eeuwige licht uitstelt om bij anderen te kunnen zijn, helemaal vergelijkbaar met de Christussymboliek, dat ligt heel dicht bij elkaar — alle wegen begaat om iemand te doen rijpen, om iemand tot inzicht te brengen.

Een korte sutra

Bij die verhalen van iemand die afdaalt en die vanuit wat upaja heet — onbeperkte mogelijkheden — tref je dan ook de weg aan die gegaan wordt van de erotiek en de seksualiteit. Er is een sutra, en nota bene niet eens uit de tantrarichting — de boeddhistische richting die seksualiteit zo op handen draagt — maar ergens uit de grensgebieden van Theravada en Mahayana, een heel korte sutra, daarin staat dat Subhuti, een van de leerlingen van Boeddha, die heel veel sutra’s op zijn naam heeft, een verschijning krijgt van een vrouw die de boeddha natuur openbaart.

Subhūti addresses the Buddha, in Diamond Sūtra[11]

Ze is Boeddha, maar ze is ook vrouw, en voor Subhuti kan dat niet. In die tijd kon dat niet. Heel lang is de opvatting geweest dat Boeddha een man is, dat alleen mannen Boeddha kunnen zijn. Maar hier staat dus een vrouw en dat is een openbaring en dat is een wonderlijke ontmoeting. En er komt een moment dat Subhuti knielt, wat voor hem verschrikkelijk moeilijk is. Waarop een andere bodhisattva, Shariputra, vraagt hoe hij dat kan doen. Je mag toch alleen maar buigen voor de Boeddha?

En dan is er voor beiden die openbaring, voor Shariputra en Subhuti. Daar wordt dan geraakt aan iets wat alles te maken heeft waar Mandelstam en Kawabata over schrijven, iets van JIJ en van erotiek. Op dat moment zegt die vrouwelijke emanatie van Boeddha iets wonderlijks. We kunnen het daarover eens zijn of niet, maar zij zegt dat het de vrouw is die het diepst het mysterie van de erotiek begrijpt. Dan houdt het op. Dan is het voorbij.

Een sutra van Quan Yin

In een andere sutra uit dezelfde tijd zegt Avalokiteshvara, Quan Yin, zij die aandacht schenkt aan de smeekbeden van alle stervelingen, dat zij zal afdalen en zich als dat nodig is zelf zal schenken om iemand warmte te geven, waardoor die persoon vanuit zijn warmte wakker wordt, ook wakker in de zin van verlicht.
Ook hier is duidelijk dat erotiek en seksualiteit een weg kunnen zijn. Wij kunnen ons afvragen hoe dat mogelijk is. Voor velen kan dit niet. Keurig trouwen, oké, maar van een courtisane troost ontvangen?

Gerard Reve

Er is trouwens een Nederlands verhaal dat mij ook altijd ontroerd heeft, van Gerard Reve, voor mij een mysticus, wel een rare, maar dat doet er niet toe, dat zijn we soms allemaal wel. Wat hij schrijft is authentieke mystiek, wel zeer erotisch, in zijn geval vooral homofiel, maar niet altijd.

Ergens spreekt hij in een gedicht over zijn eenzaamheid. Hij is vaak verschrikkelijk eenzaam, en hij heeft over die eenzaamheid heel wonderlijke gedichten gemaakt, die misschien schokkend zijn, maar ik wil er toch een noemen dat mij dan ontroert.

Daarin staat hij op zolder, op zo’n zinloze zondag, die maar niet voorbij wil gaan. En dat hij voor de zoveelste keer zichzelf maar weer voor het raam staat te bevredigen, terwijl hij denkt aan een jongen die dood is, een vriend. Op dat moment flitst er iets door hem heen … “God bevredigt zichzelf en denkt daarbij aan mij” … Hij wijst naar het verlangen van God om uit zijn eenzaamheid te komen.

Om een JIJ te kunnen ontmoeten

Ik haal dat gedicht juist aan omdat Kierkegaard iets soortgelijks zegt. Kierkegaard zegt: wat moet het lijden van God verschrikkelijk zijn, dat Hij, volmaakt als hij is, niet uit die volmaaktheid kan komen … Dat hij uit die volmaaktheid schept om een JIJ te kunnen ontmoeten. Dat is heel dicht bij Mandelstam.

Om een JIJ te kunnen ontmoeten … Dat is dicht bij dat gedicht van Reve. God, wat dat ook is, die diepste grond, waar ook Hadewijch over praat. Bij Reve krijgt het een erotische geladenheid, zo van: hier sta ik, met mijn nood aan erotiek en sensualiteit, en ineens besef ik dat ik hier niet alleen mee sta.

Van die andere kant, wat dat ook is, komt dat ook … Er is toen een heel proces geweest over Reve’s erotisch-religieuze gedichten; dat is nog verdedigd door professor Grossau. Ik heb Reve altijd ontroerend gevonden, ook zijn diepe schrijven uit de tijd dat hij soldaat was, hij was officier. Hij schrijft — en ik kan me dat voorstellen — over hoe hij bij de inlichtingendienst verschrikkelijke nachten heeft gehad. Ik heb die ook gehad. Wij moesten elkaar ondervragen. Je werd vastgebonden, je kreeg dagen niemand op bezoek, het is verschrikkelijk.

Bij Reve zie je hoe hij op zo’n moment gaat smeken, vanuit een groot verlangen naar erotiek, dat een vrouw dichtbij hem mag zijn. Hij zegt dat toen Maria verscheen. Zij kleedde zich uit.
Je kunt het blasfemisch noemen, maar dit komt heel dicht bij dat ideaal van de bodhisattva die de noodkreten begrijpt en die levend is. Het enige criterium is dan de liefde. Dat er een jij is. Niet een wet en niet een regel, maar een jij. In het boek dat ik noemde, Lust for enlightenment, wordt beschreven — en dat komt voort uit het verschil van het Oosten met het Westen — dat die liefde zo’n beetje als een rode draad erdoor heen loopt.

Jeugdige ongereptheid en volheid

Ikkyu met courtisane[12]

Hier moet ik nog iets bij zeggen over de prachtige, erotische poëzie van Ikkyu, die voor heel veel mensen schokkend is, ook in de tijd waarin Ikkyu leefde en ook voor zen mensen. Ik zeg het ook in verband met dat verhaal van Kawabata, waar hij spreekt over zijn jeugd en zich afvraagt of hij toen niet veel dichter bij dat onpeilbare mysterie van erotiek en sensualiteit was dan toen hij volwassen was en allerlei ervaringen en geleerdheid had opgedaan.

Ikkyu zegt ook zoiets. Iemand heeft mij ooit verteld dat hij door die woorden plotseling iets begreep en tegelijk zelf niet begreep waarom hij dat begreep. Maar er werd iets voor hem onthuld. Ikkyu zegt:

“Ik heb in mijn jeugd de erotiek al te zeer verwaarloosd.”

Het woord voor ‘jeugd’ dat hij daar in het Japans gebruikt heb ik opgezocht en hij bedoelt echt de jeugd, de tijd tussen 8 en 14 jaar.

Ik weet niet hoe Ikkyu toen geleefd heeft, maar ik denk niet dat hij een scrupuleus jongetje geweest is en ik denk dat hij heel iets anders bedoelde dan dat hij toen niet aan zijn trekken zou zijn gekomen. Wij kunnen het hem niet meer vragen, maar ik denk dat hij hetzelfde bedoelt als wat Kawabata zegt, dat er blijkbaar in het onbevangene van een kind, in het ongerepte, een geladenheid zit van leven en van volheid en ook van erotisch begrijpen, die men naderhand niet meer heeft.

Freud: de zondeval van het volwassen worden

Het wonderlijke is trouwens dat zo’n misschien wel gekreukte figuur als Freud dat ergens ook begreep. Hij schrijft ergens: het kind is polymorf erotisch, het kind is polymorf pervers. Daar bedoelt hij mee dat erotiek en seksualiteit bij het volwassen worden — bij de zondeval van volwassen worden, zoals dat dan heet — herleid wordt tot mechanisme, tot het genitale, tot presteren en consumeren, tot jacht op orgasme, tot technieken. Ook lichamelijk wordt het helemaal herleid tot één plek. En als Freud ‘polymorf pervers’ zegt, bedoelt hij dat alles wat in een kind nog één is, tenslotte stolt en verwordt.

Een kind kruipt tegen je aan en geniet, een kind laat zich helemaal gaan. Ik heb een vriend die een kindje heeft dat totaal achterlijk is, van 4 of 5 jaar, en hij zegt: ik schrik er soms van hoe zinnelijk dat kind is, met heel het lichaam zindelijk. Later stolt dat. Dan wordt één gebied eruit genomen en dat is seks. Daar wordt dan over geschreven. De rest is gestold.

Freud zegt: dat stolt tot wat wij dan perversiteiten noemen. Dat is inderdaad gestold, daar gaat het niet om, maar het verwijst naar wat het in de wortel, in de aanleg was, toen wij heel ons lichaam nog beleefden, wat wij nu niet meer doen. Het gaat om wat dat was vóórdat die breuk begon tussen bewustzijn en leven, toen dat onbevangene er nog was, waar elke religie op doelt als er gezegd wordt ‘de armen van geest’, en ‘als ge niet wordt als de kinderen’.
Misschien heeft Ikkyu plotseling gevoeld: toen was ik gaaf en onbevangen en toen heb ik het niet beleefd, ik heb het niet beseft.

Diverse vormen van vervreemding

Er is in dit verband een boek dat ik iedereen kan aanraden, om dan toch maar eens een mooi, geleerd werk te noemen, van Norman Brown: Leven tegen dood, Life against death[13].
Dat is een poging om het dualisme, waar o.a. Freud over praat — van het bewuste en het onbewuste, het verwaarlozen van het lichaam, de vervreemding van ons lichaam — te verbinden met de vervreemding waar Marx over praat in de politiek, en over vervreemding op sociaal gebied. Het hangt allemaal samen.

We kunnen er natuurlijk één gebied uitnemen en dan bijvoorbeeld alleen seksualiteit bekijken, maar het een is niet los te zien van het ander, het hangt allemaal samen. Brown kijkt naar wat vervreemding is op maatschappelijk gebied, maar ook op psychologisch gebied en ook in de mystiek.

Hij doet dan een beroep op Rilke, en haalt een stuk aan dat nota bene helemaal niet over erotiek gaat, maar over kunst en het kind als kunstenaar, omdat het kind zuiver beleeft, omdat het kind de eenheid kent en weet wat verwondering is, onbevangenheid, leven, lichaam, erotiek … Hij gaat er verder niet op in. Hij benoemt alleen wat Fortmann ook zegt, dat de verwording al heel vroeg begint, bij de opvoeding.

Blijkbaar is opvoeding nodig. Wolfskinderen laten zien dat je geen mens wordt als je niet opgevoed wordt. Maar tegelijk is dat opvoeden een tragedie, het is het verdreven worden uit het paradijs. Ikkyu voelt dat zo sterk dat hij, ondanks het feit dat hij zenmeester is en ondanks de bevrijding die hij kent, het niet anders kan weergeven dan in dat ene zinnetje: in mijn jeugd was er iets waar ik niet meer bij kan …

Gaafheid

Jacob Boehme, een protestants mysticus, die prachtig geschreven heeft over de opstanding van het lichaam en over de opstanding van sensualiteit en erotiek in de eeuwigheid, wordt ook door Fortmann aangehaald en hij wijst erop dat in elke religie een gaafheid is, ‘het diamanten lichaam’, in het boeddhisme, Adam Kadmon bij de joden, de oorspronkelijke mens, die een gaafheid heeft waarbij alles tot zijn recht komt.
Zoals bij ‘De tuin der lusten’ van Jeroen Bosch, als die eenheid er nog is van lichaam en ziel, dan komt alles tot zijn recht, eindelijk.

De tuin der lusten — Jeroen Bosch[14]

En als die er niet is, komt niets tot zijn recht. De politiek niet, sociale activiteiten niet, de wetenschap niet en de erotiek net zomin. De wetenschap verprutst en maakt dood, seksualiteit blijft kommer en kwel, zoals ook onlangs naar aanleiding van een onderzoek in Nederland gesteld werd dat onder gehuwden zoveel vragen, pijn, teleurstelling en kortsluiting is. Het heeft allemaal te maken met de dualiteit, waar allen, Ikkyu en Norman Brown — hij noemt het al leven tegen dood — naar wijzen.

Dualiteit

Je ziet allemaal andere beelden van diezelfde dualiteit, hoog-laag, geest-stof enz., zelfs hoog-laag binnen ons lichaam, leven-dood. Wij hebben angst voor de dood, die wordt weggeduwd. Die dualiteit doordringt en vergiftigt alle aspecten van ons leven, en ook van ons seksuele leven. En de brokstukken waar wij dan mee zitten, kun je van een etiket voorzien, daar kun je ‘pervers’ op plakken, of weet ik wat allemaal nog meer. Ik heb het later ook nog bij anderen gelezen, ook bij Pasternak.

Waarneming en ontmoeting

Een eerste punt is dus dat dit dualisme overstegen zou moeten worden, en dat is een punt waar Blake over praat: als de deuren der waarneming opengaan en hemel en hel bij elkaar komen, dan wordt alles wonderlijk. Zolang dat niet gebeurt is het niet zo. Dan hangt het er maar vanaf van waaruit teksten worden geschreven. In het Oosten gebeurt het dikwijls dus door mensen die geproefd hebben dat lichamelijkheid, erotiek en seksualiteit helemaal bij het leven horen. Die maken dat duidelijk. Dat het om ontmoeten gaat, betrokkenheid, een JIJ.

De tragedie in het Westen

In het Westen zie je daarentegen, wat Fortmann dan ook ontdekte, dat het vaak een heel grote tragedie is dat lichamelijkheid, erotiek en seksualiteit uit het leven weggehouden worden, dat onze cultuur daar verschrikkelijk aan geleden heeft.
Hierbij zie je dat het christendom, door een verkeerde voorstelling van zaken, voor een stuk daaraan heeft meegewerkt. Dat betekent niet dat mensen zoals Fortmann zelf bijvoorbeeld, niet celibatair zouden kunnen blijven. Dat hoeft daar niets mee te maken te hebben. Dit is een punt waar ik straks eigenlijk ook nog iets over zou willen zeggen.

Schuld en schaamte

Er is ook veel geschreven, onder andere door Ruth Benedict, over onze Westerse cultuur die een schuldcultuur is terwijl het Oosten meer een schaamtecultuur is. Schuld en schaamte, moeilijke begrippen. ‘Schuld’ in de zin dat ik mij van binnenuit schuldig voel en bij ‘schaamte’ het gevoel dat ik dit in deze situatie niet had moeten doen. Maar het is niet absoluut. Het is vooral de intentie waarmee iets gebeurt; dát verandert iets.

Er is ook een heel wonderlijk verhaal over een vader die bij Boeddha komt. Hij heeft vier dochters en er zijn ook vier mannen die naar die dochters dingen, maar de vader weet niet wie hij aan wie moet geven. Hij vraagt raad aan Boeddha. De ene man is heel geleerd, de ander heeft groot maatschappelijk respect vanwege zijn hoge positie, de derde is heel knap en de vierde die heeft niets, maar die is zuiver. Dan zegt de Boeddha: geef alle vier je dochters aan hem. Aan die vierde man die dus niets bezit maar wel zelf zo zuiver is.

Zo is er omgekeerd ook een vergelijkbaar verhaal van vier mannen en één vrouw. Dit is ergens een doorbreken van de monogamie, iets dat bij ons eigenlijk taboe is. Er wordt verder niet over uitgeweid, maar Benedict haalt het in zijn boek aan om te laten zien dat zelfs hier geen regel is. Dit is allemaal maar benaderend en eigenlijk een bevestiging van de woorden van Fortmann dat wij het niet weten. We kunnen allerlei regels opstellen, veroordelen, afwijzen, maar uiteindelijk is het om over te zwijgen.

… en toch gebeuren sommige dingen …

Zoals in een toneelstuk van een nota bene conservatieve katholiek, Paul Claudel, Les souliers de satin, waar een vrouw in voorkomt, die gelukkig getrouwd is, en een relatie krijgt met een man die ook getrouwd is. Het is duidelijk overspel voor haar en ze weet er echt geen raad mee, maar toch gebeurt het. Er zijn dingen in het leven die TOCH gebeuren, ook bij mij, en ik denk bij iedereen, waarvan je beseft, dat het ingaat tegen alles, maar het gebeurt. 
Daar ook.

Verlangen

Die vrouw weent ‘s nachts. Ze weet het niet. Maar ze kan niet ophouden. Dan verschijnt er een engel aan haar en die zegt: “il était bon que tu lui apprende le désire”. Het is goed want jij leert hem wat verlangen is. Want door verlangen, hunkeren, nostalgie, door jou wordt in hem iets wakker wat ook wakker werd in al die mannen die met die vrouw sliepen waar San Sunim over sprak, “pass a million”, ik heb er een miljoen gehad, zoiets.

Iedereen die dichtbij haar was, werd geraakt.
En dan zegt die engel: praat er verder niet over. Zij zegt nog: “Ja maar, hoezo verlangen? Misschien voor een illusie? Dat lijkt toch nergens op!” Maar die engel zegt: nee, elk echt verlangen is gericht op iets wezenlijks. En eigenlijk zegt hij daarmee: Kom er niet aan … Zwijg … Oordeel niet … Ga eraan voorbij …
Wij hebben verschrikkelijk de neiging te zeggen dat dit niet kan en dat niet kan enz., maar met welke intentie gebeuren de dingen?

Masao Abe[15]

Nog iets. Om te beginnen een hoofdstukje dat ik las in een boek over de dialoog van boeddhisme en christendom. Daar stond een artikel van een vrouw, die hetzelfde zei als in die sutra. Wat ik in de zen mis, zei ze, is de dimensie van de warmte en van de ontmoeting, van het sensuele en van het lichamelijke.
En Masao Abe geeft dat toe. Ja, dat is een serieus punt.

Verschil in beleving van seksualiteit door mannen en vrouwen

Zen was altijd een mannenaangelegenheid. Verder staat in dat stukje harde kritiek op de beleving van seksualiteit door mannen. Er zijn uiteraard verschillen. Je kunt niet zeggen dat het allemaal cultureel bepaald is en dat het allemaal hetzelfde is als je die cultuur wegveegt. Nee, er is toch een grens, al is die moeilijk te leggen.

En deze schrijfster probeert hier dichterbij te komen. Wat is het? Het komt ongeveer hierop neer dat het zuiver seksuele en het mechanische, het consumeren, al die toestanden rond het orgasme, voor haar veel minder belangrijk zijn. Daar mag misschien niet zo over worden gepraat, maar in de beleving van een vrouw is er blijkbaar toch een andere geladenheid.

Ik zal het in de woorden van Kawabata voorlezen, die dat ook zegt. Hij was absoluut niet scrupuleus, hij zegt hetzelfde, hij zegt in een van zijn romans dat het misschien inderdaad alleen maar de vrouw is die echt aanvoelt hoe dat is. Ik heb zelf in mijn eigen leven, door veel mijn kop te stoten, maar ook uit verhalen van anderen, eveneens ervaren hoe moeilijk het is daar inzicht in te krijgen. Blijkbaar is er iets wat heel dikwijls kortsluiting geeft omdat een man — waardoor het ook komt — niet begrijpt hoe een vrouw dat beleeft.

Het belang van het sensuele, het kwetsbare en het tedere

Mannen begrijpen niet zo dat daar het erotische, het sensuele, het kwetsbare, het tedere, een grotere rol speelt. Er is trouwens op het ogenblik een congres in Amsterdam, waar een vroegere pornofilmster, die naderhand gestudeerd heeft en ook seksuologe is en nieuwe films maakt, hier ook iets over zegt.

Voor haar was het ook een ontdekking geworden dat seksualiteit totaal anders kan zijn. Zij meldt dat ze zich distantieert van haar eigen verleden en moet zeggen dat mannen het niet begrijpen. “Met al mijn ervaringen moet ik toch zeggen dat mannen het meestal niet begrijpen.”
Dit moet ook aangehaald worden als we het over dit thema hebben. Het is een feit dat dit onbegrip van mannen veel leed veroorzaakt. Ik weet het niet alleen van Fortmann, maar ook uit mijn eigen leven en uit wat ik van anderen hoor. Blijkbaar is het iets waarvan we nog maar amper iets beginnen te begrijpen.

De kleine waanzin van de huid

Misschien kent u wel het boekje van Ton Lemaire over de tederheid[16]. Dat eindigt met de wonderlijke woorden: laten wij zacht zijn voor elkaar, want het leven is een onduldbare pijn … Daar schrijft hij dat het louter seksuele — wat niet ontkend hoeft te worden — voor hem toch ‘de kleine waanzin van de huid’ is. Hij noemt dat zo. Een soort machteloos proberen door te dringen. Een kleine waanzin, die niet lukt, waarbij hij uiteindelijk kiest voor de tederheid.

Precies zoals ook Van Ussel het zei, een Belgisch professor waarmee ik goed bevriend was, misschien kent u hem wel. Hij was heel erg met seksualiteit bezig, leefde in communes, en hij schreef o.a. Afscheid van de seksualiteit. Hij was een man die zeer vrij leefde, maar ontdekte dat er iets veel diepers is, iets dat voorbij gaat aan dat seksuele dat op dat ogenblik zo verheerlijkt wordt, waar hij zelf ook aan heeft meegedaan. Maar hij komt erachter dat het toch om iets anders gaat en daar komt hij heel dicht bij Ton Lemaire, dan spreekt hij ook van de kleine waanzin.

Je kunt dat bijvoorbeeld eveneens zien bij Yukio Mishima. Er zit iets wanhopigs in om bij je lichaam te komen, bij gevoelens. Er ontbreekt iets in het eenzijdige, dat is die kwetsbaarheid, of die barmhartigheid, of die tederheid, of die warmte, of dat jij-gevoel. Het is een bijna mechanisch proberen om aan dat dualisme, die breuk, die gespletenheid, te overstijgen. Daarin loop je te pletter. Daarin liep Mishima te pletter. Dat is zijn drama. Daar is hij een groot mens mee, maar er is toch iets wat ik daar mis.

Forceren werkt niet

Je vindt dit bijvoorbeeld wel bij Masao Abe en bij Yasunari Kawabata.
Hetzelfde vind je ook bij iemand als Georges Bataille, ik weet niet of u die kent. Een wanhopig verder en verder gaan in de seksualiteit, nog dieper en feller, totdat je breekt aan jezelf in een poging om op eigenlijk een geforceerde manier de eeuwigheid te bereiken, zoals je dat ook met geforceerde zen en geforceerde weet-ik-wat kunt proberen. Maar dat kan nooit met forceren. Dan kan men, zonder dat men het weet, glijden naar een nieuwe vorm van geweld. Dit vind je ook een beetje bij Bataille.

Intimiteit wel

Ik ben zelf een man, maar ik voel ook aan — en dat is natuurlijk heel persoonlijk — dat in het echt seksuele, hoe aantrekkelijk ook, iets is waarvan ik bespeur: ‘dat is het niet’.
In het begin sta je dan alleen, en ik ben uitgelachen en met de vinger nagewezen, maar ook de vrouwelijke visies over erotiek hebben me geholpen om naderhand te zien dat net als in de erotische literatuur van het Oosten, een intimiteit, een nabijheid mogelijk is, die voorbij het seksuele gaat. Zoals ook Van Ussel dat ontdekte.

Er is onder andere nog het boek — met een rottitel — Sexuele geheimen, waarin je kunt proeven aan de teksten en de beelden van het Oosten, maar daar zit ook het besef in dat er méér is, véél meer dan het seksuele. Dat kun je geen sublimeren noemen, maar het ligt dicht bij wat Ossie Mandelstamm benoemt, iets dat veel te weinig in onze aandacht is gekomen. Want er is iets wat wel lichamelijk is, wel erotisch, wel sensueel, maar wat het seksuele overstijgt.

Daar is ooit in de theologie van het christendom ook wel aan geproefd, ik geloof in de vierde of vijfde eeuw, misschien was het Augustinus, waar gesproken is over coïtus reservatus of zoiets. Dat werd misschien wat krakkemikkig of ziekelijk gebracht, want alles wat mensen doen gaat de mist in, of het nou gaat om verzet tegen of aannemen van seksualiteit, het komt niet goed uit de verf, maar daar zat ook die intuïtie in, precies zoals in de boeken van het Oosten.

Dezelfde upaja, de eindeloze middelen van de bodhisattva om iemand te redden. En daarbij kan het ook zijn dat men kiest voor een leven alléén, voor een leven zonder erotiek, zonder seksualiteit. Dan kom je bij het monnikendom. Dat neemt niet weg dat het opnieuw mistoestanden kan opleveren en kan leiden tot verziekte vormen, want zoals gezegd kan alles wat mensen aanraken vervormd worden. In onze liturgie, in het heiligste wat er is, in onze schoonheid, in onze kunst, overal is het verderf in aanwezig.

Eindeloze barmhartigheid

Onvermijdelijk. Niets is volmaakt, ook zen niet, ook kloosters niet, ook theologie niet, ook het celibaat niet. Er is alleen de eindeloze barmhartigheid die dat aanvaardt, die ook ons geknoei aanvaardt, ook ons erotisch geknoei, ook ons religieus geknoei. Het wordt allemaal aanvaard.

Rilke

Rilke — Paula Modersohn-Becker[17]

Ik moet er eigenlijk zo’n beetje mee eindigen dat ik ook wel vind dat de nadruk op het zuiver seksuele niet meer hoeft. En nu zou ik Rilke nog willen aanhalen, die erotisch toch heel wat mee heeft gemaakt en die ergens schrijft dat hij zo geraakt is door iemand — een echt bestaand iemand of een verzonnen iemand, dat weet ik niet — die voor hem een JIJ is, en wel zo sterk een jij, dat het seksuele niet meer hoeft. Het is voor hem dan een tijdlang in zijn leven een keuze voor het monnikenleven. Dat betekent niet dat het erotische afwezig zal zijn, ergens is het er toch. En hij schrijft:

“Du, der Ich nicht sage dasz Ich nachts weinend liege hier”

 — Jij, aan wie ik nooit durf te zeggen dat ik ‘s nachts lig te wenen –

“Du, der Wesen mir müde macht wie eine Wiege”

 — jij (de jij van alle jij-en, de diepste grond), wier wezen mij moe maakt als een wieg van verlangen … Jij, om wie alle dingen hun schoonheid krijgen, kijk toch eens naar de geliefde …

“So bald Sie die Liebe begannen, so bald fangen Sie an zu lügen”.

Het wordt onmiddellijk bezoedeld.

“Du bist dort allein”.

Jij bent er alleen. Jou alleen kan ik ontrouw zijn. Eén ogenblik ben je er. En dan is er weer het ruisen, de afwezigheid …, een geur die geen spoor nalaat. En dan eindigt hij met: “Ach, in mijn armen heb ik ze allemaal verloren, maar jij, jij wordt elke keer opnieuw in mij geboren. Omdat ik jou nooit vasthield, houd ik jou vast … ”

Dat is ontroerend. Dat is mystiek. Men probeert dan te wroeten naar wie dat meisje geweest is, maar misschien is het niemand geweest, misschien is het een herkenning geweest van iets wat hij niet onder woorden kan brengen.

Het wachten van de monnik

Zoals in die film van Umberto Ecco. Daar komt een monnik in voor, die op een bepaald ogenblik in een kelder een zwerfstertje ontmoet, waar hij even intiem mee is. Zij zal zijn enige liefde blijven en hij zal haar nooit vergeten.

Hij blijft monnik, net zoals de hoofdfiguur in een prachtig toneelstuk van Alby, Little Alice, over een monnik die in zijn eenzaamheid schreeuwt om een jij, die daar dan opeens werkelijk komt … “Du der ich nicht sage das ich nachts weinend liege …”, zij is daar … Even. Ze raakt hem, zoals bij die monnik in de film van de roos. Is het echt, is het niet echt, is het verlangen?

IIkkyu Sojun – Savannah Em[18]

“The autumn breeze of a single night of love is better than 100,000 years of sterile sitting meditation.”[19]

Ikkyu Sojun

En zij zegt dan: ik ben altijd bij je, hier, in dit klooster. Zie je deze maquette van dit klooster? Daarin ben ik. Ik wacht op jou. Altijd. Maar als je ongeduldig bent en je breekt die maquette open, dan vind je me niet, dan vind je alleen een kleinere maquette, een kleiner klooster. En als je nóg ongeduldiger wordt en je breekt die kleinere maquette ook open, dan tref je er een nog kleinere aan. En zo zal dat eindeloos doorgaan.

De monnik blijft dan op wacht. Hij wacht … Dat vind ik ook groots, zijn wachten. Ook dat kan erotisch zijn. Met alle onthouding. Dat is ook een keuze. Met alle waardering voor de waarde van seksualiteit kan onthouding, en wachten, ook heilig zijn. Het raakt mij erg, ook al weet ik er zelf ook allemaal geen raad mee. Maar ik heb het te vaak teruggelezen, in een boekje van Cees Nooteboom, Philip en de anderen. Symbolisch zoekt hij daar iets, wat hij uitdrukt met: ik zoek, ik zoek een meisje met een Chinees gezicht, ik kan het niet helpen, ik heb te lang in de avond gestaan, wat zoek ik? Een Chinees meisje, en misschien ook wel iets anders.

Ja, hij zoekt iets anders, maar dat is het symbool, het beeld — we hebben alleen maar beelden — en uiteindelijk vindt hij haar, raakt hij er even aan in het leven. En dan moeten ze afscheid nemen. Hij moet alleen leven. En zij gaat terug naar haar sterretje, als een meisje dat op de Maan gewoond heeft en uit heimwee terug gaat naar de Maan. Hij schreeuwt nog: Blijf, blijf … Maar nee … Dat hoort helemaal bij het verhaal van de seksualiteit.

Ik vertel het zo nadrukkelijk omdat ik weet dat mensen die zich ervan bewust zijn dat seksualiteit in hun leven niet hoort, vaak worden nagewezen. “Jij, op jouw leeftijd, geen erotiek en geen seks? Hier ben je … “ (Ton tikt tegen zijn voorhoofd … ) “Dat geloof je toch niet … !”

Nou, geloof je eigen hart maar. Onthouding is ook een menselijke mogelijkheid en een heel belangrijke. Even belangrijk als leven mét erotiek en sensualiteit in alle vormen. Het mysterie zal blijven …

Als allerlaatste … nog één regel, van Jan Willem Otten, over de vraag naar liefde. Hij schrijft:

“men zegt wel eens dat het liefde was op het eerste gezicht, maar voor mij was het mis op het eerste gezicht. Bij elke echte ontmoeting met een Jij voel ik een diep fundamenteel gemis van iets wat ik nooit onder woorden breng. Als ik één woord heb voor wat liefde is en nabijheid, dan is het missen …”

Dertig jaar geleden gaf iemand mij een gedichtje, ik denk niet dat het van Hadewijch is, maar zij had het kunnen schrijven, en ik ben het nooit vergeten:

“Helaas dat ik jou enkel zien kan, nooit kan zijn …”

Dat zijn ook die woorden waarmee Kierkegaard, bijna op dezelfde manier, zijn korte citaatje eindigt over God en schepping.

“Helaas dat ik jou enkel zien kan, nooit kan zijn…”

Noten 

[1] De van bandopname uitgetypte letterlijke tekst van deze lezing is door WW redacteur Gea Smit voor het Wijsheidsweb enigszins geredigeerd, en voorzien van afbeeldingen en tags.
[10] Bron: zen priest Ikkyu and the courtesan Jigoku Reigan  
[11] Bron: Elder Subhūti addresses the Buddha
[12] Bron: Ikkyu met courtisane
[13] Brown, N.O. (1972) Leven tegen dood. Amsterdam: Ambo.
[14] Bron: De tuin der lusten van Jeroen Bosch
[15] Bron: Masao Abe
[16] Lemaire, T. (1968) De tederheid. Amsterdam: Ambo.
[17] Bron: Rilke in 1906
[18] Bron: Ikkyu Sojun door Savannah Em
[19] Ikkyu (2003). Wild Ways: Zen Poems of Ikkyu. (Vertaald door John Stevens). New York: White Pine Press.

studeerde wis- en natuurkunde, en Slavische talen en letterkunde. Hierna volgde hij gedurende vier jaar een studie vergelijkende cultuur- en godsdienstwetenschappen over de ontmoeting tussen Oost en West. In 1968 werd Ton Lathouwers benoemd tot gewoon hoogleraar Russische letterkunde te Leuven, met een nevenopdracht aan de theologische faculteit: religieuze thematiek in de moderne literatuur. In 1987 verkreeg Ton Lathouwers zijn officiële autorisatie (transmissie) als leraar Chinese Rinzai Chan van de Chinese Ch’anmeester Teh Cheng. Sindsdien begeleidt hij zengroepen in Nederland, België en Zweden.