Geluk, ontwaken Boeddha

0

Ton Lathouwers

Teisho, 7 mei 2001[1]

Uniek

Het is eerder ook al gebeurd, en eigenlijk, denk ik, bijna altijd, dat als Chris iets zegt bij de inleiding, dat dat op een of andere manier altijd te maken heeft, met wat ik zou willen proberen uit te drukken, maar, zoals Chris ook zei, wat nooit uit te drukken is. En wat altijd heel uniek, intiem en persoonlijk blijft.

Ik hoop daar vooral morgen iets over te zeggen, hoe sterk in de traditie van zen of chan benadrukt wordt dat het gaat om iets van deze ene unieke persoon op dit unieke moment uit te drukken. En dat je daarvoor alle andere plaatjes opzij moet schuiven. Ook de woorden van de Boeddha, ook de woorden van de zen, ook de woorden van een leraar, alles. Alles. En dat er dan ruimte komt voor wat nou net niet te noemen is.

Het rotsblok op de richel

Rotsblok[2]

We zitten daarbij altijd, of we willen of niet, op het scherp van de snede. Dat is een keer krachtig uitgedrukt door Han Fortmann, in de laatste pagina in z’n laatste boek: Al ziende de onzienlijke. Daar citeert hij Chesterton, die zegt dat de orthodoxie, dat waar het om gaat en wat niet uit te drukken is, vergeleken kan worden met een groot rotsblok op een hele smalle richel. Je hoeft maar één duwtje te veel naar die kant te geven en hij dondert eraf. Of een beetje naar die kant en hij dondert eraf.

Is het vrijheid, is het genade? Is het eigen inzet? Is het de andere kracht, zoals het in het boeddhisme ook heel sterk toegespitst wordt. Tsu Li Da Li Ji Ri Ki Ta Li Ki, eigen kracht, andere kracht. Elk woord is teveel, en tegelijk is het een uitdaging om je te uiten. Met zwijgen, met woorden. Wat voor jou, op dit moment levend is, woord uit je hart. Dit altijd maar voorop.

Het blijft stamelen

Maar nogmaals, het blijft een paradox. Net als dat wij hier zitten en alle plaatjes van een doel moeten opgeven. Wat Chris ook zei, zelfs om beter te worden, alles staat in de weg. Mu Sho To Ku, geen doel. Met het risico dat het lijkt of het bijna nihilisme is.
Wat houd je nog over als alles opgeruimd wordt? Dat is het dus ook niet: dat er niets overblijft. En voor de rest is het stamelen en dat zal ik dan maar proberen.

Pasen

Resurrection of Christ and Women at the Tomb — Fra Angelico[3]

Ik zal ook proberen het toch een beetje te plaatsen, als dat kan. Maar dat is, voor mij is dat zeker dat dat kan, in het licht van Pasen. Dat is een feest, wat zo wezenlijk is in onze westerse traditie, de joodse traditie, vooral in de Russisch-orthodoxe traditie. Pasen, Pasen, Opstanding. Wat dat ook is: Opstanding.

En het boeddhisme, heeft dat het ook? Dat was laatst ‘n vraag die ik kreeg van een oude non, die ik heel goed kende, en die twee weken geleden, vlak voor Pasen, overleed.
Ik heb haar misschien wel eens genoemd, zij sprak altijd over Jezus en over Maria. En dan zei ze:

‘Maar jij blijft boeddhist hè, daar ben jij neergezet. Niet terug naar de club van mij.’

Dat was heel wijs. Ze zei:

‘Hebben jullie ook Pasen? Hebben jullie ook zoiets als Pasen?’

Dus je ontkomt niet aan zo’n vraag. Een antwoord is er niet, maar misschien kun je er bijkomen. Misschien juist in paradoxen.

Boeddha

En dan zou ik willen beginnen met een gezegde van de Boeddha, waar ik mij ooit vreselijk aan geërgerd heb. Waar ik woedend om was toen ik dat las. Dat is begrijpelijk. Dat was in een periode waarin het voor mij heel erg moeilijk was, waarin ik totaal dicht zat, in de Verenigde Staten, in een klooster van Samu Sunim.

Eén van de mensen die een zendo had, die had daar een grote poster hangen en daar stonden die woorden van de Boeddha op. Daar stond namelijk:

‘Er is geen weg naar het geluk. Punt. Het geluk is de weg. Punt.’

Dat komt heel dicht bij, wat Chris ook aanraakte: er is geen weg naar een nu. Maar wat doe je met die woorden? Bovendien als je je belazerd voelt, wanhopig, in een impasse, en bovendien als dat daar neergehangen wordt door iemand die, zoals Fortmann dat noemt, een enorm blije natuur had, die dat ook zei: eenzaamheid ken ik niet, depressie ken ik niet, verdriet ken ik eigenlijk ook niet zoveel. Ik vind het leven prachtig en ontroerend en dat staat daar ook: geluk is de weg.

Geluk is de weg

Het geluk is de weg[4]

Hij straalde dat uit, het leven dat goed kwam. Geluk is de weg, er is geen weg naar het geluk. Maar zoals zo vaak, juist gezegden die je irriteren, waar je absoluut geen raad mee weet, als een koan, als een onoplosbare vraag, maken iets open.

Als er één gezegde is wat uiteindelijk voor mij zo waardevol en bevrijdend is geweest, en openend, dan is het dat. Dat zal ik proberen een beetje in woorden uit te drukken. Aan de hand van het leven van de Boeddha. Wat bedoelt hij daarmee? Wat bedoelt de Boeddha met geluk? Is dat wat Fortmann zegt:

‘er zijn de beate vanaf de geboorte, de mensen die een geluksgevoel hebben. Die worden zo geboren, die leven, die sterven zo’,

 … is zo iemand, die zegt dat ook:

‘Ik ben iemand die eigenlijk leeft vanuit de vreugde, dat is een genade.’

Maar Fortmann zegt:

‘Er zijn ook mensen die’

en hij gebruikt een Franse uitdrukking, hij citeert dat van iemand

 ‘pleurent et pleurerant jusqu’à le fin’,

die wenen en wenen tot het einde.

Drie manden vol tekst

Tipitaka, drie manden vol teksten[5]

Wat zal de Boeddha bedoelen met geluk? Zou hij een blije natuur gehad hebben? Of zou dat blije en vreugdevolle, dat geluk plotseling in hem gekomen zijn, als een soort verandering van zijn karakter? Vroeger behoorde ik tot dat type mens, en nu ben ik veranderd, nu behoor ik tot het andere type mens. Zou het dat zijn? Wat bedoelt hij met geluk? Als iemand voorzichtig is met zijn woorden, is dat Boeddha. Intussen praat hij wel, veertig jaar lang.
Drie manden vol, zo heet dat hè, tipitaka, drie manden vol teksten. Zo wordt dat vaak in zen gezegd: had hij maar z’n mond gehouden, want elk woord schept verwarring. Ook deze uitdrukking dus. Heb ik zelf ondervonden.

Wat is voor de Boeddha geluk? De auteur die zo’n beetje mijn favoriete auteur is in Rusland en die zich daar niet al teveel in heeft kunnen verdiepen in dat Oosten, heeft wel iets over de Boeddha geschreven wat mij erg raakt. Twee dingen. Ten eerste, zegt hij,

‘dat het hem opvalt dat de Boeddha zo weinig inhoud geeft aan wat voor hem bevrijding is’,

dat hij dat twee of drie keer noemt, dat er een uiterste voorzichtigheid is. Voorzichtigheid. En dan zegt hij:

‘Ik ben ervan overtuigd dat dat is omdat elk woord teveel is.’

Theoretiseren. U weet, de Boeddha heeft één of twee keer voorzichtig iets aangestipt.

‘Maar’,

zegt hij,

‘wat ik bij de Boeddha altijd weer vind, dat is precies wat ik bij Job vind.

Job, en dan citeert hij de bijbeltekst, Job schrijft:

‘al het zand van de zee weegt niet op tegen het lijden van één mens’.

Dat is een noodkreet van Job. Hij legt het op de weegschaal. Hij zegt:

‘Ik leg het op de weegschaal. Al het zand van de zee, en dan het leven van één mens. Wat weegt het zwaarst, wat moet het zwaarste wegen?’

De Boeddha zegt bijna precies hetzelfde. Je zou bijna zeggen, heeft hij het van Job ontleend? Niemand weet hoe oud de tekst van Job is. De veronderstelling is dat het de oudste tekst is: Job uit het land Rus.

Lichtvol stamelen

Daar staat bij de Boeddha dit woord: al het water van de vijf oceanen weegt niet op, op de weegschaal, vergeleken met het lijden van de mens. Zo diep was hij daarvan doordrongen, dat hij alles achterliet, zijn geluk, hij was happy, hij had alles wat zijn hartje begeerde, en hij liet alles achter, wanhopig.

En het is merkwaardig om te lezen, en dat toch het begin van deze traditie, en ergens hebben wij te maken met die traditie, waarin iets gestameld wordt over dat onuitsprekelijke, dat begint daar met die figuur, zoals het in het Westen begint met Genesis, met Job. Het boek der Schepping, met de Psalmen, met de Profeten. Het is een geluid, een stamelen, maar lichtvol.

Mensenharten openen

Mensenharten openen — kaft  Compassie in begeleiding en fysiotherapie (Gea Smit)

Ook de Boeddha is begonnen, ooit, dat zegt hij letterlijk: open te worden. Om alle mensenharten open te maken.
En hoe begon dat? Dat werpt misschien licht op die raadselachtige uitdrukking van later, dat dezelfde man, die eerst zegt dat al het water van de zee niet zo zwaar weegt als het lijden van de mens. Wat niet iedereen hoeft te zien, dat is iets anders. Hoop ik morgen ook, dat hoeft niet iedereen zo te zien.

Maar in deze traditie, zeker in het Mahayana, zeker in het begin, bij de teksten over de bekering van Sariputra, is het datzelfde hele diepe besef daar: hoe kom ik daar uit, wat moet ik daarmee? En het is wel opmerkelijk dat dat voor de Boeddha zo belangrijk was.

De nacht van het ontwaken

The final nirvana of a Buddha at Sanchi[6]

De oudste sutra, en misschien heb ik hem al eens aangehaald, over de nacht van het ontwaken, dat is het woord wat Boeddha gebruikt: verlichting, ontwaken, die nacht was zeer bijzonder. Dat was een nacht van ontdekkingen, in de drie nachtwaken: negen uur ‘s avonds, dan is het al heel donker in India, heel erg, twaalf uur ‘s nachts en drie uur in de ochtend, als het eerste heel voorzichtige licht begint, als de morgenster nog zichtbaar was.

Er staat trouwens ook in de andere sutra’s hetzelfde verhaal. Heel merkwaardig, want de Boeddha doet, staat er, met zijn goddelijk oog, een geweldige ontdekking, vlak achter elkaar. Zozeer dat men later zegt: de inzichten van de Boeddha dat is niet alleen verlichting, dat is meer. Hij zag daarvoor iets meer. Dat heeft alles te maken met wat hij zegt over die zee, die oceaan van lijden en van Job.

Daar staat namelijk:

‘in de eerste nachtwake zag hij plotseling met zijn innerlijk oog het geboren worden als sterven.’

Hoe op dit moment van de eerste nachtwake, negen uur ‘s nachts, talloze mensen geboren werden en stierven. En hij zag dat iets anders: waar ze naartoe gingen na hun dood. Misschien is dat voor ons een bevrijding, ze gingen naar een hogere of naar een lagere bestaanstoestand. Je zou kunnen zeggen hij had kunnen denken, nou oké, weet ik tenminste waar ik naartoe wil, daarheen. Hij loopt noch daarheen, noch daarheen.

‘Maar het is’,

staat er,

‘een grote ontdekking.’

Ineens zag hij scherp hoe diep op dit moment, op dit moment, hier en nu staat er, het lijden was.

En om twaalf uur ‘s nachts, het is natuurlijk niet precies klokslag twaalf uur, volgende fase, volgende plaatje, volgende slide in de, hoe heet dat, nee, maar er staat wel iets:

‘en ineens deed hij een nieuwe ontdekking: hij zag niet alleen wat er hier gebeurde, maar vanaf een eindeloos verleden tot in een eindeloze toekomst zag hij geboorte, lijden, dood, geboorte, lijden, dood. Een eindeloze keten.’

En dan staat er tot twee keer aan toe iets heel merkwaardigs.

‘Onoplosbaar’,

dat woord, onoplosbaar leek hem de nood waarin de schepselen gevangen waren. Uitzichtloos leek hem de nood, geen enkel glimpje licht was voor zijn geestesoog zichtbaar, om twaalf uur ‘s nachts. Tegenover die eindeloze keten. Houdt u in uw achterhoofd wat hij later zegt over: geluk is de weg. En ineens drie uur later is dat veranderd. Zó fundamenteel, dat daar voor hem de weg begint en de bevrijding van alle levende wezens, als hij dat probeert uit te drukken.

Pasen en Pinksteren

Pinksterkroon op een voorjaarsfeest[7]

Sterker nog, niet eens op het moment van het ontwaken, maar op het moment waarop hij gaat praten, waarop er in zijn hart iets gebeurt, waarop hij het tegen alle huiver voor woorden in, uitdrukt.

‘t Merkwaardige is, misschien is het goed om dat even te vermelden, dat in de westerse traditie met Pasen ook zoiets merkwaardigs gebeurt, wat Pasen ook is. Wat opstanding ook geweest is. Hoe die mensen, die dat ervaren hebben, het ook beleeft hebben.

Een leeg graf, verschijningen, Hemelvaart, één ding is zeker: ze veranderden er niet door. Er gebeurde niks met die mensen. Niets. Dat gebeurde pas met Pinksteren, vijftig dagen later. Plotseling, onverwachts. Ze zaten binnen, al wekenlang hadden ze zich opgesloten uit angst. Ondanks de verschijningen, ondanks het wonder, er gebeurde niets. Pas later. Daar gebeurt in het hart iets.

Op Pinksteren, werking van de Geest, wat dan ook, laten we er geen woorden voor zoeken, maar het is zo fundamenteel, dat daar het leven gaat stromen, in hen en anderen. En in hun woorden, met alle risico’s van woorden.

Verlicht en bevrijd

Bij Boeddha gebeurde dat in het Hertenpark, weken na die nacht. Maar het is merkwaardig dat diezelfde man, die zozeer om twaalf uur ‘s nachts de donkerte ziet van het bestaan, voor alle levende wezens, om drie uur ‘s nachts zegt. Hij zegt niet: ‘Nou, goddank, ik ben eruit. Nou even kijken wat ik met de rest doe.’ Nee, hij zegt:

‘Nu op dit moment zijn alle wezens in het universum met mij ontwaakt en bevrijd.’

Ineens is het hele perspectief totaal anders. Dat zijn woorden die maar heel weinig terugkomen, die hij af en toe herhaalt:

‘Met mij is alles wat er is verlicht en bevrijd.’

En dat zegt hij op een moment, drie uur nadat hij zag dat er geen enkel puntje licht was. Misschien werpt dat licht op die vreemde uitdrukking: er is geen weg naar het geluk, het geluk is de weg. Want er gebeurt iets zó plotseling, zó onverwachts.

Dat moeten we duidelijk zien, om twaalf uur ‘s nachts: nog niets.
Om drie uur ‘s nachts: compleet. Dat het zeker niet is dat hij in die drie uur dacht: nog even de tanden op elkaar, even alles ertegenaan en ik ben erdoorheen. Nee, het is het tegendeel. Het was eerder bijna het gevoel van opgeven van zijn houding. Juist het besluit om te stoppen, om melk te drinken, notabene aangereikt door een meisje wat in zijn traditie in zijn positie absoluut niet kon. Een soort van: nou, ik weet het ook niet meer.

De eerste vijf discipelen respecteren het Wiel van de Dharma[8]

Woorden over zijn eerste beeld

Er zit een heel wonderlijk element in: van opgeven en toch doorgaan. En dan spreekt hij, later, in zijn eerste toespraak, in zijn eerste toespraak, over iets, het eerste beeld wat hij noemt:

‘Monniken’,

zegt hij,

‘er is een weg.’

En dan gebruikt hij het woord: geloof. Dat is heel griezelig, want hij zegt niet waarom. Een soort oervertrouwen, een soort, wat er met hem gebeurd is, kan hij niet uitdrukken, niet met geloof, niet met vertrouwen, niet met geluk, niet met verlichting, niet met bevrijding, en toch zegt hij het. Zoals hij ook zegt, heel kort daarna, tegen een van zijn leerlingen, Rada:

‘Er is het ongeborene, het onvergankelijke, het onsterfelijke. Was dat er niet, waarlijk, dan zou er geen bevrijding uit die eindeloze kring mogelijk zijn.’

Dit is fundamenteel. Dit herhaalt hij. Zo fundamenteel dat hij zegt tegen de monniken:

‘als je je toevlucht neemt zonder garantie, zonder bewijs, zonder evidenties’

 — want hij had ook alleen maar zijn woorden, hij kon niemand overtuigen —

‘dat is een sprong.’

Een sprong. Geloof. Hij noemt het achteloos, net als tussen haakjes Rinzai. Rinzai, in een tekst die hij uitspreekt, veertien keer het woord geloof genoemd heeft als de basis. Waarin dan? Hij zegt alleen maar dat het onmogelijke mogelijk is. Zoals hij daar voor de muur stond ‘s nachts. Dat het onbereikbare verwerkelijkt wordt. Dat alles bevrijd is in de grond, op dit moment, want dat het voor hem open ging en dat hij probeert dat alleen over te brengen. In ontmoeting. In ontmoeting.

Laten we nooit vergeten, ook al blijft hij benadrukken dat

‘hij het niet uit kan drukken, nooit uit kan drukken, dat het toch zo wezenlijk was en fundamenteel dat alles anders werd’.

Anders. Want hij had ook kunnen zeggen, toen hij zag: er is geen glimpje licht, ik zie een eindeloze reeks, had hij ook kunnen zeggen: nou ja, het is de zo-heid, het is wat het is. Wat mensen dikwijls zeggen. Ik vraag mensen wel eens in de dokusan, een beetje om te plagen: Hoe is het? Het is. Het is wat het is. Dat is als je veel zen leest: het is wat het is. Dat is het niet.

Er gebeurde iets heel wezenlijks voor de Boeddha. Hij zei niet van te voren: het is wat het is, hij bedoelde iets heel anders. Wat? Daar kunnen we niet bij. Ieder moet dat op zijn manier ontdekken. Daar zal ik morgen over praten.

Het begrip geluk

Maar nu over dat begrip geluk. Juist in die context van de eerst toespraak. Die in de Anguttara Nikaya staat, één van de oudste Theravada sutra’s. Als hij begint te praten over geloof, gebruikt hij dat woord geluk. De enige keer dat er dan iets gebeurt hier van binnen, in het Engels staat er rapture, verrukking, hij heeft er geen woord voor. Maar het is zeker meer dan wat Fortmann bedoeld met: je hebt twee soorten mensen. De happy-go-lucky typen en de mensen die het moeilijk hebben. Dat is het niet. Het lijkt die tekst te zeggen. Dat voorop, dat over Boeddha. Maar dan een beetje dichter terug bij onze tijd.

Russische auteurs

Wat mij vooral geholpen heeft, en een beetje mijn ogen geopend heeft voor die tekst waar ik zo me aan ergerde, toen ik hem hoorde, dat was wat ik las in de Sovjetliteratuur, bij een aantal Russische schrijvers, waarvan ik er twee wil noemen, die elkaar amper kenden. Atheïsten, zonder religieuze opvoeding, die een authentieke ervaring beschrijven wat met hen gebeurde.

Sinjavski

Sinjavski[9]

De één is Sinjavski, die leeft nog, hij is prof Russische literatuur in Parijs, hij is gevlucht. Hij woont daar nu, maar hij is ooit in Moskou verbannen geweest om z’n cynisme, om z’n politieke pamfletten en z’n, zo werd dat genoemd, z’n pornografische romans. En daar zat hij, zonder z’n geloof in Siberië.

Het enige wat hij kon doen is brieven schrijven, één keer in de maand geloof ik, zo’n stukje aan zijn vrouw. Die zijn gepubliceerd later. En daar staat een wonderlijk stukje in, wat na zeven jaar met hem gebeurde. Op het moment waarop hij het, net als de Boeddha, niet meer zag. Hij kon nergens op terugvallen. In de eerste Nederlandse uitgave staat het er niet in.

Er staat wel in de inleiding: Enkele, voor de Nederlandse lezer minder belangrijke fragmenten, hebben we maar weggelaten. Uitgerekend dit stuk. Het is er later ingekomen. Ik vind dit het diepste stuk wat er is. Ik zal het vanmiddag meenemen, want ik heb dat ooit eens een keer in een tijdschrift, zo, met een mooie foto erbij, met rode kleur en veel licht, een zeer aangrijpende tekst. Zo dicht bij wat met de Boeddha gebeurde en ook zo stamelend. En ook zo dichtbij wat Chris aanhaalde, dat je niets kunt verwachten en dat het dan gebeurt. Als alle doelstellingen weggeruimd worden.

En dat hij dan ook geen ander woord heeft, dat is merkwaardig, dan het woord geluk. Bevrijding, verlichting. Het begint zo:

‘Ja, en plotseling,’

 sorry voor dat woord plotseling,

‘is er een deur, een kleine deur in mij opengegaan. En ik heb gezien.’

Boedddha Bhumisparsha mudra[10]

En daarna komen de woorden, de begrippen, theologie, filosofie, psychologie, heel die onbelangrijke rest, die niet meer is dan een krakkemikkig communicatiesysteem. Ik ken die tekst bijna van buiten, want elk jaar heb ik hem wel aan mijn studenten voorgelezen. ‘Hoe zal ik het beschrijven? Ik weet het niet, ik kan het niet uitdrukken.

Een beetje zo: een soort innerlijke houding van een absolute, maar passieve beschikbaarheid. Alsof ik één en al verlangen ben, een schreeuw om mij te openen en om te zien, zonder dat ik kan zeggen wat open moet en waarvoor, en wat ik dan zie. En tegelijk een heel diep weten dat ik geen vinger uit moet steken. Geen plaatje moet maken, geen voorstelling moet maken. Op niets concreets mag hopen, naar niets concreets mag verlangen, dat ik eraf moet blijven.

‘Ja’,

zegt hij,

‘zelfs dat ik ontdekte dat mijn diepe verlangen om mij te openen en om te zien niet een voorwaarde was of een middel. Het is een soort dadeloos doen, een soort ontspannen spanning.’

En hier zegt hij:  

‘ligt het begin en het einde van alles. Dit is het wat alle wijzen op aarde op hun manier ontdekt hebben.’

En dan zegt hij nog een keer:

‘Alleen als je alle concrete invullingen voor je hoop en je geloof hebt moeten loslaten, als je hebt moeten ontdekken dat je op moet houden met geloven en hopen en iets vastpakken, wat dan ook, dan kun je zeker zijn dat de deur opengaat, helemaal vanzelf en plotseling.’

En voor hem is dat daarna zo’n bevrijding geweest, dat hij, hij is Russisch, Russisch-orthodox, hij ziet die icoon, voor hem is dat later de taal geworden waarin hij dat geluk beschrijft. En hij gebruikt dat woord: verlichting, bevrijding, verlossing, een deur is opengegaan. Een merkwaardige uitdrukking.

Dürckheim

Eén keer heb ik dat Dürckheim op de televisie horen zeggen, toen ze zeiden:

‘Wat is eigenlijk zen?’

Toen zei hij:

‘Dat is dat je je hele leven duwt aan een deur om hem open te krijgen, tot je niet meer kunt, en je laat hem los en je merkt dat hij open gaat, maar net van de andere kant, niet vanwege jouw duwen.’

Dürkheim[11]

Zoiets moois, hè. Zoiets moois, met het accent op mooi. En op geluk. Maar het wonderlijke is dat deze auteur, die ook zo vastzat, datzelfde woord gebruikt.

U ziet hoe dicht dat ligt bij de Boeddha. Dat is wezenlijk: hij kan alleen maar daarover praten, maar hij zegt erbij: het is stamelen.

‘Het is een soort afdruk aan de binnenkant van mijn schedel’,

zegt hij,

‘vertaald in een taal die ik nog net kan begrijpen, maar eigenlijk komt het uit een werkelijkheid die ik totaal niet kan begrijpen. En als ik er een vinger op leg’,

zegt hij telkens,

‘als ik probeer aan te wijzen waar het werkt, hoe het werkt, wanneer het werkt, ga ik de mist in. En verlies ik alles.’

Daar blijft het bij. Maar het is, sindsdien, een mens die getuigt van Pasen. Dat zijn de laatste woorden in het diepste hoofdstuk van zijn volgende boek dat hij schrijft in Parijs: Opstanding. Dat is voor hem opstanding, dat was opstanding voor de Boeddha.

Antsjarov

Ik zal nog een voorbeeld noemen, wat het misschien nog concreter aanduidt, ook van een atheïstisch auteur, die ik in Moskou twee keer gesproken heb, die niets geloofde, en die alleen maar kan getuigen van wat met hem gebeurde en hoe dat alles veranderde.
Die ook zegt:

‘ik heb er geen woorden voor.’

Dat zegt hij herhaaldelijk. Maar het is ook zo authentiek.
Het begint ongeveer zo, dat citaat:

‘Plotseling had Goschka,’

 — zo heette de hoofdfiguur —

‘een ervaring, die onmogelijk leek.’

Letterlijk:

‘een ervaring die menselijkerwijs onmogelijk lijkt, maar zo overtuigend en zo diep. Maar even onmogelijk, menselijkerwijs, als wat een heel klein kind nog heeft: het grenzeloze weten’

 — staat er letterlijk —

‘dat alles goed is. Uiteindelijk hoe diep alles goed is in het universum en alles goed komt,’

dat zegt hij er ook bij. Hij spreekt toekomende en ook tegenwoordige tijd. Dat alles goed komt voor iedereen, absoluut, zonder dat hij kan zeggen waarin.

‘Werkelijk’,

herhaalt hij,

‘het was zo’n diepe ervaring.’

Boeddhabeeld, met het dharmachakra mudra-gebaar voor lesgeven[12]

Het was geen gevoel, het was geen sensatie, het was niet van een plotselinge Aha-Erlebnis, maar het was iets in zijn hart en het had alles te maken met geluk. En plotseling wist hij dat het diepste wat wij ontdekken, waar het om gaat, dit geluk is.

Uitgerekend deze auteur schrijft in zijn volgend werk dat het woord geluk griezelig is. Dat hij er niet geluk mee bedoelt maar iets anders waar wij geen woorden voor hebben. En dan zegt hij:

‘Kijk maar naar de muziek, die gebruikt geen woorden, maar wat die ons soms op kan roepen.’

Maar hij blijft erbij dat hij dan ontdekt: dat onvoorwaardelijke oervertrouwen, zonder te kunnen zeggen waarin, wat Hisamatsu ook uitdrukt. Niet in deze tekst, in andere. Ook op de bodem, toen hij op de bodem zat, op de grond, waar hij ook alleen over kan stamelen, maat waar hij ook het woord geloof en oervertrouwen gebruikt, gebruikt ook deze auteur het.

De theorie der onwaarschijnlijkheid

Z’n volgende roman heet: De theorie der onwaarschijnlijkheid. Hij is opgevoed met de leer der waarschijnlijkheid. Daar moeten wij het in het leven mee doen: wat waarschijnlijk is. Natuurwetten, psychologische wetten en daarmee basta.

‘Nee’,

zegt hij.

‘Het leven wordt gedragen door het onwaarschijnlijke, door het wonder, dat alle voortijdige conclusies stukbreekt, alles wat in de weg staat.’

Eigenlijk is dat de weg van de zen. Plaatjes gebruiken, plaatjes opruimen, niet om ons in de kou te laten staan, maar om ons te bevrijden uit een gevangenis. Want elk plaatje, hoe mooi ook, ook van het paradijs, ook van de hemel, of het boeddhistisch of christelijk is, ook van geluk, staat in de weg.

In de zen is dat zeer radicaal. Elke koan is: doodt de Boeddha. Ruim een plaatje op. Ruim nog een plaatje op. Wat dan? Wat ervaar jij? Met jouw achtergrond. Luister daarnaar. Daar wil ik vooral morgen een beetje dieper op ingaan, hoe uniek wij zijn en verschillend.

Dat is ook een handicap , want ik kan niet in het algemeen praten over zen. Dat interesseert me ook niet. Ook niet over het christendom. Ik kan alleen maar praten uiteindelijk, net als Sinjavski, en net als Antsjarov, over de eigen ervaring. Met alle risico’s dat het niet overkomt.

Tetralemma

Maar op één ding zou ik nog willen wijzen, dat is wat de Boeddha naderhand gaat doen, hoe dicht dat ligt bij de weg van de zen en de koan. Dat verdwijnt wel eens uit ons blikveld. De Boeddha gebruikte iets wat later heette: het tetralemma.

Wij kennen allemaal het begrip: een dilemma, ik zit in een dilemma. Dit is het niet, dat is het niet. De Boeddha gaat nog een stapje verder, hij zegt: dit is het niet en dat is het niet, maar je kunt ook niet zeggen, wat de slimmeriken zeggen: het is zowel dit als dat, het is ja-nee. Dat is ook fout. Je kunt ook niet zeggen: het is noch ja noch nee. Hij ruimt alles op. Heel consequent probeert hij, dat is zijn taal, om alle plaatjes weg te gooien, om open te maken.

Voor dat wat Sinjavski beschrijft, dat de deur opengaat, plotseling en geheel vanzelf. En van de andere kant, als, waarin wij duwen, met onze plaatjes. De getuigenis van de Boeddha en van Sovjetschrijvers en van zenmensen, misschien kan die ons helpen het Paasfeest, en misschien, dat hoop ik nog meer, het Pinksterfeest, waar een wonder in de harten gebeurt, ver voorbij alle bijzondere toestanden, zelfs een lijk dat daar ineens uit het graf komt is niet overtuigend, dit is overtuigend.

Kung Fu

Kung fu kalligrafie[13]

Dat dat voor ons allemaal in de stilte en in het oefenen, wat ons meer maakt dan alleen maar … wat Chris zei, het is oefenen met een hele diepe inzet, die in het Chinees Kung Fu heet, iets om nooit te vergeten.
Kung Fu betekent grote inzet, dat dat werkelijkheid mag worden. En nog meer: het grenzeloze vertrouwen daarin, zonder iets te zien.

Wij gaan de stilte in.

Noten

[1] De van bandopname uitgetypte letterlijke tekst van deze lezing is door WW redacteur Gea Smit voor het Wijsheidsweb enigszins geredigeerd, en voorzien van afbeeldingen en tags.
[2] Bron: Rotsblokken
[3] Bron: Resurrection of Christ and Women at the Tomb by Fra_Angelico
[4] Bron: Het geluk is de weg  
[5] Bron: Tipitaka scripture
[6] Bron: final nirvana
[7] Bron: Pinksterkroon
[8] Bron: De eerste vijf discipelen respecteren het Wiel van de Dharma in het hertenpark van Sarnath
[9] Bron: Sinjavski
[10] Bron: Bouddha Bhûmisparsha Mudra
[11] Bron: Prabhupada on a morning walk with Baron von Dürkheim
[12] Bron: A statue of the Buddha from Sarnath, Uttar Pradesh, India, circa 475.
[13] Bron: kung-fu-calligraphy

Ton Lathouwers

studeerde wis- en natuurkunde, en Slavische talen en letterkunde. Hierna volgde hij gedurende vier jaar een studie vergelijkende cultuur- en godsdienstwetenschappen over de ontmoeting tussen Oost en West. In 1968 werd Ton Lathouwers benoemd tot gewoon hoogleraar Russische letterkunde te Leuven, met een nevenopdracht aan de theologische faculteit: religieuze thematiek in de moderne literatuur. In 1987 verkreeg Ton Lathouwers zijn officiële autorisatie (transmissie) als leraar Chinese Rinzai Chan van de Chinese Ch’anmeester Teh Cheng. Sindsdien begeleidt hij zengroepen in Nederland, België en Zweden.