Inzet en overgave

0

Ton Lathouwers

Teisho (toespraak) op een zen-avond te Brugge, 17 april 1991[1]

Op leven en dood

Spreken vanuit stilte

De Chinese zenmeester waar ik het meest bij betrokken was, en nog ben, Jinarakkhita (Chinese naam: Teh Ching) heeft mij vooral getroffen doordat hij zo zwijgzaam was. Ik heb van zijn zwijgen, ook als antwoord op wat ik hem vroeg, eigenlijk veel meer geleerd dan van wat andere meesters met woorden of met hun houding wilden uitdrukken.

Soms sprak hij plotseling wel, altijd vanuit de stilte. En juist omdat het zo plots en onverwacht was en zo spaarzaam gebeurde, bleef het mij bij. Teh Ching was een zeer open boeddhist, net zoals Masao Abe en Hisamatsu, diep doordrongen van de noodzaak en het enorme belang van de ontmoeting van de religies van Oost en West.

Geen Javaanse boeddhistische nonnen

Strand op West-Java, waar Jinarakkhita (Teh Ching)) woonde[2]

Een van die opmerkingen, die mij bijgebleven zijn, werd gemaakt tijdens een dagenlange rit op Java, van het ene boeddhistisch klooster naar het andere. Na het bezoek aan een van die kloosters, ging het gesprek over de vraag, of er nog geen Javaanse boeddhistische nonnen waren. Ik weet niet meer waarom ik dat vroeg. Misschien viel het mij gewoon op dat ze er niet waren. Kaal geschoren Chinese nonnen waren er wel, Javaanse mannen die monnik waren ook. Maar een Javaanse vrouw die moniale[3] werd, dat had ik nog nooit gezien.

Met een lachend gezicht zei Teh Ching:

“Ja, die kunnen het niet over hun hart krijgen om hun haren af te knippen. Dat is voor hen een onoverkomelijke hindernis, dat kan voor hen gewoon niet.”

En inderdaad: een Javaanse vrouw offert haar haren niet, dat is bijna taboe.

Voorbij leven en dood

En na een tijd van zwijgen in die auto zei Teh Ching ineens:

“Eigenlijk is het van geen enkel belang of je je haren afknipt of niet. Al is het nog zo gemakkelijk of moeilijk ze af te scheren, het gaat er in feite om dat je sterft, echt doodgaat, aan je ik. Het is wel degelijk een zaak op leven en dood.”

Juist omdat hij altijd zo zachtzinnig was en nooit harde woorden gebruikte, trof het mij zó dat hij dit met die woorden zei:

“Uiteindelijk gaat het om iets op leven en dood”. En hij voegde er nog aan toe: “Zelfs al ga je eraan dood!”

Later, bij andere gelegenheden, hoorde ik die opmerking nog vaak van hem, steeds vanuit die lange periodes van stilte. Altijd weer kwam het daarop terecht:

“uiteindelijk gaat het in de religieuze houding over iets op leven en dood”.

Het gaat om een betrokkenheid, om een bewogenheid, een geraakt zijn, een ermee bezig zijn, een inzet op leven en dood. Waarbij niet, zoals bij bijna alles wat we doen, het leven voorop staat. Het heeft te maken met leven én dood, én ‘voorbij leven en dood’.

De gelofte aan de mensheid

Ik herinnerde me die woorden toen ik bezig was met het opstellen van een folder voor de groepen die ik begeleid, en ik naar een tekst zocht. Vroeger stond daar ‘De gelofte aan de mensheid’ van Hisamatsu, waarin wordt uitgedrukt dat we hier in onze meditatie nooit voor onszelf zitten, maar voor alle mensen, voor alle problemen en voor alle onmogelijkheden van het leven.

De onherroepelijkheid

The Characteristics of Oriental Nothingness[4]

Maar nu is er een andere tekst, die me nog meer raakt en die ook van Hisamatsu is. Ik vind die nog dieper dan de eerste tekst, die eigenlijk voor hem alleen maar de conclusie was uit een veel fundamenteler gebeuren. Ze is afkomstig uit het voorwoord van zijn boek ‘Oriental nothingness’ (de leegte van het Oosten). Daarin spreekt hij over de jarenlange periode waarin voor hem alles totaal op slot leek, met niets dan pijn en onmacht. Het is een heel sterk stuk, waarin je voelt dat, toen hij het schreef, het water hem echt tot aan de lippen stond. Hij begint die tekst met de woorden:

“Er is een vraag, die voor mij een vraag is op leven en dood, en waarmee ik in het reine moet komen, ook al ga ik er aan dood.”

Precies diezelfde woorden van Teh Ching! Die uitdrukking van onherroepelijkheid, onvoorwaardelijkheid: ik ben in mijn leven op een punt gekomen, geraakt door iets, en nu gaat het alleen nog daarom, op leven en dood. Hier is alles bij betrokken, hier kan ik mij niet voor een stukje terug trekken, of een rolletje spelen. Hier moet ik mij totaal inzetten.

De onvoorwaardelijke inzet

Die uitdrukking van onherroepelijkheid, van een haast dramatische overgave kom je ook tegen in de christelijke mystiek. En ook bij D.T. Suzuki, de man die in het begin van deze eeuw als eerste zen bekend maakte in het westen en er daarbij zoveel waarde aan hechtte te laten zien, dat zen niet iets typisch Japans is.

“De meest fundamentele houding van het religieuze” schrijft hij, “is precies die onvoorwaardelijke inzet.”

Hij noemt het één van de pijlers van zen. Maar hij wijst er even uitdrukkelijk op, dat dit opgaat voor elke religieuze houding van alle tijden. Dat is inderdaad een van de drie dingen die elke keer genoemd wordt: grote inzet, onvoorwaardelijk, op leven en dood. Zoiets van: nu duik ik erin en ik ga ermee door, ten koste van alles.

Onvoorwaardelijk loslaten

Overgave

D.T. Suzuki[5]

Maar Suzuki zegt daar nog iets bij:

“midden in die inzet ligt ook de ontdekking, dat ik ondanks alle krachtsinspanning het zelf niet kan”.

Dit betekent niet dat ik er dan maar mee moet ophouden, maar wel dat er een moment is van onmacht, van overgave, van aanvaarding. Dat moet je niet noodzakelijk zien als een duidelijk tijds-moment.

Niet alleen in de zen-school

De christelijke mystiek, en ook de hindoe- en boeddhistische mystiek, laten zien dat er soms inderdaad een duidelijke breuk is, een plotseling, aanwijsbaar gebeuren, maar het hoeft niet per se zo. Het kan ook verborgen zijn, hier, in dit moment; het kan midden in deze krachtsinspanning zelf liggen. Suzuki schrijft hoe dan ook:

“zonder dit ultieme, uiteindelijke overgeven, zonder dit totale loslaten is er nooit de diepste religieuze bevrijding of verlichting”.

Merk op, dat hij hier niet expliciet spreekt over zen, niet over satori als iets bijzonders voor de zen-school. Hij spreekt over elke religieuze houding.

Die twee vreemde componenten, waarvan wij denken: hoe kan dat samengaan? Grote inzet, onvoorwaardelijke betrokkenheid op leven en dood, én precies daarin, en precies daardoor en daarbij de ervaring, de uitdrukking van het totale loslaten: die zijn de kern van alle religie.

Man’s extremity is gods opportunity

Het wonderlijke is, dat Suzuki hier dikwijls christelijke uitdrukkingen gebruikt en bewust voorbeelden uit de christelijke mystiek kiest. Hij kiest bijvoorbeeld meer dan eens het Engelse gezegde dat je waarschijnlijk kent:

“Man’s extremity is Gods opportunity”

waar de mens tot het uiterste gegaan is, niet meer verder kan, zich helemaal geeft, dààr is de kans van het goddelijke, van dat totaal andere. Precies als wij aan onze grenzen gekomen zijn!

Innerlijke rust – Grote twijfel

Shikantaza

Zazen[6]

Ik heb in het verleden dikwijls gesproken over shikantaza: zitten-in-zen, stil worden, aandacht krijgen, oefenen in erbij blijven, hier, in dit moment, bij deze adem. En wat die stilte je kan leren? Misschien verwondering, misschien ontroering, misschien het geheim van de stilte.

Maar onvermijdelijk betekenen al die woorden toch, dat het voor veel anderen niet invoelbaar is. Voor een hoop mensen bestaat die stilte niet, ze kunnen dit emotioneel niet ervaren, er is een te grote chaos, een té wild geraas – never mind, geeft niet!

De stilte wordt verschillend ervaren

Het gevaar van het praten, ook in een teisho, brengt nu eenmaal mee dat er heel gauw een beeld ontstaat, waarbij een aantal mensen denken: nee, dat zie ik niet, dat zeg je wel maar ik voel niets, ik voel chaos, pijn in mijn knieën, pijn in mijn rug, ik word afgeleid, het is een troep. Toch is dat perfecte meditatie. Maar het betekent wel dat die woorden over stilte en innerlijke rust voor sommige mensen kant noch wal raken.

De schrijver heeft grote twijfel ervaren

Hetzelfde geldt ook voor die uitdrukking ‘grote twijfel’, die je mij nog vaker hoort noemen. Ik praat daar dikwijls over, omdat ik dat zelf zo sterk gekend heb, en ik kan nu eenmaal niet in de huid van andere mensen kruipen. Ik heb mijn leven, mijn weg gehad en dat was precies die grote twijfel.

Anderen ervaarden het gelukzalige

Maar ik weet van anderen, die toch zeer lang en diep met zen bezig zijn, van zenmeesters en van christelijke mystici, dat ze die grote twijfel niet zo gekend hebben. Niet op deze emotionele manier. Ze hebben dan leren loslaten met een soort blijheid, onbevangenheid, en met wat Fortmann noemt dat beate, dat gelukzalige, wat sommige mensen meekrijgen bij hun geboorte en meedragen tot aan hun graf, als een soort speciale genade die heel veel anderen niet kennen. Fortmann zelf ook niet, die behoort ook tot die tweede categorie, waarvan hij zegde:

“ceux qui pleurent et pleureront jusqu’à la fin”.

Het tekort van de menselijke taal, ook van de zen-taal

Praat je over het ene, dan zullen sommigen denken: waar heeft hij het over, dat geluksgevoel ken ik niet. Praat je over het andere, die grote twijfel – en ik moet zeggen het grote wonder is dat je eruit komt, dat je er totaal uitkomt, daarom praat ik er zo graag over – dan zal een aantal mensen denken: grote twijfel, waar heeft hij het over? Bijna alles dat je in woorden uitdrukt zal voor een aantal mensen onherkenbaar zijn. Dat is het tekort van de menselijk taal, ook van de zen-taal. Ook van mijn taal.

Zelfs de slechte methode wordt goed!

Grote inzet

Maar grote inzet is misschien een noemer waarin iedereen zich kan herkennen; of dat nu bij het zitten in zazen is, of in het stil worden, of in het stappen, of in het elke keer weer de eigen twijfels opvangen en toch overeind blijven midden in de pijn; of dat het gaat om een persoonlijk probleem, waar je niet eens met een ander kunt over praten, maar wat je uitziekt, moedig en elke dag opnieuw; of dat men zich gelukzalig voelt, of iets concreets aanpakt en gewoon weet: ik moet verder gaan.

Grote inzet – grote betrokkenheid – onvoorwaardelijkheid – wat met leven en dood gepaard gaat – ik denk dat dit toch een verwoording is (en meer is het niet) die voor de meeste mensen beter herkenbaar is, dan die meer specifieke, in begrippen gevangen, uitingen van die nooit te definiëren houding.

Inzet en overgave

Inzet én overgave, wat je ook doet, welke weg je ook gaat: ontdekken dat je het zelf niet kan. Of dat blijmoedig is, met een glimlach, of dat het gaat met tranen, is niet belangrijk. Maar die twee elementen samen, inzet en overgave, moeten er zijn.

Wat we ook doen – of het de rozenkrans bidden is, of ons verdiepen in de gnosis, of de koan-studie, of de moraal, of iets anders – zolang het alleen een methode is zonder die overgave, werkt het niet, blokkeert het. En omgekeerd: welke de methode ook is, wat je ook doet – en zen is niet het enige, het is één uitdrukking van stil worden en aandachtig zijn, maar het kan op allerlei manieren – als daar consequent in doorgegaan wordt, dan zal vroeg of laat die onmacht opduiken. En daar begint het.

Tot de onmacht begint

Een bekend zen gezegde luidt: zelfs de slechte methode wordt goed. Er staat niet: de slechte methode wordt een goede methode, maar een slechte methode, met de goede instelling en consequent volgehouden, wordt goed, daar waar het ophoudt methode te zijn.

Maar ook een goede methode moet ooit ophouden ‘methode’ (een middel tot een doel) te zijn. Dat is stamelende taal om duidelijk te maken wat Suzuki wilde zeggen met die grote inzet op leven en dood en tegelijk daarin, elk moment – niet zo dadelijk als je wat geoefend heb, maar nu – het diepe besef van overgave, van onmacht, van loslaten.

Ontspannen spanning

Sinjavski beschrijft de ontspannen spanning

Sinjavski[7]

Een van de meest ontroerende teksten daarover, wat ik een duidelijke zentekst vind, is van Sinjavski, een Russisch schrijver die aanvankelijk nauwelijks in religie geïnteresseerd was en nooit van zen gehoord had Toen hij het schreef zat hij in Siberië, veroordeeld tot zeven jaar dwangarbeid Ik ken géén tekst die de twee genoemde elementen zo duidelijk samenbrengt Hij schrijft:

“er moet een toestand zijn, waar men de uiterste grenzen bereikt heeft van een verschrikkelijke, innerlijke dorst, van een ontzettend verlangen om zich te openen, om te kunnen zien, om volledig te kunnen leven.

En tegelijk drukt die toestand machteloosheid uit, overgave en de innerlijke weigering om zelf ook maar één vinger uit te steken Het is het samengaan van een hartstochtelijk en verslindend verlangen (inzet) met overgave, onmacht, dadenloos doen; het is een ontspannen spanning”

U ziet hoe hij stamelt met de taal Zo iets van: “laat het gebeuren – laat het gebeuren – ik schreeuw erom – ik ben één schreeuw erom – maar ik besef dat ik niets kan doen”.

Alleen dààr, schrijft hij ligt het waarlijke begin- én het waarlijke eindpunt, datgene wat alle wijzen van alle tijden en alle religies altijd geweten hebben.

Voor Sinjavski betekende dit, dat de deur openging voor een authentieke, mystieke beleving van de Russische orthodoxie Voor een ander is het iets heel anders – we hoeven niemand na te doen Waar het om gaat is, dat de houding van Teh Ching, van Hisamatsu, van Suzuki, precies is wat Sinjavski hierboven probeert te beschrijven.

Genade als de kern van elke religie

Als we zitten in meditatie, hoe wij het ook beleven, wat wij verder ook doen, (want dit is maar oefenen op een heel klein plekje): laat het zo zijn dat het altijd gedragen wordt door precies die houding Zonder dat we precies kunnen zeggen wat er nu het eerste plaats vindt

Want daar is ook over gebekvecht Is het eerst die twijfel die als een prikkel ons op de weg zet? Of is het een groot vertrouwen? Hoe zouden we hier zonder vertrouwen überhaupt zitten en überhaupt blijven leven? Er is immers meer reden om geschokt te zijn door de dingen die gebeuren Hoe is het dan toch mogelijk dat we overeind blijven en zelfs verder gaan op onze weg? Zó ver, dat het geen weg meer is.

Neen, we kunnen nooit zeggen wat er eerder is Het is dààrom dat de kern van elke religie stelt dat uiteindelijk alles genade is – alles. Ook het moment waarop wij ontdekken dat wij zelf niets meer kunnen, dat we met al onze inspanningen het niet kunnen bereiken En dan toch verder doen!

Noten

[1] De van bandopname uitgetypte letterlijke tekst van deze lezing is door WW redacteur Gea Smit voor het Wijsheidsweb enigszins geredigeerd, en voorzien van afbeeldingen en tags.
[2] Bron: boot op het strand op West-Java
[3] Vrouwelijke kloosterling
[4] Bron: The Characteristics of Oriental Nothingness
[5] Bron: Daisetsu Teitarō Suzuki
[6] Bron: Hozumi Gensho Roshi in zazen
[7] Bron: Sinjavski

studeerde wis- en natuurkunde, en Slavische talen en letterkunde. Hierna volgde hij gedurende vier jaar een studie vergelijkende cultuur- en godsdienstwetenschappen over de ontmoeting tussen Oost en West. In 1968 werd Ton Lathouwers benoemd tot gewoon hoogleraar Russische letterkunde te Leuven, met een nevenopdracht aan de theologische faculteit: religieuze thematiek in de moderne literatuur. In 1987 verkreeg Ton Lathouwers zijn officiële autorisatie (transmissie) als leraar Chinese Rinzai Chan van de Chinese Ch’anmeester Teh Cheng. Sindsdien begeleidt hij zengroepen in Nederland, België en Zweden.