Je hoeft niet eerst bovenaan de ladder te komen

0

om naar buiten te kijken…
Op een oneindige ladder kun je overal naar buiten kijken!

Ton Lathouwers

Teisho (zentoespraak) van 18 mei 1996 gehouden in Drongen. Verschenen in het tijdschrift InZicht van februari 2004. www.inzicht.org[1]

Diverse vragen

Boeddha[2]

Kunnen wij door onze eigen inspanningen komen tot verlichting — wat dit ook mag betekenen?
Is zen en de zenmeditatie een methode tot bevrijding?
Wat vinden we hierover in het leven en de leer van de Boeddha?
En hoe komt dit tot uitdrukking in onze praktijk en onder meer in de gelofte van de bodhisattva, die in vele zengroepen gereciteerd wordt?

Doe ik het of doe ik het niet?

Vooroordelen

In de dialoog tussen christenen en boeddhisten komen enkele vooroordelen altijd weer terug. Met als belangrijkste de vraag: is verlichting, verlossing, bevrijding… iets dat je bereikt op eigen kracht of ben je integendeel onmachtig om daartoe zelf ook maar iets te ondernemen en ligt alles in de handen van een ‘Andere’ kracht?

Verwijten

Vanuit boeddhistische hoek klinkt dan het verwijt als zouden christenen geen verantwoordelijkheid durven op te nemen en zich uitsluitend beroepen op de genade. Terwijl het voor het boeddhisme duidelijk is dat je ‘het’ uiteindelijk zelf moet bewerkstelligen. Waarop dan weer van christelijke zijde het verwijt komt, dat deze eigenmachtigheid hybris is, trots en aanmatiging.

Vraagstelling

Maar wat is het dan? Is het eigen kracht of integendeel andere kracht? Is verlichting iets dat ik zelf bewerkstellig of ben ik overgeleverd aan de genade, een hogere macht die ik zelf allerminst in de hand heb?

Tegenstelling

Allereerst dit. Deze opstelling zou doen vermoeden dat boeddhisten en christenen elk een ondubbelzinnig monolithisch antwoord geven: het christendom zweert bij andere kracht; het boeddhisme vertrouwt uitsluitend op eigen kracht.

Vrije wil of genade?

Niets is minder waar. Bij de theologische discussies over vrijheid werd in het Westen al de vraag gesteld of vrijheid in diepste zin iets is wat ik doe? Of is de vrije wil helemaal niet vrij, zoals Luther beweerde, en is het uiteindelijk genade?

Dogen[3]

Ook in het boeddhisme is het verre van eenduidig. Herinneren we aan Dogen die zijn zoektocht begon, aangevuurd door die brandende existentiële vraag: als het dan zo is dat we allen van nature verlicht en bevrijd zijn, hoe komt het dan dat zelfs de allergrootsten uit de traditie zoveel moeite hebben moeten doen?

(N)iets doen

Alles is er al, je hoeft niets te doen. En ergens is dat waar en klopt dat over de hele lijn. Toch groeit dit passief lijkende inzicht enkel uit activiteit. Voor Dogen begon het met zijn zitten in zazen. Het had net zo goed ‘iets’ anders kunnen zijn: een gebed, de handen vouwen, een buiging, een woord dat uit het hart komt.
Maar het moet wel ‘iets’ zijn, de vlam kan pas ontbranden aan een vonk. Ik beweeg en dan ontdek ik dat alles beweegt. Maar dat gebeurt pas als ik beweeg, als ik een stap zet.

Bewegen

Met opzet gebruik ik het werkwoord ‘bewegen’ en niet ‘ergens naartoe gaan’, of erger nog, ‘iets willen bereiken’. We moeten maar eens en voorgoed het vooroordeel onderuithalen als zou het boeddhisme beweren dat verlichting iets is wat je zelf bereikt.

Overeenkomst boeddhisme en christendom

Want laat het nu net daar zijn dat het boeddhisme en het christendom elkaar ongemeen dicht benaderen: in de deemoedige erkenning dat ik het niet kan. Waar het om gaat — wat dat ook moge betekenen; het invullen staat gelijk met het kapotmaken — kan ik niet bereiken.
Ik kan niets bereiken. Hoezeer dat ook ingaat tegen mijn hele natuur om een doel na te streven, om het zelf te willen doen.

Ik geef opdat Gij geeft

Willen

Het ligt in de menselijke natuur te willen: ik doe iets en dan bereik ik iets. Ik ga mediteren en daar komt uiteindelijk verlichting uit voort. Als het niet meteen lukt, doe ik allicht niet hard genoeg mijn best, heb ik de verkeerde methode, heb ik de verkeerde leraar…
Ik weet ondertussen best wel dat ik helemaal niets mag willen, maar als ik nu iets harder mijn best zou doen, dan…

‘Do ut des’

Dat mechanisme zit zo diep in onze genen ingebouwd. Zelfs het christendom, dat zó heet te vertrouwen op de genade, is ontzettend vaak afgegleden naar een eigengereide transactie in de zin van: “nu doe ik dit en dan krijg ik dat”. Genezing van ziekte, vergeving van zonde, een bevoorrechte plek in het hiernamaals.
In de middeleeuwen heette dit ‘do ut des’, ‘Ik geef opdat Gij geeft’.

Ruilhandel

Maarten Luther – Lucas Cranach de Oude (1528)[4]

Een slim soort economische transactie dus, ruilhandel, een uitgekookt handeltje met God om tegen afgifte van een aflaat, een bedevaart naar heilige relikwieën, enz. een kortere weg naar de hemel te krijgen.
Precies vanuit een hartsgrondige afkeer voor dit soort onderhandelingseconomie ging Luther ongemeen hard tekeer tegen de katholieke kerk, bleef hij erop hameren hoezeer de zogenaamde ‘vrije’ wil, allerminst vrij is. Die ruilhandel, dat sluwe koopmanstrucje van ‘do ut des’, zag hij overal om zich heen, met als trieste culminatie de lucratieve handel in aflaten.

Zelfreflectie

We moeten durven zien hoezeer dit alles in onze genen verankerd ligt. Hoezeer het ongemerkt tot in de authentiekste praktijk binnensluipt en op de achtergrond aanwezig blijft. Misschien is het goed om onszelf eens kritisch te bekijken in het licht van deze vaststelling.

Want u moet eens goed opletten hoe wij van deze of gene zenmeester alle details willen weten en dat met een overgave en een gehoorzaamheid waar de paus alleen maar van kan dromen.

Kun je bij het mediteren eigenlijk wel op een bankje zitten? Mag ik mijn handen zo houden? Werkt het dan nog? Kan ik mijn heil niet beter zoeken in het koan systeem? En werkt dat?
Het zit zo diep in ons! Het beste is: als je jezelf daarop betrapt, lach er eens hartelijk om en ga dan rustig door.

Boeddha

De sutra

Tibetaans boeddhistisch levensrad – foto Joke Koppius

Overigens is het nog maar de vraag of het boeddhisme zo stellig en eenduidig is als het gaat over het vertrouwen op Eigen kracht.
Al in die eerste prediking van de Boeddha, waarschijnlijk de sutra die historisch het authentiekst is overgeleverd, beluisteren we een heel andere stem.

In deze sutra van het in beweging zetten van het wiel van de koninklijke wagen van de dhamma heeft de Boeddha het over de vier nobele waarheden en het achtvoudige nobele pad.
En daar staat iets heel bijzonders in, iets waar wij altijd weer overheen lezen.

Ons beeld van Boeddha’s verlichting

Want we hebben een plaatje van de Boeddha. Hij was rijk, had alles wat hij hebben wou, tot en met een harem toe, maar hij zag een dode, hij zag een zieke, hij zag een arme, hij zag ellende en … hij vluchtte weg. Hij ging op zoek en mediteerde en vastte en na pakweg tien jaar werd hij verlicht.

En dat gaat hij nu aan zijn vroegere metgezellen en de andere mensen vertellen: “Hoor eens, jongens, ik heb zus en zo gehandeld, doen jullie mij nou maar na en dan krijgen jullie het ook.”

Plotseling

Die populaire beeldvorming is totaal in tegenspraak met het verslag dat de sutra doet van de gebeurtenissen. Daar heet het, heel wonderlijk, dat de Boeddha tot in de derde nachtwake zichzelf en de wereld gedompeld zag in een uitzichtloze duisternis en dan ‘plotseling’, plotseling kwam dat. En vooral dat plotselinge irriteert ons mateloos.

Als de twee polen van een magneet

In zijn eerste prediking aan de monniken licht hij het dan ook toe. In gewoon Nederlands geeft hij eigenlijk toe: je kunt het niet zelf bereiken. Maar in één adem geeft hij ook toe dat het zo verduiveld diep in ons zit om het zelf te willen doen.

Hij vergelijkt het bijna met de twee polen van een magneet. Want hij zegt: monniken, jullie zijn dan al weggegaan, jullie hebben de wereld en haar wegen dan al achter je gelaten, maar kijk uit! Er zijn twee polen die ongelooflijk aan jullie trekken.

Het willen be-grijpen

Chogyam Trungpa Rinpoche[5]

De ene pool is de pool van lust, rijkdom, het willen bezitten, het willen be-grijpen. Willen grijpen op elk gebied, ook spiritueel. Wat de Tibetaanse leraar Chögyam Trungpa ‘spiritueel materialisme’ genoemd heeft: het besmettelijke meenemen van onze gewone handelsgeest in onze spirituele zoektocht. Pakken, pakken, pakken.

Het willen weghouden

Die andere pool is het tegendeel: niet pakken maar integendeel weghouden. En het is allebei fout. Worden, ont-worden … allebei fout. Nee, zegt hij, het is eigenlijk even moeilijk als een stukje ijzer tussen de twee polen van een magneet in leggen. Probeer het maar eens! Het ijzer moet exact in het midden liggen; bij de minste fout schiet het helemaal één kant uit.

De weg van het midden

Praktijk versus methode

Dat is wat de Boeddha zegt als hij een praktijk geeft. Let wel: een praktijk. Hij bedoelt deze praktijk uitdrukkelijk niet als een methode, een opstap tot een doel. Anders had hij wel meteen na zijn verlichting kunnen vertellen: “Jongens, ik heb het te pakken. Ik weet precies hoe het werkt. Als je nu maar gaat zitten, gebeurt het wel.”
Het enige wat hij zegt is:

“Blijf in het midden.”

En wij denken dan: “Oh, dat is dus de gulden middenweg, een beetje daar mee graaien, een beetje hier, niet te serieus, van beide walletjes wat eten en het je vooral niet moeilijk maken.”

Op het scherp van de snede

Maar dat is het niet. Dit ‘midden’ is voor de Boeddha precies op het scherp van de snede, tussen twee polen in. En uitkijken dat je niet doorschiet naar de ene of de andere pool. En dan zegt hij iets heel wonderlijks over die ‘scherpe snede’:

“Hierover is de ontwaakte plotseling tot inzicht gekomen.”

Plotseling

Plotseling is dat ontsprongen. Dit zien, dit weten. Plotseling. Niets dat daaraan voorafgaat, geen voorliggende factoren die dit bewerkstelligd hebben. Want hij zegt er uitdrukkelijk niet bij dat het gebeurd is omdat hij zolang gezeten heeft, of omdat hij dit, dan wel dat gedaan zou hebben.

Waarom bij de Boeddha?

Misschien denken we onmiddellijk: waarom dan juist bij hem? Waarom niet bij mij? Ik weet het niet. Niemand weet het. Ja, daar is natuurlijk een voorzichtige suggestie dat de Boeddha gerijpt is. Maar niet in dit leven en niet door acht jaar mediteren en niet door koans op te lossen.

William Blake

Ontluikende roos ― foto Joke Koppius

Door eindeloos veel daaraan voorafgaande levens, zo wordt gezegd.
Wat moeten wij daarmee? Wat betekent dit?
Dat bedoelt niets anders dan: het heeft een oneindig perspectief naar het verleden en het heeft een oneindig perspectief naar de toekomst.

Zoals William Blake het ergens zegt:

“Als een bloem ontluikt en wij zijn geraakt door die bloem, dan is dat omdat wij eigenlijk heel diep zouden moeten weten dat heel het universum, alle tijd, alle verleden, plotseling samenkomt en uitbarst in die bloem.”

Dat is hetzelfde. Dan denken wij toch ook niet: ik wou dat ik die bloem was. Hier is niet iets individueels in het geding, in de zin van: mooi en leuk voor de Boeddha, hij dus wel en ik niet!

Geraakt worden

Integendeel, de Boeddha is een bloem die oplicht en daar hebben wij alles mee te maken. Dat gebeurt samen. En soms werd dat ook in de Chan-traditie met precies die woorden gezegd als iemand tot ontwaken kwam.
Dat dit ontwaken niet iets is om jaloers op te zijn. Integendeel: het gaat om de vreugde daar zo dichtbij te mogen zijn, daardoor geraakt te worden!

In het midden blijven

Alles hangt samen met alles. Alles is verbonden. Maar wij pikken het zo gauw eruit. Het wordt zo gauw een methode. Daarom is het goed dat eerste verhaal eens te horen én die waarschuwing te beluisteren: kijk uit, blijf in het midden! Want het mechanisme om naar een pool toe te gaan, is zo sterk. ‘In het midden blijven’ is een programma voor alle onderdelen van het leven.

Een praktijk voor het leven

De Boeddha noemt ze stuk voor stuk op: de vier nobele waarheden en al die punten van het nobele achtvoudige pad. Als je het programma leest, dan verschilt dat niet veel van de tien geboden. Het is anders geformuleerd, maar het is evenzeer een blauwdruk voor een leven, een praktijk voor het leven. Dat gaat niet enkel over het zitten in meditatie.

Noch middel noch doel

Het is een discipline, eindeloos lang en zonder doel. Ze gaat precies in tegen wat zo diep in ons verankerd zit: ik doe dit en dan komt dat eruit voort. Hier is het bankje, daar ligt satori en ik maak de verbinding tussen oorzaak en gevolg, tussen middel en doel.

Terwijl dat hele verhaal zegt: knip dat lint van oorzaak en gevolg door. Als wij zitten in stilte en bij de adem blijven, dan heeft elk moment van aandacht geen andere inzet dan het doorknippen van dat lint.

De geloften van de bodhisattva

De eerste gelofte

Datzelfde wordt op allerlei manieren steeds weer herhaald. Als we de ‘geloften van de bodhisattva’ reciteren en met de eerste gelofte zeggen:

“Ontelbaar zijn de levende wezens. Ik beloof ze allen te redden.”,

knippen we dat lint door. Want menselijkerwijs is dat onzin.

Als ik die gelofte letterlijk neem, dan is dat megalomanie, grootspraak van de ergste soort. “Zie mij, ik zal ze wel eventjes redden, hier op mijn kussen!” Redelijkerwijs is er geen samenhang tussen mijn zitten en mijn gelofte. Dat knipt die draad weer door.

Vergeet de samenhang

En dat is precies de kern van die gelofte: dat er geen samenhang is, die ik kan zien. Als ik het zou kunnen zien, het ene uit het andere zou kunnen afleiden, dan was het lachwekkend.

De gelofte is waar en waarachtig, maar dan enkel op een niveau waar wij met onze rede niet bij kunnen. Het knipt alles door. En dat geldt voor die vier onmogelijke geloftes die stuk voor stuk benadrukken dat het een oneindig lange weg is.

De tweede gelofte

Neem bijvoorbeeld de tweede gelofte die ons andermaal dwingt de draad tussen oorzaak en gevolg, methode en verlichting door te knippen.

“Ontelbaar zijn de poorten tot inzicht. Ik zal ze alle binnengaan.”

Die gelofte is een dringende, dwingende uitnodiging een stap te zetten. Maar welke stap? In welke richting? Naar welk doel? Dat wordt niet gezegd en dat terwijl alles in ons schreeuwt om een samenhang. Want het hele bestaan komt op ons af als één grote vraag.

Een uitnodiging

Het is een vraag, maar er is geen duidelijkheid over de te zetten stappen. Er is enkel de uitnodiging iets te doen, bijvoorbeeld zitten. Maar licht dat er niet uit als enige mogelijkheid. Want dan kom je al meteen in de karikatuur terecht: wij zitten, wij zijn zenmensen, wij zijn natuurlijk al een stuk verder gevorderd in onze geestelijke ontwikkeling. En tja, die anderen zijn beslist ook goede mensen, maar ze missen toch iets.

Vergelijken kan niet

De ladder op[6]

Nee, je kunt niet vergelijken, dat is de andere kant van die regel. Ontelbaar zijn de poorten, ontelbaar zijn de treden van de ladder. Als er slechts duizend treden zijn, dan kan ik op een bepaald ogenblik ontdekken: ik ben op 794 en hij is pas op 513, ik lig een stuk voorop; ik ben dichter bij het doel.

Maar als er een oneindig aantal treden zijn, dan kun je klauteren en klimmen wat je wilt, maar er is geen vergelijkingspunt. En dit is precies het bevrijdende: je kunt niet vergelijken.
Zoals Rilke al zegt:

“Nichts ist vergleichbar, denn wer ist nicht ganz mit sich allein?”
Niets kun je vergelijken, wie is uiteindelijk niet met zichzelf helemaal alleen?

Laat dat tot troost zijn als wij het gevoel hebben nog helemaal nergens te zijn. Van de Boeddha wordt gezegd: hij is nog niet eens halverwege.

Je kunt altijd naar buiten kijken

Als de weg oneindig is, is de Boeddha ook nog nergens. Dan is hij net als wij: in het midden. Maar de hele tekst zegt ook: waar je ook bent, op welke trede je ook bent, je kunt altijd naar buiten kijken. Je hoeft niet eerst bovenaan te zijn om naar buiten te kijken. Op een oneindige ladder kun je overal naar buiten kijken!

Noten

[1] De tekst van deze lezing is door WW redacteur Gea Smit voor het Wijsheidsweb enigszins geredigeerd, en voorzien van afbeeldingen en tags.
[2] Bron: Mediterende boeddha
[3] Bron: Dogen
[4] Bron: Martin Luther geschilderd door Lucas Cranach de Oude in 1529
[5] Bron: Chogyam Trungpa Rinpoche (1939-1987)
[6] Bron: ladder

studeerde wis- en natuurkunde, en Slavische talen en letterkunde. Hierna volgde hij gedurende vier jaar een studie vergelijkende cultuur- en godsdienstwetenschappen over de ontmoeting tussen Oost en West. In 1968 werd Ton Lathouwers benoemd tot gewoon hoogleraar Russische letterkunde te Leuven, met een nevenopdracht aan de theologische faculteit: religieuze thematiek in de moderne literatuur. In 1987 verkreeg Ton Lathouwers zijn officiële autorisatie (transmissie) als leraar Chinese Rinzai Chan van de Chinese Ch’anmeester Teh Cheng. Sindsdien begeleidt hij zengroepen in Nederland, België en Zweden.