(Tegen)stromingen rond de leer van Confucius

Hoofdredactie

De leer

In de leer van Confucius staan sociale betrekkingen, de groepsmoraal, het gezonde verstand en praktische kennis voorop. Deze leer focust op menselijke betrekkingen en sociale hiërarchieën, met sociale en politieke voorschriften. Het draait om de plaats van het individu in de groep. Bijdragen van de leer van Confucius aan de Chinese maatschappij liggen op de gebieden van de regering, het zakenleven, de clan- en familiebetrekkingen en van de voorouderverering.

De leer van Confucius heeft de Chinese maatschappij voorzien van een opvoedingssysteem en strikte regels voor de sociale etiquette. Er ligt een sterk accent op de vorming tot een deugdzaam mens, van wie men op aan kan. De deugdzame houdt door zijn respectvolle en welwillende houding en door zijn correcte gedragingen de juiste verhoudingen in stand. Zo zorgt hij voor een stabiele maatschappij en politieke ordening.

De confucianisten beschouwden zichzelf niet als een school. Zelf maakten zij onderscheid tussen het confucianisme enerzijds en scholen met specifieke ideeën anderzijds. Afhankelijk van het feit of ze vonden dat die ideeën deugden of niet, werden ze overgenomen of bestreden.

Confucius – Kǒng fū zǐ

Confucius, gouache op papier (circa 1770) [4]

De stichter van de leer van ‘het confucianisme’ ontleent zijn naam aan Kǒng Zǐ[1] of Kǒng fū zǐ (522 of 551-479 vC in het vorstendom Lu), hetgeen een erenaam is en meesterleraar Kong betekent.
In de Latijnse verbasterde vorm werd dat Confucius. Hij werd door zijn leerlingen met pracht en praal begraven.

Confucius heeft geen regelmatig onderricht van een leraar gehad en was autodidact. Hij wordt beschouwd als de meest invloedrijke van alle Chinese denkers.

Confucius leefde tijdens een periode van grote achteruitgang op alle gebieden in China en van voortdurende vetes tussen concurrerende staten binnen de grenzen van het historische China.

Confucius, van betrekkelijk nederige afkomst, was de raadsman van een aantal staatjes, die gedurende de neergang van de Zhou-dynastie waren ontstaan. Met liefde keek hij terug naar een voorbije ‘gouden eeuw’ van Chinees leven, bestuur en maatschappelijke verhoudingen. Voor hem was behoorlijk bestuur een zaak van zowel innerlijk als van uiterlijk fatsoen en ‘adeldom’.

Het huis van Confucius als school

Al vroeg richtte Confucius zijn huis in als school en onderwees in geschiedenis, dichtkunst en goede omgangsvormen. Zo’n drieduizend mannen hebben bij hem onderwijs genoten. Hij was daarmee een zeer invloedrijke leraar met leerlingen uit verschillende sociale klassen. Dat het niet alleen de lieden van adel betrof, was een vernieuwing. Sommigen leerlingen gingen later openbare ambten bekleden.

Een groot deel van zijn leven was hij bezig leiders te onderwijzen in juist gedrag en juiste rituelen en gebruiken. Hij hoopte zo de mens te verbeteren en te hervormen. Hij slaagde hierin naar zijn zin onvoldoende. En hij stierf bitter teleurgesteld over het feit dat geen regerend vorst naar zijn leer had willen luisteren of zijn principes in praktijk had willen brengen.
Niettemin kregen zijn leringen in het tijdperk dat hierop volgde, de periode van de Strijdende Staten (480-221 vC) steeds meer aantrekkingskracht, als reactie op de toen alom heersende anarchie en egoïsme.

De belangrijkste volgelingen van Confucius waren Mencius en Xunzi.

Mencius – Mèng Zǐ

Mencius, Mèng Zǐ (foto Everett) [5]

Mèng Zǐ – in de verlatiniseerde  vorm werd dat Mencius – (371 tot 289 vC) was een leerling van de kleinzoon van Confucius. Hij heeft in China van alle leerlingen het grootste aanzien gekregen.

Mencius was belangrijk als politiek denker en als raadsman van vorsten. Hij heeft de leer van Confucius op twee plaatsen aangevuld en uitgewerkt. Hij heeft geprobeerd de leer een basis te geven in een leer over de menselijke natuur, door duidelijke stellingen over het menselijk karakter te formuleren.

In De Mencius – Mèngzǐ is zijn leer opgetekend.

De vier pijlers zijn volgens Mencius: medemenselijkheid, rechtschapenheid, de rite(n) [het gedrag in een bepaalde situatie: moreel, beleefdheid, welvoeglijkheid]en de wijsheid (heeft met kennen te maken en kennen weer in morele zin).

Mencius bezocht koning Hui van Liang. De koning zei: “Oude heer, u hebt duizend mijlen niet ver geacht en bent gekomen. U zult dan ook wel iets kunnen aanvoeren om mijn land voordeel te brengen!”

Mencius antwoordde: ‘Majesteit! Waarom moet u van voordeel spreken? Er is ‘dan ook wel’ menselijkheid en plichtsbesef en anders niet. Als de koning zegt: ‘Hoe kan ik mijn land voordeel brengen?’, dan zullen de grote van het land zeggen: ‘Hoe kan ik mijn huis voordeel brengen?’, en de ambtenaren en het gewone volk zullen zeggen: ‘Hoe kan ik mijn persoon voordeel brengen?’ Hoog en laag zullen elkaar het voordeel betwisten en het land zal in gevaar komen (…) Laat Uwe Majesteit alleen van menselijkheid en plichtsbesef spreken. Waarom moet u het zo nodig over voordeel hebben?”[2]

Mencius IA – 1

De mens is van nature goed

Mencius verkondigt de oorspronkelijke goedheid van de menselijke natuur. De mens heeft, in zijn natuurlijke spontane gevoelens, aanleg tot de verschillende hoofddeugden. Ieder mens draagt de sleutel tot harmonisch leven in zich en als men probeert die te verwezenlijken, ontstaat vanzelf de juiste maatschappelijke orde. Daarom hoeft men volgens Mencius — dit in duidelijke tegenstelling tot de daoïsten — noch de natuur te raadplegen, noch te kijken naar een wijze. Het goede hoort tot de aard, de essentie van de mens. Wanneer de menselijke natuur geen geweld wordt aangedaan, komt het goede vanzelf tot ontwikkeling. Menselijkheid en rechtschapenheid komen van binnenuit en worden niet van buitenaf opgelegd. Ze zijn al in aanleg aanwezig.

Mencius zei: ‘Alle mensen hebben allen een hart dat het lijden van anderen niet verdraagt. (…) Waarom ik zeg dat alle mensen een hart hebben dat het lijden van anderen niet verdraagt is het volgende. Als mensen plotseling een zuigeling zien, die op het punt staat in een put te vallen, dan ervaren ze alleen een gevoel van bezorgdheid en medelijden. Het is niet omdat zij in de gunst wil komen bij de ouders van de zuigeling; het is niet omdat zij geprezen willen worden door dorpsgenoten en vrienden; het is niet omdat ze het stemgeluid van het kind niet verdragen. Hieruit kan men zien, dat wie geen gevoel van medelijden heeft, geen mens is’.[2]

de Mencius, Mèngzǐ [6]

Mencius IIA – 6

Als er dan toch fouten zijn moet dat liggen aan de instellingen, de onvolmaaktheden van de maatschappelijke orde en aan de fouten van de heersers. Omdat Mencius gelooft in het goede van de mens wordt hij criticus van de maatschappij en voor confuciaanse begrippen revolutionair.

Mencius zei tot koning Xuan van Qi: “als een onderdaan van Uwer Majesteit zijn vrouw en kinderen aan de zorgen van zijn vriend toevertrouwt en op reis gaat naar Chu, en als hij dan vervolgens bij zijn terugkeer zijn vrouw en kinderen aan honger en koude overgelaten vindt, wat doet men dan?”

De koning zei: “Schuif hem terzijde.”

“Als de hoofdambtenaar niet in staat is de ambtenaren in het gareel te houden, wat doet men dan?”

De koning zei: “Verwijder hem.”

“Als er binnen de vier grenzen geen goede regering heerst, wat doet men dan?”

De koning wendde zich tot zijn hovelingen en sprak over iets anders.[2]

Mencius IB – 6

Xún Zǐ

Xun Zi [7]

Xún Zǐ (355 tot 288 vC) beoordeelde het menselijk karakter precies tegengesteld aan de waardering van Mencius. Volgens Xun Zi is de natuur van de mens slecht en diens goedheid gekunsteld. Want de mens heeft van nature begeerten en eigen belang in zich. De deugd is resultaat van cultivering. Het toegeven aan de natuur en het uitleven van hartstochten heeft tot gevolg dat er twist en strijd ontstaat, dat men de eigen plaats niet kent in het grotere geheel en dat de orde verstoord raakt.

De mens is van nature slecht – Xìng È

Daarom is opvoeding nodig, de weg van ethiek en recht, opdat toegeeflijkheid en vriendelijkheid ontstaan, de voorschriften worden opgevolgd en alles aan de regel beantwoordt. Ook de natuur moet daadwerkelijk worden beheerst.

De menselijke natuur is slecht; wat er goed aan is, is aangeleerd. De menselijke natuur heeft immers vanaf de geboorte de zucht naar voordeel in zich. Volgt men haar, dan ontstaan strijd en hebzucht, en bescheidenheid en toegeeflijkheid verdwijnen.

(…)

Ook kromhout moet immers wachten op het klemraam en de inwerking van stoom en pas daarna wordt het recht; stomp metaal moet wachten op het slijpen door de wetsteen en pas daarna wordt het scherp. Welnu, de menselijke natuur is slecht en moet wachten op leraar en voorbeeld en wordt daarna pas rechtschapen, op ceremonieel gedrag en plichtsbesef, en komt pas daarna tot orde. [3]

Xunzi 23

  • Leeuw, K.L. van der (1994) Het Chinese denken, geschiedenis van de Chinese filosofie. Amsterdam: Boom.
  • Leeuw, K.L. van der (2006) Een inleiding in de leer van Confucius. Amsterdam: Ambo.
  • Leeuw, K.L. van der (2008) Mencius, inleiding, vertaling en commentaar. Budel: Damon.
  • Schipper, K. (2014) Confucius, de gesprekken, gevolgd door Het leven van Confucius door Sima Qian (circa 145-86 vC) vertaling en toelichting. Amsterdam: Uitgeverij Augustus.
Noten

[1] Het toevoegsel zi betekent leraar, filosofen zijn in China mensen die les geven; heel veel namen hebben dan ook de toevoeging zi.
[2] Leeuw, K.L. (2008) Mencius, inleiding, vertaling en commentaar. Budel: Damon
[3] Leeuw, K.L. van der (2006) Confucianisme. Een inleiding in de leer van Confucius. Amsterdam: Ambo
[4] Bron: Confucius
[5] Bron: Mencius, photograph by Everett
[6] Bron: Mencius, Annotated and Commentated, a Yuan-Ming copy mended on top of a Song dynasty printing from the Jiatai reign period (1201-1204)
[7] Bron: Xun Zi

2018-01

Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , ,