Stromingen rond de leer van Confucius

Hoofdredactie m.m.v. Hans van Rappard

Water — wegen van het hartConfucianistische stromingenStromingen rond de leer van ConfuciusEnkele grondbegrippen van het confucianismeOntwikkeling van het confucianismeBelangrijke confucianistische geschriften: Zhu XiChinese filosofische scholenChinese klassieke werkenChinese astrologieTaijitu symbool

De leer

In de leer van Confucius staan sociale betrekkingen, de groepsmoraal, het gezonde verstand en praktische wijsheid voorop. Deze leer focust op menselijke betrekkingen en sociale hiërarchieën, met morele en politieke voorschriften. Het draait om de plaats van het individu in de groep. Bijdragen van de leer van Confucius aan de Chinese maatschappij liggen op de gebieden van de regering, het zakenleven, de clan- en familiebetrekkingen en van de voorouderverering.

De leer van Confucius heeft de Chinese maatschappij voorzien van een opvoedingssysteem en strikte regels voor de sociale etiquette. Er ligt een sterk accent op de vorming tot een deugdzaam mens, van wie men op aan kan. De deugdzame houdt door zijn respectvolle en welwillende houding en door zijn correcte gedragingen de juiste verhoudingen in stand. Zo zorgt hij voor een stabiele maatschappij en politieke ordening.

De confucianisten beschouwden zichzelf niet als een school. Zelf maakten zij onderscheid tussen het confucianisme enerzijds en scholen met specifieke ideeën anderzijds. Afhankelijk van het feit of ze vonden dat die ideeën deugden of niet, werden ze overgenomen of bestreden.

Confucius — Kŏng Fūzĭ

De stichter van de leer van ‘het confucianisme’ ontleent zijn naam aan Kŏng Zĭ[2] of Kŏng Fūzĭ (522 of 551-479 BCE in het vorstendom Lu), hetgeen een erenaam is en meesterleraar Kong betekent.
In de Latijnse verbasterde vorm werd dat Confucius. Hij werd door zijn leerlingen met pracht en praal begraven.

Confucius, gouache op papier (circa 1770)[1]

De vader van Confucius was een shi, een soort landedelman. Confucius heeft geen regelmatig onderricht van een leraar gehad en was autodidact. Hij wordt beschouwd als de meest invloedrijke van alle Chinese denkers.

Confucius leefde in een periode van grote achteruitgang op alle gebieden in China. Net voorafgaand aan zogenoemde Periode van de Strijdende Staten (480-221 BCE), een tijdperk van constante oorlog en voortdurende strijd tussen concurrerende staten binnen de grenzen van het historische China.

Met liefde keek hij terug naar een voorbije ‘gouden eeuw’ van Chinees leven, bestuur en maatschappelijke verhoudingen, dat wil zeggen naar de (geïdealiseerde) tijd van het begin van de Zhou dynastie (rond 1000 BCE).
Voor hem was behoorlijk bestuur een zaak van zowel innerlijk als van uiterlijk fatsoen en ‘adeldom’.

Het huis van Confucius als school

Al vroeg richtte Confucius zijn huis in als school en onderwees in geschiedenis, dichtkunst en goede omgangsvormen. Ongeveer 100 geïdentificeerde leerlingen (mannen) hebben bij hem onderwijs genoten. Hij was daarmee een zeer invloedrijke leraar met leerlingen uit verschillende sociale klassen. Dat het niet alleen de lieden van adel betrof, was een vernieuwing. Sommigen leerlingen gingen later openbare ambten bekleden.

Een groot deel van zijn leven was hij bezig leiders te onderwijzen in juist gedrag volgens goede rituelen en gebruiken. Hij hoopte zo de mens te verbeteren en te hervormen. Hij slaagde hierin naar zijn zin onvoldoende.

Confucius was een enkele korte periode de raadsman van een aantal staatjes, die gedurende de neergang van de Zhou-dynastie waren ontstaan. Hij heeft wel steeds geprobeerd meer invloed te krijgen, maar vond geen gehoor. Hij stierf bitter teleurgesteld over het feit dat geen regerend vorst naar zijn leer had willen luisteren of zijn principes in praktijk had willen brengen.

Niettemin kregen zijn leringen in het tijdperk dat hierop volgde, de periode van de Strijdende Staten (480-221 BCE) steeds meer aantrekkingskracht, als reactie op alom heersende anarchie en egoïsme.

Het belang van spirituele zaken

Confucius heeft het belang van spirituele zaken en van de goden vrijwel steeds ontkend voor het verrichten van goede werken. Hij had ook weinig interesse in de dood. Het ging hem om de sociale orde, de morele verplichtingen in deze wereld en dit leven.

De hemel werd door hem als onpersoonlijke morele instantie beschouwd — niet langer als een menselijk persoon. Ook was de rol van de vorst sinds Confucius vooral een ethische, hij moest een goed voorbeeld geven aan zijn volk.

Zilu [Jilu] vroeg hoe de goden en voorouders te dienen.
De Meester zei:

‘Je bent nog niet in staat je medemensen te dienen. Hoe kun je dan je voorouders dienen?

Toen Zilu daarop wilde weten wat het betekent om dood te gaan was het antwoord:

‘Je weet nog niets van het leven. Hoe kun je dan begrijpen wat de dood is?’

De Gesprekken XI:12 (Schipper, 2014)

Het confucianisme werd in feite en staatsgodsdienst

Altaar in een Confucianistische tempel[3]

Niettemin werd Confucius tegen het eind van de eerste eeuw v.o.j. al volop aanbeden. In 59 werd dit door de keizer geformaliseerd, toen hij verkondigde dat offeranden aan Confucius moesten worden gebracht. Vanaf toen werden de officiële riten, ceremonies en de keizerlijke offers beschouwd als confuciaans bestanddeel van het staatsbestel.

Gelet op de plaats die het confucianisme kreeg in de officiële eredienst is het te beschouwen als een aan oude gebruiken aangepaste, wijdverbreide en eeuwenoude religieuze stroming in China. Het werd in feite de staatsgodsdienst.

Tot dan toe was de rol van de vorst veeleer magisch, mythisch geweest. De vorst was bij Confucius niet meer de enige intermediair met de hemel; ook Confucius had, zo blijkt uit diverse passages, een relatie met de hemel. Dat iemand anders dan de vorst — in feite iedereen — een relatie met de hemel kon hebben, en daarbij in tegenstelling tot de vorst ook geen verantwoordelijkheid naar het volk droeg, was een doorbraak.

De belangrijkste volgelingen van Confucius waren Mencius en Xunzi. Twee critici waren Mozi en Han Feizi.

Mencius

Mèngzĭ of Mencius (371 tot 289 BCE) was volgens de overlevering een leerling van Confucius’ kleinzoon Zi Si. De gesprekken die hij voerde met leerlingen, vorsten en tegenstanders als Mozi, zijn uitgebreider dan die van Confucius en behandelen ook onderwerpen waarover die zich niet heeft uitgesproken. Hij heeft in China van alle leerlingen van Confucius het grootste aanzien gekregen.

Mencius, Mèngzǐ – foto Everett[4]

Mencius was belangrijk als politiek denker en als raadsman van vorsten. Hij heeft de leer van Confucius op twee plaatsen aangevuld en uitgewerkt.
Ten eerste heeft hij geprobeerd de leer te baseren op de menselijke natuur, door duidelijke stellingen over het menselijk karakter te formuleren.
Ten tweede probeerde hij vorsten te overtuigen van de wenselijkheid van een humane regering, dat wil zeggen een bewind dat oog heeft voor het welzijn van het volk.
Zo bepleitte hij het planten van moerbeibomen om warme zijde te hebben voor ouderen en het houden van varkens en kippen om het volk van vlees te kunnen voorzien. Hoewel Mencius meer aandacht had voor de materiële aspecten van het leven dan Confucius benadrukte hij dus ook de morele ontwikkeling van de mens.

In de Mèngzĭ is zijn leer opgetekend.

Mencius bezocht koning Hui van Liang. De koning zei: “Oude heer, u hebt duizend mijlen niet ver geacht en bent gekomen. U zult dan ook wel iets kunnen aanvoeren om mijn land voordeel te brengen!”

Mencius antwoordde: ‘Majesteit! Waarom moet u van voordeel spreken? Er is ‘dan ook wel’ menselijkheid en plichtsbesef en anders niet. Als de koning zegt: ‘Hoe kan ik mijn land voordeel brengen?’, dan zullen de grote van het land zeggen: ‘Hoe kan ik mijn huis voordeel brengen?’, en de ambtenaren en het gewone volk zullen zeggen: ‘Hoe kan ik mijn persoon voordeel brengen?’ Hoog en laag zullen elkaar het voordeel betwisten en het land zal in gevaar komen (…) Laat Uwe Majesteit alleen van menselijkheid en plichtsbesef spreken. Waarom moet u het zo nodig over voordeel hebben?”[5]

Mencius IA- 1

De mens is van nature goed

Filosofisch gezien werd Mencius vooral bekend door zijn leer van de goedheid van de menselijke natuur. Volgens hem bezit elk mens een aanleg tot morele of spirituele ontwikkeling. De vier pijlers voor die ontwikkeling zijn: medemenselijkheid, rechtschapenheid, de riten en de wijsheid.
Onder riten verstaat Mencius het gedrag in een bepaalde situatie: moreel, beleefd, welvoeglijk. Wijsheid betreft het kennen in die morele zin.

De mens heeft, in zijn natuurlijke spontane gevoelens, aanleg tot de vier deugden van menselijkheid, plichtsbetrachting, ritueel gedrag en inzicht. Ieder mens draagt de sleutel tot harmonisch leven in zich en door die te cultiveren, ontstaat vanzelf de juiste maatschappelijke orde. Daarom hoeft men volgens Mencius — dit in duidelijke tegenstelling tot de daoïsten — noch de natuur te raadplegen, noch te kijken naar een wijze. Het goede behoort tot de aard, de essentie van de mens. Wanneer de menselijke natuur geen geweld wordt aangedaan, komt het goede tot ontwikkeling.

Mencius zei: ‘Alle mensen hebben allen een hart dat het lijden van anderen niet verdraagt. (…) Waarom ik zeg dat alle mensen een hart hebben dat het lijden van anderen niet verdraagt is het volgende. Als mensen plotseling een zuigeling zien, die op het punt staat in een put te vallen, dan ervaren ze alleen een gevoel van bezorgdheid en medelijden. Het is niet omdat zij in de gunst wil komen bij de ouders van de zuigeling; het is niet omdat zij geprezen willen worden door dorpsgenoten en vrienden; het is niet omdat ze het stemgeluid van het kind niet verdragen. Hieruit kan men zien, dat wie geen gevoel van medelijden heeft, geen mens is’.[6]

Mencius IIA- 6

Menselijkheid en rechtschapenheid komen van binnenuit, zijn al in aanleg aanwezig, en worden niet van buitenaf opgelegd. Deze aangeboren ‘spruiten’ komen echter niet zomaar tot ontwikkeling maar moeten gecultiveerd worden door onze natuurlijke reacties op familie en vrienden uit te breiden tot de gehele mensheid.

Als er dan toch immoraliteit in de samenleving heerst moet dat liggen aan de instellingen, de onvolmaaktheden van de maatschappelijke orde en aan de fouten van de heersers. Omdat Mencius gelooft in het goede van de mens wordt hij criticus van de maatschappij en voor confuciaanse begrippen revolutionair.

Mencius zei tot koning Xuan van Qi: “als een onderdaan van Uwer Majesteit zijn vrouw en kinderen aan de zorgen van zijn vriend toevertrouwt en op reis gaat naar Chu, en als hij dan vervolgens bij zijn terugkeer zijn vrouw en kinderen aan honger en koude overgelaten vindt, wat doet men dan?”

De koning zei: “Schuif hem terzijde.”

“Als de hoofdambtenaar niet in staat is de ambtenaren in het gareel te houden, wat doet men dan?”

De koning zei: “Verwijder hem.”

“Als er binnen de vier grenzen geen goede regering heerst, wat doet men dan?”

De koning wendde zich tot zijn hovelingen en sprak over iets anders.[7]

Mencius IB- 6

Xúnzĭ

Xúnzĭ[8]

Xunzi (298-289 BCE) heeft aan het hoofd gestaan van een beroemde academie waar hij kennis heeft kunnen nemen van het werk van veel verschillende scholen, die hij in zijn eigen teksten vaak bekritiseerde. Levend in de Periode van de Strijdende Staten (453-221 BCE) werd hij echter regelmatig van de ene naar de andere staat verdreven.

Zijn werk bestaat niet, zoals dat van Mencius, uit gesprekken maar uit goed beargumenteerde en vaak polemische monografieën over uiteenlopende onderwerpen, die soms onderbroken worden door stukken in versvorm, terwijl enkele hoofdstukken zelfs helemaal uit verzen bestaan. Waar Mencius de menselijke natuur zag als goed, daar beoordeelt Xunzi het menselijk karakter precies tegengesteld.

De mens is van nature slecht

Volgens Xunzi is de natuur van de mens slecht en diens goedheid gekunsteld. Want de mens heeft van nature begeerten en eigen belang in zich. De deugd is resultaat van cultivering. Het toegeven aan de natuur en het uitleven van hartstochten heeft tot gevolg dat er twist en strijd ontstaan, dat men de eigen plaats niet kent in het grotere geheel en dat de orde verstoord raakt.

Daarom is opvoeding nodig, de weg van ethiek en recht, opdat toegeeflijkheid en vriendelijkheid ontstaan, de voorschriften worden opgevolgd en alles aan de regel beantwoordt. Ook de natuur moet daadwerkelijk worden beheerst.

De menselijke natuur is slecht; wat er goed aan is, is aangeleerd. De menselijke natuur heeft immers vanaf de geboorte de zucht naar voordeel in zich. Volgt men haar, dan ontstaan strijd en hebzucht, en bescheidenheid en toegeeflijkheid verdwijnen.

[…]

Ook kromhout moet immers wachten op het klemraam en de inwerking van stoom en pas daarna wordt het recht; stomp metaal moet wachten op het slijpen door de wetsteen en pas daarna wordt het scherp. Welnu, de menselijke natuur is slecht en moet wachten op leraar en voorbeeld en wordt daarna pas rechtschapen, op ceremonieel gedrag en plichtsbesef, en komt pas daarna tot orde.[9]

Xunzi 23

Het verschil tussen beider posities wordt echter aanzienlijk gereduceerd doordat Xunzi die slechtheid vooral zag als onmatigheid.
Volgens hem vormt de menselijke onmatigheid een wezenlijk gevaar voor een ordelijke samenleving omdat mensen erdoor worden aangezet tot wedijver en strijd. (On)matigheid is geen innerlijke eigenschap die, zoals bij Mencius, ontwikkeld kan worden. Integendeel, de menselijke natuur kan volgens Xunzi alleen worden veranderd met behulp van externe middelen; met een vaak gebruikte metafoor moet de menselijke natuur op dezelfde manier worden veranderd als een plank wordt gebogen door middel van stoom en druk. Als de belangrijkste cultiveringsmiddelen zag hij de studie van de klassieken en vooral rituelen. Het ritueel damt de onmatigheid in en helpt daarmee om chaos en strijd van allen tegen allen te voorkomen.

Mòzĭ

Tekst van het 7e deel van de Mozi[10]

Mòzĭ (479-381 BCE) was de eerste die het gezag van het confucianisme uitdaagde. Zijn volgelingen waren militair georganiseerd en mengden zich regelmatig in de vele oorlogen van hun tijd.
Congruent met diens stellingname heeft Mozi zijn boek Mozi de strijdvaardige vorm gegeven van een beargumenteerd betoog, in tegenstelling tot Confucius’ Lunyu en de Mengzi.

Een opvallend kenmerk hierbij was dat Mozi criteria formuleerde voor de beoordeling van een debat. Een daarvan hield in dat een opvatting juist was indien deze het materiële welzijn van het volk bevorderde. Dit utilitarisme heeft geleid tot heftige debatten met confucianisten, die hier een plat materialisme in zagen.
Uniek in de Chinese filosofie is dat deze criteria voor het debat werden uitgewerkt tot een vroege taalfilosofie en argumentatieleer.

Het Mohisme heeft echter weinig invloed gehad en zou spoorloos verdwenen zijn als het niet toevallig bewaard was gebleven in de daoïstische canon.

“To accomplish anything whatsoever one must have standards. None have yet accomplished anything without them.”

Mozi, Boek 1; On the necessity of standards

“The wise man who has charge of governing the empire should know the cause of disorder before he can put it in order. Unless he knows its cause, he cannot regulate it.”

Mozi, Boek 4; Universal Love I[11]

Han Feizi

De Han Feizi[12]

Ook Han Feizi (280-233 BCE) heeft veel anti-confucianistische ideeën ontwikkeld. Zijn legalisme hield een autoritaire staat in die was gegrondvest op wetten en de autoriteit van de vorst. Daarmee brak hij met het aristocratische staatsvorm van de confucianisten.

Han Feizi studeerde bij Xunzi van wie hij moet hebben geleerd dat de menselijke neiging tot onmatigheid tot niets anders kan leiden dan wanorde en ellende. De maatschappelijke orde berust op de bijzondere positie van de vorst.
Deze is afhankelijk van de deskundigheid van zijn ambtenaren en niet, zoals bepleit door Confucius, van hun deugdzaamheid.

Hun taakuitoefening wordt volgens Han Feizi niet gedreven door moraliteit maar door een bureaucratie waarin de verschillende functies precies zijn omschreven. Ze worden beoordeeld op de nauwkeurigheid waarmee hun taken worden uitgevoerd en waarvoor de criteria zijn neergelegd in wetten, waarin de beloningen en straffen zijn geformuleerd.
Hoewel de autoritaire staatsleer van Han Feizi door de confucianisten werden bestreden heeft het bestuur van het keizerrijk veel van zijn ideeën in praktijk gebracht.

“It is not difficult to know a thing; what is difficult is to know how to use what you know.”

“It is dangerous for a ruler to trust others. He who trusts others can be manipulated by others.”

“People are submissive to power, and few of them can be influenced by doctrines of righteousness.[13]

Han Feizi
  • Bor, J. & Van der Leeuw, K. (2003). 25 Eeuwen Oosterse Filosofie. Amsterdam: Boom.
  • Bor, J. et al (Red.).(1995). De Verbeelding van het Denken. Amsterdam: Uitgeverij Contact.
  • Leeuw, K.L. van der (1994). Het Chinese denken, geschiedenis van de Chinese filosofie. Amsterdam: Boom.
  • Leeuw, K.L. van der (2006). Een inleiding in de leer van Confucius. Amsterdam: Ambo.
  • Leeuw, K.L. van der (2008). Mencius, inleiding, vertaling en commentaar. Budel: Damon.
  • Schipper, K. (2014). Confucius, de gesprekken, gevolgd door Het leven van Confucius door Sima Qian (circa 145-86 vC). (vertaling en toelichting door K. Schippers). Amsterdam: Uitgeverij Augustus.
  • Van Rappard, H. (2020). Middenmatigheid: Cultivering van Emoties in Chinese Filosofie en Kunst. Oost Turnhout: Gompel & Svacina.
Noten

[1] Bron: Confucius
[2] Het toevoegsel zi betekent leraar, filosofen zijn in China mensen die les geven; heel veel namen hebben dan ook de toevoeging zi.
[3] Bron: Altaar in de Confucianistische tempel van Bendigo
[4] Bron: Mencius, photograph by Everett
[5] Leeuw, K.L. (2008) Mencius, inleiding, vertaling en commentaar. Budel: Damon
[6] Leeuw, K.L. (2008) Mencius, inleiding, vertaling en commentaar. Budel: Damon
[7] Leeuw, K.L. (2008) Mencius, inleiding, vertaling en commentaar. Budel: Damon
[8] Bron: Xunzi
[9] Leeuw, K.L. van der (2006) Confucianisme. Een inleiding in de leer van Confucius. Amsterdam: Ambo
[10] Bron: Text of 7th volume of Mozi (墨子卷之七), as wrote at upper-right
[11] Zie: https://quotes.yourdictionary.com/author/mozi/177938
[12] Bron: The book Hanfeizi or Han Feizi. An edition by Hongwen Book Company in the Guangxu period of the Qing dynasty (1644-1911). It is exhibited at the Hunan Provincial Museum.
[13] Zie: https://www.azquotes.com/author/23710-Han_Fei

update 2021-08