Vrees niet, Abram

0

Annelie van Steenbergen

UvA (2002) module Godsdienstwijsbegeerte, essay over Kierkegaard: Vrees en beven

Isaak, zoon van aartsvader Abraham

Want zijn vader was de enige die hem had begrepen, en toch wist hij in feite niet of hijzelf ook zijn vader had begrepen; “Schuldig?” — “Niet-schuldig?”, door Frater Tacitumus[1]

Het offer van Abraham — Rembrandt (1635)[1]

Volgens de bijbel stierf Isaak, zoon van aartsvader Abraham, oud en verzadigd op de leeftijd van honderdtachtig jaar.[3] Naar onze maatstaven is dat niet waarschijnlijk.

Maar ook om andere redenen was het bijzonder, want zijn leven had ooit aan een zijden draadje gehangen. Zijn vader, een vredelievend en onbaatzuchtig mens, had hem meegenomen om op bevel van God in het land Moria een brandoffer te brengen.

Op Isaaks vraag waar het offerlam was, antwoordde zijn vader dat God zichzelf van het lam zou voorzien. Maar in plaats van een lam werd Isaak op het altaar vastgebonden. Zijn vader, tegen wie hij huizenhoog opkeek, nam het mes om hem, Isaak, te slachten. Hoe kan een zoon ooit zijn vader begrijpen die zo zijn leven op het spel zet? Hield zijn vader wel echt van hem?

Vrees niet, Abram

Het was niet de eerste keer dat Abraham het mes ter hand nam om zijn zoon te snijden. Eveneens op Gods bevel besneed hij de voorhuid van zijn zoon toen het kind acht dagen oud was. Dit was ten teken van het verbond dat God het jaar daarvoor, opnieuw, met hem gesloten had.
Bij die gelegenheid was hem deze zoon beloofd bij zijn bejaarde vrouw Sara. Ook zei God hem toen dat hij voortaan Abraham zou heten, ‘vader van vele volkeren’, in plaats van Abram.[4] Jaren daarvoor was het verbond al voor de eerste keer gesloten toen het woord van God hem was verschenen in een gezicht. Ook toen werd hem een zoon beloofd. ‘Vrees niet, Abram,’ had God gezegd. ‘Ik ben uw schild; uw loon zal zeer groot zijn’.[5]

Abrahams offerande Genesis Kapittel XXII vers 10-13 (uit: Historiën des Ouden en Nieuwen Testaments, 1700)

‘Vrees niet’ klinkt geruststellend, maar dat is het niet. Je kunt je afvragen of Isaak ook de hemelse stem van de bode heeft gehoord, die hem op het laatste ogenblik redde van zijn dood. ‘Voorwaar’, riep deze naar zijn vader, ‘nu weet ik dat jij Godvrezend bent: je hebt je zoon, je enige, mij niet onthouden’.[6]
Er wordt wel gezegd, dat elke jood weet dat God vrezen niet bang zijn voor God is; het is in deemoed luisteren naar Zijn stem.[7] Niet-vrezen is dus tegelijk vrezen. Vrezen is een ‘vrezelijk’ woord. Het draagt de contradictie in zich en baart de paradox. Maar geen ‘gewone’, redelijke paradox. Niet voor niets noemt de theoloog en filosoof Kierkegaard zijn studie over Abraham en Isaak ‘Vrees en beven’.

Johannes de Silentio

In Vrees en beven (1843) probeert Kierkegaard, die zelf een problematische relatie met zijn vader had en om duistere redenen zijn verloving verbrak, met behulp van de fictieve auteur Johannes de Silentio in een dialectische lyriek de ethische en religieuze implicaties van het handelen van Abraham te onderzoeken.
Dialectisch, onder andere omdat het een spanning is tussen logica en hartstocht, tussen ethiek en religie, omdat het hele werk draait om het tweevoudige gebaar van Abraham, maar ook als verwijzing naar de door Kierkegaard kritisch bejegende Hegel, die de godsdienst ‘opgeheven’ zag in de filosofie.
Lyriek, omdat het werk tegelijk een hartstochtelijk soort zang is; variaties op één thema, met als ondertoon de strijd tussen theologie, filosofie en geloof, en Johannes de Silentio als componist, dirigent en uitvoerend solist.

Na het Voorwoord als aankondiging begint hij met de Stemming. Ook stemmen heeft in dit geval natuurlijk een meervoudige betekenis.

Een bijkomende complicatie voor het begrip van dit werk is dat Kierkegaard een expert is op het terrein van de ironie, een ironie die hij als ontmaskering van de werkelijkheid kan inzetten bij de intrede in de beweging van de oneindigheid, en die niet altijd te herkennen is.[8] Valse en zuivere tonen zijn vaak niet te onderscheiden. De oneindige en de eindige beweging golven voortdurend om en door elkaar heen, zonder daarbij hun eigen domein volledig prijs te geven, een beweging die uitmondt in het ongerijmde, de religieuze act van Abraham. Bovendien wemelt het van de verwijzingen die een goedwillend, maar niet voldoende geschoold oor niet herkent.

De beste manier om te luisteren is misschien wel het gehoororgaan op scherp te stellen en het werk maar te ondergaan, met het programmaboekje onder handbereik.[9]

Welaan dan. Wat denk ik dat Johannes de Silentio mij wil vertellen? Om te beginnen wil hij dat ik mezelf het verschrikkelijke van de gebeurtenis realiseer: een vader die op het punt staat zijn lang verwachte en geliefde zoon te doden. Het blijkt echter dat dat niet mogelijk is. De moed ontbreekt, zou Johannes zeggen. Zodra ik lichamelijke reacties voel opkomen, bloed dat wegtrekt of juist toestroomt, schuif ik de gedachte af en ga het bagatelliseren: het is de vraag of Abraham het inderdaad zou hebben gedaan, of dat hij op het allerlaatste moment gedacht zou hebben: dit kan toch eigenlijk niet. Of: Abraham is gewoon een gevaarlijke gek. Of: het is maar een symbolisch verhaaltje. Ook de predikanten, degenen die toch Gods waarheden verkondigen, draaien er omheen en gaan zo aan de kern voorbij. Maar Johannes heeft een gevoelige plek geraakt en dwingt mij verder te ondergaan om te proberen in te zien waarom Abraham dat doet.

Om te proberen het duidelijk te maken stelt Johannes de Silentio Abraham tegenover de tragische held, die zijn kind moet doden ter wille van een heel volk. Die held kan zich verantwoorden, het volk lijdt met hem mee en is hem dankbaar voor zijn offer.
Abraham echter offert zijn zoon zonder hoger ethisch doel. Hij kan zich niet verdedigen, hij staat met zijn mond vol tanden. Verwordt hij daardoor niet willens en wetens tot een moordenaar? Johannes de Silentio, die er op hamert dat hij deze daad zelf niet zou kunnen verrichten, maar die wel in staat is hem uit te leggen, toont nu de grootheid van Abraham. Eerst al tijdens de Stemming, vervolgens in een pathetische Lofrede en daarna in de uitwerking van Problemen.

Abrahams goddelijke waanzin

Het offeren van Isaak (1603) — Caravaggio[10]

Wie is Abraham? In de dynamiek van het verhaal herkennen we het zgn. kierkegaardiaanse schema, met de problematische verhouding tussen de drie elementen van het bijzondere, het algemene en het absolute, oftewel het ik, de wereld en het Andere, oftewel Abraham, Isaak en God. De enkeling, het ik, zal zich normaal gesproken conformeren aan de algemene regel of de ethiek die in de wereld geldt Abraham zal Isaak niet alleen boven alles liefhebben, omdat het zijn lijfelijke, lang verwachte beloofde zoon is, maar ook omdat hij dat uit ethisch oogpunt verplicht is.

Kan er nu iets boven deze liefde gaan? En de vraag, die hiermee samengaat: kan en mag ikzelf mij buiten het ethische domein plaatsen? Kan dat überhaupt wel? Of is dat voorbehouden aan een verre Abraham?

Abraham is niet een gewoon individu. Hij is vroom en godvruchtig, en waardig om Gods uitverkorene te zijn, en  bovendien houdt hij hartstochtelijk van zijn zoon.[11] Hij is buitengewoon. Abraham is een ‘enkeling’, die als eerste de ‘ontstellende hartstocht’ ervaren heeft en kennis nam van de ‘goddelijke waanzin’.[12]

Johannes de Silentio noemt hem ‘ridder van het geloof’. ‘Ridder’ is een vreemd eerbewijs in dit verband, want behalve dat het naar moed verwijst, doet het in onze tijd ook denken aan een dwaze Don Quichot. Misschien moeten we dat goed in het oog houden.

Ik wil hier op nog twee andere interessante dingen wijzen.

Ten eerste laat Johannes de Silentio een essentieel element weg uit het verhaal. Nergens in Vrees en beven herinnert Johannes de Silento aan deze gebiedende woorden van God aan Abraham: ‘Vrees niet, Abram!’ Hij zwijgt daarover, maar ze resoneren door het hele verhaal. Wat kunnen die woorden betekenen? Vertrouw jezelf aan Mij toe? Geef jezelf aan Mij over? Geef jezelf aan Mij? Johannes de Silentio toont de volledige overgave/ offergave van Abraham aan God. Abraham geeft zichzelf, zelfs meer dan zichzelf, want hij geeft Isaak. Als Abraham Isaak minder had liefgehad dan zichzelf, als hij iets nog boven Isaak had liefgehad, dan was het offer zinloos geweest. Hieruit blijkt dus dat het noodzakelijk zo is dat Abraham buitengewoon veel van Isaak hield.

Ten tweede voegt Johannes een essentieel element toe aan het verhaal. Abraham offert Isaak in de overtuiging dat hij hem terug zal krijgen. Dat dat inderdaad gebeurt, geeft hem diepe vreugde. Nergens in Genesis staat dat Abraham blij is als hij Isaak opnieuw heeft gekregen. De enige gemoedsbeweging, die we met betrekking tot hem kunnen lezen is dat hij weeklaagt en weent als zijn vrouw Sara is overleden.[13] Hoewel Johannes dit element zelf toevoegt is het toch niet door hem verzonnen, want het volgt als vanzelf uit zijn hele argument.

Geloven krachtens het absurde

Wat is nu het punt? Door het geloof ontving Abraham de belofte dat in zijn zaad alle geslachten der aarde gezegd zouden zijn.

‘De tijd verliep, de mogelijkheid was er en Abraham geloofde. De tijd verliep. werd ongerijmd, maar Abraham bleef geloven.’[14]

Abrahams geloof is dus heel groot. Hij geloofde tegen het ongerijmde in.

Vervolgens lijkt het erop dat zijn geloof voorlopig in zicht komt. Maar nu wordt hij op de proef gesteld. Abraham blijft echter geloven. Hij wankelt niet, maar hij bestijgt zijn ezel en berust erin dat hij af moet zien van zijn allerliefste beloofde zoon.

Gedurende de hele tocht naar Moria blijft hij geloven: hij geloofde dat God Isaak niet van hem zou eisen, terwijl hij toch bereid was om hem te offeren als dit verlangd werd. Hij geloofde krachtens het absurde, zegt Johannes, want van menselijke berekening kan er geen sprake zijn. Het absurde was immers juist dat God, die hem deze eis stelde, de eis op het volgende ogenblik weer zou intrekken.[15] Zelfs op het ogenblik dat het mes flikkerde, geloofde Abraham dat God Isaak niet zou opeisen.

Die beweging van het geloof moet volgens Johannes de Silentio onophoudelijk krachtens het absurde worden voltrokken, maar dan wel op zo’n manier dat de eindigheid niet wordt verloren, maar juist wordt teruggewonnen.

Vrees en Beven (Deense titel: Frygt og Bæven) van de Deense schrijver en filosoof Søren Kierkegaard[16]

Dit laatste onderscheidt de ‘ridder van het geloof’ niet alleen van de ‘ridder van de oneindige resignatie’, maar het maakt hem ook groter. Want, zegt hij, het mag dan groot zijn om je wens op te geven, maar het is groter je wens vast te houden nadat je die hebt opgegeven.[17] De oneindige resignatie gaat aan het geloof vooraf. De ridder van de oneindige resignatie maakt de beweging van de eindigheid naar de oneindigheid, maar het geloof doet het tegengestelde: het geloof maakt namelijk, na de beweging van de oneindigheid ook weer die van de eindigheid. De ware gelovige verliest zijn verstand, en daarmee de eindigheid, om daarna toch weer, krachtens het absurde, die eindigheid terug te winnen.

‘Gelukkig de mens die deze bewegingen ook kan maken’, zegt Johannes, ‘hij doet het wonderbaarlijke en ik zal niet ophouden hem altijd te bewonderen, of het nu Abraham is, diens slaaf, een professor in de wijsbegeerte of een arm dienstmeisje, dat is mij om het even: ik kijk alleen naar de bewegingen.’[18]

Deze dubbele beweging kan alleen maar voltrokken worden door wat Johannes een sprong noemt: ‘die grote trampolinesprong waarmee men de oneindigheid binnenwipt’.[19] Geloofsridders blijven echter niet zweven, maar ze maken een soort salto waarna ze weer met beide benen in de wereld komen te staan.

Voor de buitenstaander is er niets aan ze te zien, want

‘hun uiterlijk vertoont namelijk een treffende gelijkenis met datgene wat zowel de oneindige resignatie als het geloof ten diepste veracht te weten met geborneerde burgerlijkheid’, aldus Johannes.[20]

Een wonder

Wat belangrijk is, is te beseffen dat de oneindige berusting een stadium is dat niet overgeslagen kan worden, en dat moed vraagt en hartstocht en oneindige concentratie, maar ondanks dat is het beslist niet voldoende voor het geloof.
De beweging gaat voor het geloof niet meer van het bijzondere via het algemene naar het absolute, naar God, maar via God naar het algemene. Dat ogenblik, die hoogste hartstocht, die sprong betekent de gave van het geloof van de kant van God. En dat men krachtens het absurde alles terugkrijgt noemt Johannes ‘een wonder’, dat boven alle menselijke krachten uitgaat.[21]

Paradox van het bestaan

The Sacrifice of Isaac — Domenichino[22]

Hartstocht is een psychische energie die het gevolg is van tegenstellingen in het bestaan. Dat Abraham die concentratie bezat, terwijl hij geen houvast had aan het algemene, en dat hij nóg een beweging maakte, waarmee hij zijn ziel terug richtte en concentreerde op het wonder dat hij Isaak terug zou krijgen, was slechts mogelijk krachtens zijn ‘buitengewone liefde’ voor Isaak.
Als Abraham hem minder had liefgehad, zou de gedachte om hem te offeren volgens Johannes een ‘aanvechting’ zijn geweest, die hem intens naar het hogere deed verlangen. Als Abraham minder van Isaak had gehouden en dus meer van God, als hij had berust in het feit dat God zijn zoon wilde en doortastend het offer had gebracht, was dat alleen een daad van krankzinnige moed geweest. Hij had dan afgezien van de wereld en had de oneindige beweging gemaakt, maar het was geen religieuze daad. Het had Abraham tot een moordenaar gemaakt. Maar omdat hij er, tegen alle logica in, tegelijk met het opgeven van zijn innig geliefde zoon op vertrouwde dat hij hem terug zou krijgen, voltrok hij in deze daad zijn absolute, alle ethiek overschrijdende, plicht tegenover God.

Neem als voorbeeld vrouwen, die heel graag kinderen willen, maar niet zwanger raken. Als zij hun allerliefste wens hebben opgegeven, en bijvoorbeeld een kind hebben geadopteerd, worden zij soms alsnog zwanger. Het is dan niet zo, dat zij hun wens hebben opgegeven in de zekerheid dat zij alsnog zwanger zouden worden. Het één lijkt echter wel de oorzaak van het ander. Bij Abraham vallen deze twee zaken samen in zijn geloof. Dit is een gigantische paradox, die eigenlijk niet kan, en verbijsterend is. Op die spits staat Abraham, zegt Johannes over het zwijgen.[23] Hij laat het hoogste stadium nog achter zich. Hij gaat werkelijk verder en komt tot geloof.

Beproeving of verzoeking

In tegenstelling tot de zelfbespiegelende liefde van iemand die God bemint zonder geloof, denkt de gelovende Abraham aan God en niet aan zichzelf, zegt Johannes ook.[24] Hij ‘vreest niet’ en geeft zich volledig over aan de wil van God. Maar hij doet het niet alléén voor God. Hij doet het tegelijk ook omwille van zichzelf. Dit is volgens Johannes volslagen identiek.
En dat moet ook wel, omdat het inherent is aan de paradox, aan het moment van absolute vrijheid dat deze geloofsdaad inhoudt, waarin het ik, het algemene en God als het ware samen vallen. Johannes zegt het anders.

‘Hij doet het omwille van God omdat God een bewijs voor zijn geloof eist en hij doet het omwille van zichzelf om aan te tonen dat hij dit bewijs kan leveren. De eenheid van deze twee is altijd al heel juist uitgedrukt met het woord beproeving of verzoeking.’[25]

Voor zo’n beproeving is gewone en zelfs buitengewone menselijke moed nooit voldoende. Bewust alle wereldse dingen opgeven vergt al iets enorms, maar daar staat een verwacht eeuwig zielenheil tegenover.
Maar Abraham geloofde voor dit leven, niet voor een toekomstig leven. Hij geloofde dat God Isaak niet van hem zou eisen, maar hij was toch bereid hem te offeren als het moest. Hij deed dus tegelijk wel en geen afstand van zijn zoon, en daarmee van zijn land en zijn toekomst in zijn nageslacht. Abraham oversteeg de tegenspraak door de dubbele beweging. Johannes de Silentio zegt het zo:

‘Er is een paradoxale en deemoedige ootmoed voor nodig om op hetzelfde ogenblik heel de tijdelijkheid krachtens het absurde terug te grijpen en dat is de moed om te geloven’.[26]

Voorwaar, Abraham was ‘godvrezend’.

De gelovige moet zwijgen

Søren Aabye Kierkegaard[27]

Door het geloof zag Abraham niet af van Isaak, maar kreeg hij juist Isaak.
En volgens Johannes over het zwijgen gebeurde dat in vreugde. Abraham was opnieuw blij met Isaak. Omdat hij helemaal naar Moria was gegaan en Isaak niet direct had opgegeven. Hij was zelfs nog ‘blijder dan de eerste keer’ met Isaak, doordat hij door de dubbele beweging was teruggekomen in zijn eerste toestand en hem gaaf en geheel had teruggewonnen.[28]
En door die blijheid kon Isaak misschien vermoeden welke ‘wonderbaarlijke heerlijkheid’ zijn vader had verworven, omdat hij nu de vriend was van de Heer.[29]

Abraham zou het nooit met woorden aan iemand hebben kunnen uitleggen, zelfs niet aan Isaak. Want het geloof kan niet in het algemene worden gemedieerd, zoals Johannes de Silentio zegt, want daarmee wordt het opgeheven.[30]
Het geloof is juist die paradox en de enkeling kan zich daarin niet voor wie dan ook verstaanbaar maken. De gelovige moet zwijgen. Als hij probeert zijn geloof met andere middelen uit te dragen, kan hij wel krankzinnig lijken.

Geloofde Isaak werkelijk?

Als we met dit gegeven nu teruggaan naar het begin van dit essay? Heeft Isaak inderdaad de vreugde van zijn vader goed uitgelegd? Of heeft hij soms toch gedacht dat het een vlaag van geloofswaanzin was? Of was zijn vader blij en opgelucht, omdat hij een vreselijke aanvechting heeft weerstaan?
Laten we hopen, dat hij hem later toch enigszins begrepen heeft, want ook tegenover Isaak heeft God die woorden gebruikt:

‘Vrees niet, want Ik ben met u’.[31]

Isaak is dus door God geraakt, alleen niet op de manier van Abraham beproefd. De vraag is dus of Isaak werkelijk geloofde.

Johannes de Silentio drijft het verhaal van Abraham en Isaak op naar het extreme.
Zo ver, dat het voor een gewoon mens eigenlijk niet mee te denken is. Toch neemt hij je dankzij zijn betoverende lyriek, zijn stemvoering en de dynamiek van de delen mee naar de hoogste toppen van je inlevingsvermogen en zo probeer je te horen naar zijn stem.

Wat Johannes de Silentio duidelijk maakt is niet alleen de problematische kern van liefde voor God, van het geloof, maar ook de problematische aard van ouderliefde, of zelfs liefde in het algemeen.
Bij Abraham liggen de verhoudingen anders. Hij schortte het ethische op teneinde een hoger telos te bereiken. Maar het blijft een krachttoer hem te volgen. Is het Abraham, de vader van het geloof of Abraham de kindermoordenaar? Is het maar een verhaaltje? Is het waar of is het niet waar? Wat is op die vragen het antwoord?
Doordat Johannes bittere ernst afwisselt met zoetzure ironie blijf je gevaarlijk wankelen op het smalle koord tussen toeschouwen en meebeleven, met onder je de afgrond waarin de afgehaakten rondkrioelen.

Hier is dus maar een antwoord mogelijk: vrees niet.
Maar mag je hopen, dat je naar die woorden ooit zult horen?

Noten

[1] Kierkegaard, S. (1987). Stadia op de levensweg. Studiën door verschillende personen, bijeengebracht, bezorgd en uitgegeven door Hilarius Boekbinder. (Vertaling Jan Marquart Scholtz). Amsterdam: Meulenhoff, p. 217.
[2] Bron: ‘Abrahams offer’ van Rembrandt (1635; Hermitage, St. Petersburg).
[3] Gen. 35: 28.
[4] Gen. 17: 9-14.
[5] ‘Hierna kwam het woord des Heren tot Abram in een gezicht: Vrees niet, Abram. Ik ben uw schild; uw loon zal zeer groot zijn.’ (Gen. 15: 1).
[6] Gen. 22: 11-13.
[7] (A. Gans) Van Dale, Groot woordenboek der Nederlandse taal. Vre’zen.
[8] Kierkegaards proefschrift handelt over de ironie bij Socrates.
[9] Als programmaboekje dienen hier mijn aantekeningen bij de colleges van dr. V. (Victor) Kal en Kal, V. Van Arbeid tot loon, Kierkegaard en Kant over het einde van het geduld, Uit: Kal, V. & Vries, H. van (1999). De reikwijdte van het geduld. Zoetermeer: Uitgeverij Boekencentrum.
[10] Bron: Het offeren van Isaak
[11] Kierkegaard, S. (1983). Vrees en beven.  (vertaling van Scholtens, W.R.). Baarn:  Ten Have. p. 36.
[12] Vrees en beven, p. 31.
[13] Gen. 23: 2.
[14] Vrees en beven, p. 25.
[15] Vrees en beven, p. 41.
[16] Bron: Frygt og Bæven
[17] Vrees en beven, p. 26.
[18] Vrees en beven, p. 44.
[19] Vrees en beven, p. 42.
[20] Vrees en beven, p. 48.
[21] Vrees en beven, p. 54.
[22] Bron: El sacrificio de Isaac Domenichino
[23] Vrees en beven, p. 43.
[24] Vrees en beven, p. 43.
[25] Vrees en beven, p. 68.
[26] Vrees en beven, p. 55.
[27] Bron: Søren Kierkegaard.
[28] Vrees en beven, p. 41.
[29] Vrees en beven, p. 88.
[30] Vrees en beven, p. 81.
[31] ‘En de Here verscheen hem in dien nacht en zeide: Ik ben de God van uw vader Abraham; vrees niet, want Ik ben met u.’ (Gen. 26: 34).

studeerde Wijsbegeerte aan de UvA met als specialisatie Esthetica en cultuurfilosofie en met een minor in de Cultuur- en Godsdienstpsychologie. Als keuzevak volgde ze o.a. Niet-Westerse en vergelijkende Wijsbegeerte bij dr. Karel L. van der Leeuw. Haar eindscriptie behandelde de 20e-eeuwse debatten over mystiek en rationaliteit bij Spinoza.