Spinoza, held van mijn dromen?

0

Annelie van Steenbergen

Juli 2000

Spinoza werd geboren in 1632 en overleed in februari 1677. Lang geleden dus, maar in de gedachten van veel mensen is hij nog springlevend. Er is een bloeiende belangstelling voor het leven van deze Portugees-joodse filosoof uit het zeventiende-eeuwse Amsterdam, want in de loop der jaren zijn er heel wat uitgaven over zijn leven en werk verschenen. Opvallend detail is dat op de omslag van veel van deze boeken Spinoza’s beeltenis prijkt.

Afbeelding 1: Theun de Vries, Spinoza Beeldenstormer en wereldbouwer

Noch zijn tijdgenoten Descartes en Locke, noch Hume en Kant zijn zo ‘eigentijds’ en aantrekkelijk voor de geïnteresseerde leek.
Dat blijkt ook uit het feit dat de Vereniging Het Spinozahuis op dit moment de grootste in zijn soort is. Het merendeel van de leden is geen academisch geschoolde filosoof, maar heeft wel filosofische belangstelling. Onder hen bevinden zich onder meer artsen, pedagogen, zakenmensen, huisvrouwen, beeldend kunstenaars en schrijvers. Zij kennen hun Spinoza. Als een spreker tijdens een ledenbijeenkomst naar de mening van zijn gehoor de grote filosoof verkeerd interpreteert, kunnen de gemoederen behoorlijk hoog oplopen. Voor de argeloze toeschouwer doet de liefde voor Spinoza soms zelfs denken aan heldenverering en de vraag is of hij daarmee ver bezijden de waarheid is.

Het werk van Spinoza is niet eenvoudig te lezen. Zijn hoofdwerk de Ethica is op meetkundige wijze opgebouwd en daardoor op het eerste gezicht zelfs tamelijk ontoegankelijk voor de niet-wijsgerige lezer.
Vergeleken met bijvoorbeeld Nietzsche of Schopenhauer lijkt zijn stijl saai. Omdat Spinoza’s werk bij meer mensen geliefd is dan je op grond van die moeilijkheidsgraad zou verwachten, is de vraag gerechtvaardigd of er andere aspecten meespelen, die bijdragen aan zijn populariteit.
Vertoont Spinoza wellicht de kenmerken die doorgaans aan een held worden toegeschreven? Met andere woorden: voldoet hij aan het oerbeeld van de held?

Om deze vraag te beantwoorden zal ik een aantal elementen van zijn persoon en zijn werk onderzoeken aan de hand van de eigenschappen van ‘De Held’, onder andere zoals Joseph Campbell die bespreekt in zijn boek Mythen & Bewustzijn (1991). Ik zal daarbij ‘van buiten naar binnen’ werken, oftewel van in het oog vallende uiterlijke kenmerken naar de geestelijke die meer studie vereisen.

Wat is een held

In The Power of Myth omschrijft Joseph Campbell een held als een vrouw of een man die iets gevonden of gedaan heeft dat buiten het normale bereik van prestatie of ervaring valt (Campbell, 1991 p. 139-141). Hij deelt de heldendaden in naar twee typen.

Afbeelding 2: Joseph Cambell, the power of myth (audiobook)

Het ene type is de fysieke daad, waarbij de held een moedige daad in de strijd stelt of een leven redt. ‘Niet alleen Prometheus, die het vuur steelt van de goden, of Jeanne d’Arc en Ivanhoe, maar ook de anonieme brandweerman of reddingswerker noemen we een held.’

Het andere type is de spirituele daad, waarbij de held het bovennormale bereik van menselijk spiritueel leven leert ervaren en vervolgens terugkeert met een boodschap. Daarbij kunnen we aan Mozes denken. Mozes beklom de berg, ontmoette Jaweh op de top en keerde terug met regels voor de vorming van de samenleving.
En ook popster Madonna wordt als een held beschouwd, evenals Luke Skywalker uit de film Star Wars, die in zichzelf karaktereigenschappen ontdekte om zijn bestemming te volgen (Campbell, 1991 p. 151).

Het heldenverhaal begint volgens Campbell gewoonlijk met iemand aan wie iets is ontnomen, of die een gemis voelt in de normale ervaringen, die bereikbaar zijn voor of toegestaan worden aan de leden van zijn samenleving. Deze persoon trekt erop uit voor een reeks avonturen die het gewone te boven gaan, om het verlorene terug te halen of om een of ander levenselixer te ontdekken. De held moet zich daarvoor tot een vrij handelende persoon hebben ontwikkeld met de moed om zelf verantwoordelijk te zijn. Vaak is een legendarische held de grondlegger van iets nieuws.

Het basismotief voor onze eigen heldentocht, zegt Campbell, bestaat uit het verlaten van een toestand en het vinden van een levensbron om je in een rijkere of rijpere toestand te brengen. Om zelf een held te zijn hoeven we het avontuur niet alleen te wagen, want de helden van alle tijden zijn ons voorgegaan (Campbell, 1991 p. 141). Zij hebben dus blijkbaar een voorbeeldfunctie. Je bewondert ze, acht ze zeer hoog, want een held doet wat je zelf zou willen doen. Een held vervult je eigen dromen.

Spinoza en de kenmerken van een held

Om te onderzoeken of Spinoza aan de eisen voldoet, die gesteld worden aan een held, zal ik een voor een de kenmerken van Campbell nalopen en die vergelijken met de gegevens die we over Spinoza hebben.
Campbell spreekt niet over uiterlijke kenmerken, maar omdat op de omslag van de werken over Spinoza vaak zijn portret staat, zal ik dat er ook bij betrekken.

Spinoza en de uiterlijke kenmerken van een held

Als we een standaardfilm bekijken dan zullen we al snel de ‘held’ van de ‘boef’ of de ‘sukkel’ kunnen onderscheiden. Kennelijk schrijven we intuïtief bepaalde uiterlijke kenmerken toe aan een held en de filmmakers spelen daarop in.
Een held, zowel van het eerste als het tweede type, heeft vaak een goede, zo niet ideale lichaamsbouw, een sterke, en toch vriendelijke uitstraling, waarbij zijn voortreffelijke eigenschappen duidelijk naar voren komen.

De afbeelding van een schilderij in Wolfenbüttel

Afbeelding 3: Portret van Spinoza — kopie door onbekende schilder, circa 1700[1]

Voldoet Spinoza aan deze beschrijving? In zekere zin wel. Althans als we kijken naar het portret dat de omslag van veel Spinozaliteratuur siert. Dit portret is de afbeelding van een schilderij afkomstig uit de Herzog August Bibliothek in Wolfenbüttel. Het toont ons een rijzige gestalte met het edele gezicht tot de schouders omkranst door een sieraad van zwarte glanzende krullen, die zijn voorhoofd vrijlaten.

Zijn intelligente en melancholieke donkere ogen onder gestileerde wenkbrauwen volgen ons waar we ons ook in de ruimte bevinden: de grote filosoof gunt ons, gewone mensen, zijn persoonlijke aandacht. Een smalle rechte neus en volle, niet te dikke lippen die bij de mondhoeken iets omhoog krullen in een zachtaardige, lankmoedige glimlach. Zijn zwarte mantel heeft een gesteven witte kraag die het licht op zijn nobel gelaat weerkaatst. Hier is geen misverstand mogelijk: dit is een Wijze.

Komt dit portret nu overeen met de werkelijkheid, toont het gelijkenis met de echte Spinoza? Waarschijnlijk slechts ten dele. Helaas is er niet veel met zekerheid over dit schilderij te zeggen. Wel is zeker dat het portret door de bibliotheek werd aangekocht op een Nederlandse veiling in 1705 (Schmidt-Biggemann 1977 p. 5). Daarmee is het een van de oudste portretten die van Spinoza bekend is.

De kopergravure ‘Opera-portret’

Een ander portret dat aanspraak maakt op het predicaat ‘oerportret’ laat echter een andere Spinoza zien, hoewel de gelijkenis van beide portretten treffend is.
Deze anonieme kopergravure staat bekend als het ‘Opera-portret’, omdat het was bijgevoegd in uitgaven van de in Spinoza’s sterfjaar verschenen Opera postuma.

Afbeelding 4: Opera portret van Spinoza in De nagelate schriften van B.d.S. (Amsterdam: Gedrukt door Israël de Paul, 1677[2]

Ook hier zien we een op het oog vriendelijke man. Maar zijn gezicht toont onregelmatigheden, bij zijn krullenbos vraag je je af hoe hij er ooit met een kam doorheen is gekomen, zijn ogen staan vermoeid, de wenkbrauwen zijn de donkere borstelige van een zuiderling, zijn neus is doorsnee, evenals zijn mond.
Hij draagt dezelfde kleding, en nu lijkt de zwarte mantel meer een eenvoudige boezeroen. Hier zien we niet in de eerste plaats een wijze en zeker geen held. Deze Spinoza kon ook de koopman zijn, de handwerksman.

Van bovengenoemde portretten is niet vast te stellen of ze zijn gemaakt tijdens Spinoza’s leven. Volgens Rudi Ekkart (1999 p. 12) is het waarschijnlijk dat het schilderij naar de gravure werd gemaakt of, wat nog waarschijnlijker is, dat beide werken teruggaan op een niet meer aanwijsbaar origineel portret, dat tijdens het leven van Spinoza is vervaardigd.

Hij schrijft dat alle andere van Spinoza bekende portretten ofwel kopieën zijn van deze twee ofwel werden ontmaskerd als portretten van onbekenden.

Postzegel en bankbiljet

Tot in onze tijd worden kunstenaars, al of niet in opdracht, geïnspireerd door Spinoza’s uiterlijk, waarbij zijn trekken vaak niet meer te herkennen zijn en we alleen uit de titel van het werk kunnen weten dat het om de grote filosoof gaat. Zijn konterfeitsel is te vinden op uiteenlopende zaken als aardewerk, penningen, bankbiljetten en postzegels.

Uit bovenstaande blijkt dat zijn uiterlijk hoe dan ook tot de verbeelding spreekt. Het is echter niet duidelijk of het hierbij gaat om een reëel beeld of om een projectie van een gewenst droombeeld.

Afbeelding 5: Uitgifte van een postzegel met het portret van Spinoza ter gelegenheid van zijn 300e sterfdag, 1977 — Robert (Ootje) Oxenaar[3]

Het portret uit de Herzog August Bibliothek in Wolfenbüttel geeft het clichématige beeld van een Spinoza als ‘echte’ filosoof en bevredigt op die manier de menselijke behoefte aan heldenverering. Om die reden zal dat portret ook het meest ter illustratie worden gebruikt. Elke doorgewinterde Spinozaliefhebber kent echter ook de Opera-prent, en de bewering dat het gladde portret aanleiding is voor de bewondering voor Spinoza moet daarom genuanceerd worden, al zal het er zeker toe bijdragen en misschien onbewust een bevestiging vormen van de aan Spinoza toegeschreven voortreffelijke karaktereigenschappen.

Het is dus duidelijk dat wat betreft zijn portret wordt ingespeeld op de menselijke behoefte aan een held. De algemene voorkeur voor het glamourachtige portret zal er zeker toe bijdragen, en we moeten niet vergeten dat ook de Opera-prent goed bekend is. Voor iemand die voor het eerst met Spinoza kennis maakt, zou het echter de aantrekkingskracht kunnen vergroten.

Spinoza en de innerlijke kenmerken van een held

Als we afgaan op het beeld van het eerste type held, dat met zwaard gewapend het gevaar tegemoet treedt en de overwinning met spierkracht bevecht, dan zijn we bij Spinoza aan het verkeerde adres.

Als we ons daarentegen richten op Campbell’s tweede type, dat in staat moet zijn tot spiritualiteit en dus van geest moet getuigen, maakt hij een betere kans.

Bij details moeten we op ons hoede zijn ten aanzien van de vraag of de beschrijving werkelijk op de persoon betrekking heeft, of mede gebaseerd is op de portretten. En hoewel het merendeel van de overgeleverde gegevens wijst naar een onwaarschijnlijk hoogstaand karakter, zijn er ook een paar tegenstrijdige gegevens.
Spinoza’s Briefwisseling verschaft echter betrouwbare informatie en ook kan het een en ander worden opgemaakt uit aantekeningen van tijdgenoten.

Zo bestaat er een persoonlijke indruk van de Fransman Saint-Évremond, die Spinoza na een ontmoeting omschrijft als

‘De man met het kleine postuur en het aangename voorkomen, wiens kennis, bescheidenheid en belangeloosheid hem de achting bezorgden van alle geestrijke personen in Den Haag, die hem graag opzochten.’ (De Vries, 1991 p. 133).

Afbeelding 6: Nederlands duizendguldenbiljet 1972 — Robert (Ootje) Oxenaar[4]

Ook andere beschrijvingen roemen zijn vriendelijkheid, discretie, hulpvaardigheid en strenge zeden.

Er wordt gesproken van kalme ingetogenheid en ernst, en over de stoïcijnse moed waarmee hij ziekte en openbare verguizing droeg. Hij verdeed zijn tijd niet in droefheid en zuchten om zijn lot, maar in gemoedsrust, blijdschap, opgewektheid.

‘Zijn huisgenoten hielden van zijn vriendelijk, droevig gelaat en zouden verrukt zijn geweest wanneer hij soms ’s avonds beneden zijn pijp bij hen kwam roken en zich in hun eenvoudig gesprek mengde.’ (Durant, 1947 p. 175).

Uit Spinoza’s contacten met staatslieden en andere invloedrijke figuren blijkt wel dat hij niet zo afgezonderd van de wereld leefde en in werkelijkheid niet de dromerige theoreticus is geweest, die de legende wel van hem heeft willen maken.
De man, die wij geneigd zijn een asceet te noemen, die niet naar eer en rijkdom streefde, was geen verdoemer van genoegens van het leven. Hij had veel bezoekers en vereerders. Hij was geliefd bij zijn vrienden, waaronder kooplieden en medici, die bij hem soebatten om het toesturen en uitgeven van zijn werk, en die hij bijstond in hun filosofische studiekring.

Spinoza was geen doetje

Ondanks het feit dat hij fysiek zwak was, was Spinoza geen doetje. Bij verschillende gelegenheden toonde hij grote moed en ook kon hij fel van zich afbijten, getuige zijn scherpe brief aan Albert Burgh (Briefwisseling, brief nr. 76).
Een pikant detail is dat hij zich graag zou amuseren door spinnen en vliegen onder een vergrootglas met elkaar te laten vechten (De Vries, 1991 p. 158).
Grappig genoeg is er ook een verhaal bekend dat Spinoza zich in Den Haag als een grand-seigneur zou hebben gedragen, etende, drinkende, een degen opzij, terwijl hij ook af en toe naar de meisjes ging (De Vries, 1991 p. 134).

Een man van grote hoffelijkheid

Afgezien van dit laatste verhaal had Spinoza de reputatie een man te zijn van grote hoffelijkheid, door zijn buren geliefd en gerespecteerd. Hij was niet koel, saai, of afwijzend. Hij was wel van mening dat een filosoof achter zijn filosofie verborgen moet blijven en dat is hem goed gelukt (De Vries, 1991 p. 133). Desondanks werd hij bij zijn dood ‘door velen beweend, want de eenvoudigen hadden hem even lief gehad om zijn vriendelijkheid als de ontwikkelden om zijn wijsheid.’

Uit het bovenstaande volgt dat Spinoza, getuige de meeste verhalen, volgens strenge zeden leefde en karaktereigenschappen bezat als bescheidenheid, belangeloosheid, hulpvaardigheid, ingetogenheid en gemoedsrust, blijheid, vriendelijkheid en wijsheid. Deze eigenschappen zijn niet in tegenspraak met de kenmerken, die een held van het tweede type zou moeten bezitten om het door Campbell genoemde bovennormale bereik van menselijk spiritueel leven te ervaren.

Spinoza en het gemis van een held

Als we kijken naar de condities waaronder een heldenleven ontstaat, dan zien we dat volgens Campbell het heldenleven begint doordat iets aan iemand is ontnomen, in ieder geval wordt er een gemis gevoeld in de normale ervaringen, die bereikbaar zijn voor of worden toegestaan aan de leden van zijn samenleving.
Voldoet Spinoza’s leven aan deze voorwaarden?

Eerste grote gemis

Al vroeg werd Spinoza geconfronteerd met zijn eerste grote gemis, omdat zijn moeder overleed toen hij pas zes jaar oud was. Voor zijn tweeëntwintigste verloor hij ook zijn halfbroer Isaac, zijn zusje, zijn stiefmoeder en zijn vader.
Deze gebeurtenissen zullen zeker hebben bijgedragen tot zijn latere levenshouding. Daar staat tegenover dat hij daarin niet alleen stond, want in de samenleving van de zeventiende eeuw zullen velen dezelfde soort ervaringen hebben doorgemaakt.

Tweede soort gemis

Een tweede soort gemis ligt op het vlak van zijn persoonlijke aanleg. Zijn vader was handelaar in zuidvruchten en een gerespecteerd lid van de Joodse gemeenschap.
Spinoza was een zeer begaafde leerling, die veel tijd aan zijn studie besteedde.
Na de dood van Isaac kwam hij op zijn zeventiende bij zijn vader in de zuidvruchtenhandel, waardoor hij alleen nog in de avonduren en een deel van de sabbat zijn hart kon ophalen aan de studie. Hij legde zich neer bij het vaderlijk gezag, maar het is waarschijnlijk dat toen, zo al niet eerder, door eenzaamheid en vervreemding een onbewuste weerstand tegen vaderlijke macht en traditie werd opgebouwd, met het gevolg dat de geniale jongen streefde naar een nieuwe vorm van zelfbehoud (De Vries, 1991 p. 35, 46). Ook deze tweede vorm van gemis is vrij algemeen, en door de genialiteit van Spinoza zal dit gemis aan voortgezet onderwijs waarschijnlijk sterker zijn gevoeld dan bij de gemiddelde autodidact, die zijn dromen in rook op ziet gaan.

Derde gemis

Afbeelding 7: Spinoza’s excommunicatie in Amsterdam — Samuel Hirszenberg (1907)[5]

Na zijn vaders dood in 1654 uitte Spinoza steeds openlijker zijn onorthodoxe ideeën. Die waren, samen met financiële perikelen, waarschijnlijk de aanleiding voor het derde grote verlies, want in 1656 sprak het college van rabbijnen de banvloek over hem uit. Dit hield onder andere in dat hij voor altijd werd afgesneden van gelovige familieleden en vrienden (Durant, 1947 p. 172).

Dit laatste gemis betekende een keerpunt in zijn leven. Er kwam een einde aan zijn loopbaan als koopman. Hij werd opgevangen door zijn vrijdenkende vrienden en hij ging les nemen en geven aan de school van nieuwlichter Franciscus van den Enden.
Voortaan wijdde hij zich geheel aan de filosofie.

Spinoza en de moed

Een volgend kenmerk waaraan het heldenleven volgens Campbell moet voldoen is dat hij of zij erop uittrekt voor een reeks avonturen die het gewone te boven gaan. De held moet zich hebben ontwikkeld tot een vrij handelende persoon met de moed om verantwoordelijk te zijn.

De avonturen die Spinoza heeft beleefd zijn innerlijke avonturen, waarbij zijn geschriften beschouwd kunnen worden als de neerslag van hetgeen hij daarbij ontdekte.
Zijn belangrijkste werk, de Ethica, is uit angst voor represailles pas na zijn dood door zijn vrienden uitgegeven. Dat die angst voortkwam uit wijsheid en niet uit karakterzwakte kan eenvoudig worden aangetoond aan enkele voorbeelden waarbij Spinoza van grote moed blijk gaf.

Afbeelding 8: Uriel da Costa instrueert de jonge Spinoza — Samuel Hirszenberg (1901)[6]

Zo kunnen we aannemen dat zijn geestelijke bevrijdingsproces met schommelingen en twijfel, schokken en pijn heeft plaatsgevonden. Het aanvaarden van de consequenties van de ban vergde meer dan alledaagse moed (De Vries, 1991 p. 43). Spinoza wist wat hem boven het hoofd hing, omdat hij als achtjarige was geconfronteerd met de zelfmoord van de van ketterij beschuldigde Uriel da Costa. Deze gebeurtenis moet grote indruk op hem hebben gemaakt (Nadler, 1999: 66).

Van zijn geestelijke kracht getuigt verder zijn afwijzing van een uitnodiging om het goed betalende ambt van hoogleraar in de filosofie aan de universiteit van Heidelberg op zich te nemen. Spinoza gaf aan geestelijke vrijheid de voorkeur boven eer en rijkdom (Briefwisseling, brief 47 en 48).

Ook tegenover lichamelijk geweld hield hij manmoedig stand. Na de dood van zijn vader werd hij mishandeld door twee diamanthandelaren, die hem geld verschuldigd waren. Daarbij sloegen ze zijn hoed van zijn hoofd en vertrapten die in de goot (Nadler, 1999 p. 88).
Bovendien gaat het (onbevestigde) verhaal dat hij na zijn verbanning ’s avonds op straat met een dolk werd aangevallen, waarbij zijn jas scheurde. De onbekende dader zou kwaad zijn geweest dat Spinoza zich na zijn verbanning nog in Amsterdam ophield.

Zeker is dat hij tot tweemaal toe een woedende menigte tegemoet wilde treden, de eerste keer na de beestachtige slachting van gebroeders de Witt in 1672, en de tweede keer nadat hij werd uitgemaakt voor landverrader na zijn bezoek aan het Franse kamp voor Utrecht. Beide keren greep zijn hospes in (Nadler, 1999 p. 306).

Bovenstaande voorvallen getuigen niet alleen van Spinoza’s moed, ze vormen zeker ook geschikte ingrediënten voor een spannend heldenverhaal.

Samenvattend kunnen we dus zeggen, dat Spinoza’s levensloop voldeed aan de kenmerken van het heldenverhaal, namelijk een gemis in de normale ervaringen, en de moed om verantwoordelijk te zijn.

Spinoza en het levenselixer

Een legendarische held is gewoonlijk de grondlegger van iets nieuws, schrijft Campbell. Daarvoor is het nodig het oude los te laten en op zoek te gaan naar de kiem van een idee dat het in zich heeft dat nieuwe voort te brengen. Dat nieuwe vergelijkt Campbell met een levenselixer.

De filosoof Spinoza stond op de grens van de middeleeuwen en de moderne tijd. Hij overwon het dualisme van Descartes door de hele metafysica tot één grondprincipe te herleiden, de ene, alomvattende Substantie, het eeuwige, noodzakelijke, volmaakte Zijn, dat God genoemd kan worden. Deze ene Substantie heeft oneindig veel uitingsvormen, waarvan wij er twee kennen, nl. denken en uitgebreidheid.

Kennis betekent voor Spinoza een steeds dieper bevatten van onze plaats in de realiteit en groei naar volmaaktheid. Het gaat om inzicht in de wetmatigheid en noodzakelijkheid waarvan wij een denkend deel zijn. Ook al zijn we gedetermineerd, we kunnen door inzicht en oefening de goede levensweg kiezen.
Hij beschrijft de vernielende werking van passies zoals haat, wedijver, zelfover- en onderschatting. Onder ‘goed’ verstaat Spinoza dat ‘waarvan wij zeker weten dat het nuttig voor ons is.’ (Spinoza, Ethica, deel IV, Def. I). De vrije mens, die te midden van onwetenden leeft, moet volgens Spinoza zoveel mogelijk hun weldaden trachten af te wijzen (Ethica, deel IV, stelling 70).

De Ethica kan fungeren als een levensleer, waarin de ‘drang tot zelfhandhaving’ de leidraad vormt. Het uiteindelijke doel en de verwezenlijking van het menselijke filosoferen ligt in het schouwen van het wezen Gods. Wie dat wil kan in Spinoza’s rationele filosofie een religieus-mystieke kant vinden met een mogelijkheid tot gelukzaligheid in de eenwording in God. Er is dus veel voor te zeggen zijn totale werk te beschouwen als een levenselixer.

Samengevat betekent dit dat Spinoza de grondlegger is van iets nieuws, dat tevens opgevat kan worden als een levenselixer, waardoor Spinoza volgens Campbell ongetwijfeld aan deze eis voor het heldendom zou voldoen.

Spinoza en de voorbeeldfunctie

Afbeelding 9: Ethica, 4e druk Wereldbibliotheek (1955)

Om zelf een held te zijn hoeven we het avontuur niet alleen te wagen, want, zegt Campbell, de helden van alle tijden zijn ons voorgegaan. Zij hebben dus blijkbaar een voorbeeldfunctie.

In welke opzichten zouden Spinoza en zijn leven een voorbeeld kunnen zijn voor de Spinozaliefhebbers?
Dat hij genoegen beleefd zou hebben aan het bestuderen van de doodstrijd van vliegen in het web van een spin mag ons wellicht als wellustig sadisme voorkomen, en gezien de gewelddadige tijd waarin hij leefde, en ook vanuit rationalistisch standpunt, is dat te vergeven. Het zal echter over het algemeen niet snel tot voorbeeld dienen.

Zijn manier van leven is niet de manier die de meeste van zijn aanhangers bij voorkeur zouden nastreven. Zijn leven was weliswaar niet zo arm en eenzaam als de overlevering het ons gewoonlijk tekent, want hij had invloedrijke en toegewijde vrienden, die hem ook materieel steunden als het nodig was. Bovendien was hij geïnteresseerd in de politieke gebeurtenissen van zijn tijd.
Ieder mens heeft zijn eigen aard en ieder zal op zijn eigen wijze zijn leven volgens zijn eigen voorkeuren en dromen moeten proberen te realiseren.

De manier waarop hij de lotgevallen in zijn leven heeft aanvaard of indien nodig het hoofd heeft geboden wekt echter wel bewondering op. Zo zouden we zelf ook willen kunnen reageren, denken veel aanhangers van de leer van Spinoza.

Vooral de ware kennis, de kennis die tot Gelukzaligheid leidt, is het doel.
De Ethica is een rationele, door en door begrijpelijke levensleer, die ook in de huidige tijd een inspirerend en ook een praktisch voorbeeld kan zijn bij de ethisch-filosofische vraag: Hoe te leven.

Het leven van Spinoza was, voor zover aan ons overgeleverd, inderdaad zeer voorbeeldig als je het beziet vanuit zijn eigen levensleer. Het is dus niet het individuele leven van Spinoza zelf, maar het feit dat er ook daadwerkelijk volgens zo’n ontwikkelingslijn geleefd kan worden, dát is het lichtend voorbeeld.

Volgens de eisen van Campbell voldoet Spinoza dus ook aan de voorbeeldfunctie.

Spinoza, de held van mijn dromen

Resumerend kunnen we zeggen dat het beeld dat in de loop der jaren over Spinoza is gevormd níet voldoet aan de eisen die aan het eerste type, de fysiek sterke held worden gesteld. Spinoza was over het algemeen een zachtmoedig en lichamelijk zwak mens.

Wat betreft het tweede type, de spirituele held, is hij echter kansrijker, gezien de uitkomsten van de vergelijking.
Ten eerste is het duidelijk dat wat betreft zijn portret wordt ingespeeld op de (ook bij filosofisch geïnteresseerden) menselijke behoefte aan een held. De algemene voorkeur voor het glamourachtige portret zal er zeker toe bijdragen, en we moeten niet vergeten dat ook de Operaprent goed bekend is. Voor iemand die voor het eerst met Spinoza kennis maakt, zou het echter de aantrekkingskracht kunnen vergroten.

Afbeelding 10: Spinoza L’histoire dúne révolution[7]

Ten tweede zijn de karaktereigenschappen die Spinoza volgens de verhalen bezat niet in tegenspraak met die van een held van het tweede type. Die hoogstaande eigenschappen zijn nodig om het door Campbell genoemde bovennormale bereik van menselijk spiritueel leven te leren ervaren.

Ten derde spreken de gebeurtenissen die zijn leven markeerden tot de verbeelding, hetgeen kan bijdragen aan de vorming van een heldenbeeld. De voorvallen getuigen niet alleen van Spinoza’s moed, ze vormen ook geschikte ingrediënten voor een spannend heldenverhaal, vooral als ze worden ingebed in de politiek roerige tijd waarin hij leefde.

Tot zover voldoet Spinoza dus aan de richtlijnen voor het heldendom van Campbell.

Zodra we de heldenverering voor Spinoza toetsen aan zijn geschriften komen de zaken anders te liggen, ook als zijn werk opgevat wordt als een levenselixer dat Gelukzaligheid kan brengen.
Het is duidelijk, dat Spinoza niet afwijzend tegenover anderen stond, wel dat hij van mening was dat een filosoof achter zijn filosofie verborgen moet blijven.
Ook bleek dat niet het individuele leven van Spinoza zelf, maar zijn levensleer het te volgen voorbeeld is en daarin komt tot uitdrukking dat hij zelf wars was van elke heldenverering.
De opvattingen van Spinoza zijn duidelijk: heldenverering komt niet voort uit ware kennis. Hier houdt de vergelijking van Spinoza met een held dan ook op.

Dus: is Spinoza de held van mijn dromen?

Spinoza heeft ontegenzeggelijk heldenkwaliteiten, die de beginnende liefhebber kunnen betoveren en daardoor tot verering kunnen leiden. Degenen die zijn gevorderd in Spinoza’s rationele leer weten echter wel beter.

Zolang het bezit van de Ware Kennis nog een droomwens is, smul ik als liefhebber van de avonturen van mijn held, en ’s avonds voor het slapen gaan kijk ik nog even naar zijn mooie portret aan de muur van mijn werkkamer.
Hij kijkt me recht in de ogen en zegt: ‘Niet opgeven, ik help je wel.’

  • Campbell, J. en Moyers, J. (1991). Mythen & bewustzijn. De kracht van de mythologische verbeelding. Oorspronkelijke titel The power of myth. 1e druk 1988. Nederlandse vertaling Frans Hille. Houten: De Haan.
  • Durant, W. (1947). Van Socrates tot Bergson. Hoofdfiguren uit de geschiedenis van het denken. Vertaald door Helena C. Pos. Ingeleid door Prof. Dr. H.J.Pos, 1939. Den Haag: Boucher.
  • Ekkart, R. (1999). Spinoza in beeld Het onbekende gezicht. Voorschoten: Vereniging Het Spinozahuis.
  • Nadler, S. (1999). Spinoza, A Life. Cambridge: University Press.
  • Schmidt-Biggemann, W. (1977). ‘Images of Spinoza. The reception of a philosophy through three centuries’. In: Catalogues of exhibitions at the Herzog August Bibliothek. No.19. Baruch de Spinoza. 1677-1977. His work and its reception. Baarn: Hertzberger.
  • Spinoza, B. (1977). Briefwisseling. Vertaald uit het Latijn en uitgegeven naar de bronnen alsmede van een inleiding en van verklarende en tekstkritische aantekeningen voorzien door F. Akkerman, H.G. Hubbeling, A.G. Westerbrink. Amsterdam: Wereldbibliotheek.
  • Spinoza, B. (1979). Ethica, uit het Latijn vertaald en van verklarende aantekeningen voorzien door Nico van Suchtelen. Amsterdam: Wereldbibliotheek.
  • Spinoza, B. (1997). Theologisch-politiek traktaat, uit het Latijn vertaald, ingeleid en van verklarende aantekeningen voorzien door F. Akkerman. Amsterdam: Wereldbibliotheek.
  • Vries, Th. de (1991). Spinoza. Amsterdam: de Prom.
Noten

[1] Bron: Spinoza portret Schilderij op doek, 77×62 cm. Herzog August Bibliotheek, Wolfenbüttel
[2] Bron: Opera portret van Spinoza  
[3] Bron: postzegel-Spinoza-1977
[4] Bron: Nederlands duizendguldenbiljet  
[5] Bron: Samuel Hirszenberg — Spinoza als uitgestotene (1908)
[6] Bron: Dacosta en Spinoza
[7] Bron: Spinoza L’histoire dúne révolution  

studeerde Wijsbegeerte aan de UvA met als specialisatie Esthetica en cultuurfilosofie en met een minor in de Cultuur- en Godsdienstpsychologie. Als keuzevak volgde ze o.a. Niet-Westerse en vergelijkende Wijsbegeerte bij dr. Karel L. van der Leeuw. Haar eindscriptie behandelde de 20e-eeuwse debatten over mystiek en rationaliteit bij Spinoza.