Gevoelige zielen

0

Annelie van Steenbergen, tekst en afbeeldingen

Wijsheidsweb, 13 oktober 2019

Het liep tegen sluitingstijd, het uur dat hersenschimmen zich aan de poort verdringen om het op te nemen tegen de zielen van de dolenden. Ze was laat, omdat ze dat vermaledijde blikje zalm voor Felix niet open had kunnen krijgen. Pas met hulp van een hamer en een beitel had ze de gulzig miauwende kat zijn voer kunnen geven.

Zodra ze het monumentale hek openduwde zag ze in de verte een schaduw bij Arnolds graf. Wat kon dat zijn? Haar schoenen knerpten in het grind terwijl ze aarzelend doorstapte op het pad.

Toen ze dichterbij kwam zag ze dat het een mens was, een oudere man, van ongeveer haar eigen leeftijd en tegelijkertijd werd duidelijk dat het bezoek niet haar man maar de steen ernaast gold. Dat verbaasde haar. Zij was de enige die daar regelmatig het verwaaide zand en de dorre bladeren wegveegde. Nooit lag er eens een vers bloemetje of brandde er een kaarsje.

Al gauw herkende ze hem ook. Het was Buis, de vorige eigenaar van de dierenwinkel waar ze de brokjes voor Felix kocht. Ze kon hem zich goed herinneren, omdat hij haar ooit een aankoop had afgeraden.

‘Ik verkoop ze wel, mevrouw,’ had hij gezegd, ‘maar niet van harte. Een poes is een poes en die moet z’n natuur kunnen volgen. Als u hem een bel aanbindt, raakt hij gefrustreerd, zijn talenten worden gesmoord. Hij kan niets meer doen dan slapen en snorren.’

‘Maar die arme vogeltjes dan?’ had ze gevraagd.

‘Die moeten maar op zichzelf passen,’ zei Buis en hij had een extra brokje bij de boodschappen gedaan.

En nu zat Buis op zijn knieën voor de steen naast die van Arnold, zijn gezicht in zijn handen alsof hij huilde. Ze kon onmogelijk doen alsof ze hem niet zag. Moest ze kuchen, zodat hij zich niet betrapt zou voelen, of moest ze juist zo stil mogelijk zijn om hem niet te storen?

Het probleem loste zich vanzelf op omdat hij zich net oprichtte toen ze met de hark en de gieter bij het paadje arriveerde.

‘Goedenavond, meneer Buis,’ groette ze.

Buis keek haar glazig aan.

‘Uit de dierenwinkel,’ verduidelijkte ze.

Ondanks zijn onmiskenbare droefheid verhelderden zijn bruine kraalogen, waardoor zijn gezicht meteen een aangename glans kreeg.

‘Natuurlijk, nu zie ik het,’ zei hij. ‘Van Felix!’

‘Dat u dat heeft onthouden! Zo lang geleden…’

‘Jazeker, het was een forse kater. Die zal inmiddels ook al in de kattenhemel zijn.’ Hij wees naar het graf van Arnold. ‘Uw man?’

Ze knikte.

‘Gecondoleerd,’ zei Buis.

‘Dank u,’ zei ze. ‘Het is al bijna zeven jaar geleden, maar er is verdriet dat nooit slijt. En wie voert u hier?’

‘Mijn grootmoeder heeft onder deze zerk haar laatste rustplaats gezocht.’

Naar zijn gezicht te oordelen moest hij daarover behoorlijk in de put zitten, maar waarom had ze hem hier dan nooit eerder gezien?

‘Was u erg op haar gesteld?’

‘Eerlijk gezegd, nee,’ zei Buis met gedempte stem, alsof zijn grootmoeder hem kon horen.

Vragend trok ze haar wenkbrauwen op.

‘Een heel verhaal…’ zei Buis. ‘Het zou te ver voeren.’

Ze drong niet aan en zette haar spullen neer. Ze haalde de vaas weg en verwijderde een paar slaphangende stelen en dode bloemblaadjes uit de bos aronskelken en witte lelies. Met de stoffer veegde ze de steen stofvrij. De letters van zijn naam en zijn geboorte- en overgangsdatum stonden nog zonder zichtbare slijtage in het zwartglanzende marmer. Over de gehele breedte van de steen van de grootmoeder van Buis liep een barst en haar naam was slecht te ontcijferen.

Als Buis niets over haar kwijt wilde, was het haar ook goed. Ze boende de steen met een doek, zodat hij weer begon te glanzen. Voor ze het smalle paadje rondom harkte, zette ze de vaas terug in het midden onder Arnolds geboorteplaats.

Al die tijd sloeg Buis haar gade. Hij droeg een gekreukeld grijs jasje boven een eveneens gekreukelde lichtgrijze broek. Het jasje en de broek pasten noch bij elkaar noch bij hem. Ze kon wel zien dat hij geen vrouw had. Die zou hem ook dat hoofddeksel hebben afgeraden, een grauw hoedje waar zijn driehoekige oren onderuit staken. Toch leek hij haar ondanks zijn spichtige verschijning wel aardig. Hij had grappige handen.

Toen ze klaar was met vegen en de planten had begoten, alles uiterst zorgvuldig zoals Arnold het zou hebben gewenst, diepte hij een portie kaas uit zijn broekzak op, wikkelde het uit het smoezelige vetvrije papier en bood haar een stukje aan.

‘Edammer,’ zei ze.

Kauwend op de lauwe hartigheid stonden ze een tijdje in gedachten verzonken naar de graven te staren.

‘Lekker,’ zei ze. ‘Mijn man verkocht behalve Hollandse ook de meest exquise Zwitserse en Franse merken, van koe of geit en schaap, puur, blauw, met of zonder noten, met of zonder rozijnen. Toch gaat er niets boven Hollandse.’

‘Van eigen bodem,’ zei Buis, ‘dat is de beste.’

Ze ging hem steeds sympathieker vinden. Ze zou nog wel even samen met hem op een bankje willen zitten, hier bij Arnold en de grootmoeder. Ook Buis leek geen haast te hebben.

‘Gewoonlijk kom ik op woensdag,’ zei ze. ‘Dan is de kiosk open, verderop. Daar koop ik iedere week nieuwe bloemen voor mijn man. Maar deze woensdag ga ik naar mijn jarige kleindochter.’

Buis zweeg. Pas na een tijdje zei hij, alsof het een bekentenis was:

‘Vandaag ben ik hier voor het eerst.’

Ze liet haar ogen van Arnolds graf over het kerkhof met zijn rijen aaneengesloten stenen dwalen. Geen twee stenen waren gelijk. Ze vroeg zich af of Arnold het niet vervelend vond dat ze hier met een vreemde man stond te praten. Ach, hield ze zichzelf voor, vreemd was hij eigenlijk niet, ook Arnold kende Buis. Zelfs beter dan zijzelf, want Felix was Arnolds kat en bij zijn leven kocht Arnold zelf het zaagsel voor de bak bij de winkel van Buis.

‘Ik heb me niet gerealiseerd dat er zoveel katten zijn op een kerkhof,’ zei Buis.

Het was haar nooit opgevallen, maar nu zag ze ook dat er overal katten rondslopen of met tot spleetjes geknepen ogen en hun staart om hun lichaam gevouwen op de stenen lagen.

‘In China eten ze katten,’ zei ze. ‘Weet u hoe die worden klaargemaakt? Ze knuppelen de doodsbange diertjes uit hun kooi, dan dompelen ze ze levend onder in kokend water en hakken onder luid gekrijs hun pootjes af.’ Dat had ze letterlijk gelezen in de televisiegids.

‘Vers zijn ze lekkerder,’ zei Buis. ‘Ze doen dat met kreeften ook. En met mosselen en garnalen, maar die zijn zo klein, dat mensen de illusie hebben dat ze het niet voelen.’

‘Maar dat is niet zo,’ zei ze.

‘Nee, dat is niet zo,’ zei Buis.

De schemering viel over het kerkhof, er hing een lome warmte onder de bomen en behalve een oude man met een fiets aan de hand was er niemand te bekennen. De schaduw van de grote kerk werd donkerder en de toren stak zwart af tegen de nog lichte lucht. Zo dadelijk zouden de hekken worden gesloten.

‘Mag ik een eindje met u oplopen?’ vroeg Buis.

Hij bukte zich en raapte het tuingereedschap voor haar op.

‘Ik geloof niet dat daar kwaad in schuilt,’ zei ze weifelend. ‘Arnold zal het toch niet vervelend vinden, wat denkt u?’

‘Arnold?’

‘Mijn man.

Buis keek haar bevreemd aan. Beïnvloed door de rust en de eendrachtige stemming nam ze hem in vertrouwen.

‘Arnold is sinds zijn heengaan nog altijd bij me, ik overleg alles met hem.’

Tot haar geruststelling knikte Buis begrijpend.

‘Ik denk niet dat hij bedenkingen kan hebben tegen onze ontmoeting,’ zei hij kalm. ‘Ik heb geen slechte bedoelingen. In tegendeel, u beschermt mij door uw aanwezigheid.’

‘Hoe zou ik u kunnen beschermen?’ Ze glimlachte bij het idee. Met zachte geluidjes probeerde ze een mooi wit poesje te lokken, maar Buis trok haar mee.

‘Ik voel me sinds lang erg onrustig,’ zei hij. ‘Ik heb me ingebeeld dat mijn grootmoeder verbolgen is en het haar geest is die me kwelt. Op advies van mijn huisarts wilde ik proberen haar te overtuigen van haar wraakzuchtige bemoeienissen af te zien.’

‘En, is het gelukt?’

‘Ik weet het niet,’ twijfelde Buis. ‘Voor de zekerheid maak ik graag van uw gezelschap gebruik.’

‘Waarom zou uw grootmoeder boos op u zijn?’

Het leek haar dat niemand boos op zo’n zachtaardige man kon worden.

‘Als uw man er geen bezwaar tegen heeft wil ik het u graag een keer vertellen. Het zou mij ontlasten.’

Vaag herinnerde ze zich dat de dierenwinkel ooit had toebehoord aan de moeder van Buis en daarvoor aan zijn grootmoeder. Het was dus een familiebedrijf. Was zij boos omdat hij het had verkocht?

‘Ik zal het met hem bespreken,’ beloofde ze.

Ze hadden het hek bereikt en als vanzelfsprekend liepen ze er samen doorheen, de weg op, langs de kerk de dorpsstraat in. In een van de woonhuizen bewoog een gordijn, maar daar trok ze zich niets van aan. Ze was nu eens niet van plan zich zo’n zeldzaam genoegen te ontzeggen.

Ze passeerden de delicatessenzaak waar Arnold zijn gouden horloge had verdiend met schappen vullen en boodschappen inpakken, en daarna de dierenwinkel, die overgenomen was door een amfibieënliefhebber. Zwijgend liepen ze de winkelstraat uit, de hoek om het woonerf op.

‘Hier woon ik,’ zei ze en stopte bij de voordeur.

Buis maakte geen aanstalten verder te lopen. Hij speurde de straat af, die versperd werd door obstakels. Drempels, paaltjes, bloembakken met geraniums, boompjes in uitgespaarde ruimtes tussen de stoeptegels, geparkeerde auto’s.

‘Wat doen we?’ hoorde ze zichzelf tot haar verbazing zeggen. ‘Kopje koffie?’

‘Dat sla ik niet af,’ zei Buis.

Ze ontstak de schemerlampen, trok de gordijnen dicht en verdween naar de keuken om koffie te zetten. Buis bestudeerde met zijn handen op zijn rug een geborduurd schilderij dat ze onlangs had voltooid en ingelijst boven de bank had gehangen. Stillevens, daar hield Arnold van.

Nauwelijks was ze in de keuken of ze hoorde een verschrikte kreet. Ze keek om de hoek van de deur. Buis stond voor de leren draaistoel, oog in oog met Felix, die met een gekromde klauw naar hem sloeg. Blijkbaar had hij, nietsvermoedend, de stoel een zwaai gegeven en was hij geschrokken van de onverwachte verschijning van de grote rode kater. Felix’ nagels waren ingetrokken al blies hij kwaadaardig.

‘Hij doet niks, hoor!’ riep ze. ‘Sinds Arnolds heengaan is hij een beetje narrig geworden.’

Ze nam aan dat Buis hem wel op de juiste manier zou toespreken, tenslotte was hij een dierenvriend met jarenlange ervaring, en vervolgde haar werk.

Uit de kraan liet ze water in de glazen koffiekan lopen en goot het in het koffiezetapparaat. Daarna pakte ze de koffiebus uit het kastje boven het aanrecht. Leeg. Dus moest ze een nieuw pak halen uit de kelder. Onder aan de trap vroeg ze zich af of ze een fles wijn uit Arnolds gevarieerde voorraad mee naar boven zou nemen voor als Buis wat langer zou willen blijven.
Ze bekeek de etiketten. Afrikaanse, Australische, Bulgaarse, Chinese… Welke moest ze kiezen? Welke was op dronk? En moest je niet vooraf chambreren?
Bovendien, wat zou Arnold ervan vinden, als ze zijn kostelijke wijn voor een andere man… Het was beter het niet te doen. Maar voor ze met het nieuwe pak koffie de trap weer opklom bedacht ze zich en nam alsnog een fles wijn mee naar boven.

Ze liet de kelderdeur achter zich op een kier staan, ging de keuken binnen en knipte het pak koffie open. Zoals gewoonlijk morste ze een scheut donkerbruine korreltjes, die ze snel wegveegde voor iemand het zou merken. Ze vouwde het filter in de filterhouder, mat de maatlepeltjes af en zette het apparaat aan.

Tijdens het wachten, het water druppelde traag, zocht ze twee gelijke kopjes en schoteltjes bij elkaar, zette ze op een dienblad samen met de suiker en de melk en het verzilverde lepelbekertje.

Eigenlijk moest ze nu Arnold inlichten, maar iets in haar hield haar tegen.

De koffie was klaar. Kalm schonk ze de kopjes vol.

Voor ze de kamer binnen ging om Buis met een glimlach tegemoet te treden wierp ze een blik in de spiegel in de gang. Ze was er niet mooier op geworden, maar ze had nog aantrekkelijke kanten. Ze streek de haren uit haar gezicht en tuitte haar lippen.
Ondanks een lichte vorm van staar had ze voor haar leeftijd goede ogen en natuurlijk zag ze de rimpeltjes rond haar mond. Maar haar wangen, hoewel uitgezakt, waren redelijk glad en haar hals kon er nog best mee door.

Arnold hield van opgeruimd is netjes, dus bij haar was alles reinheid wat de klok sloeg.

Ze wist dan ook niet wat haar meer verbaasde, de afwezigheid van Buis of de aanwezigheid van de muis. Hoewel Felix ineengedoken, klaar voor een volgende sprong, tegen de grond gedrukt lag en de muis dus in acuut gevaar verkeerde, concentreerde ze zich eerst op de afwezigheid van Buis. Was hij naar de wc? Dan moest ze gewoon geduldig wachten. Maar, bedacht ze, ze had hem niet in de gang gezien. Ach, natuurlijk had hij zich teruggetrokken toen ze in de kelder was. Maar bleef hij dan niet erg lang weg? Hij was onrustig geweest, had hij gezegd. Misschien werd die onrust veroorzaakt door buikkrampen en was hij onwel geworden.

Felix sloop in buikgang naar het muisje, dat zich in een onmogelijke positie bevond. Ze verkeerde in tweestrijd. Moest ze het beestje redden uit de klauwen van die bloeddorstige kat? Of moest ze Felix zijn pleziertje gunnen, zodat hij zich misschien wat minder heerszuchtig tegenover haar zou gaan gedragen. Als je je natuur niet kunt volgen raak je gefrustreerd had Buis ooit gezegd en de praktijk had haar geleerd dat hij gelijk had.

Ze besloot eerst na te gaan of Buis in orde was. Hij kon haar hulp nodig hebben. Op de gang bleef ze stilstaan voor de wc-deur. Geen geluid drong tot haar door.

‘Meneer Buis?’ riep ze zachtjes.

Geen antwoord.

‘Meneer Buis?’ Harder.

Een angstaanjagend visioen doemde op. Buis bleekgroen onderuitgezakt tegen de muur, de mond halfopen, de handen aan het hart. Net als Arnold destijds. Ze voelde aan de deurklink. Niet op slot. Nu opende ze helemaal. Ze herademde. Voor haar de betegelde ruimte, slechts bezet door de toiletpot met de deksel met het gehaakte hoesje naar beneden. Hier was hij niet geweest.

Het was toch niet mogelijk dat hij zonder afscheid te nemen was vertrokken? Of wilde hij…? Ze durfde de gedachte nauwelijks toe te laten, maar toen hij eenmaal bij haar was opgekomen, snelde ze naar haar slaapkamer en gooide de deur open. Maar daar trof ze de netjes door een met paradijsvogels geappliqueerde sprei bedekte slaapplaats onbemand aan. Met een kleur, hoe had ze zoiets kunnen denken, liep ze terug naar de kamer, niet zonder eerst nog in de bezemkast gekeken te hebben en in de kelder te zijn geweest, hoewel die plek niet in aanmerking kwam. Ze bedacht nu wel, dat dat muisje natuurlijk door de openstaande kelderdeur naar binnen moest zijn geglipt.

Mismoedig liet ze zich in de door Felix verlaten draaistoel vallen. Hoe had ze kunnen denken dat Buis een glas wijn met haar zou drinken? Natuurlijk was hij weer naar huis gegaan. Ze had veel te lang getreuzeld, het was logisch dat hij er genoeg van had gekregen en was vertrokken. Hoe had ze zich zo honds kunnen gedragen, een timide man in een vreemd huis. Wat een gastvrouw was ze!

Pas door een erbarmelijk gepiep ontwaakte ze uit haar lethargie. Felix sloeg met zijn poot tegen het muisje en telkens als het diertje wegvluchtte kreeg het een haal of nam hij het even pesterig in zijn bek. Het bloedde bij een oortje. Ze stond op om het van dichtbij te bekijken. Felix zette een hoge rug op en blies vervaarlijk. Daardoor liet hij het muisje vallen, dat meteen uitweek naar de hoek van de kamer. Duidelijk zag ze dat een rand van het oortje was afgescheurd en vochtig rood glom.

Tijdens het observeren van het trillende beestje vielen haar ineens de handjes op en ze vroeg zich af of het mogelijk was dat dit grijze muisje… De kraalogen die haar nu in doodsnood aankeken, de bruingrijze bovenzijde met de grijswitte onderkant, maar vooral de oortjes. Het waren precies zulke driehoekjes als de oren van meneer Buis, maar dan in het klein. Ze sprong op en ijsbeerde door de kamer, de muis aan Felix overlatend. Het kon niet waar zijn! Nog nooit had ze van zoiets gehoord! Maar zijn kennelijke angst op het kerkhof, en de aanwezigheid van de katten! Buis, Muis, dat kon geen toeval zijn! Ze stoof terug naar Felix, overwon haar angst voor zijn venijnige nagels en vlijmscherpe tanden, greep hem bij zijn nekvel, sleurde hem weg van de muis en smeet hem op de gang.

Overmand door medelijden knielde ze even later voor de bank waaronder Buis zich had teruggetrokken en met haar wang plat op het vloerkleed tuurde ze onder de zitting. Daar zat hij, schriel en sidderend, tegen de plint.

‘Psst, meneer Buis, de kust is veilig,’ probeerde ze hem te lokken.

Had ze hem maar verteld dat Felix niet dood was, in tegendeel springlevend, en zich steeds gemelijker en weerspanniger gedroeg. Dat hij de hele dag in de draaistoel lag alsof hij Arnold was, en naar haar uithaalde als ze hem eruit wilde jagen. Dan was dit niet gebeurd.

‘Kom toch tevoorschijn, meneer Buis,’ smeekte ze. ‘Uw oor moet verzorgd worden. U riskeert een infectie. En bovendien kunt u nergens heen, er is hier nergens een vermolmd gaatje te vinden, alles is hier kraakhelder en gaaf.’

Ze schoof haar hand onder de bank, maar nu schoot hij weg onder de eikenhouten kast. Het was onmogelijk de zware kast opzij te schuiven om hem te vangen, dus ze moest een list verzinnen. Ze glipte door de deur naar de gang waar Felix met een dikke staart luid mauwend heen en weer schreed en schonk zichzelf in de keuken een glaasje van Arnolds wijn in. Rustig nadenken, hield ze zichzelf voor. Er was geen haast bij, Buis kon geen kant op.


Met haar ene oog op de televisie en het andere op de vloer zat ze met het vergiet in de aanslag in de draaistoel. Sinds lang had ze zich niet zo ontspannen gevoeld. Dat kwam omdat de stoel van Arnold heerlijk bleek te zitten, maar vooral door de wijn die goed op dronk was. Ze nam zich voor voortaan vaker uit de kelder te putten. Buis had nog niets van het schoteltje Riesling gedronken, maar aan het knisperen onder de bank hoorde ze dat hij van de zonnepitten knabbelde en ze verwachtte hem elk moment bij het schaaltje oude Goudse.

Wie dieren wil houden moet zich ervan bewust zijn dat hij een verplichting op zich neemt, dat hij verantwoordelijk is voor het leven en welzijn van het dier dat hij verzorgt, ook tijdens ziekte en in de vakanties. Daarom nam ze zich voor Buis in een ruime kooi te huisvesten, met een goede schuilgelegenheid en een flinke uitloop. Bij gebrek daaraan moest hij voorlopig helaas in een inmaakglas met een deksel van stevig papier waarin ze gaatjes had geprikt voor voldoende zuurstof. Met een elastiek om de hals kon ze de pot goed afsluiten. De bodem had ze bedekt met papier en restjes stof. Stukjes appel, fijngewreven noten, brood en spek erbij, zodat hij van de honger niet om zou komen. Natuurlijk zou de luchtcirculatie te wensen overlaten, maar zo gauw ze terug was van haar kleindochters verjaardag zou ze naar de dierenwinkel gaan om een terrarium voor hem te kopen.

Haar gedachten gingen met haar aan de haal. Haar isolement zou worden doorbroken, ze zou gaan fietsen met Buis in haar jaszak, hij mocht mee naar de kapper en naar het wandelpark. In de gang mauwde Felix. Hij probeerde de deur te openen door tegen de klink te springen, maar de deur was gebarricadeerd en al gauw gaf hij het op en krabde hij alleen nog nieuwe rafels in de loper.

Pas toen ze bedacht hoe Arnold zou gruwen bij het idee dat ze een muis in huis haalde, ontdekte ze dat Buis inmiddels tevoorschijn was gekomen en zich de kaas goed liet smaken. Blijkbaar was hij zich niet bewust van haar aanwezigheid. Doodstil bleef ze kijken naar de schranspartij. Rechtop, gesteund door zijn staartje, propte hij met twee handen tegelijk de stukjes in zijn bek.

Als Arnold zou weten dat Buis uit nijd door zijn grootmoeder was veranderd in zo’n onschuldig beestje, zou hij het toch wel met haar eens zijn? En zonder zich verder te bedenken plaatste ze, doelbewust en weloverwogen, het vergiet over Buis.


Pas in de intercity kwam ze weer bij zinnen. In het hoedenrek stond haar tas vol cadeautjes en om haar heen gonsden de alledaagse gesprekken boven het geluid van de trein uit. Hoe had ze kunnen denken dat Buis in een muis was veranderd!

Ze was te lang alleen, Arnold was al zolang dood, ze moest eens naar een andere partner uit gaan zien. Die gedachte had ze altijd ver van zich gehouden, ze vond het juist prettig alleen te zijn en de enige smet op haar vrijheid was Felix. Vaak vermoedde ze dat hij haar tiranniseerde met zijn nagels en zijn geblaas en zijn krankzinnige eisen op voedselgebied.

Er was echter geen sprake van geweest dat ze een ander adres voor Felix zocht of hem naar een asiel bracht, Arnold zou haar zien aankomen! Maar nu, terwijl de maïsvelden en de achtergevels van de huizen aan het spoor langs haar heen flitsten, vroeg ze zich af waarom ze zich zo liet ringeloren. Ze zou best een goed tehuis voor hem kunnen vinden, ondanks Arnolds afkeuring. Arnold was dood, en dat was jammer, hoewel het eerlijk gezegd ook wel rustig was. Naarmate de afstand tot huis groter werd leek het belang van Arnold en zijn makkelijke stoel geringer. Arnolds invloed was sowieso nauwelijks merkbaar hier in de coupé vol met allerlei soorten mensen die vrijuit reisden met rugzakken en weekendtassen.

Haar schandelijke denkwijze was ongetwijfeld het gevolg van het feit dat ze zich verheugde op het verblijf bij haar kleindochter. Maar de belangrijkste oorzaak lag toch wel in de hersenspinsels die ze de vorige dag had ontwikkeld en waar ze zich ernstige zorgen over maakte. Misschien was het verstandig eens met een professionele hulpverlener te praten. Misschien had ze Arnolds overlijden niet goed verwerkt.

Zodra ze thuis was zou ze de keldermuis zijn vrijheid hergeven. En met het onbestemde idee dat er voor Felix ook wel een oplossing zou zijn richtte ze de resterende tijd haar aandacht op het landschap buiten.


Daar stond ze weer in haar eigen gang, met het roze schemerlampje aan de muur en de kalender van Zwitserland waar ze nooit was geweest omdat Arnold niet van reizen hield. De loper lag op zijn plaats, het handschoenenkastje onder de spiegel, de hoedenplank boven de kapstok met Arnolds fietspet. Het leek of er niets was veranderd, en toch was er iets dat haar onrust baarde. Pas op het moment dat ze haar jas op het hangertje hing, besefte ze wat er mis was: de keukendeur stond op een kier. Ze wist zeker dat ze hem had dichtgedaan voor ze vertrok. Ze had de weckpot op het aanrecht gezet, zodanig dat hij niet in de binnenvallende zon zou komen te staan en ze had de deur gesloten voor Felix.

Ze stootte de deur verder open en haar eerste blik gold het aanrecht en wat ze al vreesde bleek werkelijkheid: de pot lag gekanteld in de gootsteen, het deksel kapot gekrabd. Leeg.

‘Felix!’ gilde ze met overslaande stem.

Overstuur opende en sloot ze alle keukenkastjes, keek in de oven, haalde de pedaalemmer leeg en zocht in de groentenla en het diepvriesvak van de ijskast. Natuurlijk was Buis nergens te vinden, ze had het kunnen weten. In een klap was alle twijfel omtrent de identiteit van de muis verdwenen. Felix was jaloers op Buis, hij kon het niet zetten dat ze verliefd op hem was geworden. Het kreng, het secreet! Ze zou hem leren! Pap zou ze van hem maken! Puree van zijn hersens, rollade van zijn uitgebeende vlees, springtouw van zijn darmen! Die Chinezen hadden volkomen gelijk.


Het was natuurlijk onzin dat een volwassen man in een muis kon veranderen. Ze leefden niet in een sprookjeswereld maar in de gruwzame werkelijkheid. Toch sprong haar hart op toen ze uit de verte iemand gebukt zag staan over de steen van Arnold. Achter haar ogen hing een katterige pijn waardoor ze niet scherp kon zien. Ze was te kwistig omgegaan met de rijstwijn uit de kelder bij het bereiden van de gerechten. Ze moest wat vaker drinken, ze was het ontwend geraakt in haar eenzaamheid.

Vanmorgen had ze de tafel feestelijk met zilver en kristal gedekt, de tafel waaraan ze de laatste jaren in haar eentje had gegeten. Daarna was ze naar de stad gegaan en had een nieuwe jurk gekocht. Pas tegen sluitingstijd nam ze haar jas van de kapstok en liep door het dorp naar het kerkhof met, ze gaf het toe, de hoop dat ze Buis zou tegenkomen. En nu ze dichterbij kwam, zag ze tot haar genoegen dat het inderdaad Buis was die over Arnolds graf gebogen stond.

Hij kwam overeind toen hij haar voetstappen hoorde en zijn magere gezicht lichtte op. In één oogopslag zag ze zijn gehavende oor.

‘Ik heb op u gewacht,’ zei hij. ‘Ik heb me eergisteren onbeschoft tegenover u gedragen door zo overhaast te vertrekken. Daar zijn geen verontschuldigingen voor te vinden, het enige dat ik kan zeggen is dat ik erg nerveus was geworden door de kat. Het spijt me. Tot mijn eigen schande en die van mijn familie ben ik bang voor dieren.’

‘Het geeft niet,’ zei ze. ‘Ik kwam hier om te zeggen dat Felix er niet meer is en om te vragen of u misschien met mij de maaltijd wilt gebruiken.’

Buis maakte een sprongetje van plezier.

‘Dat is erg vriendelijk van u,’ zei hij. ‘Heeft uw man geen bezwaar?’

‘Arnold is dood,’ zei ze. Ze nam de vaas op, rook aan een verlepte lelie en zette hem weer neer.

‘Ik begrijp het,’ knikte Buis.

‘Wat is er met uw oor gebeurd?’

‘Niets bijzonders mevrouw, een beetje uitgeschoten bij het scheren.’

‘Zeg maar Nettie,’ zei ze.

‘Wel Nettie, geef me een arm.’

Tussen de grafstenen door liepen ze naar het hek, door de dorpsstraat langs het bewegende gordijn, voorbij de delicatessenzaak en de spiegelende etalage van de dierenwinkel.

Annelie van Steenbergen

Annelie van Steenbergen studeerde Wijsbegeerte aan de UvA met als specialisatie Esthetica en cultuurfilosofie en met een minor in de Cultuur- en Godsdienstpsychologie. Als keuzevak volgde ze o.a. Niet-Westerse en vergelijkende Wijsbegeerte bij dr. Karel L. van der Leeuw. Haar eindscriptie behandelde de 20e-eeuwse debatten over mystiek en rationaliteit bij Spinoza.

Schrijf een reactie