Het Negerboek

0

Uitgebreide boekbespreking van de roman ‘Het Negerboek’[1] van Lawrence Hill

Machteld Roede

Nu de tentoonstelling Slavernij in het Rijksmuseum tien waargebeurde persoonlijke verhalen centraal stelt, is het goed opnieuw aandacht te vragen voor een elfde levensverhaal, verteld in het aangrijpende historische boek Het Negerboek van Lawrence Hill (Ailantus Amsterdam 2011; The Book of Negros, 2007).
Dit boek is zowel fictie als gebaseerd op historische met de Trans-Atlantische slavenhandel verbonden bestaande locaties en personen.
En op een unieke historische tekst, tijdens een stamboomonderzoek ontdekt door Lawrence Hill (Toronto 1957) die via zijn vader afstamt van Amerikaanse slaven.
Het inspireerde hem tot het schrijven van zijn indringende roman.

Het oorspronkelijke Book of Negroes is een Engels register van rond 1783 waarin nauwkeurig de namen van een drieduizend Amerikaanse zwarte mannen, vrouwen en kinderen zijn genoteerd, met een korte omschrijving van hoe oud en fit ze waren en hoe ze hun vrijheid hadden verkregen. Daarna werden ze ― als dank voor hun vechten voor de Britten tijdens de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog ― vanuit Manhattan verscheept naar verscheidene Britse koloniën. Meestal naar Nova Scotia, een provincie, inclusief een schiereiland, aan Canada’s Oostkust, met de hoofdstad Halifax. Hill noemt het

“het grootste opzichzelfstaande document over de zwarte mensen in Noord-Amerika tot aan het einde van de achttiende eeuw”.

Hij vermeldt dat hij sommige passages er letterlijk uit heeft overgenomen.

Eerdere recensies

Het Negerboek was eerder in Canada en ruim een decennium terug na vertaling ook in Nederland een terechte bestseller, uitbundig geprezen en aanbevolen van de NRC tot in de Margriet:

“Een meeslepende slavernijroman over vrijheid en identiteit. Een krachtig getuigenis tegen de mensonterende slavenhandel. Schitterend, maar ook schokkend en ontroerend. Een indrukwekkend relaas. Een schrijnende levensverhaal, met compassie verteld. Adembenemend en verbijsterend. Relatief onbekende aspecten van de slavernij. Inzicht in de gruwelijkheden van de trans-Atlantische slavenhandel. Uitzonderlijk mooie roman. Een boeiend stuk geschiedenis. Hill schreef dit verhaal met veel inlevingsvermogen en een ongelofelijk gevoel voor detail. Hij stelt de houding van de Britten aan de kaak en geeft de slaven een eigen gezicht, een identiteit”.

Veel facetten

Het terecht zo geprezen epos is zo lezenswaardig door de goede mengeling van vaak ontroerende diep menselijke fictie en levende geschiedenis, want de historiciteit berust naast het Book of Negroes op Lawrence Hill’s grondige documentenstudie; ruim vier pagina’s met aanbevolen literatuur is bijgesloten. Meerdere personen uit het boek hebben werkelijk bestaan, maar de auteur creëerde om hen heen zijn eigen verhaal. Daarnaast beschrijft Het Negerboek niet alleen het leven als slaaf in Noord-Amerika maar ook de tijd daarvoor in Afrika, de helletocht over de oceaan, de moeizaam verkregen vrijheid en de zeiltocht van kleine groepen ex-slaven naar het Canadese Halifax, ja voor sommigen zelfs terug naar Afrika. Naast de valse beloftes van de Britten is ook de inzet van de abolitionisten die ijverden voor de afschaffing van de slavernij vermeld. Bovendien is Het Negerboek meesterlijk goed geschreven. De gebruikte beschrijvingen zoals een stok die vuur spuugt en tijdsaanduidingen als het aantal verlopen regenseizoenen trekken je ongemerkt de wereld van de roman heldin in.

Samenvatting van het verhaal van Aminata Diallo/ Meen Dee

De negerin Katharina, slavin van de Portugese opzichter van Antuerp ― Dürer[2]

De eerste episodes zijn wat uitvoeriger herverteld omdat hierover naar ik meen minder verhalen zijn dan over het slavenleven op de plantages.

Het Negerboek begint in Londen 1802 waar de bejaarde Aminata, wachtend op haar ontmoeting met de koning, wachtend op haar einde, met lichte humor terugblikt op haar leven. Toen ze rond 1756 als slaafgemaakt kind als een baal meel op het dek werd gesmakt van het grote stinkende slavenschip dat haar over het grote water zou voeren, besloot ze een djeli te zijn, een verhalenverteller. Dus alles goed te observeren en onthouden om later, weer terug in haar dorp, te getuigen van al het ongekende wat ze zag en meemaakte. Want lang dacht ze dat de mensen uit haar dorp haar zouden komen zoeken en terughalen; later hield ze vol dat ze terug moést keren naar de plek van haar jeugd.

Afrika (1745)

Het duidelijk intelligente en leergierige meisje Aminata Diallo groeit gelukkig op in het dorp Bayo, in de binnenlanden van Afrika, drie manen lopen van de West-Afrikaanse Grein(Peper)kust. Het is een mooi kind, met een diep blauwzwarte huid; trots op de op haar beide jukbeenderen aangebrachte siertekens, twee delicate maansikkels. Omdat haar vader, een edelsmid, een Fula is en haar moeder een Bamana, beheerst ze zowel Fulfude als Bamanankan. Haar vader is de enige in de omgeving die kan lezen en schrijven en een boek bezit, de koran. Wanneer hij ziet dat ze probeert net als haar moeder met een stok Al-hamdoelillah in het zand te schrijven, leert hij haar, al is ze een meisje, met een rietje, water en perkament Arabische gebeden te schrijven. Haar moeder, een vroedvrouw, leert haar al jong het gebruik van allerlei kruiden en neemt haar mee wanneer ze een vrouw helpt haar kind in het licht te brengen. Op haar zevende snijdt Aminata haar eerste navelstreng door.

Ketting gang[3]

Er komt een gruwelijke wending aan haar zorgeloze jeugd wanneer zij op de terugweg van een bevalling worden overvallen door woeste, onverstaanbare vreemdelingen. Fomba ― een niet vrijgeborene; hun sterke maar zachtaardige begeleider ― weet een de nek om te draaien, dan wordt hij neer geknuppeld. Ze knuppelen haar moeder dood. Al vecht Aminata ‘ik ben een vrijgeboren moslim’ gillend, ze wordt geboeid en krijgt een strakke strop om haar nek. Hun dorp Bayo staat in brand. Tussen door jukriemen gebonden gevangenen nadert haar vader. Hij weet, een sterke worstelaar, zijn knevels los te maken, een mes te bemachtigen, een ontvoerder te doden en anderen te verwonden. Tot vuur uit een vreemde lange stok hem dood neerknalt. Met Fomba en andere gevangenen moeten ze, geboeid en de nekken aaneen gejukt, lopen, eindeloos lopen…

De kleine Aminata is doodsbang te worden gekookt en opgegeten. Dat gebeurt niet; wel worden ze vernederd, hun kleren worden weggerukt, ook hun voeten zijn bloot. Er komen meer gevangenen bij; ook Fanta, de onsympathieke jongste vrouw van het dorpshoofd uit Bayo, met een blote vijf manen zwangere buik. Kinderen in de vele dorpen die ze passeren jouwen hen uit, bekogelen ze. Nek aan nek moeten ze ’s avonds helpen vieze brij te koken; ’s nachts slapen ze twee aan twee met de enkels aan elkaar gebonden; wel is dan de pijnlijke nekriem verwijderd. Wanneer Aminata ― gekneveld aan de slapende Fomba ― opstaat om te bidden slaat een ontvoerder haar hard en beveelt haar weer te gaan liggen. Steeds weer krijgt ze stokslagen als ze probeert te bidden. Ze geeft het op, in je hoofd bidden heeft geen zin. Ze raakt de jaren die volgen langzamerhand los van Allah, maar blijft haar hele leven weigeren varkensvlees te eten.

Vele zonnen sjokken ze voort, met steeds meer gevangenen. Chekura, een vier regens oudere knokige jongen loopt naast hen mee en geeft haar soms wat te drinken of te eten.
Ze vertrouwt hem niet, tot hij de ontvoerders weet te overtuigen de kinderen uit de kettinggang te halen, later ook vrouwen, en los mee te laten lopen. Aan de twee op zijn wangen ingekerfde sterren herkent ze uit welk dorp hij komt.
Hij praat nu veel met haar in hun Bamanankan. Zijn oom had hem, wees geworden, aan de mensenrovers verkocht om hun gevangenen naar het grote water te helpen brengen.

Tippo Tip (1837-1905) een beruchte slavenhandelaar in Oost-Afrika[4]

Aminata schaamt zich als het bloed van haar eerste maanstonde langs haar blote benen loopt, maar Chekura blijft bezorgd naast haar lopen. Bij hun nachtbivak bij een dorp haalt hij twee vrouwen en regelt dat Aminata met hen mee mag. Ze geven haar water om zich te wassen, heerlijk eten, en een lap voor om haar buik en bips; ze strelen haar maantjes, voor ze haar terugbrengen.

Op een dag zakt haar voet in iets vochtigs, het lijk van een naakte, rottende man. Hysterisch gillend veegt ze de wriemelende maden van haar enkel. Ze stappen nu dagelijks over lijken heen. Een gevangene die valt wordt los gemaakt en achtergelaten om weg te rotten.

Toubabs/ Blanken

Na drie maankeringen verschijnt een nieuw soort mens ― een lang vreemd schepsel met een gevlekte huid als een pas geboren big, dunne lippen, stinkende zwarte tanden en veel haar, zelfs uit zijn dunne neus. Niet blank als een olifantstand maar met de kleur van zand; zijn achterwerk stelt niets voor, hij loopt als een olifant, bonk, bonk. Een toubab, volgens Chekura; geen boze geest maar een mens van over het grote water. Boos beveelt hij de vrouwen weer in het juk te brengen, ook drie nieuwe gevangenen waaronder een hoogzwangere Sanu. Wanneer haar bevalling zich aankondigt zorgt Chekura dat de kettinggang stopt; Aminata en de kraamvrouw worden losgemaakt, uit een nabij dorp wordt een schoon mes en water gebracht. Afgezonderd onder een boom genieten ze die nacht van het vlot geboren meisje. Met haar in een lap op Sanu’s rug gebonden worden ze ‘s ochtends weer vastgezet en allen sjokken verder, terwijl Sana’s kraambloed langs haar benen stroomt.

Drie dagen later komen ze bij een brede, schuimbekkende rivier. De jukken worden losgemaakt; geboeid worden de gevangenen in kano’s gesmeten en door donkere mannen een hele ochtend over de steeds bredere rivier geroeid. De ongeknevelde Chekura is bij Aminata in de boot geduwd. Hij fluistert dat ze boft dat het grote schip verderop al bijna vol is, en ze dus niet zoals de al eerder aan boord opgeslotenen nog meerdere manen op het vertrek hoeft te wachten. Een over smerige lucht drijft van het grote schip op hen af, van rottend voedsel, van uitwerpselen van een heel dorp.

Bance of Bense Island[5]

Ze meren af bij een eiland met op een heuvel een groot kasteel. Jaren later hoort ze dat dit Bance Island was. [Van waar tussen 1670 en 1807 duizenden slaven zijn verscheept naar Amerika en West ― Indië].

Ze worden dicht opeengepakt in twee stinkende kralen gestopt; ze eten gierst uit een trog. Ook Aminata wordt naar de brandmerkhoek gesleurd. Ze laat alles lopen als gloeiend ijzer iets boven haar rechtertepel in haar vlees drukt en pijn als hete lavagolven door haar heen schiet. Ze gilt, ze valt flauw.

De volgende morgen roeien kano’s hen de zee op, naar het op en neer deinend gevaarte. Opspattende golven bijten in haar kapot gelopen voeten en de grote brandwond. Op de steile loopplank kijkt ze om naar haar thuisland, naar de bergen in de verte, waarvan een oprijst als een titanische leeuw (Sierre Lione). Hij kon niets voor hen doen …

De Trans-Atlantische helletocht ― drijven over al die Afrikanen die daar in de diepte wiegen

De intense stank aan boord maakt Aminata kotsmisselijk; het leidt af van haar angst en pijn. De medicijnman, een chic geklede, lange oranjeharige man met heel blauwe ogen, controleert de gevangenen voor ze naar het ruim worden afgevoerd. Hij hoort het elf regens oude meisje in meerdere talen de angstige Fomba en de weerbarstige Fanta kalmeren, hoort dat ze baby’s kan opvangen, en maakt haar meteen tot zijn assistente. Ze deelt zijn hut, en daalt dagelijks met hem af in het stinkende, donkere ruim voor inspectie, met slechts wat licht van draagbaar vuur.

De naakte mannen liggen er als vissen in een emmer; twee aan twee met ijzeren ringen aan elkaar gekluisterd en aan de in drie lagen pal op elkaar gestapelde britsen; staan is onmogelijk. Ze vindt de bont en blauw geslagen Chekura terug en de wezenloos, sprakeloos geworden Fomba. In een aparte ruimte zit een twintigtal niet geketende vrouwen met wat zuigelingen.

Ruim slavenschip[6]

De medicijnman geeft Aminata een lange zachte doek die ze handig om zich heen knoopt. Ze moet op zijn bed slapen. Hij probeert een paar keer haar te strelen maar ze valt woedend tegen hem uit en hij blijft verder van haar af.
Om de paar nachten brengt hij een thuislandervrouw mee die hij kreunend berijdt terwijl Aminata naar de kant van de strozak is geduwd. Als hij na afloop slaapt verstoppen de vrouwen voor ze wegglippen wat fruit of een spijker, ja een ijzervijl, in de omslagdoek die hij ze gaf.

De gevangenen mogen af en toe aan dek, hun ogen afschermend voor het felle zonlicht, om zich wat te wassen, te drinken en eten; de mannen apart, dan veelal langs de rand van het schip vastgeklonken. Velen worden ziek en er vallen steeds meer doden; een tot twee per dag worden het ruim uitgesleept en zonder meer overboord gesmeten.
Wie erg zwak wordt gaat levend over de reling. Ook meerdere toubab matrozen creperen en gaan uitgekleed naar de haaien die het schip volgen, azend op scheepsafval. Een gestorven toubableider plonst echter gekleed in de zee.

18e-eeuwse slavenketens ― kluisters ― uit Tamale, Noord Ghana[7]

Wanneer Fanta’s weeën beginnen brengt Aminata haar naar de hut van de medicijnman. Wanneer hij ze daar aantreft trekt hij zich terug maar laat een lang mes achter om de navelstreng van de boorling door te snijden. De medicijnman blijkt blij met de baby en laat Aminata bij het open luik de gevangenen het nieuws van de geboorte toeroepen. Ze mogen aan dek komen om te dansen. De mannen blijven echter vreemd stil. Ze wisten met gesmokkelde spijkers hun kluisters los te maken en stormen nu onverwacht de buik van het schip uit en slaan met ijzervijlen en hun ijzeren kluisters wild om zich heen. Fanta snijdt met het meegepakte mes de keel van haar pasgeborene door en smijt hem in zee. Rent dan naar Sanu en slingert haar baby levend overboord. Sanu klimt op de reling en springt haar achterna.

Ook Fanta klimt op de reling, maar ze wordt teruggetrokken en zwaar geslagen. Een zeeman probeert haar te verkrachten maar wordt van haar af gemept. Meerdere thuislandermannen en vrouwen slagen er wel in in de golven te verdwijnen. Er wordt hard gevochten, overal gutst bloed, tot vuurstokken ― het kost tijd om ze weer te gebruiken ― de strijd beëindigen. Meerdere dode en ook zwaar protesterende gewonde thuislanders gaan overboord, evenals de acht gedode toubabs waaronder de hoofdman en de medicijnman. Een paar opstandelingen van weinig waarde worden als straf opgehangen.

Ook Aminata wordt nu in het vrouwenruim vastgeketend. Ze mogen nog maar in kleine groepjes aan dek om wat te eten; er zijn geen wasbeurten meer, ’s nachts worden geen vrouwen meer naar de toubabhutten gehaald. Wanneer ze na twee manen land naderen is het aantal slaafgemaakten aan boord gehalveerd. Mager en van achteren steeds leeglopend strompelen ze bevreesd de loopplank af naar het onbekende nieuwe land …

De Indigoplantage (vanaf 1757)

Aan land denkt Aminata dat de zon er afgesleten is omdat de nachten zo koud zijn. Als ze rookwolkjes uit haar mond ziet komen is ze even doodsbang dat ze is behekst, in brand staat. In een bewaakte barricade knappen de slaafgemaakten wat op door beter voedsel en olie voor hun gebarsten huid. De ingewanden van de uitgeputte Aminata blijven echter bruin water spugen zodat gras in haar anus wordt geduwd voordat ze in een stad bij opbod worden verkocht. Met Fomba en twee onbekenden wordt ze met touwen om hun middel aan elkaar en achter een paard en wagen gebonden voor een zware mars van een paar dagen.

De Indigoplant, Indigofera tinctoria[8]

Januari 1757 komt Aminata strompelend en hinkend aan op Robinson Appleby’s Indigoplantage waar een vijftigtal slaven werken.
Bij een vernederende inspectie door de eigenaar grijpt een luid foeterende donkere vrouw in en draagt haar naar haar lemen hut vol kruidenbuidels tussen de slavenverblijven. Deze Georgia, vroedvrouw en genezer, weet haar met veel geduld langzaam beter te krijgen; er komt weer vlees op haar botten, haar maanstonden komen terug.

Haar naam Aminata is te moeilijk, ze wordt Meena genoemd. Georgia leert haar honey chile veel. Al snel pikt ze het Gullah op, de taal voor onder elkaar, en wat krom Engels voor bij contact met de buckra (blanken). Wanneer Georgia Meena’s kundigheid om baby’s te halen ontdekt, leert ze haar ook veel over geneeskrachtige planten. Om haar te beschermen tegen die vreselijke pokken stopt Georgia een besmet draadje in Meena’s onderarm, wat een halve maankering hoge koorts veroorzaakt en vreselijk stinkende zweren; gelukkig maar tien en niet in haar gezicht.

Meena werkt hard mee bij alle fases van de indigoteelt. Ze geniet bij het in rijen zingend, net als thuis, handig met haar voet zaaien. De geoogste stekelige bladen worden in grote bakken geroerd met het bij de slaven verzamelde pis.

Indigo[9]

Wanneer een kostbare zak indigomodder uit haar handen glipt ontvalt haar bang voor straf Allahoe akbar. Tot haar verbazing herhaalt de strenge opzichter Mamed haar zachtjes. Hij ontbiedt haar in zijn grote hut, met een houten vloer, een echt bed, en ook een kast met boeken. Zijn blanke vader, een plantagebezitter, verkocht hem als slaaf nadat zijn moeder, een Fula moslima, overleed. Ze komt regelmatig terug; ze spreken samen Fulfude. Niemand mag weten dat hij Meena de buckra taal goed leert spreken en ook lezen en schrijven. Bij een bezoek van inspecteur Lindo weet deze echter door een trucje dat ze kan lezen. Hij wil haar kopen, maar Appleby wil de veelzijdig inzetbare Meena absoluut niet kwijt.

Meena doet via het visnet ― een wijd verbreide manier om berichten door te geven, mensen te zoeken ― overal navraag naar Chekura. Hij weet haar tenslotte te vinden en eens per maand even langs te komen. Hun contact verandert; er komen steeds inniger omhelzingen. Georgia waarschuwt uit de buurt van de eigenaar te blijven. De Massa is er gelukkig weinig; hij blijft weg in de heetste helft van het jaar, wanneer velen sterven aan de moeraskoorts. Maar op een dag ontbiedt hij Meena in zijn huis en verkracht, ontmaagdt haar bruut. Zijn kok draagt het nog steeds bloedende kind naar Georgia. Zij geeft haar een warm brouwsel om Massa’s vuiligheid af te drijven en raadt haar aan Chekura niets te vertellen.

‘Mannen hoeven niet alles te weten en sommige dingen al helemaal niet’.

Gelukkig koopt Appleby een iets oudere slavin om zijn zin mee te doen.

Het Chekura aanraken gaat steeds verder en na een paar keer elkaar totaal te hebben verzwolgen stoppen haar maanstonden. Hoewel Appleby zijn slaven niet laat trouwen, staat Meena op een kleine plechtigheid waarbij ze samen ‘over de bezem te springen’, waarna Mamed ze man en vrouw verklaart. Er is muziek, er zijn geschenken, kleurige omslagdoeken.

Wanneer Appleby terug komt en haar zes maanden gezwollen buik ziet beveelt hij allen in een kring om Meena heen te gaan staan. Hij rukt al haar mooie nieuwe kleren af; ze worden in een vuur gegooid.

‘Nikkers dirken zich niet op’.

Dan knipt hij al haar haar ― haar trots, elke zondag goed verzorgd en gevlochten ― af, zeept haar hoofd in en scheert haar helemaal kaal.

‘Die baby is net zomin van jou als die wol op je hoofd. Het is allebei van mij’.

Robinson Appleby[[10]

Maart 1761 ― de zestienjarige Meena woont dan vier jaar op de plantage ― wordt haar zoontje geboren. Hij krijgt de naam van haar vader, Mamadu. Het lukt Chekura na veertien dagen hem te komen bewonderen, ondanks de zwaar verscherpte controle op zijn plantage. Meena is intens gelukkig met haar kindje.

Maar dan verkoopt Appelby de tien maanden oude Mamadu voor vijf pond. Nergens weet iemand iets over hem; hij is spoorloos. En Chekura komt niet meer. Meena verliest alle hoop, krijgt de gevaarlijke koorts, weigert te werken, weigert baby’s te halen, ze eet niet meer, komt haar bed niet meer uit.
Appelby verkoopt de waardeloos geworden Meena aan Lindo.

Lindo

Solomon Lindo [Hill’s transformatie van de historische Sefardische Moses Lindo uit Londen]- de indigo-inspecteur van South Carolina ― neemt Aminata op in zijn huis in Charles Town (waar ze vijf jaar eerder aan land kwam). Hij noemt haar nooit slaaf ― ook Joden waren ooit slaven in Egypte ― maar bediende en staat erop dat ze goed Engels met hem spreekt.

‘Ik ben geen blanke. Ik ben een jood. En dat is heel iets anders. Wij zijn beiden buitenstaanders’.

Met de donkere kokkin Dolly woont ze achter in de tuin in een echt houten huis met houten bedden. Nadat Lindo haar leerde rekenen en met munten omgaan en leerde zijn lieve vrouw haar mooi te schrijven doet ze ’s ochtends zijn boekhouding en schrijft zijn zakenbrieven. Daarna is er tijd voor zichzelf.
Ze legt een verzameling geneeskrachtige kruiden en zalven aan en gaat in zelfverhuur: ze werkt als vroedvrouw voor negerdienstmeisjes en Jodinnen, met een afdracht aan Lindo, al krijgt ze veelal in natura betaald. Ze helpt bij de bevalling van Dolly en bij Lindo’s zoontje.
Als beloning hiervoor vraagt ze om een kaart van de wereld te mogen zien. Lindo neemt haar mee naar het Bibliotheek Genootschap, waar ze pas na wat dreigen door Lindo mee naar binnen mag. Zo ziet ze voor het eerst Afrika afgebeeld, met alleen langs de kust aangegeven plaatsnamen; het onbekende binnenland is opgevuld met grote dieren en vrouwen met blote borsten. Haar thuisland vindt ze er niet. Ze beseft dat niemand enig benul heeft wie ze is en blijft dromen over ontsnappen en de terugkeer naar huis.

Na bijna dertien jaar bij Lindo sterven herfst 1774 bij een pokken epidemie zijn vrouw, Dolly en de twee zoontjes. Aminata had nooit gedacht dat haar hart voor een blanke zou bloeden. Lindo, diep in rouw, vertrekt voor lange tijd naar New York en laat haar zonder inkomen achter. Met moeite knoopt ze de eindjes aan elkaar. Gelukkig weet Chekura, jaren spoorloos door werk ver weg, haar voor een enkele nacht te bezoeken. Hij vertelt dat Lindo meewerkte aan de verkoop van hun baby Mamadu, die een jaar later door de pokken zou overlijden.

Na Lindo’s terugkeer confronteert ze hem hiermee. Na drie maanden een ijzige impasse stelt Lindo een wapenstilstand voor: ze reist mee naar New York om hem te assisteren bij het nog een laatste keer trachten te voorkomen dat Carolina’s hele indigo-economie instort. Want er is veel onvrede en vijandigheid. Op straat mopperen de blanken dat Engeland ze knecht.
Meena vindt echter hun kreet ‘Vrijheid voor de Amerikanen. Weg met onze slavernij’ postsierlijk.

New York

In New York betrekken Lindo en Meena het hotel van de Jamaicaan Sam. Door haar naam te schrijven in het hotelregister, een officieel document, voelt ze zich een persoon, en

‘weigert ooit nog iemands bezit te zijn’.

Sam wordt een bondgenoot. De volgende dag breekt de al tijden dreigende rebellie uit, oproerlingen plunderen de huizen van de gehate de Tories, de Britten met hun hoge belastingen.

Meena verstopt zich dagen diep in het bos; daarna gaat ze werken in Sam’s hotel. Lindo was bij de eerste oproer meteen vertrokken. Ze is eindelijk vrij. Ze bouwt goodwill op door schrijfles te geven in een kerk en krijgt veel hulp om met materiaal, geplunderd uit verlaten huizen, haar eigen tent op te bouwen in de sloppenwijk voor vrije zwarten Canvas Town.

Ze gaat Sam’s boekhouding doen en haalt weer baby’s. Nadat ze is benaderd door de jonge Engelse luitenant Waters om zijn zwangere dertienjarige vriendinnetje uit Barbados te helpen, helpt ze ook de donkere liefjes van andere Britse officieren bij hun bevalling, of helpt om die te voorkomen; ook mannen met een zieke penis worden geholpen.

Zes maanden is Manhattan van de rebellen, daarna is het zeven jaar weer in de handen van de Britten. Ze zeggen vrijheid toe aan iedere neger die in de oorlog voor hen zou vechten. De proclamatie van 1779 belooft

“Voor iedere neger die het rebellenvaandel verlaat volledige bescherming binnen onze linies alsmede enig beroep dat hem past”.

Maar in 1782 geven de Britten zich over. Aangezien het vredesverdrag meldt dat

“Zijne Britse Majesteit zonder negers dan wel andere bezittingen van de Amerikaanse inwoners mede te nemen al zijn troepen terug zal trekken …”

voelen ze zich door de Britten verraden en aan de Amerikaanse slavenhouders uitgeleverd. Deze laten razzia’s uitvoeren om vluchtelingen weer in bezit te krijgen. Het is nu overal gevaarlijk.

Waters, nu kapitein, brengt een tegenstribbelende Meena naar kolonel Baker. Hij legt haar uit dat er geen reden tot paniek is. Het sleutelwoord is bezit: wie minimaal één jaar in dienst is geweest van de Britten is vrij, is niemands eigendom. Zij zijn stellig van plan hen naar de Britse kolonie Nova Scotia in Canada te varen, waar ze land, zaaigoed en werktuigen zullen krijgen.

De Britten hebben nog acht maanden om New York te verlaten, dus zijn er acht maanden om duizenden gekleurde loyalisten over te varen met welke boot ook maar beschikbaar is. Meena wordt gevraagd te helpen om allen voor vertrek te registeren in The Book of Negroes en een vereist certificaat om aan boord te gaan af te geven.
De nacht voordat Meena daartoe naar de barakken van de Britten verhuist keert na negen jaar Chekura terug, een vrij man. Meena bedingt dat haar man bij haar mag wonen en met haar naar Nova Scotia zal worden verscheept.

Aminata moet blijven tot alles is genoteerd, maar op 7 November 1791 scheept ze, weer zwanger, met Chekura in op de Joseph. Op moment van vertrek wordt ze verbijsterd van boord gehaald, iemand claimt een aanspraak op haar. Ze smeekt haar man wel te vertrekken. Na twee dagen gevangenis blijkt dat Appleby haar opeist; ze was alleen maar uitgeleend aan Lindo. De bij de rechtbank aanwezige Sam vraagt om schorsing en komt terug met Lindo, die de verkoopovereenkomst uit februari 1762 voorleest. Hij mag zijn bezit meenemen, maar verklaart dat hij haar vrij laat gaan als

‘een zoenoffer voor mijn verleden’.

Op 30 november 1783, de laatste dag van de Britse bezetting, verlaat Aminata de Dertien Koloniën op het laatste loyalistenschip dat nog New York verlaat.

Nova Scotia (Nova Schaarste)

Birchtown op Nova Scotia[11]

Het is erg koud in het beloofde land, het sneeuwt, er is geen Chekura, blanken doen of ze haar niet zien. De oude methodisten predikant Papa Moses ontfermt zich over Aminata en neemt haar mee van de stad Shelburne naar het schamele Birchtown, vijf km verderop, waar de arme vrije kleurlingen leven in wat hutten en gaten in grond.
Er blijken lange wachtlijsten te zijn om wat beloofd land te krijgen. Meena gaat weer baby’s halen, leesles geven en werkt voor een blanke drukker in de stad. Zo is er wat geld voor hard nodige warme kleren en materiaal om een eigen hut te bouwen. Ze neemt haar in mei geboren dochtertje May overal mee naar toe.
De blanke loyaliste Alverna Witherspoon, die regelmatig bij de drukker komt, vraagt of ze klusjes komt doen in hun grote huis. De moederloze Alverna speelt graag met May, verwent haar, en wanneer May hoge koorts krijgt slapen ze samen een paar dagen in hun huis. Gedurende drie jaar worden ze steeds hechter.

’Niet te dik worden met de blanken’ waarschuwt Papa Moses. ‘Het zijn vaak mooiweervrienden’.

Zomer 1787 tijdens een grote hittegolf gaat het mis. Steeds meer bedrijven moeten sluiten wegens gebrek aan afzet, ook Witherspoons walvisoliefabriek. De lonen kelderen, vooral van de kleurlingen. Ze kregen al vrijwel geen beloofde grond; de Britten stoppen nu ook hun bevoorrading. Gelukkig levert de jacht op herten en elanden hen vlees.
Eind juli beginnen blanke relmakers met treiteren, ja moorden: ‘tijd om die nikkers een lesje te leren’. Ze trekken met musketten op naar Birchtown om te dollen en te hutrammen. Meen en May verstoppen zich drie dagen bij de Witherspoons. Dan keert ze alleen terug naar de vernielde en verbrande hutten, ook de kapel ligt in as; haar spullen zijn vertrapt en kapotgesmeten. Wanneer ze na twee dagen helpen puinruimen May gaat ophalen blijken de Witherspoons met de kleine May met een schip vertrokken naar Boston en wellicht verder. Haar pijn is onmetelijk; ze kookt, werkt, eet niet meer, doet overal tevergeefs navraag. Iedereen om haar heen is lief, probeert haar bij te staan. Heel langzaam gaat ze weer lesgeven, terug naar de drukker. De twee verloren kinderen voelen als afgehakte ledematen; de fantoompijn blijft.

De Sierra Leone Compagny

Munt 20 cent van de Sierra Leone Compagny (1791)[12]

Voorjaar 1790 houdt Thomas Peters [gemodelleerd naar een historische figuur]― beu van zeven jaar tevergeefs wachten op het toezegde land ― een collecte om in Engeland te vertellen over de landloze zwarte loyalisten en de voorzetting van slavernij in Nova Scotia. Niemand gelooft hem wanneer hij na een jaar terug keert, maar dan staat toch echt in de krant dat de abolitionisten [strijders voor het afschaffen van de slavernij]van de Sierra Leone Compagnie (SLC) vrije negers met een getuigschrift van goed gedrag wil opnemen in haar Afrikaanse kolonie, bij wet zonder slavernij en slavenhandel, een smet op het christendom.
Meena leest het aan iedereen voor. De jonge Britse Marine luitenant John Clarkson [gemodelleerd naar een historische figuur]komt alles uitleggen. De SLC heeft de afschaffing van de slavernij tot levensdoel en biedt een gratis overtocht en land.

‘Vanuit een plichtsbesef: zwarte mensen hebben recht op een leven zonder slavernij. … En vanuit vaderlandsliefde: de zwarte kolonisten zouden de handelsbelangen van Groot-Brittannië langs de Afrikaanse kust bevorderen … Het vruchtbare land zou niet alleen gemakkelijk in de behoeften van de kolonisten voorzien maar ook het Britse Rijk helpen Afrika’s natuurlijke rijkdommen te vermarkten’.

Clarkson benoemt Meena tot zijn assistente bij de inschrijvingsprocedure, al wil ze zelf niet mee gaan omdat ze nog steeds op de terugkeer van haar man en dochter wacht. Zeshonderd negeravonturiers worden overgevaren naar Halifax. Nog honderden komen van elders aangestrompeld. Tenslotte is hun aantal meer dan duizend. Clarkson werkt dag en nacht om onderdak in pakhuizen en eten te verzorgen. Hij laat ook navraag doen in de marine gegevens. Zo blijkt dat het schip dat Meena en Chekura vanaf New York zou evacueren in 1783 bij zware storm met man en muis is vergaan. Met wat over was van haar lichaam en geest gaat ze nu toch mee op de uittocht naar Afrika.

‘Chekura was dood, Mamadu was dood, May was al vijf jaar weg … het leek of ik mijn halve lichaam miste’.

De terugkeer naar Afrika (1792)

Op 15 januari 1792 zetten vanuit Halifax vijftien goed toegerust schepen met voldoende proviand koers naar Sierra Leone, een overtocht van een week of negen. Aminata herkent na zesendertig jaar de kustlijn met de Leeuwenberg. Ze liggen drie dagen in de brandende zon voor anker. Wanneer Carlson door gespierde slaven heen en weer wordt geroeid naar de plaatselijke machthebber koning Jimmy beseft de verbijsterde Aminata dat dertig kilometer verderop Bance Island ligt, het broeinest van de slavenhandel. Ze kokhalzen wanneer een gemeen stinkend slavenschip langszij komt om koopwaar uit te wisselen, voor hen vers drinkwater en sinaasappelen.
Clarkson legt uit:

‘We kunnen maar één slag tegelijk voeren. We zijn hier om een vrije kolonie te stichten, niet om oorlog te beginnen met de slavenhandelaren’.

A view of Freetown on the river of Sierra Leone (1803)[13]

Met veel tamtamgeroffel en vertoon komt thuislander Temne koning Jimmy aan boord om hun ontscheping te bespreken. Hij begroet de Engelse soldaten maar negeert de Nova Scotiërs. Hij stuurt dertig kano’s om hen op te halen, met dezelfde roeiers die de slaafgemaakten naar Bance Island brengen. Aminata begrijpt dat ze hier helaas veel zal moeten slikken.

Kolonie Freetown

Aan land gekomen stelt Clarkson de blanken uit Londen voor die de kolonie Freetown komen besturen. De beste grond aan het water is voor kaden, pakhuizen kantoren en huizen van de Compagnie, de onderkomens van de Nova Scotiërs moeten verderop worden opgetrokken. Wekenlang werken ze hard om bomen te kappen en eenvoudige huizen te bouwen van klei, modder, stro ook een kerk, een ziekenhuis. Velen krijgen koorts, velen sterven. Voor alles, voedsel en gereedschap, zijn ze van de Compagnie afhankelijk. Naarmate de tijd verstrijkt hebben ze nog steeds niet de beloofde stukken land, niets om zelfvoorzienend te worden. De Britten blijven bepalen hoe ze moeten leven.

‘Ze hebben ons weer verraden’, zegt Thomas Peters.

Meena verzorgt zieken, haalt baby’s, werkt wat voor Clarkson. Hij waarschuwt nadrukkelijk Freetown niet te verlaten, daarbuiten is geen bescherming tegen slavenhandelaren en andere vijandige Afrikanen.

Meena doorziet dat koning Jimmy zich door Clarkson duur laat betalen voor zijn Temne-grond en de koopvoorwaarden met de Britten niet echt accepteert. Ze zoekt contact met de Temne-vrouwen die in Freetown handel komen drijven en probeert hun taal te leren. Meena beseft steeds sterker dat ze zich pas thuis in Afrika kan voelen als ze haar geboorteplaats terug heeft gevonden, maar de Temne-vrouwen laten haar weten dat geen toubabs van de schepen in hun land worden toegelaten. Zij zien haar helaas niet als een Afrikaanse maar als een Nova Scotiër. Dat Meena zegt dat ze in Bayo is geboren is maar een verhaal, als vele andere.

’Je bent een toubab met een zwart gezícht’.

Op een dag passeert kreunend en kermende een kettinggang van een dertigtal gejukte vrijwel naakte mensen, voortgedreven door lange donkere mannen in golvende gewaden met zwepen. Ze kunnen niets voor ze doen want voor hun doorgang is aan koning Jimmy betaald. Er is ontstaat een oploop bij de haven waar kano’s met Temne-roeiers op de slaafgemaakten wachten. Clarkson is afwezig, zijn onderbevelhebber onderhandelt, maar het escaleert. Een slavendrijver steekt Peters dood, een andere kolonist wordt doorgeschoten. De gemeenschap is wanhopig.

Kolonie Freetown (1856)[14]

Meena krijgt een goed contact met een van de gouverneurs van de LSC, de abolitionist Alexander Falconbridge [een historische figuur]; vroeger chirurgijn op een slavenschip. Hij kent zelf de vreselijke wantoestanden en begrijpt haar afkeer ervan. Hij biedt haar een mogelijkheid om naar huis te gaan maar dat moet wel via de slavenfactorij op Bance Island, want daar zitten de handelaren die de weg in het binnenland kennen. Na een jaar vergeefse andere pogingen neemt ze zijn aanbod aan. Ze worden geroeid na overleg met Armstrong, de bevelhebber van het fort op het beruchte eiland. Vanuit een raam ziet ze in een kraal veertig naakte aan elkaar geketende gevangenen. Ze haat zichzelf dat ze niets voor hen kan doen. De onderbevelhebber kalmeert haar. Hij waarschuwt dat ze niet naar huis moet gaan want dat ze zo weer verkocht wordt als slaaf, en dat zeer waarschijnlijk haar dorp allang niet meer bestaat. Er volgt een ernstig gesprek over de slavenhandel, waarbij Armstrong stelt:

‘Ik hou van Afrika …. Iedereen doet het … Zelfs de verdomde Afrikanen zitten al een eeuwigheid in deze handel’. ‘Dat praat het nog niet goed’. ‘Als wij die slaven niet afnemen, worden ze door andere Afrikanen vermoord. Afgeslacht. In elk geval verschaffen wij een markt zodat ze blijven leven’. ‘Freetown is kinderspel, gefinancierd uit de diepe broekzak van rijke abolitionisten die geen moer van Afrika weten’.

Armstrong kan zich niet voorstellen dat ze zich nog herinnert dat ze veertig jaar eerder juist van deze plek was verscheept. Ze laat daarop haar brandmerk zien, beneden in die kraal gemaakt toen ze elf was. Geschokt legt hij uit dat de G en de O staan voor Grant Oswald, de firma die Blance Island beheert.

Brandijzer voor het brandmerken van slaven met de letters EW[15]

De volgende morgen gaat hij haar toch voorstellen aan de handelaren. In een pakhuis onderhandelt Armstrong uitgebreid met de voornaamste aanwezige Fula Alassane over zijn prijzen voor slaafgemaakten. Dan wordt Meena geroepen, die (verstandig) in Temne zegt dat ze naar Bayo wil. Alassane wil eerst niet handelen met haar, een vrouw. Ze biedt één vat rum als hij haar meeneemt. Omdat ze onderhandelt als een man zegt de lange Fula toe dat ze elkaar terug zullen zien als hij weer terugkomt. Terug in Freetown vertelt Clarkson ― de enige van de Compagnie die ze vertrouwen ― dat hij nu echt terug moet naar Engeland.

Hij wil dat Meena meegaat omdat de abolitionistenbeweging haar verhaal, haar stem nodig heeft. Wanneer Meena vertelt dat ze wacht op een reis naar het binnenland schreeuwt hij verschrikt dat ze gek is ook maar te overwegen met slavenhandelaren, dat schorem, mee te gaan. Hij begrijpt echter dat gevaar Aminata niet zal weerhouden. Omdat ze hem lang zo goed van dienst is geweest biedt hij als geschenk te zorgen voor drie vaten rum.

Het binnenland van Afrika

September 1800 staat ze eindelijk klaar voor de lange reis landinwaarts, met een slaapmat en een zakje kinaschors tegen de koorts, en zijden sjaals uit India, haar middel tegen gonorroe en vijf gouden guinjes as ruilwaar. Het onderhandelen met Alassane, die maar eens in de twee jaar op Bance Island verscheen, heeft zes jaren geduurd. Tenslotte was hij bereid haar voor drie vaten rum mee naar Segou te nemen, een paar dagen lopen van Bayo.

Ze vertrekken met tien kano’s en vijftig slaven; later gaan ze te voet verder, Meena in de kopgroep van de karavaan, tussen zwaar gewapende mannen in. Een deel van de roeiers draagt nu een rumtonnetje op het hoofd. De helft bidt regelmatig naar het oosten gericht, maar ze laat niet merken dat ook zij eens moslim was, noch dat Fulfude ook haar taal is.

Na twee weken krijgt ze ijl fantasieën en wankelt steeds, maar door kinaschors thee knapt ze wat op. Na een barre, gevaarlijke tocht van 31 dagen hoort ze Alassane in het Fulfude lachend zeggen dat hij over twee dagen in het dorp met een slavenmarkt de vrouw gaat verkopen, voor ze door ziekte niets meer waard is.
Ze begrijpt dat ze nooit thuis zal komen. De volgende dag drinkt ze veel, zuigt op zout. Al is de koorts weer terug, ze glipt ’s nachts als iedereen slaapt weg het bos in, loopt door een beekbedding in een andere richting dan de mannen haar zouden zoeken, verstopt zich overdag in een grot, loopt drie nachten steeds meer verzwakt door. Dan strompelt ze naar een geitenhoeder. Hij spreekt Fulfude en begrijpt haar smeekbede om hulp en om haar te verbergen.

Ze wordt naar een lemen hut gedragen waar ze na dagen slapen weer wat gaat eten. Dan brengen ze haar naar de hoofdman. Hij vraagt veel, over haar reizen, over de toubabs en hun taal, haar familie, haar gezin. Hij vindt haar wijs en wil haar al is ze oud als zijn vijfde vrouw.

Nekboei. Ze konden onderling met elkaar worden verbonden door de ketting.[16]

Zij wijst hem af omdat ze alleen maar de eerste en enige wil zijn, en omdat er een man op haar wacht. Ze houdt maar voor zich dat dat niet een Afrikaanse echtgenoot is maar een blanke abolitionist in Engeland. Georgia van de indigoplantage leerde haar immers ooit dat mannen niet alles hoeven te weten.
Als ruil om haar te laten gaan, vertelt ze één maankering iedere avond uren lang over al haar avonturen, over alles wat ze heeft gezien. Ook uit andere dorpen komt men om naar haar te luisteren.

‘Bayo heb ik nooit bereikt … maar nu was ik een maand … de verhalenverteller, de djeli, die ik altijd wilde zijn’.

Londen (1802-1804)

Omdat Aminata alles wil doen om de mensenroof te helpen beëindigen steekt ze nog één keer de eindeloze oceaan over om de abolitionisten bij te staan. Het blijkt makkelijk Afrika weer te verlaten en oktober 1802 ziet ze na acht jaar John Clarkson terug en ontmoet zijn belangrijke broer.

Ze gaan meteen naar het Comité ter Afschaffing van de Slavenhandel, dat grote plannen met haar heeft. Ze gaan haar kies interviewen en kort en precies haar leven beschrijven. De rillende koorts steekt echter weer op, ze wordt onwel. Clarkson grijpt in, ze moet eerst bij hem thuis herstellen. Een zwarte butler draagt haar naar haar privé vertrek waar een zwarte vrouw haar gaat verzorgen. Ze voelt zich maanden zwak en eenzaam maar in de lente keert haar levensmoed weer wat terug.

Brandmerken slaven[17]

De donkere bedienden praten nauwelijks met haar. Ze weet de butler te ontfutselen dat dat hun orders zijn. De abolitionisten willen haar weggehouden van de duizenden zwarten in Londen, zodat haar verhaal zuiver, vers van Afrika blijft en zo het gerucht vermijden dat het is beïnvloed door de zwarten van Londen, die in een slechte reuk zouden staan.

Aminata is nu gezond genoeg om weer te verschijnen voor de abolitionistencommissie. Ze verklaart dat ze besloten heeft zelf haar levensverhaal op te schrijven, zonder hun hulp, met haar eigen woorden, en met het recht om te spreken met wie ze wil. Ze stemt toe het te laten gebruiken als bewijsmateriaal bij de parlementaire hoorzittingen. Voorzien van ganzenveren, papier en warme dekens om haar altijd pijnlijke benen, begint ze aan het verhaal van haar leven en kan niet meer ophouden.

Ze heeft wel problemen met de abolitionisten. Ze zijn over-hartelijk, ze noemt een zelfs olijk, maar ze hebben weinig begrip van en kennis over haar. Hoewel ze haar hun gelijke noemen verschillen ze duidelijk in hun opzet. Aminata wil de knechting van haar volk laten stoppen, zij alleen de slavenhándel. Voor een volledig afschaffen van de slavernij zullen immers de vermogende parlementsleden zeker niet stemmen. Hun machtige pro-slavernij lobby noemt slavernij een humane institutie om Afrikanen te redden van hun wrede stammenoorlogen en beweert dat de verscheping over de oceaan vlekkeloos verloopt. Ze hoort fluisteren dat zij niet kan begrijpen hoe complex alles is.

Tenslotte beantwoordt Aminata onder ede voor de parlementaire commissie twee uur lang veel vragen door William Wilberforce, de enige parlementariër in de abolitionistencommissie. Ze luisteren doodstil, ze heeft geen idee wat ze er van vinden. Na afloop vragen tien verslaggevers om haar brandmerklitteken te mogen zien om eerdere getuigenissen dat in de Afrikaanse slavendepots niet werd gebrandmerkt te loochenstraffen.

De Engelse Koning Georges III [18]

Aminata wordt ontboden bij koning George III die echter geen woord met haar wisselt; waarschijnlijk kreeg de zieke man net een toeval. Koningin Charlotte neemt wel even de tijd voor haar en laat haar een boek van Jonathan Swift cadeau geven.
Haar koninklijke theevisite en haar getuigenverklaring voor het parlement staan in alle kranten, de mensen staan wekenlang in de rij om haar te spreken. Dan vraagt ‘s avonds laat iemand haar te spreken. Het blijkt de mooie jonge Afrikaanse met wangen glad als ebbenhout die haar al eerder tussen de vele wachtenden opviel.

Aminata heeft vijftien jaar om een wonder gebeden en nu stort werkelijk haar verloren dochtertje May zich in haar armen. Ze zijn dolgelukkig met elkaar. De Witherspoons waren indertijd van Boston meteen doorgereisd naar Engeland. Ze vertelden dat ze haar hadden gered omdat haar moeder haar had verlaten, maar May herinnerde zich nog veel en wist wel beter, wat ergernis gaf. Met elf jaar liep ze weg en werd bij een donker gezin ondergebracht. Ze gaf nu les op een school voor armlastige zwarten. Meena’s bezoek daaraan haalt weer alle kranten en ze gaat spreken op scholen en in kerken, voor zwart en blank, om zo veel mogelijk mensen te overtuigen dat de slavernij moet worden afgeschaft.

De koorts komt weer terug en nergens in Londen is kinabast. Maandenlang verpleegt May haar. De abolitionisten huren voor hen een logement met een kok. May’s school, Aminata Academia gedoopt, wordt mede door veel donaties een succes en trekt ook blanke leerlingen. Iedere vrijdagochtend komt de steeds moeilijker lopende grootdjeli Aminata er haar verhaal vertellen. John Clarkson belooft haar dat de abolitionisten May tot haar tot vijfentwintigste zullen onderhouden.

Haar verhaal is verteld. May en haar man, een uitgever (ze vergeet steeds wie dat is), willen het samen uitbrengen. Met de motie die William Wilberforce bij het parlement gaat indienen bemoeit ze zich niet meer. Aminata doezelt nu de hele dag op bed. Haar einde nadert, ze gaat terugkeren naar de geesten van haar voorouders. Ze wil begraven worden in Londense aarde; ze heeft genoeg gereisd….

In 1807 werd in Engeland de slavenhandel tussen de koloniën en Engeland verboden. Op 28 augustus 1833 zetten de leden van het Britse parlement hun handtekening onder de Slavery Abolition Act.

Tot slot

Bij mijn na jaren herlezen van Hill’s boek herinnerde ik me meteen weer zoveel details. Het Negerboek kruipt echt onder je huid, welke kleur die ook heeft. De zo indringend beschreven tragedies maken dat ook een niet donker iemand althans iets van al dat zwarte onrecht en verdriet ― waar nu eindelijk meer aandacht voor is ― aan kan voelen. Al wordt Hill’s roman in de latere hoofdstukken wat te duidelijk geconstrueerde fictie. Hill gaf zelf toe dat het einde wat romantisch is, maar nadat Aminata zoveel triests overkwam wilde hij haar een prettig levenseinde toeschrijven.
Wanneer je het boek eerder las, herlees het. Wanneer je het nog niet las, ga het lezen.

Noten

[1] Nota Bene:
Hoewel de term neger taboe werd, handhaaf ik het in deze bijdrage althans in de originele titel van het eeuwenoude register en bij verwijzen naar het boek van Lawrence Hill. Zoals taalkundige Vivien Waszink eerder uiteen zette (wikipedia) neger in de 16e en 17e eeuw en nog daarna synoniem was voor de zwarte slaaf die centraal staat in het hier besproken boek. De (ietwat omstreden) vertaler Hans Boland vindt het betuttelend om termen die nu als racistisch worden gezien te vervangen (NRC 25.06.2021). Verder mijd ik het n-woord zoveel mogelijk, al staat het meermaals in Hill’s tekst.
Volgens de huidige hype dient slaaf vervangen te worden door slaafgemaakte. Ook hier volg ik de woordkeus van Lawrence Hill en de vertalers. In 2011 speelde het recente alternatief nog niet. Alleen voor de pas gevangen en over de oceaan gebrachte Afrikanen gebruik ik slaafgemaakt, ter onderscheiding van de al langer in Amerika wonende, veelal daar geboren thuislanders.
[2] Bron: Albrecht Dürer – The Negress Katherina
[3] Bron: Ketting gang
[4] Bron: Tippo Tip (1837-1905) een beruchte slavenhandelaar in Oost-Afrika
[5] Bron: Bunce (Bance) Island and Fort, Sierra Leone (1727)
[6] Bron: Musée d’histoire de Nantes
[7] Bron: 18th-Century Slave Shackles from Tamale, Northern Ghana ― International Slavery Museum ― Liverpool ― England
[8] Bron:Indigoplant, Indigofera tinctoria
[9] Bron: Indigo, Historische collectie van verfstoffen, Technische Universiteit Dresden
[10] Bron: Robinson Appleby
[11] Bron: Birchtown op Nova Scotia
[12] Bron: Sierra Leone Company 20 cent coin
[13] Bron: A view of Freetown on the river of Sierra Leone (1803)
[14] Bron: Kolonie Freetown
[15] Bron: Brandijzer
[16] Bron: Nekboei
[17] Bron: Branding slaves. Virginia University
[18] Bron: De Engelse koning George III

was na een studie aan de UvA op Curaçao werkzaam als marien bioloog, en als humaan bioloog bij het Instituut voor Antropobiologie, Medische Faculteit Utrecht en vervolgens bij de Vakgroep Gezondheidsethiek en Wijsbegeerte, Universiteit Maastricht.

Schrijf een reactie