Slavernijverleden in het Onderwijs: Portugal, Brazilië, Frankrijk, Senegal en Engeland

0

Fred de Haas

Deel 1deel 2deel 3 – deel 4 

In de afgelopen decennia is er vanuit bepaalde gemeenschappen in Nederland, met name vanuit de assertieve Surinaamse bevolkingsgroep, een niet aflatende druk uitgeoefend om meer aandacht te besteden aan het slavernijverleden van Nederland.

Dat heeft o.a. geleid tot een verandering in de samenstelling van informatie over dat verleden in de Canon van Nederland (2006), die in 2020 verrijkt is met ‘voortschrijdend inzicht’ op dat gebied. Een Canon is immers een product van tijdgebonden Vergeten en Herinnering.

Canon van Nederland (2010)

Anton de Krom[1]

Karel V heeft zijn plaats in de Canon van Nederland (2010) moeten afstaan aan de Surinaamse schrijver Anton de Kom wiens werk in de jaren ’60 van de 20e eeuw herontdekt is.
Zijn boek ‘Wij slaven van Suriname’ uit 1934 legde voor een breed publiek de machtsverhoudingen in de koloniale samenleving van die tijd bloot.

Nu gun ik Anton de Kom graag een Venster in de Nederlandse Canon, maar om Karel V voor hem in te ruilen getuigt van weinig inzicht. Het betekent een onbegrijpelijke buiging maken voor een modetrend, een historicus onwaardig.
De Kom en Karel V zijn onvergelijkbare figuren. Als de Canon, in plaats van vijftig, zestig of meer Vensters zou hebben (en wat is daar op tegen?), zouden zowel Karel V als De Kom een welverdiende plaats hebben gekregen.

Onderwijs

Voor de scholen drukken we de wens uit dat zij kennis nemen van wat er in andere landen gebeurt op het gebied van de implementatie van het slavernijverleden in het onderwijs. Het is aan te bevelen dat er werkgroepen tot stand komen waarvan een aantal creatieve docenten deel uitmaakt om het materiaal dat scholen al zelf hebben ontworpen met elkaar te vergelijken en er een voorlopig, gemeenschappelijk programma uit te distilleren, zodat de lespraktijken over dit onderwerp niet teveel van elkaar verschillen. Er zal daarbij moeten worden opgepast dat leerlingen niet overvoerd worden en het ‘zat’ worden.

Het is duidelijk dat het onderwijs in de algemene geschiedenis van Afrika niet in de leerplannen mag ontbreken als een regering geïnteresseerd is in de achtergronden van een land waar veel inwoners van Afrikaanse herkomst zijn, zoals in het Caribisch gebied, Brazilië en Colombia.

Vierdelige artikelenreeks

In deze serie zullen we aan de hand van een aantal voorbeelden uit andere landen dan Nederland bestuderen hoe het slavernijverleden daar wordt behandeld binnen het onderwijs.

Aan bod komen Portugal, Frankrijk, Engeland, Senegal, Guatemala, Honduras, Panama, Nicaragua, Costa Rica, Mexico, Haïti, Curaçao en Aruba.

Een gecompliceerde geschiedenis

13e-eeuwse slavenmarkt in Jemen[2]

Het jaar 2011 werd door de United Nations uitgeroepen tot het ‘Internationale jaar van de mensen met een Afrikaanse afkomst’. Het was de tiende verjaardag van de Wet Taubira die de transatlantische slavenhandel als ‘misdaad tegen de menselijkheid’ bestempelde.

Christiane Taubira, de toenmalige, uit Frans Guyana afkomstige ‘zwarte’ Minister van Justitie van Frankrijk, heeft toen met opzet nagelaten in het wetsartikel melding te maken van de beruchte Arabische slavenhandel (7e tot de 15e eeuw en later) die er de oorzaak van was dat miljoenen Afrikanen naar het Noorden en Oosten van Afrika en verder werden gedeporteerd.
Dat zou, zo was haar redenering, een te grote morele last hebben gelegd op de schouders van de talrijke Arabische jongeren in Frankrijk! Dat was een ernstige omissie.

Zanzibar slavenmarkt (1860)[3]

Zanzibar in Oost-Afrika was eeuwenlang een van de allergrootste slavenmarkten van Afrika. De Schotse ontdekkingsreiziger David Livingstone (1813-1873) heeft nog met eigen ogen gezien hoe Arabische slavenkaravanen naar de Oostkust van Afrika trokken om daar mensenhandel te bedrijven.
Veel jonge, tot slaaf gemaakte mannen zijn toen gecastreerd en mochten van geluk spreken als ze niet aan die primitieve ‘operatie’ bezweken.

Het is de meeste mensen nauwelijks bekend dat er in die tijd ook honderdduizenden blanke mensen uit o.a. de Slavische landen (waar de term ‘slaven’ vandaan komt) door handelaren uit Marseille en Venetië naar het Midden-Oosten zijn verkocht.

Slavernijverleden en Onderwijs

Onderwijs is onvervangbaar als middel om toekomstige burgers te vormen en om een collectief geheugen en (historische) identiteit van een land en zijn bevolking op te bouwen.

In veel landen blijkt het slavernijverleden nog een blinde vlek in de leerplannen van scholen en wordt het onderwerp als te ‘gevoelig’ ervaren. Het is nu eenmaal geen thema dat bijdraagt tot verheerlijking en roem van het verleden. Het wordt dus graag in veel landen weggemoffeld of ‘over het hoofd gezien’. Voor het geval dat er wel over gesproken kan worden, staan de scholen voor een moeilijke taak. Ze moeten in feite onderwijzen wat de maatschappij wenselijk vindt en kunnen dus bij het behandelen van het slavernijverleden in conflict raken met de heersende opvattingen van bepaalde groepen in de samenleving. Bovendien blijkt dat ook onderwijzers/leraren soms geen verstand hebben van die geschiedenis. Ze zijn door hun vroegere opleiding vaak niet op die taak berekend en beschikken niet altijd over de juiste bronnen. Vandaar het belang van richtlijnen zoals deze worden gegeven in documenten als de Canon van Nederland, de Canon van Curaçao of expliciete voorschriften van de Overheid.

Hoe moeizaam de behandeling van het slavernijverleden kan verlopen in verschillende landen van Europa, Afrika en het Caribisch gebied, zal ik in het verloop van deze beschouwing aan de hand van historische bronnen en op het internet beschikbare leerplannen proberen te schetsen.

Portugal

Zwarte tafelbediende (begin 16e eeuw, Museu Nacional de Lisboa de Arte Antiga)

Hoewel Portugal ― met o.a. Spanje, Nederland, Engeland, Frankrijk en Noord-Afrika ― een belangrijke rol heeft gespeeld in de vroegere slavenhandel, hebben de meeste Portugezen geen flauw benul van wat honderdduizenden Afrikanen is aangedaan door hun vaderland in de pre-koloniale en koloniale tijd.

Die onbekendheid met de handel in mensen is niet in de laatste plaats te wijten aan het vrijwel ontbreken van verwijzingen naar dat duistere verleden in de leerprogramma’s van de scholen (zie o.a Ministerio da Educação, Portugal, Primeiro ciclo do Ensino Básico: Organização Curricular e Programas, Lisboa, Imprensa Nacional).

Onder de racistische en discriminatoire dictatuur van Salazar (van 1932 tot 1968) werd het koloniale verleden verheerlijkt en had men geen oog voor de wandaden die de Portugezen hadden bedreven in vroeger eeuwen, evenmin als voor het feit dat er tot 1960 sprake was van dwangarbeid in ‘Portugees’ Afrika.
Plaatsen in Portugal die herinneren aan de slaventijd (o.a. gebouwen, vooral in de havensteden) werden ‘vergeten’ en het feit dat er na de onafhankelijkheid van de Portugese koloniën een groot aantal migranten uit Kaapverdië, Guinee Bissau, Angola en Mozambique naar Portugal kwamen, heeft er niet voor gezorgd dat er een begin werd gemaakt met een deugdelijke behandeling en verwerking van het koloniale verleden.

Toch zijn er in het leerplan van leerlingen van 6-14 jaar in Portugal genoeg aanknopingspunten te vinden. In de les wordt uitgebreid gesproken over de geschiedenis van het Iberisch Schiereiland, de Portugese en Europese expansie en de ontdekkingsreizen. Maar alleen de positieve aspecten worden benadrukt, zoals het toenemen van de aardrijkskundige kennis. Als de 18e eeuw wordt behandeld heeft men het versluierend over de Afrikaanse ‘migratie’ naar Brazilië, de suikerproductie en de mijnbouw.

Verwijzingen naar de afschaffing van de slavernij zijn zeer beknopt en men zwijgt over de weerstand van Portugal en Brazilië hiertegen.

Brazilië

Brazilië, Recife ― foto FdH

In Brazilië werd de Emancipatie (Afschaffing van de slavernij) pas een feit in 1888.
Er kwamen in Brazilië onder het presidentschap van Cardoso (van 1995 tot 2002) schoolhervormingen tot stand en het slavernijverleden werd een nationale zaak. In 2003 werd het onderwijs in de Afro-Braziliaanse cultuur en geschiedenis bij wet verplicht.

Braziliaanse vrouwen. Ter gelegenheid van de sociale ‘Quilombola’ Agenda en het Nationale Plan voor raciale gelijkstelling in het Palácio do Planalto, Brasilia (2007)[4]

Onder President Lula werd ook het onderwijs in de algemene geschiedenis van Afrika op de scholen verplicht en werden de Braziliaanse Universiteiten aangespoord om hun Afrikaanse afdelingen te ontwikkelen. Dat gaf aanleiding tot een stroom van studies die sindsdien niet meer is opgehouden.

Frankrijk

Eeuwenlang, tot de jaren ‘60 van de 20e eeuw, heeft Frankrijk er veel aan gedaan om de nationale mythe van bloei en beschaving in stand te houden binnen het onderwijs. In de schoolboeken zweeg men over de slavenopstand in Saint Domingue (Haïti) van 1793 die plaats vond voordat er in de Franse Assemblée (de ‘Convention’) in 1794 werd gestemd voor de algehele afschaffing van de slavernij.
Pas na de 150e verjaardag van de afschaffing van de slavernij begon men in de schoolboeken een grotere plaats in te ruimen voor het Franse slavernijverleden. In 2000 (zie Bulletin officiel de l’Education nationale, no 8 van 24 februari 2000) nodigde het Franse ministerie van Onderwijs de docenten van Guadeloupe, Martinique, Guyane en La Réunion uit om de lokale slavernij en het plantagesysteem onder de aandacht van de leerlingen te brengen, maar zelf had Frankrijk grote moeite om dit thema te integreren in het gewone, vaderlandse geschiedenisonderwijs.

Christiane Taubira ― voormalig Minister-van Justitie van Frankrijk

Toen de Wet van Taubira (2001) de slavernij als misdaad tegen de menselijkheid had gekarakteriseerd en had voorgeschreven dat de onderwijsleerplannen aan de slavenhandel en de slavernij de plaats moesten geven die hen toekwam, kwam er meer beweging in het onderwijs.

In 2002 werd het onderwerp opgenomen in het leerplan van het Lager Onderwijs en in 2008 in dat van het Middelbaar Onderwijs.

Een aarzelende benadering

Het officiële onderwijsprogramma van 2008 schrijft voor dat op de Franse scholen 10% van het geschiedenisonderwijs besteed moet worden aan ‘Regards sur l’Afrique’ (= Kijk op Afrika).
De docenten hebben voor een behandeling van die Afrikaanse geschiedenis de keus tussen de oude Koninkrijken van Ghana, Mali, Songhai en Zimbabwe. Ook wordt in het programma verwezen naar de al eeuwenlang bestaande interne Afrikaanse slavenhandel. Deze had overigens niet de industriële omvang van de transatlantische en werd gekenmerkt door de handel in een verscheidenheid aan producten (o.a. goud) in de richting van het Middellands Zeegebied.

Prinses Rocaczi en haar negertje (1725-1750)[5]

Er kwamen felle protesten tegen dit voorschrift uit de wereld van het onderwijs waar men bang was voor een tekort aan aandacht voor de ‘vaderlandse’ geschiedenis. Uit die protesten spreekt ook onzekerheid en een daaraan gepaard gaande minachting voor ‘het vreemde’. Voor het eerste kan je nog begrip opbrengen, want docenten zijn niet opgeleid om Afrikaanse geschiedenis te onderwijzen.

In 2010 waren er zes schoolboeken die de Afrikaanse geschiedenis behandelden. Voor wat betreft de slavenhandel, werd vooral de nadruk gelegd op de Middeleeuwse slavenhandel.

Helaas is er een afname van zelfreflectie te merken in de programma’s van de jaren 2015. Zo treffen we terughoudendheid in taalgebruik aan in de demografische beschrijving van de bevolking van de oude kolonies:

‘[…] le peuplement repose notamment sur le déplacement d’Africains réduits en esclavage’
(= de bevolkingsaanwas berust met name op de verplaatsing (!) van tot slaaf gemaakte Afrikanen).

En als men het heeft over de gewelddadigheden tussen de 11e en 18e eeuw dan worden alleen de kruistochten en de godsdienstoorlogen genoemd.
Over de slavenhandel in, bijvoorbeeld, de Antillen en het Caribisch gebied wordt niet gesproken.

Een uitzondering wordt gemaakt voor de leerlingen van de Departementen overzee. Daar kan, op gepaste afstand van de metropool, de invloed van de Franse Revolutie op de Antillen worden behandeld en kan de Haïtiaanse onafhankelijkheidsoorlog van 1794-1804 worden aangesneden.

Toch is er enige vooruitgang te bespeuren en in de nieuwe programma’s van 2019 is men wat ruimhartiger. Er wordt zelfs vermeld dat de onafhankelijkheid van Haïti voortgekomen is uit een opstand van slaven in 1791 en wordt er vastgesteld dat Haïti de eerste Republiek is geweest die voortkwam uit een slavenopstand.

Nantes

Plattegrond, profiel en verdeling van het schip La Marie Séraphique de Nantes[6]

Overigens doet Frankrijk erg zijn best om naar buiten toe zo goed mogelijk met het slavernijverleden om te gaan. De stad Nantes, in de regio Loire-Atlantique, heeft hierin een voortrekkersrol gehad. Dat is geen toeval, want Nantes was, met Rouen, La Rochelle en Bordeaux, een van de havensteden die het meest te maken had met de slavenhandel. Nantes zorgde als eerste voor de verbinding met de koloniën overzee nadat de Fransen vanaf 1625 voet aan wal zetten in de Cariben.

Vanaf 1650 vonden de eerste slaventransporten plaats en in 1664 werd onder de Franse minister van Financiën Colbert de Compagnie des Indes Occidentales opgericht die het monopolie had op de handel op Guinee en Senegal. In 1701 sloot Frankrijk een ‘leveringscontract’ (Asiento) met de Spaanse Kroon en 15 jaar later ontstond de vrijhandel in ‘Zwarten uit Afrika’ (‘le commerce des nègres d’Afrique’).

De slavenhandel werd de motor van de economische ontwikkeling van Nantes. In 1714 waren er 1700 slavenvaarten vanuit Nantes. In totaal waren er 4220 slavenvaarten vanuit Frankrijk. Tot ± 1830 heeft Frankrijk meer dan een half miljoen Afrikaanse slaven vervoerd.

Frankrijk, en met name Nantes, heeft dus het een en ander goed te maken. Sinds het eind van de 20e eeuw is de educatieve dienst van de ‘Archives Départementales de Loire-Atlantique’ bezig met het produceren van materiaal voor de scholen. Dat wordt o.a. gedaan door als document het logboek te gebruiken van de Franse stuurman Adam Joulin die de reis van het schip La Jeannette dag voor dag heeft beschreven.

In Nantes staat een belangrijk slavernijmuseum en in Bordeaux staat het standbeeld van Toussaint Louverture, de ‘Bevrijder’ van Saint Domingue (Haïti).

Er zijn op de Franse scholen interessante experimenten geweest om aan het slavernijverleden aandacht te schenken. Meestal begint men in de klas met een lokaal aanknopingspunt. Dat kan een gebouw zijn of een brief uit een voorbije eeuw.
Ook bestudeert men de Code Noir, het reglement voor de slaven dat onder Colbert tot stand kwam. Onderwerpen van gesprek kunnen zijn: de zeden en gewoonten van een van de eilanden, slavenopstanden, waaronder die van de moedige Louis Delgrès uit Guadeloupe die zichzelf en zijn manschappen in Matouba opblies om niet in handen te vallen van het Franse leger en de (zwarte) verrader Magloire Pélage. Leerlingen krijgen eenvoudige vragen voorgelegd om een debat op gang te brengen.

Het spreekt vanzelf dat je voor dit soort zaken gemotiveerde docenten nodig hebt voor wie in het ‘gewone’ leerplan voldoende tijd beschikbaar moet zijn.

Waakzaamheid blijft geboden. In 2018 schreven Jean-Marc Ayrault (die Voorzitter was van de Fondation pour la mémoire de l’esclavage) en Christiane Taubira (oud-gedeputeerde van Frans Guyana en oud-minister van Justitie) een brief aan de Franse minister van Onderwijs om hun bezorgdheid uit te drukken voor de gang van zaken binnen het Onderwijs over het slavernijverleden.
De nadruk viel, volgens hen, teveel op andere landen dan Frankrijk.

Voordat we een blik werpen op de manier waarop er in landen van Centraal Amerika aandacht wordt besteed aan het Afrikaanse element van hun bevolking, wil ik eerst stilstaan bij een groot Afrikaans land dat vroeger werd gekoloniseerd door Frankrijk: Senegal.

Senegal

Slavenhandelaren van Gorée ― Jacques Grasset de Saint Sauveur (18e-eeuw)[7]

In de eerste helft van de 19e eeuw werden er door de Fransen verschillende koloniale scholen gesticht in Senegal. Er was zelfs een ― slecht bezochte ― school voor de lokale adel die pro-Frans onderwijs gaf. Het proefschrift van Abdoul Sow (L’enseignement de l’histoire au Sénégal, des premières écoles de 1817 à la Réforme de 1998) biedt een goed inzicht in het onderwijs van die tijd. Afrika werd nogal karikaturaal voorgesteld en de slavernij werd ook niet bepaald op de modernste wijze gedefinieerd. We lezen het volgende in het schrift van een Senegalese leerling: ‘Bij beschaafde volken zijn er geen slaven. Een man, vrouw of kind verkopen is de grootste misdaad die men kan begaan. Alleen bij de zwarte volken van Afrika bestaat die verachtelijke gewoonte’.

De koloniale scholen wilden duidelijk dat de inheemse bevolking de superioriteit van de Blanke erkende en gehoorzaam was aan het Franse gezag. In de geschiedenisboeken werden de plaatselijke stamhoofden voorgesteld als een stelletje struikrovers. Frankrijk moest worden gezien als het toppunt van beschaving dat een einde had gemaakt aan de slavernij.

In de postkoloniale tijd ― waarin Frankrijk het onderwijzend personeel bleef leveren ― blijven de schoolboeken nog wel een Frans stempel dragen maar het onderwijs in Geschiedenis en Aardrijkskunde werd drastisch aangepast en herschreven door Senegalese auteurs. Op de kaft van een van hun handboeken staat met grote letters ‘LA TRAITE NÉGRIÈRE’ (= de handel in Zwarten).

In de handboeken wordt echter teveel nadruk gelegd op de slavenhandel die aan de kust plaatsvond, terwijl de mensen die tot slavernij werden gebracht uit het Afrikaanse binnenland kwamen en afkomstig waren van de interne handel. Er staan ook onjuistheden in, zoals de geschiedenis van het eiland Gorée (afgeleid van het Nederlandse ‘goede ree’) dat helemaal niet de rol heeft gespeeld die het wordt toegedicht als centrum van slavenhandel. De zogenaamde ‘Deur waardoor je nooit meer terugkeert’ is een schietgat en de slavencellen zijn bergplaatsen voor goederen.
Maar men houdt graag de mythe in stand vanwege het binnenlandse en buitenlandse toerisme. Zelfs Paus Johannes Paulus II heeft een bezoek gebracht aan Gorée.

Engeland

Sinds 2007 maakt men in Engeland ruim plaats voor onderwijs op dat gebied. Musea in Bristol, Londen, Liverpool (dé haven voor de slavenhandel) en Hull verrichten goed pedagogisch werk. Maar als je de schoolboeken raadpleegt merk je dat de aandacht verflauwt.
In Key Stage 3 van 2015 (leerlingen van 11-14 jaar) wordt geen aandacht besteed aan het slavernijverleden bij de behandeling van het tijdperk 1509-1745 en bespreking van dit verleden is niet verplicht voor het tijdperk tot 1901.

Engeland heeft heel veel boter op het hoofd. Het land heeft o.a. de Arabische slavernij, lang na de afschaffing, lange tijd oogluikend toegestaan in Oost-Afrika. Dat kwam politiek toen beter uit.

Noten

[1] Bron: Anton de Krom (Suriname 1898-Duitsland 1945)
[2] Bron: 13th-century slave market in Yemen
[3] Bron: Zanzibar slavenmarkt (1860)
[4] Bron: Braziliaanse vrouwen.Ter gelegenheid van de sociale ‘Quilombola’ Agenda en het Nationale Plan voor raciale gelijkstelling in het Palácio do Planalto, Brasilia, 2007, foto Agência Brasil
[5] Bron: Princess Rákóczi – school van Nicolas Largillière, The National Gallery, London
[6] Bron: Plattegrond, profiel en verdeling van het schip La Marie Séraphique de Nantes
[7] Bron: Slavenhandelaren van Gorée – Jacques Grasset de Saint Sauveur (18e-eeuw)

studeerde cum laude af in de Franse, Spaanse en Portugese taal- en letterkunde. Vanaf het begin combineerde hij zijn functies met werkzaamheden als literair vertaler. Fred de Haas vertaalde onder meer uit het Papiaments, het Frans, het Spaans en het Russisch. Hij is leider, zanger en gitarist bij het Latijns-Amerikaans ensemble Alma Latina.

Schrijf een reactie