Hoe men van gedachten verandert

0

Erik Hoogcarspel

Wijsheidsweb, 28 september 2019, bron: Boeddhistisch Dagblad

De toevlucht in de Kosmos

De Zwarte Hoed

De Kosmos[1]

Rigpe Rangjung Dorje (1924-1981), de Gyalwang Karmapa in zijn 16e reïncarnatie, was de geestelijk leider van de Karma Kagyutraditie van het Tibetaans boeddhisme. In het jaar 1975, op de 2e januari, bracht hij een bezoek aan de Kosmos in Amsterdam.

De Kosmos was een activiteitencentrum van wat toen heette de New Age-beweging. Er was een macrobiotisch winkeltje met restaurant, je kon er esoterische literatuur kopen en wierook, er was een sauna en in het theehuis was er altijd wel iemand te vinden die je aan allerhande soorten illegale substanties kon helpen.

De Karmapa was toen bezig een reis te maken langs spirituele instituties in het westen, letterlijk om zijn gezicht te laten zien aan de groepen westerse volgelingen die er al waren en nieuwe volgelingen aan te trekken. Hij werd met een klein gevolg rondgereden in een Volkswagenbusje dat werd bestuurd door een van zijn meest vooraanstaande westerse volgelingen, de Deense Viking-boeddhist Ohle Nydal, ook wel bekend als Holy Ohle.

Het bezoek was een uitgebreid aangekondigd in het tijdschrift Bres Planète, waarop ik was geabonneerd, en ik wilde dat bezoek van die Tibetaanse paus wel eens meemaken. Vergezeld van twee van mijn broers toog ik naar de Kosmos. Er waren enkele tientallen mensen gekomen en na enige tijd wachten in de gang, werd er ruimte gemaakt en liep er een gezette Tibetaanse monnik langs die vrolijk ‘Hi’ riep naar de kleine menigte. Vervolgens kwamen er nog meer mensen, die hem blijkbaar waren gevolgd, zodat de toneelzaal in de Kosmos al snel aardig vol was. Er was een soort troon geïnstalleerd op het podium waarop de Karmapa had plaatsgenomen en er omheen zaten een tiental monniken.

Een oudere westerse non, die ‘Sister Palmo’ werd genoemd, vertelde dat we de ceremonie van de Zwarte Hoed zouden zien en dat de Karmapa voor ons in samādhi zou verzinken. Onder het gemurmel en gerochel van de oude monniken maakte de Karmapa een grote doos open, haalde er een vreemd gevormde grote zwarte hoed uit en zette die op zijn hoofd. Hij zat enkele minuten stil terwijl hij de hoed op zijn hoofd vast bleef houden (deze paste blijkbaar niet goed) en borg de hoed vervolgens weer op in de doos.

In het publiek zaten verschillende mensen mee te prevelen en hielden daarbij hun vingers in een vreemde knoop. Dat was een mudra, een rituele handstand, hoorde ik later. Het geprevel klonk erg ontspannen en ongekunsteld en het had iets sympathieks, ik voelde me er wel thuis bij.

De toevlucht

Nadat de ceremonie was afgelopen verscheen Ohle op het podium en nodigde iedereen die dat wilde uit om toevlucht te nemen. Ik had er geen idee van wat dit was, maar ik wilde best meedoen met nog een ceremonie, dus ging ik in de rij staan die zich had gevormd.

Rigpe Rangjung Dorje[2]

Iedereen moest het podium bestijgen, langs de Karmapa lopen en kreeg van hem uit een lepeltje een beetje kersensap in zijn hand. Ik begreep dat je dat moest opdrinken. Vervolgens liep je langs een monnik die een rood koordje om je hals deed en een derde monnik zei een Tibetaans woord tegen je. Ik herhaalde het woord wel twintig keer terwijl ik het podium af liep, want ik begreep dat ik het niet mocht vergeten.
Helaas, de volgende ochtend kon ik me het woord met geen mogelijkheid meer herinneren. Later begreep ik dat ik door toevlucht te hebben genomen boeddhist was geworden in de Karmapa-traditie en zelfs een Tibetaanse boeddhistische naam had gekregen.

In de jaren die volgden heb ik talloze malen toevlucht genomen, meer dan 100.000 keer. Dag na dag liet ik me duizenden keren languit op een tapijtje vallen voor een altaartje met de afbeelding van de toevluchtsboom, een soort kerstboom waarin alle Karmapa’s en andere heiligen en goden een plaatsje hadden, terwijl ik de toevluchtsmantra in het Tibetaans opzegde. Toevlucht in de Drie Juwelen: boeddha, dharma en sangha en in de Drie Wortels: lama’s, meditatiegodheden en beschermgeesten. Daarnaast begonnen alle andere meditaties die ik in een groep deed met dezelfde formule. Het ging altijd vanzelf en nooit vroeg ik me af wat dit eigenlijk allemaal te betekenen had.

Devotie

Jezelf dingen afvragen wordt in de Tibetaanse vorm van boeddhisme niet erg aangemoedigd, dat is slecht voor je devotie en devotie is voor een Tibetaan het enige wat een mens uit dit tranendal kan redden.
Dus dan maar buigen voor de lama, hij is de enige die je kan redden en hij heeft een oneindige compassie, toch? Bovendien word je volgens de lama alleen wijs van herhaling, net als bij reclameboodschappen moet de waarheid erin worden gestampt, en de lama heeft altijd gelijk.
Het Tibetaans boeddhisme heeft een warm hart voor Alzheimerpatiënten, alles moet telkens opnieuw worden gedaan en het aantal herhalingen wordt zorgvuldig bijgehouden met behulp van het bidsnoer en de tellertjes die eraan hangen.
Ik herinner me dat we tijdens een retraite elke ochtend om 6 uur ‘s ochtends een eredienst moesten bijwonen waarbij we allerhande Tibetaanse versjes moesten prevelen en we beloofden daarbij die dag geen alcohol te drinken, niet te roken enzovoort.
De tweede dag besloot ik dit voor de gehele retraiteperiode te beloven en niet meer zo vroeg op te staan.

Achteraf gezien moet ik bekennen dat ik door de magische rituelen en fantastische afbeeldingen en beelden van het Tibetaans boeddhisme gefascineerd was. Nu ik wat meer begrijp van de geschiedenis en herkomst ervan, zie ik ze meer als een uiting van de symbolische inrichting van de wereld in het middeleeuwse India en Tibet, dan van het boeddhisme zelf.
Dat hoeft nog geen reden te zijn om niet mee te doen, maar het maakt wel dat ik me ongemakkelijk voel in het gezelschap van die mensen die dagelijks mantra’s opzeggen alsof hun leven ervan afhangt. Het herinnert me eraan dat een toevlucht ook een uitvlucht kan zijn.

De toevlucht in Bodhgaya

Boghgaya, waar de boeddha boeddha werd

Het was 10 november 1989, zelfs in het kleine dorpje Bodhgaya in India stonden de kranten vol van de plotselinge val van de Berlijnse muur. De Indiërs schenen zich er niet erg druk om te maken, maar wij waren erg verrast.
In een eethuisje probeerden we die avond wat beelden op te vangen van de gebeurtenis die door de Indiase Durdarshan (TV) werden uitgezonden. We raakten aan de praat met een paar inwoners, waarvan er een vertelde dat hij arts was. Ik vertelde hem dat ik me erg grieperig voelde en hij zei dat dit in Bodhgaya vaak voorkomt, maar dat hij daar wel een middel tegen had. Hij wenkte een klein jongetje en liet voor zichzelf bier en voor mij het geneesmiddel aanrukken.
Later begreep ik dat deze griep voornamelijk wordt veroorzaakt door de stofdeeltjes met bestrijdingsmiddelen, die in het droge seizoen in de lucht hingen. In elk geval nam ik die avond het medicijn in met een paar glazen Indiase Seven-up (‘Thumbs-up’) gecombineerd met uitgeperste limoen en Indiase whisky (‘Old Monk’) en voelde me de volgende ochtend een stuk beter.

Great Buddha statue, Bodh Gaya[3]

In het eens zo rustige dorpje was het weer een drukte van belang. Tientallen bussen vol met toeristen uit Japan, Korea, Thailand en zelfs China versperden de aanvoerroute en blokkeerden het uitzicht op de Boeddhatempel. Dat trekt bedelaars aan. Al tijdens ons ontbijt van rijstepap (naar verluidt at de boeddha dit voordat hij het ontwaken bereikte en dus baat het niet dan schaadt het niet) kwam een man op ons af die luidkeels de toevluchtsformule opzegde terwijl hij beide handen ophield, klaar om onze gulle gaven te ontvangen.

‘Buddham saraṇam gacchami, dhammam saraṇam gacchami, sangham saraṇam gacchami
Duti yampi buddham saraṇam gacchami, dhammam saraṇam gacchami, sangham saraṇam gacchami
Tati yampi buddham saraṇam gacchami, dhammam saraṇam gacchami, sangham saraṇam gacchami’

Ik zoek mijn toevlucht tot de boeddha, … dhamma, … sangha, voor de tweede keer … voor de derde keer …

zie Khuddaka Nikāya II blz. 27

Hij keek ons daarbij met een soort vertrouwelijke blik aan, alsof hij wilde zeggen ‘kijk, ik ben ook lid van de club daarom moeten we elkaar steunen’. Mijn echtgenote was hem in de tweede en derde regel al bijgevallen, want ze houdt van meezingen. We gaven hem een paar roepies en tevreden keerde hij zich om, om hetzelfde toneelstukje op te voeren bij groepjes toeristen een eindje verderop.

Marktwerking

Zo was de toevluchtsformule gecommercialiseerd. Dit is nu eenmaal met veel dingen gebeurd, ook boeddhistische praktijken. In een interview vertelde de westerse yogi en vertaler John Reynolds (Vajranatha) me eens dat hij overwoog om zich aan te sluiten bij een andere religieuze beweging, omdat het praktiseren van het tantrisch boeddhisme een erg dure grap was geworden. Ik wist wat hij bedoelde, een inwijding kostte zelfs in de jaren negentig al gauw € 150. De inwijdingen of initiaties die ik tien jaar daarvoor zelf had ondergaan werden allemaal gratis gegeven.

Ik was in 1976 al eens in Bodhgaya geweest. Toen was de Japanse tempel de enige met een marmeren vloer, maar we deden er elke avond op het dak Zenmeditatie.
‘s Morgens kon je achter de Boeddhatempel tussen de Tibetaanse monniken gaan zitten en meedoen met het opzeggen van heilige teksten. Soms kwam er zelfs een sponsor langs en dan kreeg je een sneetje brood, of een halve roepie, want door mee te doen werd je deel van het veld van verdienste. Er kwamen regelmatig beroemde lama’s langs, die onderricht gaven of een inwijding.
Daar werd nooit geld voor gevraagd, bij een inwijding nam je rol koekjes mee of een stukje fruit als offer. In het Birmese klooster, waar je voor een paar euro per dag een cel kon huren, werden er regelmatig vipassana-retraites gehouden op basis van onkostenvergoeding. De lama’s, sensei’s en bhikkhu’s waren echter in 1989 allang vertrokken. Elk Aziatisch land had er nu zijn eigen etnische tempel laten bouwen, vol marmer en bladgoud. Op de trappen achter de Boeddhatempel maakten Chinese toeristen selfies. Er was zelfs een 20 m hoog boeddhabeeld gebouwd, dat inmiddels een toeristische trekpleister is geworden. Geld maakt meer kapot dan je lief is.

Samyutta Nikāya

In Samyutta Nikāya deel I hoofdstuk 4.6 wordt verteld hoe de boeddha wordt bezocht door Māra (het symbool van wereldse verleiding). Zodra hij deze herkent, zegt de boeddha dat de ontwaakten hun toevlucht nemen tot ‘lege hutten’ en niet tot bezittingen (blz. 194).
Blijkbaar is Māra toch in Bodhgaya de baas geworden. Alle tempels daar tonen een boeddhisme dat alleen in de reisgidsen bestaat of in programma’s van Erica Terpstra.
Het is een boeddhistische Efteling geworden. Mensen bezoeken al die tempels ongetwijfeld nu nog steeds uit de behoefte aan een soort toevlucht. Door de boeddha op deze manier eer te bewijzen, hoopt men op een gunstige wedergeboorte.
In hoofdstuk 40.10 van de Samyutta Nikāya (IV blz. 284) en in de Anguttara Nikāya (IV blz. 260) staat inderdaad vermeld dat de toevlucht dit effect heeft.

Waarom is de toevlucht belangrijk, terwijl de boeddha in Samyutta Nikāya 22.43 toch duidelijk zegt: ‘wees van nu af aan je eigen eiland en je eigen toevlucht, zoek geen andere toevlucht, zoek geen andere toevlucht, moge de leer je eiland en toevlucht zijn zoek geen andere toevlucht’? (In het Pāli staat ‘dīpa’, wat ook kan worden vertaald als ‘licht’. De metafoor van eiland is in het westen ongebruikelijk, wij zouden misschien liever spreken van een anker. Het geeft het idee weer van laatste fundamentele zekerheid.)

Twee soorten boeddhisme

Er zijn blijkbaar minstens twee soorten boeddhisme: het boeddhisme van de volgelingen, de monniken en nonnen die streven naar het nirvāṇa, en het boeddhisme van de aanhangers, die hopen op een goede wedergeboorte door liefdadigheid en die de sangha van onderdak en voedsel voorzien. Dat is altijd zo geweest.
In de Dhīga Nikāya worden enkele belangrijke en machtige mensen genoemd die door de boeddha werden overtuigd. Er staat dan dat ze hun toevlucht zochten tot (of met andere woorden ‘gingen schuilen bij’) de boeddha, dhamma en sangha en, wat niet onbelangrijk is, dat de boeddha met zijn gevolg voortaan op hun gastvrijheid kon rekenen.

De oorsprong van de toevlucht

Śvetāśvatara Upaniṣad[4]

Het begrip ‘toevlucht’ is niet specifiek boeddhistisch, het is al te vinden in de Śvetāśvatara Upaniṣad (VI.18), die waarschijnlijk al bestond in de tijd van de boeddha. Daar staat:

‘Ten einde verlossing te bereiken zoek ik mijn toevlucht bij de Ene God …’.

Deze passage wordt door de hindoeïstische devotie-bewegingen gezien als hun oorsprong en rechtvaardiging (Plot 1974, 144). Het suggereert het gebruik dat als iemand die zich onveilig voelt, hij zich onder het gezag plaatst van een machtig iemand om bescherming te krijgen, zoals een zelfstandige winkelier franchisenemer kan worden van een multinational of beschermgeld kan betalen aan een mafiabaas. Dit begrip wordt in het boeddhisme uitgedrukt in een standaardformule.
Je geeft er mee aan dat je je geroepen voelt om de leer van de boeddha te volgen en ernaar wil streven om op den duur het nirvāṇa te bereiken. De boeddha is echter geen mafiabaas en ook geen god die bescherming biedt, hij beveelt aan je eigen toevlucht te zijn. Vertrouwen op bescherming van buitenaf zou je afhouden van het juiste pad. De belofte van een goede wedergeboorte is er klaarblijkelijk later bijgesleept om toch nog een soort bescherming te kunnen beloven.

Het is de vraag of de dhamma en sangha oorspronkelijk wel deel uitmaakten van de toevlucht. Ānanda, de verzorger van de boeddha, heeft gezegd dat na het overlijden de dhamma de enige toevlucht kan zijn (Madyama Nikāya III blz. 88).
Als deze passage authentiek is, dan is ze een aanwijzing dat de toevluchtsformule toen nog niet in zwang was. In een orale traditie heb je echter mensen nodig die de teksten onthouden en doorgeven, het klinkt dus logisch om de drie als een eenheid te zien, vooral in een cultuur waar men inclusief denkt. Toch zijn er eeuwen voorbijgegaan voordat men een afbeelding of beeld van de boeddha durfde te maken en de leer is, om het mild uit te drukken, op een nogal creatieve wijze doorgegeven.
De Drie Juwelen vormen beslist geen hermetische eenheid en de toevlucht met de bijbehorende boeddhistische naam is geen onmisbaar element van de beoefening van het boeddhisme. De bedelaars in Bodhgaya zijn er echter dik tevreden mee.

Toevlucht en ritueel

 ‘Voortreffelijk, heer Ānanda, voortreffelijk, heer Ānanda! Het is alsof iemand wat omvergeworpen was weer overeind heeft gezet, wat verborgen was onthuld heeft, iemand die verdwaald was de weg heeft gewezen en een olielamp in de duisternis heeft gebracht, zodat zij die ogen hebben vormen kunnen zien. Evenzo heeft de heer Ānanda op veel velerlei wijzen de Dhamma verkondigt. Daarom, heer Ānanda, neem ik mijn toevlucht tot de Verhevene, tot de Dhamma en tot de gemeenschap van monniken; laat de heer Ānanda mij vanaf vandaag voor de rest van mijn leven als lekenvolgeling beschouwen die zijn toevlucht genomen heeft.’

Dīgha Nikāya blz. 215

Bovenstaand citaat komt met enkele variaties verschillende malen voor in de Pāli Canon, het is een soort standaardpassage. Het geeft echter wel goed weer hoe de toevlucht in het oude boeddhisme plaatsvond. Iemand wordt eerst bekeerd, dat wil zeggen op andere gedachten gebracht, door een goede en duidelijke uitleg. Dit inzicht opent een nieuw perspectief op de wereld. Om dit te consolideren wordt het bevestigd met een soort ritueel, namelijk het uitspreken van het vertrouwen in de boeddha, de leer en de gemeenschap. Op deze wijze is het nemen van toevlucht in het oude boeddhisme dus een rituele bevestiging van een bekering die vooraf heeft plaatsgevonden.

De toevlucht als ritueel

‘In de traditie van het boeddhisme is het doel van het nemen van toevlucht om wakker te worden uit de verwarring en jezelf te verbinden met waakzaamheid. Toevlucht nemen is een kwestie van betrokkenheid en aanvaarding en tegelijkertijd van openheid en vrijheid. Door het nemen van de gelofte van toevlucht verplichten we onszelf tot vrijheid.’
‘In the Buddhist tradition, the purpose of taking refuge is to awaken from confusion and associate oneself with wakefulness. Taking refuge is a matter of commitment and acceptance and, at the same time, of openness and freedom. By taking the refuge vow we commit ourselves to freedom.’

Alle vertalingen zijn van de auteur

Dit schreef de Tibetaans boeddhistische leraar Chögyam Trungpa Rinpoche in het boek ‘The heart of the Buddha’. Als we zijn uitleg vergelijken met de toevlucht zoals deze beschreven wordt in de Pāli Canon, dan zien we dat de volgorde er volledig is omgekeerd. De toevlucht is een ritueel geworden dat wordt gebruikt als een middel om iets tot stand te brengen. Wat tot stand wordt gebracht is geen bekering, maar een verplichting, die wordt opgevat als een feit, een stand van zaken in de wereld. Het is als een huwelijk of een doop, iets dat een feit creëert dat niet meer genegeerd kan worden. Dit wordt even verderop bevestigd:

‘De bedoeling van het nemen van de toevlucht, van een vluchteling worden, is je gehechtheid aan fundamentele zekerheid op te geven. Wat we moeten opgeven is ons gevoel van een thuishaven te hebben, hetgeen sowieso een illusie is.’
‘The point of becoming a refugee is to give up our attachment to basic security. We have to give up our sense of home ground, which is illusory anyway.’

Blijkbaar wordt het opgeven van zekerheid bewerkstelligd door het ritueel, maar hoe is dit mogelijk? Als die zekerheid alleen maar een illusie is, dan valt er niets op te geven. Om echter in te zien dat de zekerheid een illusie is, is er een bekering nodig, geen verplichting. Het ritueel is bovendien juist bedacht om wel degelijk zekerheid te geven, want volgens de Pāli Canon beschermt het tegen een lagere wedergeboorte. Bovendien is het ontstaan uit de innerlijke overtuiging dat de leer van de Boeddha de juiste is, met andere woorden het is wel degelijk een zekerheid. Hoe kun je anders toevlucht nemen en een verplichting aangaan als je er niet zeker van bent dat het goed is?

De boeddha-app

boeddha app

‘De praktijk van het nemen van toevlucht in de boeddha, de leer en de gemeenschap is meer dan een zaak van doctrine of ritueel: je wordt fysiek geïnfecteerd met de verplichting tot de leer van de Boeddha; het boeddhisme wordt in je systeem geïnstalleerd. Op dat punt gaat de energie, de kracht en de inzegening van fundamentele gezondheid die in de afstamming heeft bestaan gedurende 2500 jaar, in een ononderbroken lijn en beoefening sinds de tijd van de boeddha, je systeem binnen en je wordt eindelijk een volwassen aanhanger van de leer van de boeddha. Op dat moment ben je een levende toekomstige boeddha.’

‘The discipline of taking refuge in the buddha, the dharma, and the sangha is something more than a doctrinal or ritual thing: you are being physically infected with commitment to the buddhadharma; Buddhism is transmitted into your system. At that particular point, the energy, the power, and the blessing of basic sanity that has existed in the lineage for twenty-five hundred years, in an unbroken tradition and discipline from the time of Buddha, enters your system, and you finally become a full-fledged follower of buddhadharma. You are a living future buddha at that point’

Dit is een krasse uitspraak, vooral als ze gedaan wordt door iemand die het boek ‘Cutting through Spiritual Materialism’ heeft geschreven.

Spiritueel materialisme?

Met ‘spiritueel materialisme’ bedoelt Trungpa het verzamelen van religieuze methodes alsof ze een verrijking zijn voor je zelfgevoel, ter meerdere glorie of vermaak.

‘We hebben een antiekwinkel ingericht en iedereen vindt het prachtig, denken we. Maar eigenlijk is het niet veel meer dan een verzameling rotzooi’,

vat Kees Moerbeek het samen in zijn boekbespreking van 15-04-2018 in het Boeddhistisch Dagblad. Op zich is er niets mis met deze terechtwijzing, maar wat Trungpa veroordeelt, is precies wat hij nu zelf aanbiedt als hij het over de toevlucht heeft. Hij zegt namelijk dat dit meer is dan zomaar een ritueel, maar dat het boeddhisme en de verplichting tot boeddhist zijn in je systeem wordt geïnstalleerd. Het wordt dus een bezit of een eigenschap en daarmee iets waarmee je kunt pronken ‘kijk mij eens: ik ben een levende toekomstige boeddha!’ Een soortgelijke opvatting vind je bij veel andere Tibetaanse leraren: er is een rotsvast geloof in de kracht van het ritueel en een minachting voor bekeringen. Deze worden gezien als niet meer dan uitingen van voorbijgaande goede bedoelingen. Het ritueel is in hun overtuiging een kracht, het verandert standen van zaken, het maakt bijvoorbeeld je onderbewuste boeddhistisch. Als Trungpa bovendien nog beweert dat dit een traditie van 2500 jaar oud, dan heeft hij heel wat uit te leggen. Kortom: een groot deel van het boeddhisme zoals het nu wordt beoefend, het Tibetaans boeddhisme inbegrepen, lijdt aan spiritueel materialisme.

Conclusie

The great stupa of Dharmakaya [5]

We hebben gezien dat van dit soort spiritueel materialisme in de Pāli Canon nog weinig te merken is. Het was echter wel het vanzelfsprekende uitgangspunt van de Vedische religie, die al tijdens het leven van de boeddha langzamerhand geheel India aan het veroveren was. Het Vedische offer had de kracht om het universum te veranderen en een goed uitgesproken Vedische mantra had de effectiviteit van een natuurwet.
In de begintijd spotten de boeddhisten met de Vedische metafysica, een bekend discussiepunt was of het Sanskriet eeuwig was of niet. Nee, zeiden de boeddhisten, want een taal is gemaakt, net als een appeltaart en alles wat wordt gemaakt gaat ooit kapot. Ja, zeiden de braḥmanen, want het Sanskriet is de structuur van het universum.

De boeddha zelf lijkt niet onder de indruk te zijn geweest van de braḥmanen met hun hocus pocus. Hij noemde zelfs hun gehechtheid aan rituelen en geloften één van de ketenen (samyojana’s) die een mens aan het wereldse bestaan binden (zie Anguttara Nikāya IV blz. 440, Dīgha Nikāya blz. 419, 697, 713).
Bovendien legde hij er in talloze passages de nadruk op dat bevrijding ontstaat door inzicht. Langzamerhand, door de invloed van de vele tot het boeddhisme bekeerde braḥmanan, is het boeddhisme in India gebraḥmaniseerd, met verbasterde Vedische mantra’s en vermomde Vedische goden en rituelen.

Dit boeddhisme werd naar Tibet en China geëxporteerd als het boeddhisme in optima forma. In het westen heeft men echter dit soort metafysica afgeschaft, weinigen geloven nog in engelen en de gebeden die spontaan werden gedaan in Parijs toen de Notre Dame in brand stond, worden gezien als een uiting van gevoelens en niet als een tovertruc om het vuur te blussen.
Wie in het westen boeddhist wil worden en zijn moet de toverij vergeten en zich behelpen met bekeringen.

Toevlucht en bekering

De toevlucht is de bevestiging van een bekering en bekering speelt een grote rol in vele religies. Het speelt een grote rol in de geschiedenis van het christendom en ook in die van het boeddhisme. Sommigen noemen de westerse cultuur nog steeds ‘joods-christelijk’ en dat komt alleen maar doordat keizer Constantijn het een goed idee vond om zich tot het christendom te bekeren.
Het boeddhisme heeft erg geprofiteerd van de bekering van de machtige keizer Asoka. Zowel christelijke als islamitische en boeddhistische missionarissen zijn ver van huis gegaan om vaak met gevaar voor eigen leven mensen te bekeren. Wat is een bekering eigenlijk?

Pierre Hadot definieert bekering op bladzijde 255 van zijn boek ‘Exercices spirituels et philosophie antique’ als een verandering van gedachten. Laten we de tekening hiernaast als voorbeeld nemen. De werkelijkheid is als de bovenste tekening en we hebben er een idee over hoe ze is. Stel dat we de bovenste figuur zien als de kubus linksonder. Nadat we van gedachten zijn veranderd, zien we de hem als de kubus rechtsonder.
Door deze bekering begrijpen we de figuur op een andere manier, het is daarvoor niet nodig om iets bij te leren. Je moet alleen dat wat je al weet in een ander perspectief zien. Daartoe moet je worden overtuigd, door jezelf of door een ander. Proberen jezelf te overtuigen is een ander woord voor nadenken. Je kunt hier trouwens nog iets van leren: het is heel moeilijk om de bovenste tekening niet als kubus te zien. Als we ernaar kijken voelen we een soort van ongemak, want het lijkt wel of de tekening heen en weer beweegt van de ene kubus naar de andere.
De bovenste kubus is volgens het boeddhisme anicca, vergankelijk, instabiel, net als de gehele werkelijkheid waarin we leven. Deze instabiliteit proberen we met ons oordeel te overwinnen. Bij de vorming van dit oordeel hebben we echter het niet voor het zeggen, het oordeel is dus een niet-zelf, anatta.

Je kunt natuurlijk ook van mening veranderen doordat je iets leert wat je eerst niet wist. Zo zijn bijvoorbeeld een aantal bankdirecteuren door een bezoekje aan de noordpool van mening veranderd over de gevaren van de klimaatcatastrofe. Dit kun je een bekering noemen, maar het is eigenlijk een soort onderwijs. Een echte bekering is als je overtuigd wordt doordat je herinnerd wordt aan feiten die je wel kende maar over het hoofd had gezien.

Het is bijvoorbeeld een bekende praktijk in boeddhistische kloosters om monniken te laten kijken naar een lijk in verschillende stadia van ontbinding. Dat wil niet zeggen dat de kloosters in Thailand en Cambodia vol liggen met lijken, maar er zijn vaak afbeeldingen van op de muur geschilderd. Op deze manier worden de monniken herinnerd aan hun eigen vergankelijkheid. Ze doen geen nieuwe kennis op, dat zou het geval zijn als de afbeeldingen worden gebruikt in een opleiding tot lijkschouwer.

Kisagotami

Kisagotami, dacht dat de boeddha haar gestorven kindje weer tot leven kon wekken[6]

Een heel goed voorbeeld van bekering is het geval van Kisagotami, die dacht dat de boeddha haar gestorven kindje weer tot leven kon wekken. Als de boeddha domweg had gezegd dat dit onmogelijk is, had ze hem misschien niet geloofd. Nu kreeg ze van de boeddha de opdracht om een mosterdzaadje te lenen van een familie waar nog nooit iemand was gestorven.
Doordat ze zo lang met de dood van medemensen werd geconfronteerd, realiseerde ze zich uiteindelijk dat de dood onontkoombaar en onvoorspelbaar is. Dit wist ze natuurlijk wel, maar ze had het zich nog nooit gerealiseerd. Opeens besefte ze dit en was bekeerd: haar perspectief op het leven was veranderd. Bij dit soort bekeringen begrijp je dat je vorige standpunt verkeerd of te beperkt was en je hebt echt het gevoel iets beter te hebben begrepen. Er zijn vele voorbeelden te vinden in de Pāli Canon waar mensen dit ook letterlijk zo zeggen.

Zelfbekering

Er zijn dus twee soorten bekeringen: zij die gebaseerd zijn op opdoen van nieuwe kennis en zij die gebaseerd zijn op nadenken. De eerste soort heeft betrekking op hoe we omgaan met situaties in de wereld, de tweede heeft betrekking op hoe we omgaan met onszelf.

De boeddhistische leer bestaat in wezen uit waarheden die gebaseerd zijn op verandering van perspectief op onszelf. Feitenkennis, zoals bijvoorbeeld de karmaleer, eventuele wedergeboorten, de geboortedatum van de boeddha, het aantal hellen en hemelen, enzovoort, heb je niet nodig om het nirvāṇa te bereiken.
Dit soort kennis kan in bepaalde situaties misschien een hulpmiddel zijn, maar ze is niet echt nodig. De weg naar nirvāṇa is in wezen een ononderbroken serie van zelfbekeringen van het perspectiefveranderingen op het zelf, die eindigt op het punt dat er niets meer te bekeren valt.

Socrates noemde dit het epimeleia heauto, het je bekommeren om jezelf. In het oude Athene waar hij woonde, beschouwde hij zichzelf als de enige die zich hiermee bezig hield.

Bekering is de reden dat vaak wordt gezegd dat samsāra en nirvāṇa hetzelfde zijn, het is namelijk een kwestie van perspectief. Mediteren is een manier om jezelf te bekeren, niet om je ziel te zuiveren of om kracht op te doen, zoals in het hindoeïsme.
Vipassana betekent diep inzicht, het is geen mentale fitness. Het is in de eerste plaats inzicht in de vier kenmerken van de wereld: vergankelijkheid, onbevredigendheid, zelfloosheid en leegte. Het is een kwestie van perspectief, als je het eenmaal te pakken hebt, herken je het bij elke ervaring. Het probleem is alleen dat we zo aan ons dingperspectief zijn gewend dat we steeds terugvallen in het perspectief van blijvendheid, genot, zelfzucht en bestaan.

Inkeer en ommekeer

Hadot merkt op dat er in de antieke Griekse filosofie over twee andere soorten bekeringen wordt gesproken: de epistrophè, die ik gemakshalve ‘inkeer’ zal noemen en de totale verandering van geest, de metanoia, die ik hier de ‘ommekeer’ noem.
De inkeer wordt uitgedrukt in de parabel van de verloren zoon. De ziel is afgedwaald van het rechte pad, komt door zijn ervaringen tot inkeer en vindt zijn oorspronkelijke zuiverheid terug. De bekering in het christendom is een inkeer, want de ziel is geschapen door God, zelfs in Zijn evenbeeld en is dus met een besef van God en een oorspronkelijke zuiverheid geboren. Als de ziel dit inziet, keert zij terug naar het huis van haar Vader en gaat liedjes over Hem zingen in de kerk.

De bekering in het oude boeddhisme is een ommekeer. Kisagotami kreeg door de instructie van de boeddha een perspectief op het leven dat ze nooit eerder had gehad en waarmee ze ook niet geboren was.
In de antieke Griekse filosofie is de filosofie van Plato een voorbeeld van een inkeer en die van de Stoïcijnen een voorbeeld van een ommekeer.

De hoogste tantra

The Tathagatagarbha Sutra[7]

Er heeft zich in de geschiedenis van het boeddhisme echter een ontwikkeling voorgedaan waardoor ook daar een traditie van inkeer is ontstaan.
De braḥmanen waren altijd al opgevoed met inkeer: de kern van je zelf, het ātman, is volgens de upanishaden identiek aan het wezen van het zijn, het braman. De opgave van een braḥmaan is nu dit braman in zichzelf te herkennen. Lukt het hem, dan gaat hij na zijn dood naar de hemel van het braḥman.

Deze opvatting is mogelijk de inspiratie geweest voor de boeddhistische theorie van de tathāghatagarba, die voor het eerst in de derde eeuw werd neergeschreven in de Tathāgatagarbha Sūtra. Deze tekst legt uit dat er in elk wezen een boeddhafoetus aanwezig is, een onveranderlijke kern die onder gunstige voorwaarden een boeddha wordt. De belangrijkste tekst uit deze traditie is de Ratnagotravibhāga, die ook wel Uttaratantraśāstra wordt genoemd (Handboek van de Ultieme Leer, door de Tibetanen vertaald als ‘Gyu Lama’, ‘De hoogste tantra’).

Langzamerhand werd het woord tathāghatagarba geïnterpreteerd als boeddha-baarmoeder of boeddha-matrix (het woord ‘gharba’ heeft beide betekenissen) en vooral in China als boeddhanatuur.
In China werd het begrip ‘boeddhanatuur hebben’ na verloop van tijd opgevat als ‘boeddhanatuur zijn’, waardoor het veel ging lijken op het traditionele Chinese begrip ‘dào’, wat zoiets betekent als de natuurlijke gang van zaken. In het Chinese boeddhisme kun je dus zeggen dat je in wezen al een boeddha bent, maar dat je dat alleen nog even moet leren beseffen. Net zoals in India alles braḥman is, is in het Chinese boeddhisme alles boeddhanatuur.

In het zenboeddhisme is de zazen bedoeld om je boeddhanatuur zich te laten manifesteren, dit is een zaak van inkeer, je probeert boeddha in je op te wekken. In de praktijk van de koan probeert de meester bekeringen, satori’s, teweeg te brengen, die eveneens van binnenuit moeten komen.
Het Chinese boeddhisme en in mindere mate het Tibetaanse, lijkt dus wat type bekering betreft een beetje op het christendom. Het oude boeddhisme lijkt in dat opzicht een beetje op antieke Griekse filosofische tradities als de Stoa.

Als voorbeeld van de inkeer in het Chinese boeddhisme kun je denken aan het verhaal van de gedichtenwedstrijd tussen de zenmeesters Shenxiu en Huineng.
Shenxiu vergelijkt in zijn gedicht de oorspronkelijke geest (de boeddhanatuur) met een spiegel die door meditatie gepoetst moet worden. Huineng maakt grote indruk als hij met zijn gedicht antwoordt dat de oorspronkelijke geest niet vuil kan worden. Hiermee zegt hij met zoveel woorden dat iedereen al boeddha is zonder het te weten.

De ommekeer in het oude boeddhisme komt duidelijk naar voren in de Ariyapariyesanasutta. De boeddha beschrijft daar hoe hij na zijn ontwaken naar het Hertenpark in Sarnath gaat om zijn vroegere metgezellen te vertellen wat hij heeft ontdekt. Als iemand hem dan aanspreekt met ‘vriend Gautama’ antwoordt de boeddha:

‘Monniken spreekt de Voleindigde niet aan met zijn naam en het woord ‘vriend’. De Voleindigde is een heilige, een volledig ontwaakte.’

Majjhima-Nikāya I, blz. 294

De boeddha geeft met andere woorden te kennen dat hij totaal is veranderd.

Een veelvormig boeddhisme

Lotusbloem — foto Joke Koppius

De toevlucht is de bevestiging van een bekering. Bekeringen zijn erg belangrijk bij het proces van verlossing, ook in het boeddhisme. Je kunt bekeringen op verschillende manieren in soorten onder verdelen.
Het onderscheid tussen inkeer en ommekeer is interessant, want het toont aan dat er twee verschillende strategieën zijn om tot verlossing te komen: ontdekking of zuivering. Bij een ommekeer moet je je doel nog bereiken, het ligt in de toekomst. Bij een inkeer heb je je doel al bereikt en moet je het verleden herstellen.
Het onderscheid helpt verlossingsstrategieën beter te begrijpen. Het blijkt dat bij andere verlossingswegen, onder andere in het westen, eenzelfde onderscheid kan worden gemaakt.

Het is overigens niet mijn bedoeling om een soort puur oerboeddhisme terug te vinden en alle ontwikkelingen vervolgens tot vervalsing te verklaren, zoals sommige Duitse en Oostenrijkse professors hebben geprobeerd.
Elke vorm van boeddhisme is op zich compleet. Ook als boeddhisten moeten we leren leven met verschillen. In het Lotussutra wordt gesuggereerd dat er maar één enkel waar boeddhisme is. Ik denk dat we dat zouden moeten relativeren. Toen we in het westen nog dachten dat er maar één waar christendom was, stookten we tot algemene lering en vermaak publiekelijk de ketters op op de Grote Markt.
In het Midden-Oosten doen zich eveneens soortgelijke taferelen voor en dan hebben we het nog niet eens over de ware Chinese ideologie van de Chinese Communistische Partij.

In de geschiedenis van het boeddhisme hebben zich eveneens al eens ernstige conflicten voorgedaan. De wortel van dit soort conflicten is een middeleeuws waarheidsbegrip: er is één en slechts één waarheid en de rest is slecht, bedreigend, ongezond, duivels en ga zo maar door. De boeddha van de beeldjes raakt echter met zijn rechterhand de grond aan, dat betekent dat de leer open source is, er is geen patent op en geen monopolie van.
We moeten misschien wel eens nadenken over de bloatware.

Verschillen zijn belangrijk ze geven ruimte tot ontwikkeling en ze stemmen tot nadenken. Het boeddhisme is net zoals zovele andere dingen een diamant met vele facetten, Het juweel in de lotus.

  • Breet, J. de & Janssen, R. (2001). Dīgha-Nikāya: De verzameling van lange leerredes’. Rotterdam: Asoka.
  • Breet, J. de & Janssen, R. (2004). ‘Majjhima-Nikāya: De verzameling middellange leerredes’. Rotterdam: Asoka.
  • Breet, J. de & Janssen, R. (2009-2013). ‘Samyutta-Nikāya — De verzameling van thematisch geordende leerredes’ I-V. Rotterdam: Asoka.
  • Breet, J. de & Janssen, R. (2019). ‘Anguttara-Nikāya IV: De verzameling van numeriek geordende leerredes’. Brussel: Bodhi Uitgeverij.
  • wikipedia.org/wiki/Huineng
  • wikipedia.org/wiki/Tath%C4%81gatagarbha_s%C5%ABtras
  • Hadot, P. (2002). ‘Exercices spirituels et philosophie antique’ — Albin Michel
  • Plott, J. C. (1974) ‘A philosophy of devotion’. Delhi: Motilal Banarsidas.
  • Trungpa, Ch. (1973).’Cutting through spiritual materialism’. Boulder: Shambala. (de Nederlandse vertaling is uitgegeven door Servire in 1999).
  • Trungpa, Ch. (2010) ‘The heart of the Buddha’. Boulder: Shambala.
  • http://what-buddha-sanet/library/ati_website/html/tipitaka/kn/thig/thig.10.01.than.html
Noten

[1] Bron: de kosmos
[2] Bron: 16th karmapa rangjung rigpe dorje
[3] Bron: Great Buddha Statue Bodh Gaya
[4] Bron: Shvetashvatara Upanishad verse 1.1
[5] Bron: The Great Stupa of Dharmakaya Which Liberates Upon Seeing is located at the Shambhala Mountain Center in Colorado, USA. It was built to inter the ashes of Chogyam Trungpa, who died in 1987.
[6] Bron: Kisagotami
[7] Bron: The Tathagatagarbha Sutra

Erik Hoogcarspel

studeerde hedendaagse continentale filosofie in Groningen, richtte een boeddhistisch meditatiecentrum op en studeerde Aziatische filosofieën en religies. Hij doceerde hindoeïsme aan de Radboud Universiteit te Nijmegen. Tijdens zijn werk als docent en leraar schreef hij studieboeken voor zijn studenten en columns. Hij praktiseert meditatie en taiji quan.