Een bloemlezing van teksten toegeschreven aan Nāgārjuna

0

Erik Hoogcarspel

Nāgārjuna rolschilderij uit de Shingon Hassozō serie (detail)[1]

Dit is een verzameling van fragmenten uit de teksten die door de meeste auteurs aan de boeddhistische filosoof Nāgārjuna worden toegeschreven.
Over het algemeen beschouwt men hem als een aanhanger van de boeddhistische stroming die het ‘mahāyāna’ wordt genoemd.

In China, Japan en Tibet is deze stroming zo ongeveer de enige vorm van boeddhisme.

Westerse auteurs namen in het begin aan dat het boeddhisme met deze stroming volwassen was geworden, omdat men daar de nadruk gaat leggen op ritueel en mededogen. Het gaat met andere woorden dan pas een beetje op het christendom lijken.
Recent onderzoek heeft echter uitgewezen dat het mahāyāna niet eerder dan in de vijfde eeuw in India aan populariteit begon te winnen. Daarvoor was het een min of meer losse verzameling groeperingen die zich elk concentreerden op een of enkele boeddhistische heilige teksten met een vedische metafysica.

Het is opmerkelijk dat er in de teksten die het meest eenduidig aan Nāgārjuna worden toegeschreven, nauwelijks verwijzingen naar het mahāyāna voorkomen. Hij verwijst zelfs niet naar de prajñapāramītā-traditie, waar hij toch door geïnspireerd moet zijn geweest. Blijkbaar was hij weinig gecharmeerd van het in India toen al hevig woedende sektarisme. Wie zijn teksten begrijpt, weet waarom.

Westerse auteurs, zoals Jo Walser, hebben wel geopperd dat het mahāyāna in India in die tijd onderdrukt of vervolgd zou zijn geweest, een duidelijke projectie van de Westerse geschiedenis van de reformatie.
Hier zijn echter geen bewijzen voor te vinden.

Als er een onderdrukking heeft plaatsgevonden, dan is dat eerder in omgekeerde richting geweest. Het bestaande boeddhisme werd door de aanhangers van het mahāyāna het ‘hīnayāna’ genoemd, het ‘miezerige voertuig’, en in sommige teksten wordt gewaarschuwd dat boeddhisten moeten worden ‘beschermd’ om niet af te vallen naar dit oude verdorven boeddhisme.

De waarheidsclaims van het mahāyāna berusten dan ook allemaal op pure retoriek en een bombastische metafysica.

Catuḥstava

Vier lofzangen

Deze bundel bevat vier lofzangen op de Boeddha. Of ze echt door Nāgārjuna zijn geschreven, blijft nog maar de vraag. Er is erg veel aan hem toegeschreven en in India ging men niet erg zorgvuldig om met de feiten. Teksten zijn verloren gegaan, gekopieerd, geplagieerd, gereconstrueerd, enzovoort. Vaak werd de auteur ook in de tekst niet genoemd, er bestonden geen auteursrechten. Sommige schrijvers gebruikten de naam van een beroemd voorbeeld uit het verleden als pseudoniem.

Er zijn dus veel redenen om voorzichtig te zijn met het toekennen van auteurschap.
Vaak gebruikt men daarvoor inhoudelijke criteria, Lindtner doet dat ook, maar imitatie is nooit uitgesloten, zeker niet in het geval van Nāgārjuna. Bovendien is het ook mogelijk dat iemand in de loop van zijn leven tot andere inzichten komt en zijn manier van schrijven verandert.

Het komt er dus op neer dat je moet kiezen tussen een historische of een inhoudelijke identiteit. Inhoudelijk kun je in het tweede geval spreken van een bepaalde filosofische stellingname, van een stem, waarbij je in het midden laat wie de historische auteur is. Van de historische persoon Nāgārjuna weten we echter te weinig om er met zekerheid teksten aan toe te schrijven.

Hier volgen fragmenten van twee van de vier lofzangen, die door Christian Lindtner als authentiek zijn aangewezen. Ik heb de door Lindtner gepresenteerde Sanskriet versie vertaald. Opmerkelijk is dat in de tweede lofzang het woord ‘mahāyāna’ valt.

I. Lokātītastava

Lofzang op hij die de wereld transcendeert

  1. Ere zij u die de wereld transcendeert, die weet heeft van het inzicht van de eenzaamheid. Voor lange tijd heeft u zich uit mededogen ingespannen voor het welzijn van de mensen.
  2. Grote wijze, U weet dat er geen wezen bestaat buiten de persoonscomponenten en toch heeft u zich grote moeite getroost voor het welzijn van de wezens.
  3. Wijze, U heeft echter aan de wijzen uitgelegd dat persoonscomponenten een illusie zijn, een luchtspiegeling, een luchtkasteel en droombeelden.
  4. Dat waarvan het ontstaan geen oorzaak nodig heeft, bestaat niet. Hoe kan dan niet duidelijk zijn dat ze volgens u niet meer dan weerspiegelingen zijn?
  5. De metafysische elementen zijn onzichtbaar, hoe kan dan er zichtbaarheid uit ontstaan? Zo heeft U over de vormen gesproken en wijst het geloof erin af.

III. Acintyastava

Lofzang op de Ondoorgrondelijke

  1. Ik buig voor de weergaloze Ondoorgrondelijke wiens inzicht ongeëvenaard is, die heeft onderwezen dat dingen die correlatief zijn ontstaan niet op zichzelf bestaan.
  2. Nadat u in het mahāyāna zelf heeft begrepen dat de fenomenen geen essentie hebben, heeft u dit uit gevoel van mededogen aan de wijzen uitgelegd.
  3. U heeft gezegd dat niet is ontstaan wat door omstandigheden is ontstaan. U heeft verklaard dat wat niet door zijn eigen natuur is ontstaan, daarom leeg is.
  4. Net zoals een echo in de wereld ontstaat afhankelijk van een geluid, zo is ook het ontstaan van het leven als een illusie en een luchtspiegeling.
  5. Omdat illusies, luchtspiegelingen, luchtkastelen en bespiegelingen net zoals dromen niet zijn ontstaan, kunnen ze niet echt worden waargenomen.

Vaidalyaprakaraṇa

Het Verpletteren van de Categorieën

Nagarjuna met slangen rond het hoofd en naga’s die uit het water oprijzen[2]

Deze tekst bestaat alleen in het Tibetaans. Het is gericht aan debaters en logici. Het bekritiseert de 16 hoofdonderwerpen van de logische theorie, zoals die was geformuleerd in de Nyāyaschool van logici, zoals vastgelegd omstreeks 400 v.j. in de Ny­ayasūtras.
De theorie werd echter ook door andere filosofen in debatten en discussies toegepast.

Er is nog steeds discussie over de authenticiteit van de tekst. Ervoor pleit dat het door enkele vroege commentatoren aan Nāgārjuna wordt toegeschreven. Aan de andere kant menen sommige boeddhologen verwijzingen te herkennen die in de tijd van Nāgārjuna geen betekenis hadden of in strijd zijn met andere teksten van Nāgārjuna. Als de tekst authentiek is, dan is het mogelijk dat het één van de eerste teksten is van Nāgārjuna.

Hier is geen enkele aanwijzing voor, het is alleen denkbaar dat Nāgārjuna zijn kritiek op het zelfstandig bestaan van de dingen eerst heeft gericht op een zienswijze die radicaal tegengesteld is aan die van het boeddhisme.
Er wordt over het algemeen aangenomen dat hij een vedische priesteropleiding heeft gevolgd voor hij zich tot het boeddhisme bekeerde. Het zou kunnen zijn dat hij vervolgens de ontologische tegenstelling zag: de brahmanen veronderstelden dat elk woord verwijst naar iets dat bestaat en de Boeddha verwerpt elke ontologische veronderstelling en distantieert zich van elke uitspraak over bestaan en niet bestaan.
Later zou Nāgārjuna dan hebben opgemerkt dat de invloed van de vedische logica ook was doorgedrongen in de boeddhistische abhidharma, de systematiseringen van de leerredes van de Boeddha. Deze bekritiseert hij in zijn latere teksten.

De ontologie van de logici wordt onder andere vastgelegd in de vedische logica, waarvan de Nyāyasūtra uit de vierde eeuw v.j. de eerste tekst is die we kennen.
In het eerste vers van deze tekst worden 16 logische categorieën genoemd en het is met name hierop dat Nāgārjuna zijn kritiek richt. De tekst heeft weinig aandacht gekregen omdat ze gaat over logica en zelfs een soort die buiten India niet erg bekend was of zelfs maar serieus werd genomen.

  1. Ik ga nu het Verpletteren van de Categorieën uiteenzetten om een einde te maken aan de arrogantie van de logici vanwege hun trots op hun redeneerkunst.
  2. Het kenmiddel en het kenobject zijn aan elkaar gerelateerd.

Volgens Nyayasutra, 1.1.1 vormen de 16 categorieën het middel om volmaaktheid te bereiken, als je maar de juiste aard ervan begrijpt.
Het zijn:

  1. kenmiddelen (pramāṇa);
  2. kenobjecten (prameya);
  3. twijfel (samsaya);
  4. doel (prayojana);
  5. voorbeeld (dṛṣṭānta);
  6. bewijs (siddhānta);
  7. delen van gevolgtrekking (avayava);
  8. redenering (tarka);
  9. vaststelling van resultaat (nirṇaya);
  10. discussie (vāda);
  11. retoriek (jalpa);
  12. zeuren (vitaṇḍa);
  13. redeneerfouten (hetvābhāsa);
  14. haarkloverijen (chala);
  15. dooddoeners (jāti);
  16. manieren om een discussie te verliezen (nigrahasthāna).

Nāgārjuna begint dus met de vaststelling dat kenmiddelen niet los staan van de objecten die deze kenmiddelen voortbrengen, dus van de soort kennis.
Het is in de Indiase filosofie gebruikelijk om aan te geven wat je als geldige kennis beschouwt. Bijna elke filosofische stroming erkent dat geldige kennis het product is van gevolgtrekking en waarneming, maar sommigen erkennen ook kennis uit de traditie, door openbaring, door helderziendheid, enzovoorts.

De eerste tien sutra’s van de Nyayasutra in het Sanskriet[3]

Wil een discussie over waarheid zinvol zijn dan moeten beide partijen eerst afspreken dat ze zich op dezelfde soort kennis baseren. Je kunt bijvoorbeeld van een boeddhist niet verwachten dat hij de Veda’s als bron van juiste kennis aanvaardt.
Als je nu zegt dat elk woord verwijst naar een bestaand ding, dan moeten aparte woorden op aparte dingen slaan, maar dat is in dit geval dus niet zo. Wat kenmiddel is en wat object hangt af van de situatie.
Wie last heeft van zijn ogen gebruikt deze als kenmiddel om de weg te vinden naar de oogarts, maar bij de oogarts worden de ogen het kenobject. De woorden ‘oogarts’ en ‘ogen’ geven elkaar een bepaalde betekenis, waardoor de situatie wordt bepaald. Als er geen ogen bestaan is er geen oogarts. Als er niets te zien valt, zijn er geen ogen. De situatie hangt af van het gedrag en de opvattingen van de maatschappij en de betrokkenen.

Je kunt dus niet volhouden dat de woorden ‘kenmiddel’ en ‘kenobject’ verwijzen naar op zichzelf bestaande dingen.

  • 3. Daarom bestaan ze niet op zichzelf.
  • 4. Bovendien is het zo dat dingen die wel of niet bestaan, of beide, dit uit zichzelf doen.
    Kunnen de dingen dan niet op zichzelf bestaan als wederzijds afhankelijke dingen? Volgens de ontologie van de Nyāya-filosofie bestaat alles op zich.
    Een vaas bestaat dus op zich, los van het glas of keramiek waarvan hij is gemaakt. Als je bestaan zo opvat, dan is iets dat bestaat daarvoor per definitie niet van iets anders afhankelijk. Als de vaas is gebroken, bestaat hij dus op zichzelf niet meer. Dan kan hij ook niet afhankelijk van iets zijn, want hij heeft niets nodig om niet te bestaan. Zelfs een vaas die wordt gemaakt, is volgens deze opvatting als ding op zich aan het ontstaan. Bovendien gelden dan beide bezwaren van bestaan en niet bestaan tegelijk.
    Je kunt hierbij ook denken aan het voorbeeld van een schaduw. Een schaduw verdwijnt niet, hij gaat nergens naartoe als het licht aangaat. Er wordt weleens gezegd dat de schaduw dan weg is (volgens de Nyāya-filosofie), maar eigenlijk zou je dan moeten zeggen dat er geen schaduw meer is. Dit geeft aan dat de schaduw een soort illusie is, een effect van de omstandigheden.
    De tegenstander protesteert door te verwijzen naar metingen. Als er geen weegschalen bestaan, hebben de dingen geen bepaald gewicht. Zonder kenmiddel hebben we geen idee van het kenobject.
  • 5. Dat is niet waar, want als dat zo zou zijn, zou er een oneindige teruggang ontstaan.
    We zouden namelijk weer andere kenmiddelen nodig hebben om de kenmiddelen die we op het oog hebben te kennen. Het bestaan van die andere kenmiddelen kunnen we dan alleen weten door weer andere kenmiddelen en ga zo maar door. Zonder kenmiddelen is er geen kentheorie mogelijk, dus wordt het bestaan van kenobjecten een raadsel.
    Wat is dan het verschil tussen kenmiddelen en kenobjecten, maakt dat de ene iets anders is dan de andere?
  • 6. Kenmiddelen worden niet gekend door andere kenmiddelen, [maar door zichzelf,]net als licht dat zichzelf samen met de dingen verlicht.
    Door kenmiddelen krijg je kennis. Eerst weet je niet wat er voor je staat, je doet je ogen open en je opeens weet je het.
    Het is alsof je in een donkere kamer staat. Eerst zie je niets, maar dan doe je het licht aan. Je ziet het licht en alles wat er in de kamer staat. Het licht verjaagt de duisternis.
  • 7. Het licht verlicht geen dingen, of het nu wel of niet in contact komt met de duisternis.
    Het licht kan de duisternis nooit bereiken, want waar licht is, is er geen duisternis. Hoe kan het dan de duisternis verjagen? Als het geen contact heeft met de duisternis, kan het niets verlichten. Het is als een zwaard waarmee je iemand in een andere kamer steekt.
    We moeten hier niet vergeten dat Nāgārjuna niet wil ontkennen dat we dingen zien als we het licht aan doen. Hij wil alleen laten zien dat dit zien van de dingen niet iets is dat apart van het licht bestaat en dat het licht niet iets is dat apart van het zien van de dingen bestaat.
  • 8. Als dan wordt gezegd “Het is net als met de kwade invloed van Rāhu”, dan is dat ook niet waar, omdat dit voorbeeld ongeldig is.
    Rāhu is in de vedische mythologie een zwart hemellichaam dat af en toe, bij een zonsverduistering, de zon opslokt. Deze planeet straalt ook onheil uit naar de mensen. Hierdoor is Rāhu wel een voorbeeld van werking op afstand. Zou het licht op deze manier ook niet de duisternis kunnen verjagen?
    Het probleem is dan wel dat het onheil van Rāhu alleen door de lichamen van de mensen kan worden opgevangen. Duisternis heeft geen lichaam. Als licht op afstand werkt, zou je bovendien door het licht in de kelder aan te doen alle duisternis op de hele wereld verjagen.

Mūlamadhyamakakārikāḥ

Nagarjuna met dertig van de vierentachtig Mahasiddhas[4]

Deze tekst is het paspoort van Nāgārjuna, ze drukt de kern van zijn filosofie uit. Wat hier niet mee overeenkomt is dus niet zijn stem, het is dan niet door hem geschreven, althans niet vanuit de levenshouding die hij in deze periode had.

Het is geen gemakkelijke tekst en veel vertalers hebben zich er al in verslikt. Dit komt vooral doordat de filosofie van Nāgārjuna voorbij het denken in woorden en dingen gaat.
Er wordt verschillende keren gezegd in de Pali-canon dat de leer van de Boeddha niet gaat over bestaan en niet bestaan. Je kunt van het nirvāņa dus niet zeggen dat het bestaat of niet.
Het staat als het ware haaks op alles waarvan je dat wel kunt zeggen. Dat is wel even wennen, want er is geen logica die daarop van toepassing is, het is het niveau van de fenomenen, de ‘dharmadahtu’.

Vergelijk het met een vlieg op een tv-scherm. De vlieg staat los van de beelden op het scherm, hij gaat niet weg als je een andere zender opzet. Hij bestond eerst eigenlijk niet voor de kijker. Deze is geobsedeerd door het scherm en probeert nog onbewust de vlieg niet te zien en de beelden te volgen, maar dat lukt niet helemaal. Zonet was hij even vergeten wat er zich in de kamer waar het scherm zich bevindt afspeelt, maar de vlieg heft dit in één keer op.

De verhouding tussen de vlieg en de beelden op het scherm illustreert dus de verhouding tussen aan de ene kant het ontische en het ontologische niveau en aan de andere het transcendentale niveau. Het ontische bestaat uit de relatie tussen de dingen onderling, het ontologische uit de relatie tussen de dingen en de wereld.

Op het transcendentale niveau is er echter geen sprake meer van dingen, alleen van fenomenen, en dus ook niet meer van zijn of niet zijn. Het nirvāņa is bewustzijn van het transcendentale niveau, dus Nāgārjuna moet aantonen dat er met betrekking tot het nirvāņa geen sprake meer kan zijn van zijn of niet zijn.
Wie denkt dat het nirvāņa zelf een ding is, denkt ook dat het op een of andere manier samen met andere dingen bestaat. Als alles leeg is, zijn er geen dingen en kan het nirvāņa niet bestaan. Nāgārjuna antwoordt eerst dat het nirvāņa ook niet als ding gedacht kan worden, want dingen bestaan op zichzelf. Het nirvāņa zou dan apart moeten bestaan van degene die het bereikt. Als het bereiken van het nirvāņa op het niveau van de dingen zou plaatsvinden, zouden er oorzaken voor moeten bestaan. Dan zou je misschien een pilletje ervoor kunnen uitvinden, of een methode, of een applicatie.
Je kunt het nirvāņa niet als ding denken, het is niet afhankelijk van dingen, maar vrijheid daarvan.

Hoofdstuk 25

Over het nirvāņa

  1. Bezwaar: Als dit alles leeg is, dan is er geen ontstaan of vergaan. Van wie denk je dan dat het nirvāņa is, dat na het opgeven en opheffen komt?
  2. Antwoord: Als dit alles niet leeg is, dan is er geen ontstaan of vergaan. Van wie denk je dan dat het nirvāņa is, dat na het opgeven en opheffen komt?
  3. Van het nirvāņa wordt gezegd dat het niet wordt verloren of gewonnen, niet eindig en niet eeuwig is, niet vergankelijk en niet ontstaan.
  4. Zolang iets geen nirvāņa bereikt, wordt het gekenmerkt door veroudering en dood, anders zou er iets zonder veroudering en dood moeten bestaan.
  5. Als iets wel het nirvāņa heeft bereikt, moet dit veroorzaakt zijn. Er kan immers nooit en nergens iets bestaan dat niet veroorzaakt is.
  6. Als het nirvāņa echter iets is, hoe kan het dan niet ontstaan zijn? Een nirvāņa dat niet ontstaan is, is dan immers onmogelijk.
  7. Als het nirvāņa niet iets is, hoe kan het dan als niet iets bestaan? Iets kan niet niet iets zijn.
  8. Als het nirvāņa echter niet iets is, hoe kan het dan niet ontstaan zijn? Een nirvāņa dat niet iets is en niet ontstaan, is immers onmogelijk.
  9. Dat wat afhankelijk ontstaat, verkeert in de toestand van rusteloos rondgaan. Als het niet afhankelijk ontstaat wordt dit het nirvāņa genoemd.
  10. De leraar heeft echter gezegd dat het nirvāņa vrij zijn is van ontstaan en vergaan, daarom is het onzin als men zegt dat het iets is of niet iets.

Śūnyatāsaptati (Zeventig verzen over de leegte)

Nagarjuna-standbeeld in Kalmykia[5]

De tekst bestaat uit 73 verzen en bevat ook een commentaar van de auteur. Men beschouwt het vaak als een aanhangsel van de Mūlamadhyamakakārikāḥ.
Lindtner geeft alleen het Tibetaans weer en vertaalt dit. Ik heb zijn vertaling vergeleken met de vertaling van Ross Komito.

  1. Hoewel de boeddha’s hebben gesproken van duur, ontstaan en vergaan, zijn en niet zijn, laag, middel en buitengewoon deden ze dit vanwege de wereldse conventies. Ze bedoelden dit niet in ontologische zin.
  2. Verwijzingen hebben geen betekenis omdat zelf, niet zelf of beide niet bestaan. Alle dingen die kunnen worden uitgedrukt, zoals het nirvāņa, bestaan op zich niet.
  3. Alle dingen zijn leeg, want in hun oorzaken of omstandigheden bestaan ze op zich helemaal niet, niet samen en niet elk apart.
  4. Wat er al is, ontstaat niet want het is er al. Wat er nog niet is, ontstaat niet want het is er nog niet. Beide ontstaan ook niet tegelijk omdat ze elkaar in de weg zitten. Daarom hebben ze geen duur en verdwijnen ze ook niet.
  5. Dat wat al ontstaan is, kan niet nog eens ontstaan. Dat wat nog niet ontstaan is, kan ook niet ontstaan. Dat wat echter aan het ontstaan is, kan ook niet ontstaan, want het zou voor een deel al ontstaan zou moeten zijn en voor een deel niet.
  6. Een oorzaak heeft een gevolg als er al een gevolg bestaat (toekomst). Toen er echter nog geen gevolg was, kon een oorzaak geen oorzaak zijn geweest (verleden). Het is logisch noodzakelijk dat een gevolg ofwel bestaat ofwel niet bestaat (heden), daarom is het bestaan van een oorzaak zowel in het heden, in het verleden als in de toekomst onberedeneerbaar.
  7. Van iets kunnen er niet veel exemplaren zijn als er niet minstens een van is. Wil er ergens een enkel exemplaar van zijn, dan moeten er ergens ook meerdere van zijn. Daarom zijn de dingen correlatief ten opzichte van elkaar ontstaan en ongrijpbaar.
  8. De 12 ketens van het afhankelijk ontstaan hebben lijden als gevolg, maar dat ontstaat niet. Het kan niet bestaan in een enkel bewustzijnsmoment en ook niet in vele achter elkaar.
  9. Er is niets dat eeuwig bestaat en ook niets dat niet eeuwig bestaat. Er is geen zelf en geen niet zelf. Er is niets dat zuiver is of onzuiver. Er is geen geluk en geen leed. Daarom bestaan er geen verkeerde zienswijzen.
  10. Zonder dit is er geen onwetendheid mogelijk, want die zou op verkeerde zienswijzen gebaseerd moeten zijn. Zonder onwetendheid ontstaan er geen disposities en ook niet de andere ketens.

Vigrahavyāvartanī

Het weerleggen van de bezwaren

Dit is een serie antwoorden van Nāgārjuna op tegenwerpingen die in discussies over zijn teksten ontstonden. Het is vertaald door Jan Westerhoff en K. Bhattacharya.

De eerste tegenwerping gaat over het zogenaamde existentiële aspect van de discussie. De tegenstander verwijst naar de discussie zelf. Hoe kun je zeggen dat alles leeg is in een gesprek dat echt plaatsvindt? We zitten hier toch tegenover elkaar en wisselen argumenten uit, die bestaat toch echt, wij bestaan toch echt? Als dat niet zo is, waar hebben we het dan over? Als de woorden leeg zijn dan kunnen ze niets weerleggen. Als ze niet leeg zijn verwijzen ze naar niet lege argumenten. Je kunt echter niet ontkennen dat ze worden uitgesproken, want we horen ze. Als je dat ontkent, dan hebben we niets meer om over te praten.

  1. Bezwaar: Als er geen enkel ding op zichzelf bestaat, dan bestaan uw woorden niet op zichzelf en kunnen ze dus het op zichzelf bestaan ook niet weerleggen.
  2. Als deze woorden echter wel op zichzelf zouden bestaan, dan zou uw bewering zijn weerlegd. Er zou een redeneerfout zijn en de argumenten zouden niet slaan op wat wordt bedoeld.
  3. Volgens uw opvatting zou u niets hebben gezegd en dat kan niet, want dan zou u door iets te zeggen ontkennen dat u iets heeft gezegd.
  4. Als U dit een ontkenning van een ontkenning zou noemen, dan is dat zelfs niet het geval en uw bewering zou dan ongeldig worden en niet de mijne.
  5. Als u immers ontkent dat de dingen die u waarneemt bestaan, dan bestaat de waarneming waarmee u de dingen waarneemt ook niet.

Nāgārjuna hoort de bezwaren geduldig aan en komt vervolgens met zijn verweer. De leegte is geen ontische maar een ontologische ontkenning. Het betekent niet dat de woorden niet bestaan, maar dat ze niet op zichzelf bestaan. Als je alle elementen van de discussie apart onderzoekt, zul je geen argumenten vinden. Die ontstaan pas uit het verband tussen de woorden en de zinnen. Een ontkenning van een ontkenning van het op zichzelf bestaan van iets, betekent helemaal geen bevestiging van het op zichzelf bestaan van iets. Als je twee hologrammen of geestverschijningen laat vechten, vloeit er geen echt bloed. Je kunt ook niet zeggen dat de leer van de leegte niet slaat op echte uitgesproken woorden, want woorden en argumenten zijn van elkaar afhankelijk, ze bestaan niet op zichzelf. Alleen door iets te zeggen weerleg je geen uitspraak, dat gebeurt door de betekenis van wat je zegt.

  1. De leegte van mijn woorden is bewezen door het feit dat ze geen deel uitmaken van de combinatie van omstandigheden en oorzaken van ons gesprek, want de dingen bestaan niet op zichzelf.
  2. De onderlinge afhankelijkheid van de dingen wordt leegte genoemd, iets wat afhankelijk van iets anders bestaat, bestaat niet op zichzelf.
  3. Een ontkenning van een ontkenning zou zoiets zijn als het tegenhouden van een hologram door een hologram of van een illusoire mens door een illusie die hij zelf heeft voortgebracht.
  4. Omdat deze woorden niet op zichzelf bestaan, weerleggen ze mijn standpunt niet, er is geen redeneerfout aan te wijzen en geen miskenning van wat wordt bedoeld.
  5. Het is geen tegenargument als u inbrengt dat ik zou beweren dat ik niets heb gezegd, want de weerlegging van deze woorden vindt zo niet door woorden plaats.

Yuktiṣaṣṭikākārikāḥ

60 verzen met argumenten

Deze tekst wordt vaak geciteerd en aan Nāgārjuna toegeschreven. Het bestaat niet meer in het Sanskriet, maar wel in het Tibetaans en het Chinees. Het is in het Engels vertaald door Lindtner en door F. Tola and C. Dragonetti.
Centraal staat hier het feit dat het ding-begrip zelf op ontisch niveau tegenstrijdig is. Aan de ene kant bestaan dingen op zichzelf, maar aan de andere kant worden ze geacht door andere dingen te ontstaan en weer te vergaan. In dat opzicht zijn de dingen net als schaduwen, die ook ontstaan en vergaan al naar gelang de omstandigheden. Je zegt alleen van een schaduw niet dat hij vergaat of sterft. Wie de overeenkomst tussen dingen en schaduwen niet begrijpt, denkt dat de dingen op zichzelf bestaan op niet bestaan.

Ik eer de Boeddha die het correlatief ontstaan heeft verkondigd, het principe waardoor ontstaan en vergaan zijn opgeheven.

  1. Zij van wie het denken nergens aan gehecht is en bestaan en niet bestaan van de dingen achter zich hebben gelaten, begrijpen de diepzinnige betekenis van het begrip ‘ontstaansvoorwaarde’.
  2. Om te beginnen moet men het niet bestaan van de dingen afwijzen, dit is de bron van alle vergissingen. Vervolgens is hier een argument waardoor het bestaan ervan ook wordt afgewezen.
  3. Als de dingen namelijk echt zouden bestaan zoals de dwazen zich verbeelden, waarom ontkennen ze dan dat verlossing bestaat uit niet bestaan?
  4. Men wordt niet van de dingen bevrijd door te geloven dat ze bestaan, men komt hun bestaan ook niet te boven door te geloven dat ze niet bestaan. De wijzen zijn bevrijd door diepgaande inzicht in bestaan en niet bestaan.
  5. Zij die de werkelijkheid niet begrijpen, denken dat samsāra en nirvāņa bestaande dingen zijn, zij die de werkelijkheid begrijpen weten wel beter.
  6. Het nirvāņa en dingen bestaan niet op zichzelf, want het nirvāņa wordt juist een diepgaande inzicht in het bestaan genoemd.
  7. Mensen stellen zich voor dat vergaan zijn de eigenschap is van een ding dat is verdwenen, de wijzen echter weten dat verdwijnen van iets dat gevormd is, een illusie is.
  8. Voor wie die goed begrijpt dat iets een samenstelling is, is het vanzelfsprekend dat het niet vergaan is. hoewel het verdwenen lijkt te zijn. Hoe kun je dan zeggen dat het er niet meer is?

Vyavahārasiddhi

Bewijs van de conventie

Nagarjuna (midden) en Aryadeva als twee grote Indiase boeddhistische scholastici[6]

Van deze tekst zijn slechts zes verzen bewaard gebleven doordat ze werden geciteerd door Kamalaśīla (740–795). Het staat niet vast of deze tekst authentiek is.

  1. Een enkele lettergreep is geen spreuk, meerdere lettergrepen zijn ook geen spreuk. De spreuk bestaat afhankelijk van lettergrepen die geen functie hebben. Je kunt daarom niet zeggen of de spreuk bestaat of niet.
  2. Een geneesmiddel bestaat ook niet los van de ingrediënten. Het bestaat als een denkbeeldige olifant, niet hetzelfde als de ingrediënten maar er ook niet verschillend van.
  3. Het bestaat correlatief. Wie zou kunnen volhouden dat het bestaat of niet? In feite bestaat het oogbesef op dezelfde manier, omdat het gebaseerd is op een oog en een vorm.
  4. De persoon verschijnt uit het leven door projectie vanwege de kracht van karma en drijfveren, vorm verschijnt op dezelfde manier. Wie kan dan nog volhouden dat er zoiets is als bestaan en niet bestaan?
  5. Dit geldt ook voor alle schakels van het wiel van het bestaan, dit zijn conventionele aanduidingen. Met andere woorden alle fenomenen zoals het uitdoven enzovoorts worden alleen genoemd met een specifieke bedoeling.
  6. Net zoals het ene ding een spreuk lijkt en het andere een geneesmiddel zonder dat ze dit zijn, worden alle fenomenen gezegd afhankelijk te zijn. Geen van beide kunnen bewezen worden te bestaan.

Bodhicittavivaraṇa

De uiteenzetting van bodhicitta (de mentaliteit van het ontwaken).

Deze tekst wordt door de oudste commentatoren van Nāgārjuna niet genoemd. De tekst onderscheidt zich van andere teksten door een nogal felle kritiek op de vijñānavāda, de stroming die aanneemt dat de werkelijkheid die we ervaren gebaseerd is op de manier waarop we die kennen, maar die de leegte ontkent.

Nagarjuna en Agastya[7]

Het onderwerp, de ambitie om alle levende wezens tot verlossing te brengen, is ook typisch voor het mahāyāna, dat zoals al vermeldt in andere teksten niet aan de orde komt. Voor hen die Nāgārjuna beschouwen als een voorvechter van het mahāyāna is dit dus een geschenk uit de hemel. Het wordt vaak ook toegeschreven aan een andere Nāgārjuna, die een commentaar schreef op de Guhyasamājatantra (achtste eeuw). De tekst lijkt in India dan ook pas in de tiende eeuw bekend te zijn geworden. Niettemin denkt Lindtner dat de tekst wel authentiek is.

Er staat geschreven:

“Onze eigen geest is in wezen leeg, want alle fenomenen zijn van het begin af aan nooit ontstaan omdat ze niet van elkaar verschillen en niet op zich bestaan, Ze is leeg is van alle zijnden, van de persoonscomponenten, de elementen, de zintuigvelden en van object en subject.”

Ik zal de gerichtheid op het alomvattend ontwaken (mahābodhicitta) voortbrengen totdat ik het wezen van het ontwaken heb bereikt, net zoals de Boeddha’s, de Verhevenen en de grote Bodhisattva’s dit ook hebben gedaan. Ik wil de levende wezens die niet gered zijn redden, die niet bevrijd zijn bevrijden, die niet getroost worden troosten en gemoedsrust brengen bij hen die geen gemoedsrust hebben. Nadat een bodhisattva door middel van spreuken de weg heeft afgelegd en zo de mentaliteit van het ontwaken heeft voortgebracht, moet hij door middel van de ontwikkeling van meditatie de absolute mentaliteit van het ontwaken bereiken. Deze heeft in zijn relatieve respect de aard van een streven. Hiervan zal ik de aard uiteenzetten.

  1. Na een buiging gemaakt te hebben voor de glorieuze Vajrasattvas die de mentaliteit van het ontwaken belichamen, zal ik uitleggen hoe je moet oefenen voor de mentaliteit van het ontwaken die einde maakt aan het wereldse bestaan.
  2. Volgens de boeddha’s ontstaat de ambitie van het ontwaken niet in een bewustzijn dat zich verbeeldt een zelf te zijn, persoonscomponenten te hebben, enzovoorts. Het wordt altijd gekenmerkt door leegte.
  3. Zij wiens geest vervuld is van mededogen moeten de ambitie van het ontwaken door een specifieke inspanning ontwikkelen. De Boeddha’s vol mededogen ontwikkelen de ambitie van het ontwaken voortdurend.
  4. Logisch onderzoek laat zien dat het ik dat niet-boeddhisten zich voorstellen zich na niet in een van de vijf persoonscomponenten bevindt.
  5. Als het gelijk zou zijn aan de persoonscomponenten zou het vergankelijk zijn, maar het ik is in wezen niet zo. Dat wat vergankelijk is kan niet iets in zich hebben dat eeuwig bestaat.

Hoe kan iemand die handelt eeuwig bestaan als er niets is dat we een ik kunnen noemen? Als er subject zou bestaan, zou je moeten beginnen met de verschijning daarvan in de wereld te onderzoeken.

Bodhisaṃbhāra

De verzamelingen voor het ontwaken

Deze tekst bestaat alleen nog maar in het Chinees. Lindtner geeft er een vertaling van.
Er is ook een vertaling uit het Chinees met commentaar van Bhikshu Vaśitva (ca. 400).

Het onderwerp is de verzameling van verdienste en wijsheid waardoor een bodhisattva, iemand met de ambitie om boeddha te worden, uiteindelijk boeddha wordt. Het is vrij gelovig en metafysisch van toon. De benodigde hoeveelheid verdienste is gigantisch.

De zwakkelingen gaan over tot het theravāda boeddhisme of worden pratyekaboeddha, een boeddha die geen onderricht geeft.
De betere mensen nemen het pad van het mahāyāna.

Dit is het gebruikelijke mahāyāna-riedeltje dat we juist niet aantreffen in de teksten die zo kenmerkend zijn voor het werk van Nāgārjuna. Het komt wel in grote lijnen overeen met het derde hoofdstuk van de Ratnāvalī.

Ratnāvalī

De Juwelenketting

Nāgārjuna in Schotland[8]

Het is nog steeds niet zeker of Nāgārjuna hiervan wel de auteur is. De eerste keer dat hij als auteur wordt aangewezen is in een tekst uit de 6e eeuw. De meeste boeddhologen vinden het een homogene tekst, die door een enkele auteur is geschreven.

Ik kan het daar niet mee eens zijn, omdat ik verschillende stemmen meen te herkennen. Bovendien suggereert de titel dat het een soort bloemlezing is bestaande uit stukjes van verschillende auteurs.

Pratītyasamutpādahṛdayakārikā

De verzen over het wezen van correlatief ontstaan

Deze tekst is een commentaar op het model van de 12 schakels van het wiel van het afhankelijk ontstaan. Nāgārjuna adopteert hier schema’s uit de abhidharma en yogācārabronnen om de 12 schakels te reduceren tot het principe van het correlatief ontstaan.
De stijl van redeneren verschilt hier nogal van de kenmerkende stijl van Nāgārjuna.

Sūtrasamuccaya

Bloemlezing van klassieke teksten

Deze tekst is volgens Lindtner waarschijnlijk van Nāgārjuna, maar Alex Wayman acht dit onmogelijk omdat de later geschreven Lankavatāra-sutra er verschillende keren wordt geciteerd.

Suhṛllekha

Brief aan een vriend

Als deze tekst door Nāgārjuna is geschreven, dan is hij wel in een hele andere stemming geweest en schreef hij met een heel andere bedoeling. Het is geen filosofische tekst, maar meer een soort korte handleiding van hoe je een nette oppassende boeddhist kunt worden, dus een boeddhistisch catechismus.
De filosofische leerstellingen en de madhyamakafilosofie zijn er volledig afwezig.

  • Bhattacharya, K. (1978) The Dialectical Method of Nagarjuna. New Delhi: Motilal Banarsidass.
  • Bogin, Benjamin and Quintman, Andrew (2014, ed.) Himalayan Passages. Somerville: Wisdom Publications.
  • Dharmamitra, Bhikshu (2009, vert.) The Bodhisabhāra Treatise and Commentary. Seattle: Kalavinka Press.
  • Hoogcarspel, Erik (2005) Grondregels van de filosofie van het midden. Amsterdam: Olive Press.
  • Lindtner, Christian (1982) Nagarjuniana, Studies in the Writings and Philosophy of Nagarjuna. Copenhagen: Akademisk Forlag.
  • Ross, Komito (1987) Nāgārjuna’s Seventy Stanzas: A Buddhist Psychology of Emptiness. Ithaca, New York: Snow Lion Publications.
  • Siderits, Mark and Katsura, Shōryū: Nāgārjuna’s Middle Way. Somerville: Wisdom Publications.
  • Tola, Fernando and Dragonetti, Carmen (1983) The Yuktisastikakarika of Nagarjuna, in: The Journal of the International Association of Buddhist Studies, 1983 volume 6, Number 2, pp. 94 ff.
  • Tola, Fernando and Dragonetti, Carmen (1995) Vaidalyaprakaraa (Buddhist Tradition). Delhi: Motilal Banarsids.
  • Walser, Joseph (2005) Nāgārjuna in context: Mahāyāna Buddhism and early Indian culture. New York: Columbia U.P.
  • Westerhoff, Jan (2010) The dispeller of disputes, Nāgārjuna’s Vigrahavyāvartanī. Oxford/New York: Oxford University Press.
  • Westerhoff, Jan (2018) Crushing the Categories. Somerville: Wisdom Publications.
  • Yonezawa, Yoshiyasu (2008) Vigrahavyāvartanī, Sanskrit Transliteration and Tibetan Translation. Journal of Naritasan Institute of Buddhist Studies nr. 31.

Noten

[1] Bron: Detail rolschilderij van Nāgārjuna (c. 150–c. 250 CE) uit de Shingon Hassozō serie (Japan)
[2] Bron: Nagarjuna met slangen als beschermers rond het hoofd en de naga’s die uit het water oprijzen. Ze bieden boeddhistische sutra’s aan ― foto Daderot
[3] Bron: De eerste tien sutra’s van de tekst in het Sanskriet (1896)
[4] Bron: Nagarjuna met dertig van de vierentachtig Mahasiddhas (tussen 1700 en 1799)
[5] Bron: Nagarjuna-standbeeld, Centraal Khurul, Elista, Kalmykia (Rusland)
[6] Bron: Nagarjuna en Aryadeva als twee grote Indiase boeddhistische scholastici 19e eeuw Karma Gardri School, Rubin Museum of Art, New York
[7] Bron: Nagarjuna en Agastya – foto colros
[8] Bron: Nāgārjuna Kagyu Samyé Ling Monastery and Tibetan Centre in Scotland ― foto Benjamin Matthews 

studeerde hedendaagse continentale filosofie in Groningen, richtte een boeddhistisch meditatiecentrum op en studeerde Aziatische filosofieën en religies. Hij doceerde hindoeïsme aan de Radboud Universiteit te Nijmegen. Tijdens zijn werk als docent en leraar schreef hij studieboeken voor zijn studenten en columns. Hij praktiseert meditatie en taiji quan.