‘Negers’, ‘negertaaltjes’ en discriminatie

0

Fred de Haas, tekst en vertaling

Tot slaaf gemaakt 1; Tot slaaf gemaakt 2; Mea Culpa; Slavernij en discriminatie 1; Slavernij en discriminatie 2; Vervallen landhuis; Katibu ta galiña ― slaven zijn net kippen; Identiteit en onbehagen; negers, negertaaltjes en discriminatie

‘Mijn zuster de zenuwlijderes’, Afro-Spaans en Guene, pater Brenneker en frater Anton, negers op het kakhuis, wij verhuren niet aan negers

Boeli van Leeuwen vertelde me eens lachend dat Colá Debrot helemaal geen negerin als zuster had.
Ik had al zo’n vermoeden.

Standbeeld op Aruba ― foto FdH

Maar ik neem graag Colá’s idee over als leitmotiv voor een artikel over de Afro-Caraïbische mens die ik in overdrachtelijke zin tot mijn broeder (en zuster) reken.

‘Neger’

Laat ik maar meteen zeggen dat dit een van de vreselijkste woorden is die ik ken. Ik zal niettemin die benaming enkele malen moeten gebruiken binnen de context van het onderwerp waarover ik schrijf.

Heeft het woord ‘neger’ altijd wel zo verschrikkelijk geklonken? Ik betwijfel het. In Nederland gebruikte men ― het wordt helaas nog steeds gebruikt, ook door ontwikkelde mensen ― het woord ‘neger’ omdat men eenvoudig geen ander woord kende .

In 1898 schreef A.H. Pareau[1]:

‘De opgewondenheid van de negers is eene extase, waarin zij gemakkelijk vervallen zonder een druppel alcohol gezien te hebben’.

En:

‘Onder de negerinnen treft men meer zenuwlijderessen aan dan onder de Europeesche vrouwen’.

Advertentie van Pareau[2]

Schrijvend over Koninginnedag in Paramaribo:

‘Voor opschik hebben de negerinnen vrij veel over. Op een feestdag is iedere vrouw of meisje als in een splinternieuw kleed uitgedost en met eene extra opzichtige hoofddoek getooid’.

De goede frater Mauritius, een van de drie fraters die voor het eerst voet aan wal zetten op Curaçao, schreef in Augustus 1887 het volgende aan Pater Superior in Nederland[3]:

‘Zooals U uit de vorige brief weet, hebben we vier leerlingen. Toen ik den 19den Augustus van Welgelegen tehuis kwam, vond ik een nieuwen leerling, zoo groot als ik, Carlos Ramírez genaamd, oud 17 jaar, van de grenzen Venezuela en Colombia, met een neger die zijn koffer droeg, etc’.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog voelde Koningin Wilhelmina zich in Londen (haar woorden)[4] :

‘… een stamhoofd zoo zonder parlement, iets als de negeropperhoofden in Suriname…’.

Pater Paul Brenneker[5]

De Dominicaner pater Paul Brenneker (1912-1996) die een leven lang op Curaçao heeft gewerkt, vertelt dat ‘in de oude tijd de zwarte mens zelf ook gewoon over ‘neger’ sprak[6]. Wij geloven hem op zijn woord.

‘Neger’ is een benaming die werd gebruikt door mensen die er geen benul van hadden dat ook Afrikanen tot een land, stam of familie behoorden en die om die reden voor het gemak maar een woord kozen dat een oppervlakkige lading dekte: de kleur van de huid.

Het woord dat de Romeinen bezigden om een donkergekleurde Arabier (‘Moor’) of zwarte Afrikaan aan te duiden was o.a. ‘niger’ (Latijn voor ‘zwart’). Dat deze kleur discriminerend was kunnen we opmaken uit een opmerking van de Romeinse dichter Virgilius:

‘quamvis ille niger, quamvis tu candidus esses,
 o formose puer, nimium ne crede colori’
Vertaling: ‘al is hij zwart en jij blank, schone jongeling,
hecht niet teveel waarde aan uiterlijk’

Virgilius Ecloga (II, v. 15/16)

Wijze woorden, maar woorden die door de geschiedenis constant zouden worden gelogenstraft.

‘Negro’

Pas in de 15e eeuw zou het Spaans-Portugese woord ‘negro’ echt in zwang komen. Het was de tijd dat de Portugezen als eersten de westkust van Afrika exploreerden en zonder scrupules Afrikanen als dwangarbeiders meenamen naar het Zuiden van het Iberisch schiereiland.

Daar moesten deze zich zo goed en zo kwaad als het ging maar aanpassen aan de daar gesproken taal/talen en heersende gewoonten. Hun Afrikaanse talen hadden hun bruikbaarheid verloren en de Afrikanen moesten zo snel mogelijk zien over te gaan op het Portugees of het Spaans.

Dat ze daar in het begin niet helemaal in slaagden moge duidelijk zijn. Vandaar dat men hun taal die doorspekt was met woorden uit hun Afrikaanse land van herkomst ‘habla de negro’ noemde, ‘negerpraat’, de taal die later Afro-Spaans of Afro-Portugees zou worden genoemd.

Kaart van Guinea[7]

Die ‘negerpraat’ had ook nog een andere naam: ‘guineo’, een naam die nogal voor de hand lag omdat de hele westkust van Afrika van Senegambia tot het huidige Angola ‘Guinea’ of ‘Guinee’ werd genoemd. Ook de Portugezen bezigden die term. ‘Falar (em) guené’ was dus zoiets als ‘dat negertaaltje spreken’.

In het Papiaments kennen we ook de term ‘guene’ voor de taal/talen die door de Afrikanen vanuit hun thuislanden werd(en) meegenomen naar het Caraïbisch gebied[8].
Het woord ‘guené’ (dat op verschillende manieren wordt geschreven in de documenten) is waarschijnlijk afgeleid uit het Berbers ‘aguinaw’ (= zwart mens). ‘Guiné’ was de algemene term waarmee men indertijd de zwarte mensen van de Afrikaanse westkust aanduidde.

Brenneker noemt als variant van het ‘Guene’ de uitdrukking ‘lenga di luango’ (luangotaal) en ‘macamba’, waarmee met ‘macamba’ dus heel duidelijk ‘Afrikaans’ wordt bedoeld. Dit komt overigens overeen met de betekenis van ‘macamba’ in het volgende Afro-Spaanse document uit de Zuid-Amerikaanse Rio de la Plata regio:

‘Eso no lo sabe uté
Lo trato que hay en mi raza
De ché, de vó y de uté.
Neglo de uté respetoso
Se le dice al gramillero,
Neglo de ché, po ejemplo
Lo macamba escobero’.

‘u weet niet hoe wij, zwarten,
elkaar aanspreken,
met ‘che’, met ‘vos’ of met ‘usted’.
We gebruiken het respectvolle U
tegen een zwarte die boer is en
we zeggen, bijvoorbeeld, ‘che’ ― ‘beste vriend’ ―
tegen Afrikaanse bezembinders’

 
vrij vertaald
Houtgravure met het portret van Lope de Rueda[9]

Dat de Papiamentstalige ABC-eilanders later het woord ‘Makamba’ zijn gaan gebruiken om Hollanders aan te duiden is de zoveelste wonderlijke verschuiving in betekenis die we in taal vaak tegenkomen.

Het Afro-Spaans in de literatuur

Vanzelfsprekend ging de ‘habla de negro’, de ‘negertaal’, niet ongemerkt voorbij aan de aandacht van de schrijvers in Spanje en de Spaanse koloniën.
In de 16e eeuw voert Lope de Rueda in zijn komedie ‘Eufemia’ de negerin Eulalla op die een liedje zingt in haar gebroken Spaans en in de 17e eeuw laat de Mexicaanse schrijfster Sor Juana Inés de la Cruz in haar Kerstliedjes ‘los negrillos’ (de ‘negertjes’) in hun eigen taal zingen[10]:

Cantemo, pilico,
Que se va la Reina,
Y dalemu turo
Una noche buena

Iguale yolale,
Flacico, de pena,
Que nos deja ascula
A turo la Negla.

Cantemos, Perico,
que se va la Reina
y démosle todos
una noche buena.

Igual es llorar,
Francisco, de pena,
que a todos los Negros
a oscuras nos deja

Laten we zingen, Perico,
want de Koningin gaat weg
en laten we haar allen
een goede nacht wensen.

We kunnen ook
huilen van verdriet, Francisco,
want zij laat alle negers
achter in het donker

 
In grammatical correct Spaans
 

We zien in dit voorbeeld duidelijk op welke manier de Spaanse woorden worden verbasterd tot klanken die we ook tegenkomen in het Papiaments: llorar = yora, turo = tur.
Het laatste zal ongetwijfeld een verrassing zijn voor degenen die zich ooit hebben afgevraagd waarom ‘alles’ in het Papiaments ‘tur’ is en geen ‘todo’. ‘Tur’ is een veel voorkomende klankwisseling waarbij de O vervangen wordt door een U en de R in de plaats komt van een D. ‘Tur’ bestond dus al in de 17e-eeuwse literatuur van Latijns-Amerika.
Hier is nog een voorbeeld uit een 17e-eeuwse Afro-Colombiaanse tekst:

‘Turu lu neglo
Saltemo y bailemo
[…]
Turu lu neglo
De Santutumé’

‘alle negers
springen en dansen
[…]
alle negers
uit São Tomé’

Maar genoeg over al die klanken. Laten we de draad weer oppakken bij al die Afrikanen die van de kusten van Afrika werden geroofd en de noodlottige oversteek moesten maken naar de ‘Nieuwe Wereld’, de naam waarmee de Amerika’s ten tijde van de ontdekkingsreizen werden aangeduid.

Piezas de Indias (stukgoederen)

De negerin Katharina, slavin van de Portugese opzichter van Antuerp ― Dürer[11]

Wat nog steeds pijn doet is de brutale lading van de termen waarmee de mensenhandelaren de Afrikanen in vroeger eeuwen betitelden.
De Afrikanen werden beschouwd als stukken koopwaar. Vandaar de naam ‘Pieza’ (= stuk) die men gebruikte om de menselijke ‘koopwaar’ aan te duiden. We weten dat onder een ‘Pieza de Indias’ (een ‘koloniestuk’) een Afrikaan werd verstaan die ongeveer 1,80 m lang was, goed gezond en tussen de 15 en 35 jaar oud.

Discriminerend in deze absurde context is ook het feit dat drie ‘negerinnen’ van 15-30 jaar telden voor één pieza en een oude ‘neger’ voor ¾ pieza. En ga zo maar door.

De scheepsladingen Afrikanen werden in de handel aangeduid met de termen ‘paquetes’ (pakketten), ‘sacos de carbón’ (zakken kolen), ‘cargamento de ébano’ (lading ebbenhout) enz.
De mensenhandelaren hadden het ook over vrachten ebbenhout (madera de ébano) of ‘levend ebben’ (ébano vivo).

De Fransen zeiden ‘Bois d’ébène’ en de Engelsen ‘Ebony’, de Brazilianen ‘Peça de Guiné’ (een stuk uit Guinee) of een ‘Preto da Costa’ (een zwarte van de kust).
De realiteit overtrof de fictie. Minachting en ontmenselijking waren troef. Soms blijkt de onverschilligheid ook uit de namen die men aan de Afrikanen gaf. Zo droeg een Afrikaan (‘eigendom’ van Anna Isabel Kock uit Curaçao), die aan het eind van de 18e eeuw naar Venezuela was gevlucht de naam ‘Amsterdam’[12] .

Resten van Afrikaanse talen

Totó La Momposina zingt de cumbia ‘El pescador’

Na de ontscheping en de veiling wachtte een lot dat elke beschrijving tart. Honderdduizenden ontheemden, beroofd van land en taal moesten maar zien hoe ze zich redden.
Het is nog een wonder dat er uit die chaos een nieuwe ― Creoolse ― beschaving voortkwam die was samengesteld uit disparate Afrikaanse elementen vermengd met de dominante cultuur van de (ei)landen waar de mensen terechtkwamen.

Het zou te ver voeren om binnen het bestek van dit artikel al te diep in te gaan op de Afrikaanse invloeden in de Caraïbische en Zuid-Amerikaanse cultuur, maar we kunnen volstaan met een heel bescheiden illustratie van woorden die uit Afrikaanse talen in de Caraïbische en Zuid-Amerikaanse leefwereld terecht zijn gekomen en die soms niet eens meer als Afrikaans worden herkend[13]:

Samba (dans; uit het tchiluba ‘samba’ = van de ene plek naar de andere springen),
Cumbia (dans; uit het kikongo ‘nkumbi’ = trommel),
Chévere (leuk, tof; uit het shona ‘chebergwa’ = betovering),
Dengue (griep; uit het kikongo ‘ngdengo’ = ziekte die rillingen veroorzaakt),
Funchi (geel maïsmeel; uit het kimbundu ‘nfunji’ = maniokpap),
Furruco (muziekinstrument; uit het yoruba ‘ko’ = aanduiding van hol, droog geluid en uit het dyoula ‘furru’ = een trillend geluid),
Luango (onverstaanbaar pratend; naam van een stam ten noorden van de Kongo rivier),
Marimba (muziekinstrument; uit het Bantoegebied. ‘Marimba’ = duimpiano, een instrument met metalen tongen die met de duimen worden bespeeld). N.B. Op Curaçao en Bonaire kennen we de ‘marimbula’.
Tango (dans; uit het mandinga ‘tango’ = ronddraaien),
Zombí (geest, levende dode; uit het kikongo nsumbi = de duivel),
Conga (muziekinstrument; uit het kikongo ‘nkunga’ = zang, dans, muziek), etc. etc.

De Papiamentstalige zal zich in een vertrouwde omgeving wanen bij het lezen van al die woorden.

Laten we de draad weer opvatten bij het lot van de Afrikanen, een lot waarvan de kenmerken soms via de taal getraceerd kunnen worden.

Ladinos en Bozales

Fred de Haas, leraar Frans aan het Radulphus College, Curaçao (1965-1970)[14]

Het is verrassend te constateren hoe gemakkelijk de ene cultuur bepaalde discriminerende gebruiken van de andere overneemt.

Zo hadden de Romeinen de gewoonte om leden van onderworpen volken die zich aardig konden redden in het Latijn (de taal van de Romeinen) een ‘latinus’ (‘een van ons’, dus) te noemen.
Later hebben de Spanjaarden op dezelfde manier de Afrikanen die een mondje Spaans spraken ‘ladino’ genoemd, in navolging van het Romeinse voorbeeld. Dat maakt duidelijk waarom de verspaanste Afrikanen die in de koloniale gebieden werden ingevoerd uit Spanje of uit een andere Spaanse kolonie ‘negros ladinos’ werden genoemd. Ze spraken immers wat Spaans, zij het geen standaard Spaans.

Dit in tegenstelling tot de Afrikanen die regelrecht uit Afrika kwamen. Deze mensen kregen de naam ‘bozales’. Dat woord komt al heel vroeg voor in het Spaans van het Iberisch schiereiland. Een ‘bozal’ is een halster of muilkorf dat om de kop van een (muil)ezel werd gedaan om hem in bedwang te kunnen houden.
Bozal zou dus betrekking kunnen hebben op Afrikanen die nog ‘wild’ waren en in het gareel gebracht moesten worden. Het is ook mogelijk dat het woord ‘bozal’ refereert aan het Spaanse ‘bozo’ dat ‘donshaar op de bovenlip’ betekent. Iemand met donshaar is per definitie een onervaren persoon die nog van alles moet leren. In die betekenis komt het voor in de Spaanse literatuur van de 16e eeuw.
Zo zegt iemand in de schelmenroman Guzmán de Alfarache uit eind 16e, begin 17e eeuw: ‘halléme bozal’, dat zoiets betekent als ‘ik voelde me onhandig’.

Ook in het Papiaments kennen we het woord ‘busá’, dat de betekenis had van ‘direct uit Afrika afkomstige Afrikaan’[15]. De Hollanders noemden zo’n Afrikaan op hun doeltreffende, botte manier ook wel ‘zoutwaterneger’.

Een aardige illustratie van bovenstaande terminologie (ladinos, bozales, Guinea) is een beschrijving van de Afrikaanse bevolking van de Ecuadoriaanse provincie Esmeraldas door een pater Jezuiet aan het eind van de 18e eeuw[16]:

‘[…] los negros venidos de la Africa retienen la lengua de su Guinea. Esta hablan entre sí, con ella se entienden y de ella retienen sus cantinelas, y aunque se les procura imbuir el castellano, en que muchos con el tiempo se hacen muy ladinos, pero los más de ellos se mantienen muy bozales toda la vida, de manera que le pronuncian muy truncado y lleno de barbarismos.
Vertaling: […] de negers die direct uit Afrika komen behouden de taal van hun Guinee (= West Afrika). Die spreken ze onderling, daarin begrijpen ze elkaar en daarin zingen zij hun liedjes; en ofschoon men probeert hen het Spaans bij te brengen, waarin velen zich in de loop van de tijd goed verstaanbaar kunnen maken, blijven de meesten hun hele leven erg Afrikaans, zodat hun Spaans verminkt wordt uitgesproken en vol vreemde woorden zit.

De Cimarrones of ‘Marrons’

Natuurlijk waren er veel Afrikanen die, zodra ze hiertoe de kans schoon zagen en als de plaatselijke geografische mogelijkheden om zich te verstoppen aanwezig waren, het binnenland in vluchtten waar zij in kleine of grote groepen een nieuwe samenleving konden opbouwen, zover mogelijk verwijderd van de blanke meesters, die aanvankelijk hun uiterste best deden om de vluchtelingen weer te pakken te krijgen.
Die pogingen waren echter meestal tot mislukken gedoemd. Het was zelfs zo dat de blanke plantagehouders met deze zogenaamde ‘Cimarrones’ een deal moesten sluiten om te verhinderen dat deze hun plantages aanvielen en de arbeiders (en vrouwen) meenamen.

De Spaanse benaming ‘cimarrón’ is over de hele wereld bekend geworden.

Tambúgroep Radulphus College (1969) ― foto Fred de Haas, stichter van de groep

‘Cimarrón’ betekent ‘wild’ in het Spaans (vgl. ook het Papiaments: yerba shimaron = onkruid) en heeft betrekking op dieren en planten; ook op een dier dat was weggevlucht en nu in het wild leefde.
Een onheuse, maar niettemin toepasselijke naam voor gevluchte slaven, een naam die de Fransen en de Engelsen zonder meer overnamen: Maroons en Marrons.
De Nederlanders namen de naam weer over van de Fransen. De Marrons van Suriname waren de mensen die vroeger ‘bosnegers’ werden genoemd en later taalkundig werden ‘opgewaardeerd’ tot ‘Boslandcreolen’.

Brenneker hoorde van zijn Curaçaose informanten dat er vroeger op Curaçao ook slavenvangers waren die ‘cohedó di shimarón’ (‘vangers van gevluchte slaven’)[17] werden genoemd.
Velen vluchtten, als ze de kans kregen, naar ‘de overkant’, naar het Venezolaanse Coro of Falcón.
De liedjes die zij daar in hun eigen taal ― het Papiaments ― bleven zingen zijn evenzoveel herinneringen aan die tijd (weergegeven in een oude spelling):

Saliendo di Corsou
bon, bon, bon di salú
yegando na Vela di Coro
sangura ta pica nos
guynchete ta pica nos

Toen wij Curaçao
in goede gezondheid verlieten en
aankwamen in Vela de Coro
werden we gebeten door de muggen en
door de Winchester geweren[18]

Een ander liedje uit die tijd:

Ata palu grandi yerba berdi
testigu ternu di nos amor
si mi taba sabi ku vo taba asina
min declarabu mi stimación

Hier is een grote boom met groene bladeren, eeuwige getuige van onze liefde;
als ik had geweten dat jij zo’n lelijk karakter had dan zou ik jou mijn liefde niet hebben verklaard[19]

El Palenque de San Basilio

De nederzettingen waar de Marrons leefden hebben eeuwenlang standgehouden en het is duidelijk dat in die gemeenschappen veel van de oude Afrikaanse cultuur bewaard is gebleven.
Een voorbeeld van zo’n Marrongemeenschap in Colombia is El Palenque de San Basilio, 70 km ten zuidoosten van Cartagena, waar men nog steeds het ‘Palenquero’ spreekt, een oude Afro-Spaanse Creoolse taal, die interessante overeenkomsten met het Papiaments heeft en nu langzaam aan het uitsterven is.
Zo vind je in het Palenquero woorden als ‘funche’ (zie boven), ‘ñangá’ (= de heupen bewegen; Pap. ‘yanga’; uit een van de Bantoetalen: nyóngà = heup); ‘guarapo’ (soort brandewijn); Pap. ‘warapa’ = brouwsel, uit Kikongo ‘ngwala’ (alcoholische drank) en Kikongo ‘mpa’ = vers).
Personen die onderzoek hebben gedaan naar Afrikaanse woorden in het Palenquero zijn o.a. Armin Schwegler[20] en Antoine J. Maduro[21].

Om Afrikanen en hun afstammelingen aan te duiden en van elkaar te onderscheiden hebben de Europeanen hen in de loop van de geschiedenis vele namen gegeven, de ene nog discriminerender dan de andere.

Loro, negro, moreno, prieto, trigueño, mulato…

Slavinnen van verschillende Afrikaanse volkeren[22]

De aanduiding die ― eeuwen geleden ― werd gebruikt voor het kind van een blanke en een zwarte was ‘loro’ (vr. lora). ‘Loro’ gaf in het Spaans de diepgroene kleur van het blad van de laurier aan. Met deze term duidt met nog steeds een papegaai aan die in het Nederlands wel liefkozend wordt toegesproken met ‘lorre, lorre, lorre…’.
Het woord ‘loro’ kwam al voor in een document uit 1475 waarin de Spaanse katholieke koningen de Afrikaan Juan de Valladolid benoemden tot

‘Mayoral, Juez de todos los Negros y Loros, libres o captivos’
Opziener, Rechtspreker van alle Negers en Mulatten, vrijen of onvrijen.

De termen ‘loro’ en ‘mulato’ werden in de koloniën aanvankelijk naast elkaar gebruikt. Met ‘mulato’ duidde men vroeger de afstammeling van een blanke en een ‘Moor’ (iemand met Arabisch bloed) aan.
We moeten bij ‘mulato’ denken aan de kruising van een ezel en een paard: een muilezel (Spaans: mula). Een ‘mulat’ of ‘mulattin’ was dus duidelijk een mislukt product.

De benaming ‘loro’, die op zich wel elegant was, zou in de koloniën al spoedig vervangen worden door de term ‘mulato’ (vr. mulata).

Men duidde een Afrikaan ook wel aan met ‘moreno’, een woord dat afstamt van het Latijnse ‘Maurus’ (= ‘Moor’, Noord-Afrikaan). De uitdrukking ‘trabajar como un moro’ ― werken als een Moor c.q. paard ― bestaat nog steeds. De Portugezen hebben er zelfs een werkwoord van gemaakt: ‘mourejar’ (werken als een Moor c.q. zich uit de naad werken).

Advertentie voor de Negro Melody Club, De Nieuwe Haagsche, 1933[23]

De aanduiding ‘moreno’ voor ‘zwarte Afrikaan’, afgeleid van ‘moro’, werd als onprettig ervaren, in tegenstelling tot de term ‘prieto’ (Papiaments ‘pretu’) dat als neutraler werd beschouwd.

In Zuid-Amerika hoor je vaak het eufemistische ‘trigueño’ dat refereert aan de kleur van het graan (Spaans: trigo) en hetzelfde betekent als ‘mulato’, maar dat veeleer als een compliment wordt ervaren.

Het woord ‘negro’ (neger) is, hoewel in het begin een gewone aanduiding voor ‘zwarte Afrikaan’ hoe langer hoe ongunstiger gaan klinken. De verkleinwoorden ‘negrito’ en ‘negrita’ worden echter heel vaak in affectieve zin gebruikt.

Hoe dan ook, ‘negro’ is sinds onheuglijke tijden een discriminerend woord. In alle landen van het Caraïbisch gebied en Latijns-Amerika.
In Brazilië bestaat in de volksliteratuur het volgende oude rijmpje:

O branco come na sala
O cabôclo no corredor
O mulato na cozinha
O negro no cagador

Een blanke eet in de salon
Mestiezen in de gang daarvóór
Mulatten naast de koekepan
En negers waar je kakken kan.

Zo dacht men er ― vrij vertaald ― dus over in Brazilië.

‘We verhuren niet aan negers’

In Nederland vond men in de jaren ‘50 en ‘60 van de vorige eeuw de term ‘neger’ nog niet zo discriminerend. Een klein voorbeeld.

Miljoenen kinderen hebben leren lezen met de methode van Frater Caesarius, iemand die grote verdienste heeft gehad voor het Onderwijs. In 1960 konden ze het volgende fragment lezen in zijn methode ‘Zó leren lezen’ (boekje 10 bladzijde 2) :

‘[…] De Pater is al op de boot. Hij zwaait naar zijn vader en moeder. Daag, roept de Pater. Tot ziens over een paar jaar. Toet! Toet! blaast de fluit. O wat maakt dat ding een herrie. De Pater zwaait maar weer, want wat hij roept, hoort toch niemand. De Pater gaat naar de negers. In dat land wonen veel mensen die God nog niet kennen. Hij gaat naar Afrika.’

Frater Anton van Oirschot[24]

Zo zat dat dus. Maar de onvolprezen Fraters van Tilburg (lees hun Antilliaanse geschiedenis in het boek ‘De fraters van Zwijsen’ (zie boven) door de voormalige, bijzonder bij zijn leerlingen betrokken oud-rector van het Radulphus College te Curaçao, Frater Anton van Oirschot (voor oud-leerlingen ‘Toonchi Lip’), die ook leuke tekeningen voor het boek maakte) gingen snel met hun tijd mee, want in 1963 maakten ze een neutrale versie onder de titel ‘Veilig leren lezen’.
In die versie waren de Pater, de negers, God en Afrika ineens verdwenen. Dat zou commercieel gezien zeer verstandig blijken want in de jaren ‘80 werd de methode ‘Veilig leren lezen’ door 90% van de Nederlandse basisscholen gebruikt[25].

In de jaren ‘60 sprak een Nederlandse hospita nog de volgende memorabele woorden tegen een Curaçaose student (mijn oude, reeds lang gestorven vriend Richard Pieternella) die een kamer zocht in Utrecht:

‘We verhuren niet aan negers!’

Hoe had ze ook kunnen voorzien dat deze onbeminde student later een gevolmachtigde minister zou worden op het ― voormalige ― Antillenhuis in Den Haag?

In de Dikke Van Dale wordt de ‘neger’ in de uitgave van 1999 nog als een ongunstig persoon omschreven, maar in de up-to-date Van Dale Online heeft men zich beperkt tot de volgende definitie van ‘neger’: 

‘neger (tegenwoordig meestal ‘zwarte’) 1. lid van een van de zwarte rassen uit Afrika 2. afstammeling van de negerslaven in Amerika’.

We gaan vooruit… Ik wist trouwens niet dat je ‘lid’ van een ras kon zijn. Afgezien daarvan, biologisch gezien bestaan er geen rassen.

Discriminerende spreekwoorden en gezegdes bij de Antilliaanse buren

Het is erg leerzaam om de algemene en specifiek Colombiaanse en Spaans-Caraïbische gezegdes en spreekwoorden te bekijken die een ongunstig oordeel over Afrikanen inhouden. Ik zal een paar voorbeelden hiervan geven.

In plaats van ‘trabajar como un moro’ kent men in Zuid-Amerika ook de uitdrukking ‘trabajar como un negro’ (werken als een paard/ neger), wat dezelfde gevoelswaarde heeft en wijst op de uitbuiting van de Afrikaan in de slaventijd.
Ook werd de Afrikaan in het Caraïbisch gebied enige intelligentie ontzegd: ‘el negro piensa solamente los viernes’ (een neger denkt alleen op Vrijdag), ‘el mulato no calcula y el negro no tiene seso’ (de mulat kan niet rekenen en de neger kan niet denken).

Ook wordt er in bepaalde uitdrukkingen flink de spot gedreven met Afrikanen. Zo noemde men in Cuba een ‘neger’ die deftige woorden gebruikte en schoolmeesterachtig overkwam een ‘negro catedrático’ (een negerprofessor) en een ‘zwarte’ die dacht dat ie op gelijke voet stond met een blanke een ‘negro parejero’ (een ‘op-gelijke-voet-neger’; Spaans ‘parejo’ = gelijk).

‘Rasverbetering’ als vlucht naar voren

Suikerriet kappers[26]

Het tragische van dit alles is dat de Afrikanen zichzelf ook als minderwaardig begonnen te ervaren en zelfs het woord ‘negro’ als scheldwoord tegen elkáár gingen gebruiken.
Ik vergeet nooit dat ik op het Waaigat (Curaçao) twee Afro-Curaçaoënaars elkaar heb horen uitmaken voor ‘neger stinki’ (vuile neger).

De Afrikanen kregen van jongs af aan het idee mee dat hun kleur niet deugde en dat er om sociale en materiële vooruitgang te boeken niets anders op zat dan zo gauw mogelijk te proberen witter te worden door met blanken seksuele betrekkingen aan te knopen.
Men noemde dat ‘afinar’ of ‘mejorar’ la raza (het ras verbeteren). Op de Antillen heette dat ‘drecha rasa’ wat op hetzelfde neerkomt.
De Afrikaan was om diezelfde reden niet tevreden met zijn/haar uiterlijk. Kroeshaar heette op de Antillen dan ook ‘kabei malu’ (slecht haar) en om dat te verhelpen kon je het haar ‘strijken’ (strika kabei).

Men weet over het algemeen van elkaar ook precies wie er ‘zuiver’ is en wie niet. Op Puerto Rico heb je de uitdrukking ‘tener su rajita de negro’ (een streepje zwart door je heen hebben lopen).

Er zijn maar weinig gezegdes te vinden die de blanke in een kwaad daglicht stellen. Als we al zo’n uitdrukking tegenkomen komt het meestal neer op schelden: ‘Makamba stinki’ (vuile Hollander) is niet ongebruikelijk op Curaçao, evenmin als ‘Negro sucio’ (vuile neger) in het Spaans-Caraïbisch gebied.

En in het Palenquero (het Afro-Spaans uit El Palenque de San Basilio in Colombia) zegt men: ‘Cumé cu colorao y lupé plato in flende’ (eet met een blanke en sla de borden stuk op zijn kop).
Voor de liefhebber voeg ik hier de Spaanse woorden toe waarvan de zin in het Palenquero zou kunnen zijn afgeleid: ‘Comer con un colorado y romperle los platos en la frente’. Je zou denken dat ‘colorado’ op een ‘kleurling’ slaat, maar het duidt zeer waarschijnlijk de rode kleur aan die de blanken kregen als ze teveel in de zon hadden gelopen.

Ik hoop er enigszins in te zijn geslaagd u een idee te geven van de beeldvorming rond de Afrikaan sinds de vroegste tijden. Het gaat om een beeldvorming die zich tot op heden op duidelijke wijze in taal manifesteert.

Ik ben in dit artikel niet ingegaan op de lotgenoot bij uitstek van de ‘neger’, een lotgenoot die op de Antillen is verdwenen (behalve in plaatsnamen als Bushiribana, Guadarikiri, Pos di Indjan, Sabana di Indjan etc.) maar in landen van Zuid-Amerika nog duidelijk aanwezig is: de Indiaan.

Hoe men in bepaalde streken van Colombia over Indianen (en vrouwen!) denkt moge in het volgende gezegde naar voren komen:

‘Indio, mula y mujer, si no te la han hecho te la van a hacer’
Indianen, muilezels en vrouwen, als ze je nog geen streek hebben geleverd dan flikken ze je een volgende keer wel een kunstje.

De mensheid heeft nog veel te leren.

Noten

[1] Onze West, reisschetsen door A.H. Pareau, den Haag W.P. van Stockum en Zoon, 1898.
[2] Bron: https://pareau.nl/alle-pareaus/pareaus-1800-1850/ahpareau-1849/ah-pareau-1849-in-de-krant/adv-onze-west/
[3] De Fraters van Zwijsen, Anton van Oirschot, de Walburg Pers, 1986, p. 32
[4] Fasseur, Wilhelmina, deel 2, p. 343
[5] Bron: levenswerk-paul-brenneker-o-p-ontsloten
[6] Curaçaoensia, 1960, no. 537
[7] Bron: https://www.geographicguide.com/africa-maps/guinea.htm
[8] Zie ook Brenneker, Curaçaoensia, nos 242 t/m 252
[9] Bron: Lope de rueda-Las quatro comedias y dos coloquios pastoriles
[10] Obras completas, Editorial Porrúa, 1981, p. 211, Villancico VIII
[11] Bron: Albrecht Dürer – The Negress Katherina
[12] Zie prof. Ramón Aizpurúa, Boletín de la Academia Nacional de la Historia, Los esclavos fugados de Curazao a Coro en el siglo XVIII, p. 85
[13] De meeste voorbeelden heb ik ontleend aan Alexandra Alvarez’ ‘Africanismos léxicos en el castellano de Venezuela’, Instituto de Filología Andrés Bello, Caracas, Universidad Central de Venezuela, ms. 1981
[14] Bron: tambu-als-immaterieel-erfgoed-in-het-haagse-museon
[15] Zie ook Brenneker, Curaçaoensia, no. 736
[16] Rafael Savoia, El negro en la historia: aportes para el conocimiento de las raíces en América Latina, Guayaquil, 1992, p. 19-20, Centro Cultural Afroecuatoriano
[17] Curaçaoensia, no 748
[18] Geciteerd in: Luis Arturo Domínguez, Vivencia de un rito loango en el Tambú, Caracas, Talleres de Hijos de Ramiro Paz, 1989 p. 13
[19] Geciteerd in: Luis Arturo Domínguez, Vivencia de un rito loango en el Tambú, Caracas, Talleres de Hijos de Ramiro Paz, 1989 p. 14
[20] El Palenque de San Basilio, 1994, Papiá 3, p. 6-30
[21] Palenkero i Papiamentu, 1987, uitgegeven in eigen beheer
[22] Bron: Debret – Esclaves Nègres de Differéntes Nations
[23] Bron: http://www.ooijevaar.dds.nl/tak6/pdf/juliuszeegelaar399.pdf
[24] Bron: Henricus Arnoldus van Oirschot (1921-1999)
[25] Zie Cordula Rooijendijk, ‘Grootvader Piepestok’, een geschiedenis van Nederlandse schoolmeesters, uitgeverij Atlas, Amsterdam, 2010, bldz. 214/15
[26] Bron: miva.nl/nieuws/mensenrechten-strijd-moderne-slavernij

studeerde cum laude af in de Franse, Spaanse en Portugese taal- en letterkunde. Vanaf het begin combineerde hij zijn functies met werkzaamheden als literair vertaler. Fred de Haas vertaalde onder meer uit het Papiaments, het Frans, het Spaans en het Russisch. Hij is leider, zanger en gitarist bij het Latijns-Amerikaans ensemble Alma Latina.

Schrijf een reactie