De Bliksemkliever (Vajracchedikā)

0

Jacob Ensik, redactie Erik Hoogcarspel

Uit: De Grote Weg naar het Licht, 2005

Inleiding

De Vajracchedikā[1] maakt deel uit van de serie prajñaparamitāsūtra’s, teksten die allemaal gaan over de volmaaktheid of voortreffelijkheid van wijsheid. De oudste is de Prajñaparamitāsūtra in 8000 strofen. Deze is ergens in de 1e eeuw voor het begin van onze jaartelling ontstaan. De Vajracchedikā bevat citaten uit deze en uit de Prajñaparamitāsūtra in 25.000 strofen, die van latere datum is. Datering is moeilijk, maar een voorzichtige schatting wijst in de richting van de vierde eeuw.

Er is een vertaling van Kumarajīva, die leefde van 344 tot 413. Een exemplaar hiervan is gevonden in de grotten van Dun Huang door de ontdekkingsreiziger Aurel Stein. Het is gedrukt in 868 door middel van houten en blokken en is daarmee het oudste drukwerk ter wereld.

Alle Prajñaparamitāsūtra’s hebben als thema het feit dat woorden niet naar bestaande dingen verwijzen, dat de dingen die genoemd worden dus eigenlijk niet bestaan. De werkelijkheid is leeg van dingen, omdat dingen verondersteld worden zelfstandig te bestaan. Dingen worden gedacht en voorgesteld als substanties, zelfstandigheden die uit zichzelf hun eigenschappen tonen. Door meditatieve verzonkenheid, ontdekt men volgens deze teksten dat dit niet zo is. Deze ervaring van leegte is een nieuwe en veel snellere manier om het nirvāṇa te realiseren.

De huidige versie van de Vajracchedikā bestaat uit twee delen. Dit is te zien aan een verandering in stijl en nieuwe uitdrukkingen in het tweede deel. Bovendien bevat het tweede deel weinig nieuws en veel herhalingen, die alleen wat wijdlopig zijn.

Het Vajracchedikā belooft een snelle introductie tot de transcendente wijsheid, de wijsheid die alle andere inzichten te boven gaat. Deze is bestemd voor een elite, die wat slimmer is dan het gewone volk. Zo iemand onderscheidt zich van anderen doordat hij of zij niet schrikt van de uitspraak dat er helemaal geen boeddha, geen wereld en geen verlossing bestaat. Waar het blijkbaar om gaat, is dat je moet begrijpen dat woorden niet of niet altijd naar bestaande dingen verwijzen. De introductie bestaat uit een steeds terugkerende formule: als de Boeddha het heeft over X, dan bedoelt hij niet X, noch de afwezigheid of het niet bestaan van X en daarom noemt hij het ‘X’. Het komt er dus op neer dat de bodhisattva, degene die streeft naar boeddhaschap, zich steeds moet realiseren dat de begrippen waarnaar woorden verwijzen alleen in schijn en volgens conventies naar bestaande dingen verwijzen, maar dat ze in wezen leeg zijn van bestaan. Begrippen zijn verzinsels en dat betekent dat je niet kunt zeggen dat ze naar iets bestaands of afwezigs verwijzen. Uiteindelijk kun je ook niet zeggen of de dochter van Sinterklaas zwanger is of niet.

Vertaling Vajracchedikā

(op basis van de editie van E. Conze) [2]

De bliksemkliever[3]

Eer aan de Verhevene, de edele, volmaakte Voortreffelijkheid van de Wijsheid (Prajñāpāramitā)

Deel 1

  1. Zo heb ik het gehoord.

Eens was de Verhevene in het buitenverblijf van Anāthapindika, in het Jetabos te Śāvasti, samen met een grote groep monniken, 1250 monniken en veel bodhisattva’s[4].

Daar kleedde de Verhevene zich ‘s morgens vroeg aan, nam zijn bedelnap en mantel en ging naar de grote stad Śāvasti om aalmoezen te verzamelen. Nadat de Verhevene naar de grote stad Śāvasti was gegaan en aalmoezen had verzameld, at hij. Later op de dag, kwam hij toen terug van zijn bedelronde. Hij legde zijn bedelnap en mantel neer, waste zijn voeten en ging in lotushouding zitten op een zitplaats die voor hem klaar stond, het lichaam rechtop en de aandacht gericht op een plaats voor hem. Toen kwamen velen van de monniken naar de plaats waar de Verhevene zat en bogen hun hoofd voor zijn voeten. Zij liepen drie maal (uit eerbied) om hem heen en gingen aan de zijkant zitten.

  1. Toen kwam de eerwaarde Subhūti ook naar die bijeenkomst en ging zitten. Daarna stond hij op, legde zijn mantel over één schouder, knielde met zijn rechterknie op de grond. Hij vouwde zijn handen uit respect voor de Verhevene en zei tegen de Verhevene: ‘Verhevene, het is wonderbaarlijk, uitermate wonderbaarlijk hoe de bodhisattva’s door de Tathāgata, de arhat[5], de Volledig Ontwaakte met de hoogste goedheid geholpen zijn. Het is wonderbaarlijk, hoe de bodhisattva’s, door de Tathāgata, de arhat, de Volledig Ontwaakte, in het hoogste onderricht zijn onderwezen. Wat moet man of vrouw die uit het goede hout is gesneden echter doen als hij de carrière van een bodhisattva wil volgen? Wat moet hij doen om verder te komen en zijn geest onder controle te brengen?’

Toen de eerwaarde Subhūti dit gezegd had antwoordde de Verhevene ‘Jij hebt het goed gezegd, Subhūti. De Tathāgata heeft bodhisattva’s met de grootste goedheid geholpen, hij heeft hen met het hoogste onderricht onderwezen, daarom moet je goed luisteren Subhūti en goed opletten. Ik zal je uitleggen wat iemand moet doen die de carrière van een bodhisattva wil volgen, hoe diegene verder komt en hoe die zijn geest onder controle kan brengen.’

De eerwaarde Subhūti antwoordde de Verhevene ‘Graag, Verhevene’.

  1. De Verhevene zei: ‘Subhūti, iemand, die in deze wereld de carrière van een bodhisattva wil volgen, moet de volgende gedachte bedenken: ‘Ik moet alle wezens volledig bevrijden, tot de toestand van nirvāṇa brengen, waarbij er geen sprake meer is van een mogelijkheid om terug te vallen in de cyclus van de wedergeboorte, hoeveel wezens er ook zijn in de sfeer van de wezens. Het gaat om alles dat ‘wezen’ genoemd kan worden, in een bekende sfeer van wezens of het nu uit een ei is geboren of uit een baarmoeder, uit vochtige aarde is ontstaan of op wonderlijke wijze[6], met of zonder een lichamelijke vorm, met of zonder waarneming of zonder zowel waarneming als niet-waarneming. En toch is het zo dat er geen enkel wezen is bevrijd, hoewel er (dan) ontelbare wezens zijn bevrijd. Waarom?

Subhūti, een bodhisattva kan geen ‘bodhisattva’ genoemd worden als hij in het begrip ‘wezen’ gelooft. Waarom?

Iemand kan geen bodhisattva worden genoemd als hij in het begrip ‘ziel’ of ‘wezen’ of ‘levend wezen’ of ‘persoon’ gelooft.

Noten

[1] Uit: De Grote Weg naar het Licht, Asoka, Rotterdam 2005
[2] De vertaling is van de helaas te jong overleden professor Ria Kloppenborg. Ik heb alleen wat redactionele ingrepen gepleegd om de tekst zo dicht mogelijk bij de lezer te brengen.
[3] De oorspronkelijke titel is: ‘Het doorklieven van de diamant’, het geen zou betekenen dat de tekst iets hards splijt. De meest gebruikte vertaling is de Diamanten Splijter, het geen betekent dat de tekst een diepgaander effect heeft dan andere. Vajra betekent zowel bliksem als diamant. In het Tibetaans wordt het steevast als diamant vertaald. Mijn voorkeur is gebaseerd op de interpretatie dat de verlossingsmethode die wordt uitgelegd niet zozeer in de hardste kop moet kunnen doordringen, maar eerder bij hen die er open voor staan buitengewoon snel resultaat moet geven. De associatie met snelheid komt ook voor in het eeuwen later ontstane woord ‘Vajrayāna’. De vajra is het wapen van de god Indra die ermee de demon Vṛtra verslaat. Aan dit wapen worden allerhande eisen gesteld: het mag niet het ene en niet het tegenovergestelde zijn, hetgeen wel wat lijkt op de formule die in deze tekst centraal staat. Waarschijnlijk worden beide betekenissen bedoeld.
[4] aspirant boeddha’s
[5] hij die zijn gebreken (letterlijk vijanden) heeft overwonnen, dus iemand die niet meer wordt wedergeboren
[6] men nam in die tijd aan dat sommige wezens spontaan of op bovennatuurlijke wijze worden geboren

studeerde hedendaagse continentale filosofie in Groningen, richtte een boeddhistisch meditatiecentrum op en studeerde Aziatische filosofieën en religies. Hij doceerde hindoeïsme aan de Radboud Universiteit te Nijmegen. Tijdens zijn werk als docent en leraar schreef hij studieboeken voor zijn studenten en columns. Hij praktiseert meditatie en taiji quan.