Gulzige geit

0

Karin Glaubitz

Uit het Narrenschip, 18 maart 2020

Het boek Gulzige Geit, Petr Horácek (Lemniscaat, 2017) is heel geschikt om met jonge kinderen (kleuters tot 7 jaar ) te filosoferen over eten en over de invloed van eten op hoe je er uit ziet en hoe je je voelt, over wat je wel of niet mag of kan eten en het verschil tussen mensen en dieren. En dingen kunnen leren of al weten.

Hier heb je tips om het filosofisch gesprek rondom deze onderwerpen te starten met je kind.

Je kunt het boek bestellen bij Leesvink

De geit heeft genoeg van het eten van gras ze wilde iets nieuws proberen.

Uit “Gulzige Geit” Lemniscaat

De geit gaat op zoek naar iets anders te eten.

Doe jij dat ook wel eens? Moet je altijd hetzelfde eten? Mag jij zelf kiezen wat je eet?

Hierbij onderzoek je met je kind wat de gewoontes zijn, vrijheden en wie dat bepaalt.

Vraag steeds waarom dat zo is, laat het kind ook verschillende personen uit zijn omgeving noemen die dat mogelijk bepalen; opa, oma, broer, zus, papa, mama etc..
Vraag steeds om uitleg, in welke situatie is dat zo? en of het ook anders kan of mag.

  • Welke dingen moet jij altijd eten? Is dat bij iedereen hetzelfde?
  • En de geit, moet die fruit eten? ..

De Geit probeert de brokjes van de hond, likt de melk van de poes en kauwt op de schillen van het varken

Uit “Gulzige Geit” Lemniscaat

De dieren zien het niet; de hond slaapt, de poes slaapt en het varken slaapt.

Mag de Geit het eten van de hond, de poes en het varken eten?

Een mogelijkheid voor een weer heel ander gesprek hier is of je iets mag als niemand het ziet.

Mag de Geit het eten van de hond opeten als hij niet kijkt? Ja/nee? waarom wel/niet?

Deze vraag sluit goed aan op het denken van het jonge kind over waarneming en zijn; als je iets niet ziet, dan is het er niet??

Daarna eet de geit de bloemen van de boerin.

Uit “Gulzige Geit” Lemniscaat

Mag de geit de bloemen eten?

Ik stel hier eigenlijk dezelfde vraag als hierboven, maar de omstandigheden zijn aan het veranderen!

Je zou kunnen zeggen “de spanning loopt op”; er zit een gradatie in het verhaal. Het begint gewoon en het wordt steeds gekker.
Er is nu een ander soort eigenaar in het spel; de eigenaar is nu een mens en niet meer een dier. Is er sprak van gezagsverhoudingen? Ook het voedsel is anders; we kunnen ons hier af gaan vragen of het nog wel voedsel is. Dat is het leuke van dit verhaal. Wees alert op deze subtiele verandering want de kleuters reageren anders op deze nieuwe situatie. Nu is het eten niet meer van een ander dier maar van een mens en het is ook nog maar de vraag of je bloemen kunt eten.
Dus hier zijn nieuwe denkstimulansen in het verhaal gebracht. Met de doorvraag vragen ga ik in het gesprek ook opzoek naar nieuwe gedachten en gaat het gesprek een andere kant op. Ook let ik steeds om de denkwoorden; als, dan, omdat etc.

  • Van wie zijn de bloemen? Waarom?
  • Is het eten bedoeld voor de geit? Waarom wel/niet (vraag naar argumenten)
  • Als de bloemen niet in de vaas staan, mag hij ze dan wèl eten? (waarom wel/niet)
  • Weet de geit of hij de bloemen mag eten? Hoe kan hij dat weten?
  • Is het gezond voor de geit? Waarom wel of niet?
Die avond at de geit de onderbroek van de boer.

Hier ga ik op zoek naar het denken over oorzakelijke verbanden. De vraag “Hoe komt het dat?” stel ik een aantal keer weer, om verdieping in het gesprek en het denken van de kinderen te stimuleren.

Die avond at de geit de onderbroek van de boer.

En toen gebeurde er iets met die geit.

De geit veranderde van kleur; groen, geen en blauw…

  • Hoe komt het dat de geit groen, geel en blauw wordt?
De Geit werd groen en geel en blauw “gulzige Geit”, Lemniscaat

Eerst noemen kinderen vaak directe oorzakelijke verbanden, na verder doorvragen worden er veel ingewikkelde oorzakelijke verbanden genoemd, die getuigen van het nadenken van de kinderen waarin ze relaties, associaties en argumenten geven. Hierbij een stukje uit het gesprek met mijn kleutergroep n.a.v. deze vraag.

“De Geit wordt geel van de onderbroek van de boer. De geit heeft veel kleuren opgegeten. Het zijn kleuren van een ziekte, het zijn zieke kleuren, dus de geit is ziek; als je ziek bent dan krijg je zulke kleuren.

De geit eet de stof op en de broek is genaaid in de fabriek en daar zit nog een naald in en daarvan wordt hij ziek. De naald prikt in zijn buik.

Hij heeft te veel van alles door elkaar gegeten, daardoor komt het. Het komt omdat hij steeds andere kleuren heeft gegeten.

Misschien heeft hij ook wel kleurpotloden opgegeten Het is niet goed om een onderbroek of een sok op te eten, want dat is geen eten. nee, het is niet gezond, de geit moet eten voor een geit eten.

De geit weet niet wat goed voor hem is, dat moeten de mensen zeggen, maar die zijn niet in de buurt. Mensen moeten het afpakken, of hem voeren.”

De kleuters maken in hun denkproces hier een stap naar verantwoordelijkheid, schuld, menszijn en zorg. (zie ook boven)

Je kunt het gesprek afronden met een spelletje sorteren:

  • Wat eet jij?

Tomaten, appels, groeten, brood…

  • Word jij rood als je tomaat eet?
  • Wat kun je wel/niet eten? vraag steeds waarom /wel of niet bijvoorbeeld:

Je kunt geen spijkers eten, want die prikken in je buik. 
Je kunt niet veel snoep eten, want dat is niet gezond, dat mag niet van mama.
Je kunt wel brood eten, want dat is lekker.
Je kunt niet een appel eten als je geen tanden hebt…

Je kunt dit spelletje ook doen met voorwerpen in de kring, eetbaar en oneetbaar, alles door elkaar.
Zet dan twee grote manden neer waarin je kind iets kan doen.

Karin Glaubitz

Momenteel werk ik als trainer en docent filosofie. Ik geef filosofielessen aan kinderen, verzorg onderzoeksbijeenkomsten voor bedrijven en instellingen en werk aan de ontwikkeling van het filosofieonderwijs op basisscholen. Ik ben CoPI-gecertificeerd filosofisch gespreksleider. In mijn leven wisselden denk- en doewerk elkaar veelvuldig af, steeds op zoek naar de wisselwerking tussen die twee.

Reageren gesloten.