Twee bronnen van wetenschap

0

Rosalie de Wildt

Uit: Derksen, L. e.a. (2009). Filosoferen over Eindeloos bewustzijn. Utrecht: Uitgeverij Ten Have.

Hoewel Pim van Lommel allang als arts aan het werk was en dus dagelijks geconfronteerd werd met het sterven, vertelt hij in Eindeloos bewustzijn dat hij pas écht over leven en dood ging nadenken toen hij van dichtbij het overlijden van zijn moeder en zijn broer meemaakte. Zijn moeder overleed op 62 jarige leeftijd en zijn broer was pas 41 toen hij stierf (Van Lommel, 2007 p. 14).

Driehonderd vijftig pagina’s later concludeert Van Lommel zijn breed uitwaaierende en, naar eigen zeggen, wetenschappelijke visie op bijna-dood ervaringen en hun transformerende gevolgen, dat er voor nieuwe inzichten in leven en dood geen eigen bijna-dood ervaring nodig is.

Het gebruik van het predicaat écht als het om nadenken gaat, trok mijn aandacht.

Wat is dat échte nadenken dan waartoe het verlies van twee naaste familieleden Van Lommel aanzette? Dacht hij vóór die ingrijpende gebeurtenis dan niet écht na? Is er een verschil tussen nadenken en écht nadenken en zo ja, waar zit hem dat verschil dan in? En als we de vinger zouden kunnen leggen op een verschil, leidt het gewone denken dan tot een ander soort wetenschap dan het échte denken?

Uit de vele kritische noten van wetenschappers uit allerlei disciplines kun je in ieder geval opmaken dat de theorie van Van Lommel niet voldoende aansluiting vindt in de wetenschappelijke wereld.

In dit artikel wil ik onderzoeken of Van Lommels theorie wellicht beter zou passen bij het tijdsdenken van de Franse filosoof Henri Bergson (1859-1941) die aan het begin van de vorige eeuw met zijn lezingen en colleges over de twee manieren van denken over de werkelijkheid net zulke volle zalen trok als Pim van Lommel dat nu doet met zijn boek Eindeloos bewustzijn.

Eindeloos bewustzijn of  “de” wetenschap

Want als er iets duidelijk wordt door alle aandacht die Van Lommel ten deel valt, dan is het wel dat het ondenkbare ook in onze tijd nog niets van haar aantrekkingskracht verloren heeft. Eindeloos bewustzijn is een absolute bestseller en overal waar Van Lommel zijn verhaal over bijna-dood ervaringen komt vertellen stromen belangstellenden toe. Verwonderlijk is dat succes niet. Het is immers een troostrijke boodschap dat er leven na de dood zou zijn en het is bovendien ook nog een boodschap die in onze onttoverde samenleving aan kracht wint omdat zij ons verkondigd wordt door een cardioloog, een wetenschapper pur sang dus.

Maar het is juist díe belofte, meteen al op de omslag van het boek dat het in dit werk zou gaan om een wetenschappelijke visie op de BDE, die Van Lommel ook op veel kritiek komt te staan. Omdat hij niet aarzelt steun te zoeken voor zijn ideeën bij de meest uiteenlopende takken van wetenschap is het onmogelijk geen slordigheden te begaan. Het was dan ook te verwachten dat er een scherpe aanval zou komen van de kant van de wetenschap. Met de rode pen in de hand wordt er lustig op los gestreept om de onvermijdelijke onjuistheden aan het licht te brengen.

Natuurlijk lag het voor de hand dat het zo zou gaan met de grote verzameling al dan niet betrouwbare gegevens in Eindeloos bewustzijn. Van Lommel is dan wel cardioloog in ruste maar dat maakt hem vanzelfsprekend, en hij zal zelf de eerste zijn om dat toe te geven, nog geen expert op het terrein van bijvoorbeeld de natuurkunde, de psychologie of de verschillende grote religies.

Wat er echter ook van verschillende kanten aan kritiek gespuid wordt, je kunt Van Lommel niet verwijten dat hij zich er makkelijk afgemaakt heeft. Zijn bevlogenheid als het gaat om het, via zijn patiënten, opvangen van een glimp van het ruimere bewustzijn, dat andere bewustzijn dat het praktische leven van alledag overstijgt, is duidelijk de motor voor zijn verwoede zoektocht dwars door de meest uiteenlopende takken van wetenschap. Gegrepen als hij is, aarzelt hij niet ook de kwantumfysica en de leer van de grote religies en andere spirituele stromingen aan een onderzoek te onderwerpen en ook daar de, hem welgevallige, krenten uit de pap te halen. Zo kun je rustig zeggen dat er voor elk wat wils te vinden is in Eindeloos bewustzijn.

Een fijne taart bakken[1]

Zelf houd ik er ook erg van door de eeuwen heen verzamelde wijsheden te verkruimelen, daar vervolgens de voor mij geschikte ingrediënten uit te vissen en daar dan een fijne taart van te bakken. Wie zal zeggen of het resultaat van mijn geploeter uiteindelijk wetenschap blijkt te zijn of gewoon de vrucht van een uit de hand gelopen passie?
In dit artikel zal ik in ieder geval aan de hand van de eerdergenoemde Franse filosoof Henri Bergson proberen te betogen dat beide bronnen van denken tot zowel van elkaar onderscheiden als met elkaar samenhangende vormen van wetenschap kunnen leiden.

Binnen of buiten

‘Abnormale bevindingen zoals een BDE’, kondigt Van Lommel de richting van zijn onderzoek al aan in de inleiding, ‘geven de mogelijkheid bestaande wetenschappelijke theorieën aan te passen of te vervangen’ (Van Lommel, 2007 p. 14).

Trouw aan zijn doel rekt hij dan ook de bekende en veilige Kantiaanse grenzen van het denken op in een poging ‘tot nieuwe concepten te komen waarmee deze bevindingen wel verklaard kunnen worden’ (Van Lommel, 2007 p. 21).

Van Lommel is een man van de reguliere wetenschap en het is begrijpelijk dat hij in eerste instantie dan ook probeert binnen die wetenschap een veilig onderdak voor zijn theorie te vinden. Wie zou er niet naar streven dat het resultaat van meer dan twintig jaar gedegen onderzoek binnen de eigen kring respectvol ontvangen werd?

Het is echter geen geringe opgave om voor het ongrijpbare verschijnsel BDE een plekje tussen de hoeveelheid inmiddels wel geaccepteerde bedenksels te vinden. Van Lommel zet zich af tegen het wetenschappelijk reductionisme maar zegt tegelijkertijd zijn best te doen om termen als bovennatuurlijk of transcendent zoveel mogelijk te vermijden.

Van Lommel rammelt onafgebroken aan de tralies[2]

Aldus balancerend tussen het praktische reductionisme en het grensoverschrijdende denken, rammelt Van Lommel onafgebroken aan de tralies van de door de wetenschap zelf geconstrueerde gevangenis, de strakke scheidslijn tussen wat we met behulp van ons verstand kunnen waarnemen en benoemen en wat niet.

BDE-ers vertellen hoe ze zich tijdens hun BDE ergens aan de andere kant van de verschansing lijken te bevinden. Ze maken gewag van een onbegrensde ruimte, een plaats die Van Lommel de non-lokale ruimte gaat noemen, een term die hij ontleent aan de kwantumfysica. Daar, in die grenzeloze ruimte, zeggen ze zich bijna allemaal vrijer en gelukkiger te voelen dan ze ooit waren.

Ook verklaren ze dat ze door hun BDE tot dan toe onbekende en voor hun omgeving vaak onbegrijpelijke nieuwe inzichten verkregen hebben. Niet zelden zijn ze dan ook erg opgelucht dat Van Lommels, hoe bescheiden ook, openingen in de verschansing van het verstandelijk denken lijkt te forceren.

Eindeloos bewustzijn heeft dan misschien (nog?) niet de door Van Lommel beoogde waardering vanuit de wetenschap verworven, wél heeft het, en dat is vast belangrijker, meer inzicht verschaft aan de naaste omgeving van BDE-ers in de transformatie die hun familielid of vriend onmiskenbaar heeft ondergaan.

Want hoe je ook over het wetenschappelijk gehalte van het werk mag denken, vanuit de grote verscheidenheid van Van Lommels keuze uit de meest uiteenlopende onderwerpen klinkt steeds weer een eigen geluid van werkelijk geboeid zijn door.

Er ligt een woordloze waarachtigheid aan de grote verzameling wetenschappelijke feiten en in tabellen ondergebrachte bewustzijnstransformaties ten grondslag.

Het boek is vooral zo’n succes, lijkt me, omdat de gretige lezer tussen de zinnen door voetje voor voetje een andere, onbekende bron van wetenschap nadert. Een bron van waaruit het diepgeworteld menselijk verlangen om dichter bij het leven te komen lijkt op te wellen.

Veel bewonderaars van Van Lommel herkennen zich in wat de BDE-ers vertellen over hun bevindingen en de transformatie die daar het gevolg van was. Vanzelfsprekend zijn niet al deze mensen bijna dood geweest. Er zijn talloze andersoortige ervaringen van ‘uitstapjes’ uit de hersenpan met dezelfde gevolgen van toegenomen gevoeligheid maar helaas ook vaak van grotere eenzaamheid.

Meten of weten

Het onderzoek vroeg
Dat ik stukjes knipte
Uit leven dat ik kennen wilde
Maar alles wat geknipt werd
was dood
die ik al eerder kende

Dick Hillenius (Peelen, red., 2001 p. 16)

Om tot objectieve waarheidsgetrouwe wetenschap te komen zijn we gewend dat een met behulp van de ratio zintuiglijk waargenomen object of systeem afgebakend en geïsoleerd wordt, dat er metingen verricht en gemaakt worden en dat er overeenkomsten gezocht worden met andere objecten of systemen alvorens tot analyseren over te gaan. Dat zijn de afspraken waar men zich aan dient te houden om tot geldige resultaten te komen. Nu is dat een prima methode gebleken om tot kennis te komen als het er maar niet om gaat het levende in zijn beweging te volgen.

Maar onderzoek verrichten naar bijvoorbeeld de aard van het bewustzijn door het met behulp van het verstand in behapbare stukjes te hakken en vervolgens in tabellen onder te brengen is, naar mijn idee, vergelijkbaar met proberen grip te krijgen op de beleving van een muziekstuk door het uit te pluizen en de noten in tabellen te rangschikken.

Volgens Bergson kan het verstand het levende niet onderzoeken, omdat het pragmatisch van aard is. De werking van de hersens is gericht op het maken van keuzes die nodig zijn om te overleven. Dat het meten en categoriseren in de natuurwetenschappen tot grote resultaten kan leiden, betekent dan ook niet dat het die werkwijze ook in staat is door te dringen in het wezen van de werkelijkheid.

Als er iemand overlijdt van wie we houden dan kan geen weegschaal wegen hoe zwaar dat verdriet is en geen liniaal kan meten hoeveel tijd we bezig zijn met het verwerken ervan. Het enige wat we merken is hoe we het verdriet beleven. Als het gaat om een gemoedstoestand ervaren we dat er geen afgebakend begin en eind aan is. Verdriet gaat over in vreugde en vreugde in angst. Angst kan weer overgaan in onverschilligheid of juist overmoed. De ene toestand wordt meegenomen in de volgende, drukt daar zijn stempel op en kan juist daarom nooit op precies dezelfde manier terugkeren. De blik naar binnen toont ons het bewustzijn als een continue stroom van onderscheiden en onomkeerbare toestanden.

Proefschrift Henri Bergson[3]

Ruim honderd jaar geleden beschreef Bergson in zijn proefschrift Essai sur les données immédiates de la conscience hoe, op het moment dat we ons bewustzijn waarnemen door af te dalen in onszelf, er helemaal geen sprake meer lijkt te zijn van indeling in minuten, uren, dagen en maanden. Toch worden onze gemoedstoestanden wel degelijk als een temporele ontwikkeling ervaren. Het verdriet komt na de vreugde, de onzekerheid na de schrik. Het lijkt op andere niveaus in ons bewustzijn ook om een ander begrip van tijd te gaan.

Bergson noemde die tijd, die eindeloos voort stroomt en onmeetbaar is, duur of ook wel werkelijke tijd. Klokkentijd is, stelde hij, niet meer dan een praktisch hulpmiddel voor het alledaags bestaan maar onze horloges en klokken zijn slechts speldenknopjes in een allesomvattende stroom echte of zuivere tijd.

Met een knipoog naar Van Lommel, die het idee van de non-lokale verstrengeling van het bewustzijn uit de kwantumfysica aanwendt om de werking van dat bewustzijn te verhelderen, zou je Bergsons tijdsopvatting misschien wel de non-temporéle verbondenheid van het bewustzijn kunnen noemen. In beide gevallen gaat het in ieder geval om een ander, niet met het verstand te vatten, concept van ruimte en tijd. Onmeetbare ruimte en eindeloze tijd, die beide, als we de bevindingen van de kwantumfysica en de waarnemingen van ons eigen innerlijk serieus nemen, ineens toch wel erg werkelijk kunnen worden.

Het vermogen om de diepten van de innerlijke ervaring te betreden en zo de minder toegankelijke bron van kennis te naderen lijkt ook opheldering te brengen als het gaat om psychologische zaken als waarneming, geheugen, lichaam en ziel.

‘Er is bijvoorbeeld de veel voorkomende ervaring van menschen die uit doodsgevaar gered worden, dat men in het oogenblik, dat men voor het laatste houdt, zich zijn geheele leven in een bliksemsnelle opeenvolging herinnert’.

Pos (1940 p. 21)

Bergson brengt zulke ervaringsfeiten, waar Van Lommels BDE-ers ook regelmatig melding van maken, in het perspectief van een interessante visie op de aard van het geheugen. Hij denkt dat het geheugen in dienst staat van het handelen; het verschaft ons bij waarneming beelden, die bij de situatie passen op grond van een lichamelijk automatisme dat zich in het verleden gevormd heeft.

Het gaat hier om het geheugen dat in dienst staat van het lichaam. Alleen beelden die nuttig zijn voor de te voltrekken handeling worden in het bewustzijn toegelaten.
Maar naast dit aan het lichaam en het handelen gebonden geheugen staat de herinnering, die veel meer omvat.

‘Ze treedt in werking, wanneer voor ons lichaam de noodzaak tot handelen tijdelijk is uitgeschakeld’ (…) ‘Ook de illusie van de herkenning wordt van hieruit begrijpelijk: wanneer de “aandacht bij het leven” zwak is, verslapt het onderscheid tusschen heden en verleden en treedt een wisselwerking op, die bij normale spanning is uitgesloten’.

Pos (1940 p. 22)

Zulke, niet op het handelen gerichte, herinneringen komen bijvoorbeeld vrij als we dromen maar ook als we de dood nabij zijn. Zij lijken ons naar een andere bron van kennis terug te brengen.

Henri Bergson[4]

Van Lommel staat niet ver van Bergson af als hij schrijft:

‘Na een BDE houdt men meestal tot zijn eigen grote verwarring dezelfde mogelijkheid van non-lokale verbondenheid. Buiten de wil om blijft de mogelijkheid van communicatie voorbij tijd en afstand bestaan. Dan is er sprake van een verhoogde intuïtieve gevoeligheid’.

Van Lommel (2007 p. 208, 209)

Natuurlijk kan er geen onderzoek plaatsvinden zonder dat er van alles door de bril van de onderzoeker gekleurd werd. De wetenschapper heeft, omdat hij nu eenmaal mens is, altijd een vooringenomen mening over het te bestuderen object.

Bergson meent echter dat we op de gebruikelijke manier nooit een onderwerp écht zullen leren kennen. Daar is, volgens hem, een ander soort waarneming voor nodig, een zuivere, niet door het verstandelijk denken versluierde, manier van ervaren, die plaatsvindt buiten elke symbolische voorstelling om. Een niet zintuiglijke manier van meebeleven, een waarneming die vrij is van voorstelling. Voor deze onversluierde en onmiddellijke ervaring geldt juist niet dat wat de verlichtingsfilosoof Immanuel Kant (1724-1804) ooit beweerde, namelijk dat alles wat je ziet blind is als het door het verstand niet gekend kan worden. Nee, volgens Bergson, zijn aanschouwingen zonder begrippen helemaal niet blind. Wat je op die andere manier ervaart is juist écht, het is een ander soort kennis die Bergson in tegenstelling tot de gebruikelijke opvatting van de notie empirisme, het zuivere empirisme noemde.

Opvallend is dat Bergson die andere bron van kennis waar dit zuivere empirisme uit voort kan vloeien als de meest exacte vorm van wetenschap ziet.

Knippen of plakken

Om de dingen onbevooroordeeld waar te kunnen nemen en de neigingen van onze geest om de werkelijkheid in fragmenten te splitsen en in symbolische constructies te gieten te onderdrukken, moet de gebruikelijke denkarbeid omgedraaid worden. In plaats van categoriseren en in tabellen onderbrengen van datgene waar we meer over te weten willen komen, zouden we het te bestuderen object ‘sub specie durationis’, in het licht van de duur, kunnen zien. Om toegang te krijgen tot de tweede kennisbron moeten we, volgens Bergson, zien hoe alles deel uitmaakt van de stromende tijd. Datgene wat we aan een onderzoek willen onderwerpen maar ook wijzelf zijn onderdeel van de eindeloos voortgaande tijd. Als we dat vermogen verworven hebben, zijn we in staat het andere of de ander in zijn beweging te volgen om er zo veel exacter, want van binnenuit, kennis van te nemen. Een moeilijke opgave want het vereist een heel nieuwe inspanning, één waarvan ik denk dat we hem, in onze cultuur, van jongs af aan stukje bij beetje afgeleerd zijn.

Time Flies Clock[5]

Zolang we tijd beschouwen als klokkentijd dan tikken de minuten en uren onverbiddelijk door en aan het eind van ons bestaan lijkt de tijd op. Anders wordt het als we het vermogen verwerven getuige te zijn van de beweging en transformatie als meest stabiele eigenschappen van het leven. Vanuit die bron van kennis en die nieuwe grondhouding kunnen we veel, ogenschijnlijk wonderlijke, verschijnselen zoals bijvoorbeeld een BDE wellicht wat beter begrijpen.

Zich ontworstelend aan de cocon van het gebruikelijke wetenschappelijke denken, schuift Pim van Lommel met zijn Eindeloos bewustzijn op in de richting van de Bergsoniaanse levensfilosofie. Wie door Van Lommels haat-liefde verhouding met de de verstandelijke bron van de wetenschap heen kijkt, merkt hoe hij, wellicht vanuit het besef dat er met het sterven geen eind aan de tijd en dus aan het leven lijkt te komen, intensief luistert naar en, in Bergsoniaanse termen, ‘sympathiseert met’ hen die de dood nabij waren.

Er is kennis van een andere bron van wetenschap voor nodig om open te staan voor het feit dat er ‘verschijnselen worden ervaren die wijzen op een non-lokale verbondenheid met gevoelens en emoties van anderen. Men bevindt zich met zijn verruimde bewustzijn in een dimensie waar tijd en afstand geen rol meer spelen’. (Van Lommel, 2007 p. 211)

Hoe dicht de andere bron van wetenschap benaderd kan worden, valt natuurlijk niet te meten maar het lijkt me onontbeerlijk dat er, om sowieso iets zinnigs te kunnen schrijven over bevindingen waar eigenlijk geen woorden voor zijn, een opening naar buiten het verstandelijk denken moet zijn gebleven of opnieuw ontstaan.

Gesloten of open

Het verstandelijk denken is niet ons enige geestelijke vermogen. Het wordt in de recente geschiedenis flink overschat omdat ervan gevraagd wordt wat het niet kan bieden namelijk kennis van het wezen van de dingen. Men vergeet vaak dat er een manier van denken is die deze kennis wel verschaft: de intuïtie. Het exacte intuïtieve denken brengt ons dichter bij de werkelijkheid, die zich kenmerkt door een continu worden.

In het gewone (waak)bewustzijn is de duur al aanwezig telkens wanneer het niet met handelen bezig is. Er is geen nauwe scheidslijn tussen de onontbeerlijke mogelijkheden van het neurale netwerk, het cerebrale denken en het intuïtieve, mentale denken. Maar telkens als we stoppen met ons te verlaten op ons praktische verstand merken we dat we ondergedompeld worden in een stroom van telkens in intensiteit wisselende indrukken. Een verschijnsel dat vergelijkbaar is met wat we in onze tijd wel ‘flow’ noemen.

Onze hersenactiviteit lijkt binnen het bewustzijn slechts het puntje van een ijsberg te zijn. We ervaren grotendeels onbenoembare gevoelens, die in elkaar overvloeien en die uitdijen of weer in kracht afnemen. Door de continue beweging van al deze oncontroleerbaarheid valt er weinig te meten of in te delen. Wel kunnen we het verschil in intensiteit van al die ervaringen heel duidelijk merken. De telkens veranderende stemmingen kenmerken zich dan ook eerder door kwaliteit dan door meetbaarheid of kwantiteit.

Nietzsche[6]

Bij het bestuderen van het bewustzijn duikt ook voor Van Lommel steeds weer het volgende probleem op: Willen we alles weten van de naar buiten gerichte, praktische beweging van het verstand en sluiten we af wat niet past in het vastliggende stramien van ons ‘waakbewustzijn’? Of willen we dichterbij de werkelijkheid komen door te luisteren naar wat in de grenzeloze ruimte van ons eindeloze bewustzijn lastig met elkaar verweven lijkt. Als het gaat om het simpele overleven lijkt het alsof deze chaos ons meer in de weg staat dan tot steun is. Maar overleven alleen is niet voldoende om ook echt lévend te zijn, om iets te kunnen creëren, hoe bescheiden ook en daar al doende waarachtige vreugde aan te beleven. Hoe belangrijk is dan de chaos waar we normaliter liever niet te dichtbij willen komen?

Nietzsche (1844-1900) liet Zarathustra al zeggen dat men nog chaos in zich moet hebben om een dansende ster te kunnen baren!

Cerebraal of mentaal

‘Waar komen we vandaan? Wat doen we hier? Waar gaan we heen?’

Als de wijsbegeerte echt niets had te antwoorden op deze vragen, die van levensbelang zijn of als zij niet in staat was een voortschrijdend inzicht te krijgen in deze vragen, zoals dat het geval is met een biologisch of historisch probleem, of als ze haar licht er niet op zou kunnen laten schijnen door een steeds diepere ervaring en een steeds scherpere kijk op de werkelijkheid, als haar taak zich moest beperken tot het bestendigen van het geschil tussen hen die de onsterfelijkheid verdedigen en hen die haar, om redenen die ze ontlenen aan het hypothetische wezen van ziel en lichaam, ontkennen, dan zou je terecht — zij het in een andere betekenis — met Pascal kunnen zeggen, dat zelfs niet één uur besteed aan de wijsbegeerte de moeite loont.

Zeker, de onsterfelijkheid kan niet experimenteel bewezen worden, alle ervaring heeft betrekking op een beperkte duur en als de godsdienst van onsterfelijkheid spreekt, beroept ze zich op de openbaring. (…) Als het werk van de hersenen overeenkwam met het bewustzijn in zijn geheel, als het cerebrale gelijkstond aan het mentale, zou het bewustzijn de levensloop van de hersenen volgen en de dood zou het eind van alles zijn; dan zou de ervaring daar althans niet mee in tegenspraak zijn en dan zou de filosoof die aan het voortbestaan vasthoudt zijn stelling slechts kunnen baseren op een of andere metafysische constructie, wat over het algemeen een zwakke basis is.

Maar als, zoals we hebben geprobeerd aan te tonen, het geestelijk leven dat van het cerebrale overschrijdt, als de hersenen zich beperken tot het omzetten in bewegingen van slechts een klein gedeelte van wat zich afspeelt in het bewustzijn dan wordt het voortbestaan zo waarschijnlijk dat de bewijslast zal komen te rusten op degene die het ontkent, veel eerder dan op degene die er wel van uitgaat.
Want de enige reden die we hebben om te geloven aan een uitdoving van het bewustzijn na de dood is dat je ziet hoe het lichaam zich ontbindt en die reden verliest haar waarde als de onafhankelijkheid van bijna het gehele bewustzijn ten opzichte van het lichaam ook een ervaringsfeit is’.

Statisch of dynamisch

Loesje poster[7]

Het leven beweegt zich, volgens Bergson, heen en weer tussen twee beide denkwijzen, die van het cerebrale denken, het ‘hersenwerk’ dus en die van het mentale denken, een intuïtief denken dat uit een ruimer bewustzijn lijkt op te wellen. Door de gebrekkigheid van onze vermogens of wellicht door de zegeningen van het ontwerp van welke grote planmaker dan ook, botsen we steeds tegen grenzen aan. We zoeken die grenzen naar beide kanten liever niet op want bij het overschrijden ervan zijn we, ik denk terecht, bang dat er problemen kunnen optreden bij het behappen van ons dagelijks bestaan.

De mens is nu eenmaal niet erg geschikt voor grenzeloosheid.

Critici van Van Lommel zijn gericht op het structureren en bewerken van de materie en ze hebben een sterke voorkeur voor de ogenschijnlijke zekerheid die het materialistisch en verstandelijk denken kenmerkt. Bewonderaars voelen zich aangetrokken tot de gedachte dat er een eindeloos bewustzijn zou zijn, wellicht vanuit een aangeboren of anderszins verkregen grotere vertrouwdheid met die andere bron van kennis.

Een precieze studie naar de werking van het bewustzijn lijkt een onmogelijke opgave als er een keuze gemaakt dient te worden tussen de ene of de andere richting van denken. Een keuze tussen de ene of andere soort ervaring. Tussen enerzijds de van het verstand gescheiden zintuiglijke ervaring van consequente empiristen zoals Hume en de Kantiaanse aan banden gelegde waarneming en anderzijds Bergsons onmiddellijke en ongesluierde ervaring van de werkelijkheid.

Maar is het mogelijk of zelfs noodzakelijk een keuze te maken tussen de twee bronnen van wetenschap?

Het bewuste leven kan zich tonen op verschillende manieren: soms, de BDE lijkt mij daar een goed voorbeeld van, valt ons ineens een onvertroebelde en onmiddellijke blik op de werkelijkheid ten deel. Meestal echter nemen we de dingen des levens waar alsof we door een immense caleidoscoop kijken. Dat laatste is inderdaad vaak het geval in het leven van alledag. In onze ‘struggle for life’ zijn we er nu eenmaal aan gewend geraakt ons verstandelijk denken aan te wenden om onze omgeving in statische stukken en brokken op te delen. Zonder de hersens als keuzemachine zouden we overstelpt raken door indrukken en vast de kluts kwijtraken.

Maar zoals BDE-ers ons laten zien is er ook een ander soort waarnemen. Een ogenschijnlijk wonderlijke en bijna kosmische ervaring waarbij je zelf onderdeel lijkt te worden van de grenzeloze ruimte en de immer voortgaande tijd.

Licht en tunnel[8]

Ze vertellen over licht en tunnels en liefde, en herinneren zich zelfs de kleinste gebeurtenissen in hun bestaan met een onbegrensd vermogen tot herinneren.

Bergson gebruikt de metafoor van de omgekeerde kegel om de werking van het bewustzijn uit te beelden. Helemaal in de punt die op de wereld drukt (de kegel staat immers onderste boven!) bevindt zich het verstand, de hersenen, het stoffelijk geworden denkvermogen, dat het mogelijk maakt de materie te bewerken. Het is de plek van het praktische geheugen, zo broodnodig voor het dagelijks bestaan. Daar, in dat cerebrale geheugen, ligt handig opgeslagen waar je brood kunt kopen en hoe laat je afgesproken hebt met de dokter.

Het verstand is het werktuig van een zuiver en eindeloos bewustzijn dat veel meer is dan alleen maar een opslagplaats in het neurale netwerk. Bergson noemt dat ruimere bewustzijn pure herinnering en omschrijft het als een ‘vergeestelijkt’ aspect van ons ‘zijn’. Alles wat we ooit hebben waargenomen wordt volgens hem bewaard in die niet aanwijsbare, grenzeloze, wellicht non-lokale ruimte.

Hij ziet het bewustzijn balanceren in een heen en weer gaande beweging van de punt van de kegel naar de openstaande bovenkant. Tussen het ijler wordende bewustzijn dat mee lijkt te willen gaan met de eindeloos stromende dynamische werkelijkheid en de toenemende verstarring die ons praktische verstand nu eenmaal nodig heeft om de materie te kunnen bewerken. Een leuk beeld dat, als het klopt, een verklaring zou kunnen geven voor het feit dat BDE-ers op het moment dat het verstand even het zwijgen is opgelegd, als vanzelf weer in contact lijken te komen met het ruimere bewustzijn dat zich steeds verder opent, gevoed wordt door alles wat er is en op haar beurt ook zelf weer bijdraagt aan het alledaagse leven.

Van Lommel suggereert overigens, in de lijn van Bergson, die naar ik mij herinner een vergelijking maakte met radiogolven, dat ons brein vergeleken zou kunnen worden met een televisietoestel dat informatie ontvangt uit elektromagnetische velden en die vervolgens decodeert tot beeld en geluid. (Van Lommel, 2007 p. 245)

Voor wie zich niet altijd meer in de ‘punt’ van de kegel bevindt, wekt de ‘transformatie’ die mensen meemaken ten gevolge van een BDE geen verwondering. Zij zijn vertrouwd met de verandering die kan ontstaan na een gevoel van sterke verbondenheid met het leven en ze voelen nog steeds de diepe vreugde, die daarmee gepaard ging. Ze vergeten nooit meer hoe de van jongs af aan in onze cultuur geleidelijk afgeleerde levenskunst zomaar ineens weer leek teruggekeerd.

Verstand of intuïtief denken

Misschien dat het daarom is, omdat het afsluiten van de onmiddellijke waarneming voor hen nog serieus moet beginnen, dat kinderen veel makkelijker buitenlichamelijk ervaringen hebben die niets te maken hoeven hebben met zoiets heftigs als een BDE. Als het bewustzijn nog niet doorkliefd wordt door de uit puur levensbehoud opgerichte scheidslijn tussen verstand en intuïtief denken, is het makkelijker heen en weer te reizen en uitstapjes te maken.

‘Vooral op jeugdige leeftijd, zegt Van Lommel dan ook, kan een spontane uittreding worden ervaren zonder dat er sprake was van een levensbedreigende situatie’.

Van Lommel (2007 p. 96)

Jan Bor schrijft in zijn boek Op de grens van het denken dat dergelijke ervaringen, en ik denk dat het niet uitmaakt of het nu gaat om spontane uittredingen of BDE’s

‘redelijk gesproken onoverdraagbaar zijn, maar ons niettemin inzicht verschaffen tot dat wat er is. Zulke ervaringen mogen vanwege hun onmededeelbaarheid niet ontkend worden. Van de werkelijkheid waarmee ze ons in contact brengen dienen we ons rekenschap te geven, ook als we daarmee ons eigen onvermogen om er iets redelijks over te zeggen moeten bekennen’.

Bor (2005 p. 92)

Met Eindeloos bewustzijn lukt het Van Lommel op zijn heel eigen, tastende manier, ondanks de ‘redelijk gesproken’ onmogelijke opgave om ervaringen van het ruimere bewustzijn in taal te vatten, zegkracht te geven aan het onbeschrijfbare. Dit was niet mogelijk geweest als hij geen weet had gehad van een andere bron van kennis.

Wie voor het eerst op een berg staat vergeet het uitzicht nooit meer.

Pim van Lommel stond op die berg toen zijn moeder en zijn broer stierven.

Een dertienjarig meisje zit met opgetrokken knieën aan de oever van de Sminkevaart bij Oude Mirdum in Gaasterland. Turend naar de glinsterende stekelbaarsjes vangt ze zomaar een glimp op van iets heel anders. Ze is niet meer waar ze was, ze is overal. Ze woont in de ritselende blaadjes, de krakende bomen en de wegschietende vissen. Nooit meer zal ze vergeten dat ze er ineens even helemaal bij hoorde.

  • Bergson, Henri (1959). Oeuvres, Édition du centenaire. Paris: Presses universitaires de France.
  • Boer, Johan A.( 2003). Neurofilosofie, Hersenen, bewustzijn, vrije wil, Amsterdam: Uitgeverij Boom
  • Bor, Jan (1990). Bergson en de onmiddellijke ervaring. Amsterdam: Boom.
  • Bor, Jan (2005). Op de grens van het denken. Amsterdam: Bert Bakker.
  • Lommel, Pim van (2007). Eindeloos bewustzijn, Kampen: Ten Have.
  • Pascal, Blaise (1963). Gedachten. Utrecht
  • Peelen, Gert J. (red.) (2001). Dichter bij de waarheid. Zoetermeer: Meinema.
  • Pos, H.J. (1940) Uren met Bergson. Baarn: Hollandia Drukkerij.
  • Tongeren, Paul van (2002). Over het verstrijken van de tijd. Nijmegen: Valkhof Pers
  • Verweij, Désirée en Frans Jespers (2001). Passie en persoonlijkheid. Assen: Kon. Van Gorcum.
  • Zohar, Danah (1990). Het quantum — zelf, Een revolutionaire visie op de samenhang tussen mens, bewustzijn en quantumfysica. Utrecht: Het Spectrum.

[1] Bron: taarten-bakken
[2] Bron: tralies
[3] Bron: Proefschrift Henri Bergson
[4] Bron: Henri Bergson
[5] Bron: The Swallow X CLOCK by Haoshi waits for no one
[6] Bron: Also sprach Zarathustra
[7] Bron: Loesje poster
[8] Bron: licht en tunnel

studeerde af in de wijsbegeerte op Meer feest! een beschouwing over tijdsdruk aan de hand van de tijdsopvatting van de Franse filosoof Henri Bergson. Zij probeert met haar filosofisch getinte lezingen over tijd en tijdsdruk een adempauze in het vaak zo gehaaste bestaan te brengen. De levensbeschouwing van Bergson is daarbij een belangrijke inspiratiebron.

0