Vriendschap

0

Rosalie de Wildt

WW knipoog 49

Voor de vriendschap geldt, denk ik, hetzelfde als wat Erich Fromm over de liefde beweerde, namelijk dat de meeste mensen zich hun leven lang afvragen hoe ze bij anderen gevoelens van vriendschap kunnen opwekken, terwijl maar weinigen zich bezighouden met de vraag hoe het vermogen tot vriend zijn te verwerven.

Wijnglas met de Vriendschap ― toegeschreven aan David Wolff[1]

Maar van welke kant we de vriendschap ook benaderen, we doen er vaak wel flink ons best voor omdat we van jongs af aan al weten dat we ze nodig hebben die vrienden! Ze zijn onontbeerlijk in ons leven om ons het gevoel te geven er bij te horen, om ons met allerlei kleine of grote problemen te helpen, om met ons mee te lachen of soms ook te huilen, kortom ze zijn broodnodig om de eenzaamheid van het bestaan een beetje uit te houden. Zonder vriendschap zou de mens een veel te zware last op de schouders te torsen hebben, sterker nog zou onze evolutie misschien allang tot een eind zijn gekomen.
Wellicht kropen er, als mensen geen vrienden hadden, al lang weer bacteriën en wormen glibberig langs elkaar heen op een totaal onverschillige wereld.

Wanneer kun je van vriendschap spreken? Allereerst is er natuurlijk een ontmoeting nodig om sowieso te kunnen ontstaan. Nu is ‘ont’ een voorvoegsel dat het erna komende tegenspreekt … ik ontgroei mijn vrienden betekent bijvoorbeeld dat ik niet lekker flexibel met ze meebuig, nee ik verlaat het vertrouwde ritme en denk vlugger te gaan of juist langzamer. De doodsteek voor zulke aflopende vriendschappen lijkt overigens zelden het ontgroeien op zich, maar meer het stokken van het gesprek vaak uit angst de vriendschap te verliezen.
Goed, ontmoeten dus. Dat zou dan betekenen: niet moeten.
Kijk dat is nou leuk: vriendschap begint met ‘niet moeten’. De vraag is vanzelfsprekend meteen wat moet er dan allemaal niet?

Voor het voortbestaan van vriendschap in de wereld hoeven de volgende zaken naar mijn ervaring helemaal niet: samen op de bank koffiedrinken en een gepaste tijdspanne praten, vooral niet vergeten terug uit te nodigen, wenskaartjes sturen en verjaardagen onthouden.

Nu is het grappig dat in onze samenleving al deze handelingen juist steeds wel schijnen te moeten om onze contacten, belangrijk of minder belangrijk, te onderhouden. Ze hebben vaak weinig meer te maken met de oorspronkelijke en spontane ontmoeting die op haar beurt toch de basis is van vriendschap. Kortom vriendschap is niet slechts te definiëren door de som van bovengenoemde bezigheden. Wat is vriendschap dan nog meer?

Vaak moet ik bij deze vraag denken aan Nietzsches Zarathustra, die door hoogmoed eenzaam geworden, in het gelijknamige boek, uiteindelijk instortte en voorover gebogen wanhopig zat te snikken. Maar de redding was nabij!

Zie, de hem omringende dieren kwamen hem in grote getale troosten waarbij zijn vriend de leeuw zelfs zachtjes de gestreepte zware kop in zijn schoot legde … Het resultaat was dat Zarathustra het hangende hoofd oprichtte, wonderbaarlijk opknapte van al die eenvoudige wezens en zo het leven weer aankon.

En Nietzsche zelf?
De arme, eenzame filosoof met de hamer had blijkbaar, zoals we in zijn hoofdwerk lazen, wel degelijk een clou van hoe vriendschap eruit zou kunnen zien, maar het was hem, wellicht levenslang gehinderd door de talrijke blinde vlekken die een adelaarsblik nu eenmaal vaak met zich meebrengt, niet gegund om zijn kwetsbaarheid te tonen. Vlak na het voltooien van zijn Ecco Homo verdween hij in een tien jaar durende krankzinnigheid.

De bloedserieuze titels van de hoofdstukken van zijn laatste werk, het boek waarin hij terugblikt op zijn leven onderstrepen zijn onmacht en nodigen in ieder geval niet uit tot vriendschap:

Waarom ik zo wijs ben.
Waarom ik zo knap ben.
Waarom ik zulke goede boeken schrijf.

[1] Bron: Wijnglas met de Vriendschap (circa 1775-in of voor 1798) ― glasblazer: anoniem, glasgraveur: toegeschreven aan David Wolff, Rijksmuseum Amsterdam BK-NM-724

Avatar foto

studeerde af in de wijsbegeerte op Meer feest! een beschouwing over tijdsdruk aan de hand van de tijdsopvatting van de Franse filosoof Henri Bergson. Zij probeert met haar filosofisch getinte lezingen over tijd en tijdsdruk een adempauze in het vaak zo gehaaste bestaan te brengen. De levensbeschouwing van Bergson is daarbij een belangrijke inspiratiebron.