Taiji quan – Knokken op hoog niveau

0

Erik Hoogcarspel

Wijsheidsweb, 19 april 2017

1. Taiji als zelftechniek

Het ligt niet erg voor de hand om het in een tekst over zelftechniek te hebben over een vechtsport. (Ik gebruik hier het woord ‘zelftechniek’, dat afkomstig is van de filosoof Michel Foucault in plaats van ‘spiritualiteit’ omdat dit een achtergrond heeft waar ik weinig affiniteit mee heb). Taiji is echter niet alleen een vechtsport maar ook een zelftechniek en ik houd me er al 20 jaar intensief mee bezig.
Taiji quan (太極拳) ook wel kortweg taiji genoemd, betekent letterlijk ‘het toppunt van vuistvechten’, of ‘vechtsport van de bovenste plank’. In oudere boeken wordt het meestal gespeld als t’ai chi chuan. De accenten geven hier de toon aan waarmee de lettergrepen moeten worden uitgesproken, maar ze hebben geen betekenis voor iemand die geen Chinees spreekt, daarom zal ik ze weinig gebruiken. Bij vechtsport ben je erop gericht om een tegenstander uit te schakelen, er is dus een zekere agressie in het spel, hoe kan dit toch bijdragen aan de ontwikkeling van een persoon? Om te beginnen is taiji niet agressief. Mijn eerste leraar zei altijd: ‘als je boos wordt, heb je al verloren’. Verder is taiji een zacht soort vechtsport, waarbij je zo weinig mogelijk je eigen kracht gebruikt. Het is de bedoeling om de kracht van de tegenstander tegen hemzelf te richten. In China onderscheidt men de harde vechtsporten, de verschillende soorten gongfu of wushu, van de zachte: dit zijn taiji, bagua (Bāgua Zhǎng) en xinyi (Xing Yi Quan). De beide laatste vechtsporten zijn nauwelijks bekend in het westen en ik zal daar verder niet op ingaan.

2. Opa in het park

Wat is taiji eigenlijk? In China en soms ook in grote steden elders in de wereld, zie je vaak mensen in het park taiji beoefenen. Als je dit ziet, zou je niet zeggen dat het om een vechtkunst gaat. Het lijkt meer een soort dans, die heel langzaam en soepel wordt uitgevoerd. Wie even blijft kijken, ziet dat er een vaste volgorde van bewegingen is en dat er soms herhalingen voorkomen. Zo’n serie bewegingen wordt vaak aanduid met het Japanse woord kata of vorm. Er zijn verschillende vormen, de kortste bestaat uit 24 posities, de langste uit 108. Wie met taiji begint, moet eerst zo’n vorm uit zijn hoofd leren. Een praktisch voordeel hiervan is dat je zo’n vorm overal kunt oefenen als je deze eenmaal kent. Je hoeft niets bij je te hebben, er is geen speciale kleding voor nodig en je kunt al oefenen op een rustig plekje buiten of in een ruime hotelkamer. Natuurlijk kom je er niet met oefenen alleen, zo nu en dan heb je ook aanvullende instructies nodig van een meester. Veel mensen denken dat een vorm kunnen lopen al genoeg is. Als je echter ziet hoe een gevorderde een vorm uitvoert en je probeert het na te doen, merk je direct dat dit toch niet zo gemakkelijk is. In dit opzicht lijkt taiji inderdaad op een dans of op het bespelen van een muziekinstrument. Het is zelfs zo dat er altijd verbetering mogelijk is, zelfs de meest ervaren meester werkt nog aan zijn vorm.

Het ongewone aan taiji is dus dat het een vechtkunst is waarbij je geen fysieke tegenstander nodig hebt. Als je taiji beoefent, ben je je eigen tegenstander. Je vecht tegen je eigen onvermogen en onhandigheid. Je kunt ook zeggen dat de tegenstander virtueel is, want je doet steeds alsof er een echte tegenstander tegenover je staat. Er is wel een soort oefening met een partner, die tūi shŏu of handenduwen wordt genoemd. Daarbij plaats je de rug van een hand tegen die van je tegenstander en duwt die zachtjes weg. De ander geeft mee en duwt vervolgens terug. Zo proberen beide partners elkaar uit evenwicht te brengen, want je mag je voeten niet verplaatsen. Er is ook een methode waarbij je beide handen gebruikt. Zelfs dit is echter niet zozeer een gevecht, maar meer een spel en er is geen sprake van dat iemand zijn partner probeert te verwonden, in tegendeel.

3. Rust

Wie iemand taiji ziet beoefenen, merkt meestal dat er een zekere sereniteit vanuit gaat. Het is heel wat anders dan bijvoorbeeld boksen of voetballen. Alhoewel de bewegingen rustig en ogenschijnlijk moeiteloos worden uitgevoerd, gebeurt dit toch met een grote concentratie. Mensen babbelen niet met elkaar terwijl ze bezig zijn, niemand kijkt opzij of naar het weer. De ogen volgen strak de bewegingen, al is er niets bijzonders te zien. Dit betekent dus dat lichaam en geest harmonieus samenwerken.

Beginners hebben hier moeite mee, omdat ze steeds proberen zich de volgende beweging te herinneren. Je ziet dit direct en het gevolg is altijd dat de bewegingen karakterloos worden, of dat iemand zijn evenwicht verliest. Als je wat verder bent, heb je de neiging te ontspannen te worden en dwaal je af, zodat je bewegingen overslaat of vergeet waar je mee bezig bent. Als je vorderingen maakt, merk je steeds meer dat het al je aandacht vergt om de bewegingen op een natuurlijke manier uit te voeren.

4. Mentale training

Een groot deel van de training is dus training van de geest. De beoefening heeft daarom tot gevolg dat je meer ontspannen wordt, helderder, meer geconcentreerd en inventiever. Je kunt lichaam en geest niet los van elkaar zien. We merken dit al in het alledaagse leven. Iemands lichaamshouding zegt veel over zijn mentale toestand. Iemand die loopt te zoeken of die haast heeft, loopt een beetje voorover, iemand die wandelt en er zijn gemak van neemt heeft de neiging wat achterover te lopen. De concentratie die je nodig hebt bij het beoefenen van taiji gaat daarom gepaard met een lichaamshouding die altijd rechtop is, maar niet krampachtig, op een ontspannen manier. Het is alsof je met een touwtje aan je kruin aan de hemel vast zit en je stuitje met een elastiekje aan de aarde. Deze houding maak je je gaandeweg eigen en daarom heb je de neiging wat meer ontspannen te gaan lopen. Je merkt zo dat lichamelijk evenwicht vanzelf geestelijk evenwicht bevordert.

5. Voorstellend denken

De samenwerking van lichaam en geest is filosofisch moeilijk te verklaren. Men ziet het in het algemeen als een soort mysterieus gegeven, het zogenaamde mysterie van het leven. Dit mysterie hangt samen met een soort dualisme waar moeilijk aan te ontkomen lijkt te zijn. De ervaring leert nu eenmaal dat kiespijn bijvoorbeeld sneller geneest door een tandartsboor dan door een gebed. Materiele standen van zaken worden het beste veranderd met behulp van materiele middelen. Zelfs de psychoanalyse, die toch geestelijke problemen zegt op te lossen, legt het af tegen de huidige materiele medicijnen. Sommigen gaan zelf zo ver te zeggen dat er helemaal niet zoiets bestaat als een geest of een bewustzijn. De Amerikaanse filosoof Daniel Dennet denkt dat wat we ‘bewustzijn’ noemen gewoon een effect is van de werkzaamheid van miljoenen neuronen en het boek ‘Wij zijn ons brein’ van de hersenwetenschapper Dick Swaab was in 2011 een bestseller, hoe onzinnig de boodschap ook is.

Wat is er mis met ons wereldbeeld, hoe komt het dat we de eenheid van lichaam en geest zo moeilijk kunnen denken? Een gedetailleerd antwoord is lang en vraagt een uiteenzetting van de geschiedenis van de westerse filosofie. Zo ver wil ik hier niet gaan, maar het komt er in het kort op neer dat het is begonnen met de filosoof Parmenides, die leefde rond 500 v.j.. Hij stelde de werkelijkheid gelijk aan denken en vatte denken op als zich voorstellen. Iets dat echt bestaat, is daarom iets dat je je logisch noodzakelijk zo moet voorstellen en omgekeerd. Beweging kun je je niet voorstellen, want iets kan alleen bestaan als het zich op een bepaalde plek bevindt. Als het beweegt is het niet hier en niet daar. Maak maar een foto van een rijdende auto: op de foto zie je niets rijden. Waarnemingen kun je je niet voorstellen, want elke waarneming is een verrassing, ze komt van buiten de geest. Parmenides verklaarde daarom beweging en waarneming tot illusie en bijna de gehele westerse filosofie is hem daarin gevolgd.

Op zich is het zich iets voorstellen erg handig. Ik zou deze tekst niet kunnen schrijven als ik me niet zou kunnen voorstellen dat iemand die zou lezen. Het grote verschil tussen een mens en een computer is dat de laatste zich niets kan voorstellen en dus geen besef heeft van wat hij doet, zelfs niet dat hij iets doet. Ook taiji is onder andere een training van het voorstellingsvermogen omdat je je een gevecht voorstelt. Het probleem is de fascinatie met de vraag wat echt bestaat en wat niet. Bovendien wordt de voorgestelde werkelijkheid als de echte opgevat, waardoor de ervaren werkelijkheid wordt vergeten.

6. Fenomenologie

Het probleem met het grootste deel van de westerse filosofie is dat men alleen voor waar houdt wat men zich als noodzakelijk waar voorstelt. Zo ontstaat de gedachte dat de wereld bestaat uit logische wetten en structuren, waarvan wat we waarnemen een soort bijproduct is. Als we dan waarneming als bron van kennis aanvaarden, dan is het een soort objectieve waarneming, die niet door iemand wordt ervaren, maar waarvan verondersteld of voorgesteld wordt dat we die allemaal zo hebben. Dit heeft geleid tot het ontstaan van wetenschap. Het heeft ertoe geleid dat we wiskundige formules zijn gaan zien als de essentie van de werkelijkheid. Het heeft een grote technische ontwikkeling tot gevolg gehad. Zonder de wiskunde zou ik deze tekst niet kunnen typen. Er is dus geen enkele reden het voorstellende denken uit te bannen. Omdat het zich echter belangrijke ervaringen zoals beweging, waarneming en de eenheid van lichaam en geest niet kan denken, is het misschien een goed idee om het aan te vullen. Waarmee? Waarmee kunnen we onze voorstellingen aanvullen? Het antwoord is belachelijk simpel: met onze ervaringen, of liever gezegd met onze gewaarwordingen!

De eerste die in de moderne tijd op dit idee kwam, was de filosoof Edmund Husserl (1859-1938). Hij stuitte op allerhande problemen toen hij een basis voor ware kennis trachtte te vinden en zijn oplossing was: ‘terug naar de dingen zelf’. De dingen zelf vormen het directe contact met de wereld om ons heen, zij kondigen zich aan in onze gewaarwordingen. We beseffen dat wij er zijn en dat we bestaan te midden van allerhande dingen doordat we gewaarwordingen hebben. Husserl noemde deze gewaarwordingen verschijnselen, fenomenen. Een fenomeen is gewoon iets dat zich aan ons voordoet. De bestudering van wat zich onmiddellijk aan ons voordoet werd ‘fenomenologie’ genoemd.

Om fenomenologie te kunnen beoefenen moet je je aandacht op een bepaalde manier richten op de dingen. Je laat even al je vooroordelen en al je objectieve kennis van hoe de wereld in elkaar zit terzijde en let alleen op hoe de dingen zich voordoen. Dat is niet een soort overgave waarbij je alles maar over je heen laat komen, het is een manier om je aandacht gericht te houden en oplettend te zijn. Husserl noemde dit de fenomenologische reductie, het beperken van de aandacht tot wat zich voordoet. Je merkt dan dat drinkwater een heel ander fenomeen is dan regenwater en dat dit zich weer anders voordoet dan zwemwater. De fenomenen hangen met andere woorden samen met hun omstandigheden. We weten dat water altijd H2O is, maar deze voorstellingskennis laten we even terzijde en dan ervaren we dat deze kennis abstract is. Voor de ervaring doet ze er niet toe. Ze overdekt het fenomeen, dat wat zich aan ons toont als drinkwater bijvoorbeeld.

Fenomenen zijn er altijd, ze vormen de vanzelfsprekende basis van al onze kennis en emoties. Zelfs wetenschappelijke modellen bestaan uit fenomenen. We kunnen bijvoorbeeld alleen iets over zwaartekracht zeggen omdat we die ervaren, we weten wat rond is, of wat licht is doordat we dagelijks ronde dingen en licht ervaren. Als we deze fenomenen niet zouden kennen, zouden de wetenschappelijke modellen waarmee ze worden verklaard niet meer zijn dan wiskundige formules. Licht wordt bijvoorbeeld uitgelegd als elektromagnetische golven, maar we zouden deze uitleg niet begrijpen, als we geen ervaring zouden hebben van licht en van golven.

7. Eenheid

Met behulp van de fenomenologie kunnen we waarneming en beweging begrijpen omdat we ze daardoor aanvaarden zoals ze zich aan ons voordoen, dat geldt ook voor de eenheid van lichaam en geest. De fenomenologie onderschrijft onze ervaring van ons lichaam, namelijk dat ons lichaam de manier is waarop we in deze wereld bestaan. Het feit dat de wetenschap zich juist hiervan geen voorstelling kan maken, is ook een gegeven, maar dat maakt onze levenservaring niet minder waar of belangrijk. Als we bijvoorbeeld onze manier van lopen zouden onderzoeken, zou een wetenschapper of een gewone filosoof daarnaar kijken vanuit het standpunt van de derde persoon en er een oorzakelijke voorstelling van maken. Als daarvan alles klopt, zegt zo iemand dat hij het heeft begrepen.

Een fenomenoloog zou zijn aandacht richten op de ervaring van het lopen en op de ruimte- en tijdsoriëntatie, de lichamelijke beleving, enzovoort. Dit zijn precies de dingen die een rol spelen bij de beoefening van taiji. We hebben dus een fenomenologische insteek nodig om de praktijk en de bedoeling van taiji goed te kunnen begrijpen. Dit betekent overigens niet dat je tijdens de beoefening alleen in het hier en nu bent. Je weet welke bewegingen je nog gaat maken als antwoord op mogelijke tegenbewegingen van je virtuele tegenstander en je beseft welke bewegingen je zojuist hebt gemaakt, anders raak je de draad kwijt. De concentratie maakt je geest licht en soepel, je houdt een klein beetje afstand en houdt zo overzicht.

8. De geschiedenis

Er zijn nogal wat legendes over de oorsprong van taiji, die niet gemakkelijk kunnen worden geverifieerd. De geschiedenis van de taiji is verder ingewikkeld en bevat vele anekdotes. Het komt er in het kort op neer dat de eerste taiji-beoefenaar waarover enige zekerheid bestaat Chen Wangting (1580-1660) heette. Deze bedacht een vechtkunst die eeuwen lang in de Chen-familie geheim werd gehouden. Het geheim lekte uit en een zekere Yang Luchan begon in de tweede helft van de 19e eeuw zijn eigen school en eigen stijl, na een lange tijd met de Chen-familie geoefend te hebben. Zo ontstond in loop van de tijd naast de zogenaamde Chenstijl taiji er ook een Yang-stijl (genoemd naar de bedenker ervan). Na verloop van tijd ontstonden er meer stijlen.

De Yangstijl is het meest bekend, daarnaast wordt nog steeds de Chen stijl beoefend en verder de Wu-stijl en de Sun-stijl.

Elke stijl heeft verschillende vormen, series bewegingen (slagen, weringen, stappen en trappen) van 24 tot wel 108. Behalve de vormen met de blote hand zijn er bovendien vormen met wapens, onder andere de stok, het zwaard en de waaier. Meestal zijn de wapens die gebruikt worden apart gemaakt om er taiji mee te beoefenen, ze zijn lichter en minder robuust uitgevoerd. Het hanteren van een wapen maakt nieuwe bewegingen mogelijk en voegt een extra moeilijkheidsgraad toe.

Steeds meer mensen ontdekken dat taiji niet alleen de gezondheid bevordert, maar ook leuk en spannend is om te doen. Ook buiten China zie je tegenwoordig vaak mensen in grote steden in een park taiji beoefenen. Er worden regelmatig in de gehele wereld toernooien gehouden en taiji is inmiddels ook een Olympische sport.

9. Inwendig en uitwendig

Er zijn zoals gezegd in China twee soorten vechtkunst: de uitwendige en de inwendige. Bij de eerste ligt de nadruk op spierkracht en snelheid. Net zoals bij de inwendige vechtkunst zijn er verschillende tradities en stijlen. Een van de oudste scholen is die van het boeddhistische Xiao Linklooster, waarvan de monniken zich begonnen te trainen in het stokvechten en zo goed werden dat ze door de vorsten werden ingehuurd om hun soldaten te trainen en later zelfs om in hun leger mee te vechten. Men zegt dat de Indiase monnik Bodhidharma, die leefde omstreeks het jaar 500, de eerste beginselen van de vechtkunst aan de monniken heeft geleerd, maar dat blijkt een verh aal dat pas aan het einde van de 19e eeuw is verzonnen. Er zijn meerdere redenen waarom monniken zich in het oude China met stokvechten zouden bezighouden. Ten eerste reisden monniken veel door het land van het ene klooster naar het andere. Daarbij was een lange stok erg handig om rovers en honden van je af te houden, het hielp bovendien bij het lopen op bergachtig terrein en je kon er een soort tentje mee maken. Als tegenwicht naast het regiem van lange meditatiesessies waren oefeningen met een stok verder een goed middel om de spieren en gewrichten in conditie te houden. Dit laatste is de reden waarom later het oefenen in vuistvechten meer in zwang kwam, het diende zelfs als een soort algemene karaktertraining.

De ontwikkeling van de inwendige traditie is voortgekomen uit de daoïstische leer van het niet ingrijpen of wu wei (無為). Er is een lange traditie in China die er de nadruk op legt dat effectief handelen niet gebaseerd is op het leveren van grote inspanning, maar integendeel juist gepaard moet gaan met een houding van ontspanning en gemak. Als je iemand iets ziet doen wat hij of zij echt goed kan, lijkt het alsof het allemaal vanzelf gaat en alsof iedereen het zo na zou kunnen doen. Als je dat dan probeert, valt het natuurlijk erg tegen. Hoe erg dit tegenvalt weet iedereen die wel eens een karaokefeest heeft meegemaakt en ‘genoten’ heeft van mensen die bekende zangers nadoen. Als je iets goed doet, doe je het zoals je het hoort te doen en zoals het bedoeld is dat je het doet. Je handelt met andere woorden in overeenstemming met de wereld, met de manier waarop de dingen uit zichzelf gebeuren en niet vanuit een eigen mening of een verzonnen foefje. Deze manier waarop de dingen zich uit zichzelf voltrekken, wordt de dao (道) of de weg genoemd. Wie handelt op de manier van het niet ingrijpen, handelt met andere woorden volgens de dao (vroeger gespeld als tao). Dit betekent niet, zoals vaak wordt gedacht, dat je alle training in spierkracht en snelheid moet afschaffen, of erop moet neerkijken alsof het iets oppervlakkigs is. Het zou best zo kunnen zijn dat sommige situaties vragen om spierkracht en snelheid. De echte volger of volgster van de dao heeft geen voorkeur, hij of zij doet gewoon wat het beste is in een bepaalde situatie. Dit is de echte betekenis van het eerste vers van het bekende boek de ‘Dao de Jīng’.

Wegen die kunnen worden gevolgd zijn voorbijgaand, woorden die kunnen worden uitgesproken zijn voorbijgaand, het onuitgesprokene is de oorsprong van de 10.000 wezens, het wordt ‘de moeder van de 10.000 wezens’ genoemd.

Er staan in dit boek trouwens veel verwijzingen naar het afzien van ingrijpen. Dit is kun je het beste opvatten als een alternatief en niet als een recept. Je bent pas vrij om te handelen volgens de dao als je beseft dat je niet per se hoeft in te grijpen en geweld te gebruiken, maar dat er met andere woorden altijd andere manieren zijn. Een goed voorbeeld is de opvoeding van kinderen: de anti-autoritaire opvoeding, een soort recept van niet ingrijpen, heeft een hoop ongelukkige en nukkige monsters gekweekt. Het is ook niet goed om kinderen te strak op te voeden en steeds te dreigen met straf, maar soms moet je een kind wel degelijk laten voelen dat je het echt meent. Als mammie altijd ‘niet boos maar verdrietig is’, wordt het kind onzeker, mammie moet soms echt boos zijn, pas dan is ze een echte mammie.

10. Openheid

De dao is dus niet te vatten, niet te verwoorden en daarom niet voor te stellen. Daarom is de taijibeoefening nooit af. Er is geen vastgesteld einddoel. Er zijn wel bepaalde stijlen, bepaalde manieren om de kennis, het woordeloze begrip dat je opbouwt met je lichaam tot een enkele harmonie te brengen. Taiji-meesters spreken van het bestuderen van een vorm, net zoals je een boek bestudeert.

De inwendige vormen leggen zich nu niet toe op spierkracht maar op het verfijnen van de souplesse en het meegeven. In plaats van de tegenstander tegemoet te treden, doet de taiji-beoefenaar liever een stapje terug of opzij. Hij of zij geeft de tegenstander alle ruimte, zonder deze ruimte uit handen te geven. Hij of zij geeft ruimte uit rijkdom, niet omdat hij door ruimte te geven zelf iets tekort komt. Een tegenaanval is een geschenk uit overvloed. Ze kost geen kracht en brengt de taijibeoefenaar niet uit evenwicht, omdat ze wordt uitgevoerd op het juiste moment. De kracht van de tegenaanval komt voort uit de harmonie van het gehele lichaam, die de kracht van de tegenstander tegen hemzelf richt. Het kost bijvoorbeeld weinig kracht om een aanstormende tegenstander te laten passeren door een stapje opzij te doen en deze vervolgens ten val te brengen. Als je een tegenstander naar voren trekt en hij biedt weerstand, is het gemakkelijk deze weerstand tegen hem te gebruiken door hem plotseling naar achter te duwen. Dit alles vraagt niet alleen veel stabiliteit en souplesse, maar ook veel concentratie en aanvoelingsvermogen. Je moet het redenerende denken en het voorstellingsvermogen overstijgen, want dit is te langzaam. Als je bewust besluit om iets te ondernemen, duurt het een halve seconde voordat de handeling daadwerkelijk plaatsvindt. Dit weten veel sportbeoefenaars trouwens. Een tennisser die een bal moet terugslaan die met een snelheid van 60 km per uur op hem of haar afkomt, moet een soortgelijk vermogen ontwikkelen.

11. Qi

Het aanvoelingsvermogen onthult de dynamiek van de beweging, deze wordt qi (氣) genoemd. Het woord heeft vele betekenissen, het betekent letterlijk ‘gas’ of ‘stoom’, maar het is niet een soort spul. Men vertaalt het woord vaak als ‘energie’, dit is echter misleidend. Ook dit woord heeft verschillende betekenissen, maar dat zijn niet dezelfde als die van qi. Energie zit in een chocoladereep en in een batterij en ontbreekt bij een vermoeid of lusteloos mens. Voor zover je zegt dat je energie voelt, komen beide begrippen overeen, maar qi voel je op specifieke plaatsen, niet overal. In het Chinees wordt in het dagelijkse leven het weer het tiān qi genoemd, de dynamiek van de hemel. Ook hier hebben we de fenomenologie nodig om te begrijpen waar over het gaat. Qi is geen substantie of stroom die je op een scan kunt zien of die je met een instrument kunt meten, het is een lichaamsfenomeen. Als iemand een beweging goed uitvoert stroomt er qi vanuit de voeten via het middelpunt van het lichaam naar het uiteinde van de beweging. Dan staan een of beide voeten stevig op de grond, ze vormen de basis van de beweging. Het midden van het lichaam fungeert dan als zwaartepunt van de beweging, die zijn voltooiing vindt in een hand of een ander lichaamsdeel. Er gaat niet iets van het ene punt naar het andere, maar er is een dynamiek die de bewegende ervaart. Het ongehinderd doorgaan, het onbelemmerde stromen zonder blokkades is de ervaring die qi heet. Als er door acupunctuur een betere doorbloeding plaatsvindt van een lichaamsdeel is er ook qi, want er is dynamiek, er zijn blokkades opgeheven.

Er is ook qi buiten het lichaam, bijvoorbeeld het weer of het landschap, waarvan we ook kunnen zeggen dat het golft en dat het op verschillende manieren gelegenheid geeft tot begroeiing. Binnen het lichaam probeert de beoefenaar van taiji zijn blokkades op te ruimen door het oefenen van zijn vormen of door het handen duwen met een tegenstander.

12. Ruimte en tijd

De ruimte is de mogelijkheid tot beweging. Door oefening word je meester over je beweging en krijg je je eigen ruimte onder controle door je in het centrum te plaatsen. Tijdens het gevecht is de tegenstander een indringer in de ruimte, hij is daar waar ik ook zou kunnen zijn. Hij belemmert me om daar naartoe te gaan. Tegelijk daagt hij me uit om mijn ruimte uit te breiden. Als ik de vorm loop, is de tegenstander denkbeeldig en algemeen, dat wil zeggen onpersoonlijk. Hij is een soort alterego. Zonder de (denkbeeldige of echte) tegenstander hebben mijn bewegingen geen zin. Beginners, die proberen zich de vorm eigen te maken of mensen die niet weten hoe te vechten, maken alleen zinloze bewegingen. Ze hebben geen ruimte. Ruimte ontstaat dus door tegenstand. Het is een fenomenologische ruimte, geen meetkundige ruimte, of de ruimte van het heelal, dit zijn geen fenomenen. Deze laatsten zijn voorgestelde ruimtes, ze worden niet ervaren en zijn voor het beoefenen van taiji zinloos. Er kan wel een objectieve ruimte opdoemen, als de vorm er niet in past, dat wil zeggen als je tegen een muur of een meubelstuk aan komt. Dit speelt echter niet mee, je past je gewoon aan door kleinere stappen te zetten of halverwege een paar stapjes terug te doen. Zelfs als je op je bed ligt en in gedachten de vorm loopt, oefen je nog taiji door concentratie en bevorder je je fysieke harmonie en gezondheid.

De ruimte wordt vergroot door een wapen, daarom is een vorm met een wapen moeilijker dan een met de blote hand. Er is gewoon meer ruimte te beheersen. De tegenstander kan dan wel een indringer zijn, maar hij is ook een gast, want ik nodig hem uit in mijn ruimte, zodanig dat hij gaat waar ik hem wil hebben. Mijn ruimte is plooibaar en past zich aan aan de tegenstander. Als hij naar voren gaat, ga ik naar achteren of opzij, zodat hij niet meer in het midden maar aan de rand van mijn ruimte staat. Dan worden zijn handelingsmogelijkheden en daarmee zijn ruimte beperkt. Ieder probeert altijd aan de ander het centrum van zijn ruimte op te leggen. De ruimte is cirkelvormig, want je komt altijd op je beginplaats terug.

Elke taiji-vorm begint met het openen van de ruimte. De mate waarin je door je knieën zakt, dus je hoogte bepaalt, bepaalt hoe breed je ruimte is. Een hoge stand betekent kleine passen. Door te oefenen leer je bewegingsmogelijkheden die je eerder niet had, je eigent je daardoor meer ruimte toe. Je kunt je oprichten of je klein maken, soms zelfs een sprong maken, je omkeren en weer terug gaan, enzovoort. Als je vaak oefent blijven deze mogelijkheden ook buiten de vorm aanwezig.

De tijd is bij het beoefenen van taiji ook fenomenologisch, het is niet de tijd van je horloge. Het is de tijd van het juiste moment, de tijd waarin een beweging voltooid is en de volgende begint. Je valt bovendien niet aan als de tegenstander dat verwacht. De tijd die hij voor ogen heeft, is die tussen zijn aanval en het resultaat en eventueel een tegenaanval. De taiji-beoefenaar valt niet aan als hij daartoe gedwongen wordt. Hij of zij wil zich eerst bevrijden van elke dwang en agressie en vrij worden om te doen wat hem of haar het beste uitkomt. Bij de beoefening van taiji maak je tijd, door je tegenstander alle tijd te gunnen. Zo wordt de tijd het gunstige moment, waarbij je handelt uit vrijheid en overvloed. Bovendien is de tijd ritmisch, ze verloopt via openen en sluiten, vol en leeg, yin (passief) en yang (actief).

In de vorm is er ook een objectieve tijd, want voor de meeste vormen is er een vaste tijdsduur. De 24-vorm in de yangstijl duurt bijvoorbeeld 5 tot 7 minuten. Dit lijkt lang, maar het is bedoeld om geduld en concentratie te oefenen. Snelle bewegingen hebben minder vrijheid, want ze zijn moeilijk te veranderen als dat nodig mocht zijn. Ze zijn ook gemakkelijker uit te voeren, want snelheid gaat ten koste van precisie. Er zijn echter grenzen, als je te langzaam beweegt verdwijnt de soepelheid. Deze is belangrijk voor de qi. Qi en tijd zijn verbonden. De vorm is een doorgaande beweging, zonder schokken, zonder onderbrekingen. Daarom zijn eigenlijk alle bewegingen in zekere zin cirkelvormig. Er zit geen begin en geen einde aan. Elk einde valt samen met het begin van de volgende beweging.

13. De meester

De meester, of in het Chinees de shīfu, belichaamt de traditie. Hij of zij geeft het voorbeeld.

Hoewel de Chinese samenleving in het algemeen vrij patriarchaal is ingesteld, zijn er binnen de taijitradities heel wat vrouwelijke meesters. De meester is nodig als bron van alle vorderingen en tevens als ijkpunt. Hij of zij beslist of de beweging juist is. Je moet veel herhalen voordat dit het geval is, niets komt vanzelf. Alleen een meester kan spontaan handelen. In het westen denkt men bij spontaniteit vaak aan de spontaniteit van een kind, maar dit is een speelse spontaniteit, die geen betekenis heeft buiten zichzelf. De spontaniteit van de meester is zinvol, ze is gericht op de ontwikkeling van de leerling. Deze spontaniteit is het resultaat van vele jaren van training en ervaring.

Iedereen kan taiji-lessen geven, maar echte vorderingen en de opbouw van een taiji-lichaam kan alleen gebeuren onder toezicht en instructie van een meester. In die zin is de ‘kunst’ in het woord ‘vechtkunst’ misleidend. Het gaat er niet om de eigen aangeboren talenten te ontplooien, maar om zich de ‘De’, de uitmuntendheid, die in voorgaande generaties is ontwikkeld, eigen te maken.

Elke meester doet dit op zijn eigen manier. Door zich te richten op het voorbeeld van de traditie, beheerst echter elke meester de uitmuntendheid op een eigen manier. Hij of zij probeert niet spontaan te zijn, maar ontkomt er niet aan eigen variaties te ontwikkelen, eigen manieren van meesterschap. Er is wel een zekere standaard van de vormen ontwikkeld om te voorkomen dat men na enkele generaties niets meer zou kunnen herkennen.

14. De ander

De ander is de tegenstander, volle concentratie uit te voeren.

Bij het handenduwen gaat het er in eerste instantie om de ander te ‘lezen’ of aan te voelen. Je probeert de zwakke en sterke kanten van de ander te herkennen en daarvan gebruik te maken door hem of haar uit evenwicht te brengen. Als je dit doet zonder te letten op je eigen sterke en zwakke punten, verlies je daarbij zelf het evenwicht. Daarom moet je niet aanvallen uit noodzaak, maar uit overvloed. Je moet vrij zijn om al dan niet aan te vallen, alleen dan ben je onvoorspelbaar. De ander is bij het beoefenen van taiji dus onmisbaar, maar het is geen persoonlijke ander. Je bent met je eigen persoon bezig en probeert door deze te ontwikkelen en meer voor de persoonlijke ander te kunnen zijn.

15. Conclusie

Taiji is een zelftechniek die werkt met zekere lenigheid hebben, net zoals bij ballet. Het kan ook gebruikt worden als een soort zelfverdediging.

Je kunt dus taiji gebruiken zoals je dit zelf wilt. Hoe de beoefening van de taiji de beoefenaar vormt, hangt af van hoe de beoefenaar taiji beoefent. De grenzen zijn echter niet strak en absoluut, je kunt zowel je conditie op peil willen houden als je concentratie verdiepen.

Het belangrijkste voor de zelftechniek is echter de oefening in het harmonisch functioneren van lichaam en geest. Het is daarbij gebleken dat we een aparte manier van denken nodig hebben om de beoefening van taiji goed te kunnen begrijpen. We moeten daarvoor even het objectiverende voorstellende denken terzijde laten en ons richten op hoe de beoefening van taiji zich aan ons voordoet. Dit brengt ons ook in de juiste geesteshouding voor het beoefenen van taiji. We moeten niet proberen om via een oorzakelijk beeld iets voor elkaar te krijgen, dit werkt alleen als het taiji als wedstrijdsport beoefenen. Voor de zelftechniek moeten we ons juist overgeven aan de beoefening. De concentratie is dan gericht op het bewegen en de opbouw van het taiji-lichaam gebeurt vanzelf. Ruimte en tijd worden getransformeerd, we zijn dan echt helemaal in beweging, met nieuw een soort lichamelijke vrijheid aan de horizon.

studeerde hedendaagse continentale filosofie in Groningen, richtte een boeddhistisch meditatiecentrum op en studeerde Aziatische filosofieën en religies. Hij doceerde hindoeïsme aan de Radboud Universiteit te Nijmegen. Tijdens zijn werk als docent en leraar schreef hij studieboeken voor zijn studenten en columns. Hij praktiseert meditatie en taiji quan.