Over de God die bestaat

0

Ameen Carp

Uit: De Soefi-gedachte, december 2008

Enige tijd geleden zorgde dominee Klaas Hendrikse uit Middelburg voor een aanzienlijke opschudding door een boek te publiceren met de titel ‘Geloven in een God die niet bestaat’. In dit boek maakt dominee Hendrikse duidelijk dat hij niet kan geloven in het bestaan van een persoonlijke God. Hij is niet de enige. Het oude godsbeeld van de oude man op een troon in de hemel, die alles bestuurt, mensen straft en vergeeft, is grotendeels voorbij.

Maar er is nog geen duidelijk nieuw godsbeeld voor in de plaats gekomen. Dat verklaart veel van de opschudding die Hendrikses boek in de protestantse kerk heeft teweeggebracht. Buiten de kerkelijke kringen maakt het feit dat men God niet kan bewijzen dat veel intellectuelen geen geloof kunnen aanhangen, omdat hun ratio zich daartegen verzet. Toch getuigen enkele bekende wetenschappers, zoals prof. Cees Dekker van de TU Delft, dat zij geloven in God.

Hoe ziet een soefi dit probleem?

Allereerst dient gezegd te worden dat het soefisme een boodschap is van geestelijke vrijheid en dat het iedere soefi vrij staat om te geloven in een God zoals hij/ zij wil. Toch zijn er gedachten in het soefisme die geloof in een God impliceren. De eerste soefi-gedachte luidt:

“Er is één God, de Eeuwige, het Enige Wezen, Niets is dan Hij”.

In het gebed Saum, te vinden in het boek Gayan, bidt de soefi:

“Geprezen zijt Gij, allerhoogste God, almachtig, alomtegenwoordig, aldoordringend, het enige Wezen”.

Men zou kunnen zeggen dat dit het credo is van de soefi. De goddelijke hoedanigheden worden duidelijk en met overtuiging aangegeven. Van grote betekenis zijn de woorden “het enige Wezen”.
Als soefi geloof ik dat alles wat bestaat, deel uitmaakt van dat enige Wezen, dat de mensen God, Allah, Ahura Mazda of anders noemen.
In hetzelfde gebed Saum luidt een zin:

“O Gij, de volmaaktheid van Liefde, Harmonie en Schoonheid, almachtig Schepper, Onderhouder, Rechter en Vergever van onze tekortkomingen, Heer God van het oosten en van het westen, van de werelden omhoog en omlaag en van de geziene en ongeziene wezens”.

Dus God is het volmaakte wezen, de schepper en onderhouder, maar ook de rechter en vergever, de bron van alle liefde, harmonie en schoonheid. God is meer dan een levengevende kracht, die alles schept wat bestaat en de vormen ervan na verloop van tijd weer wegneemt en de geest verder doet bestaan.

Het gebed Saum wordt gezegd in de Universele Eredienst na het ontsteken van de kaarsen en vormt een plechtig moment in deze dienst, waarin de essentiële eenheid van religieuze idealen wordt uitgebeeld en beleden. Dit kan de indruk wekken dat men bidt tot een God die buiten de mens zelf is.

Volgens de opvatting van de soefileraar Hazrat Inayat Khan is God in èn buiten de mens. Hij zegt in het boek Gayan:

“Ik zocht, maar ik kon u niet vinden; ik riep luid tot u, staande op de minaret; ik luidde de tempelklok bij het opgaan en het ondergaan van de zon; ik baadde tevergeefs in de Ganges; ik kwam teleurgesteld terug van de Ka’aba; ik zag naar u uit op aarde; ik speurde naar u in de hemel, maar tenslotte vond ik u verborgen als een parel in de schelp van mijn hart”.

Gelooft een soefi daarmee in een persoonlijk of een abstracte God? Ook hier is het niet juist om te spreken over één soefi-standpunt. Hazrat Inayat Khan schrijft in de Vadan:

“Geloof eerst in de God die alles uitsluit en wordt u dan de God bewust die alles omvat”.

Het merkwaardige is dat, ook al gelooft men in een abstracte God (een principe, energie, alomtegenwoordige kracht) men toch geneigd is te spreken tot die God met heel persoonlijke bewoordingen.
Bijvoorbeeld God is de Helper in nood; de enige echte Toeverlaat; de Liefdevolle; de Vergever, enz.

In de islam kent men de 99 schone namen van Allah, die ook gebruikt worden als geestelijke oefeningen om die goddelijke eigenschappen in de mens te versterken. Op deze wijze is voor veel soefi’s God het onderwerp van centrale aandacht in het leven. Als minnaar van God zoekt hij/zij God ieder moment van de dag en de nacht, en volgt zo in feite het gebod van Jezus:

“Heb God lief met heel je hart, heel je verstand, heel je wezen.”

Als soefi probeer ik te leven in het besef dat God voortdurend over me waakt, me leidt, alles van me weet. Dit betekent, zo proberen te leven dat je waard bent Gods schepping te zijn. Een bekende uitspraak van Hazrat Inayat Khan in de Gayan sluit daarbij aan:

“Maak God tot een werkelijkheid en God zal je tot waarheid maken.”

Als men zo leeft, is God niet langer een idee, een gedachtevorm, maar een werkelijkheid. God bestaat als de stroom van leven, die alles doet leven, doet bestaan.
Maar God is meer dan energie; God is liefde, harmonie, tederheid, kracht, vreugde, heerlijkheid en vrede. God laat zich zien in de natuur, in de mens, in het dier, in de plant. Maar God is ook in het vormloze, het ijle. God is het leven zelf. God is geest, zoals Jezus ook gezegd heeft, getuige zijn uitspraak in het evangelie van Johannes (hoofdstuk 4, vers 24):

“God is geest en wie Hem aanbidden,
moeten Hem aanbidden in geest en in waarheid.”

Men verwijt God vaak dat er zoveel ellende en onrechtvaardigheid op aarde is. Maar de mensen hebben veel van die ellende en onrechtvaardigheid zelf geschapen. Uit eigenbelang, uit geldingsdrang voert men oorlog. In de oorlog sneuvelen onschuldige mannen, vrouwen, kinderen.

Waarom grijpt God niet in?

Men zal zeggen: “Waarom grijpt God niet in”? Dat zou echter een ingrijpen in de vrije wil van de mens betekenen. Is het niet een geweldig voorrecht van de mens, dat hijzelf kan beslissen rechts of links te gaan, iets te doen of niet te doen?
De mens moet weten wat hij doet en is dan vrij om, met volle verstand, naar eer en geweten, zijn leven te leiden zoals hij wil.

Maar hoe zit het dan met de slachtoffers, de onschuldigen en met slachtoffers van natuurrampen? God schenkt leven en trekt dit leven weer tot zich. De ziel wordt geboren op aarde, doet daar zekere ervaringen op en als het genoeg is geweest, laat de ziel het lichaam los en reist verder. Het leven is meer dan alleen de periode op aarde, al heeft geen mens het vermogen Gods bedoeling te zien in het scheppen en terugtrekken van de ziel.

Voortdurend in gedachten houden van God

Hazrat Inayat Khan (1882-1927)[1]

Door het voortdurend in gedachten houden van God wordt de relatie tussen mens en God steeds hechter en intiemer. Het is net als de mens die een ander mens innig liefheeft. Hij denkt voortdurend aan de ander, leeft voor de ander. Zo is het dan ook met de mens die God innig liefheeft, hij leeft voor God, God is de Geliefde en de Geliefde is alles voor de minnaar. Zo hebben de soefidichters God als Geliefde bezongen.

Zo ook Hazrat Inayat Khan in de Vadan:

“Waarom heb ik twee voeten als het niet is, om Uw geestelijk pad te bewandelen?
Waarom heb ik een stem als het niet is om Uw lied te zingen?
Waarom heb ik een hart, Geliefde, als het niet is om het tot Uw heilige woonplaats te maken?”

Maar in dit zoeken en liefhebben is ook pijn, eenzaamheid en verdriet inbegrepen. God is soms onvindbaar, afwezig, verborgen. Dat doet dan hevige pijn en het gevoelige hart lijdt. En de liefhebbende mens pijnigt zich met vragen. Wat heb ik fout gedaan? Waarom is de geliefde weggegaan? Wanneer komt Hij terug?

Als de Geliefde terugkomt is de minnaar blij, dankbaar en opgelucht. Maar deze ervaring heeft de minnaar ook doen beseffen dat de liefde in het eigen hart zo sterk en onwankelbaar moet worden, dat men niet afhankelijk blijft van de fysieke aanwezigheid van de ander, met vertrouwen in die innige liefde voor God, die er altijd is.

Als God het enige Wezen is, zoals soefi’s in hun gebeden belijden, als God de liefde zelf is en niet louter energie, dan aanbidt een soefi een liefdevol levenschenkend, levenonderhoudende God, die zich manifesteert in miljarden vormen en ook leeft zonder vorm. In alles, in het allerkleinste en in het allermachtigste.

Voor een soefi leeft die God als de kern van alle leven in het eigen hart.
Dit is de God die bestaat.

  • Dekker, C. (red.) (2008). Geleerd en gelovig – 22 wetenschappers over hun leven, werk en God. Baarn: Ten Have.
  • Hendrikse, K (2007). Geloven in een God die niet bestaat, manifest van een atheïstische dominee. Amsterdam: Uitgeverij Nieuw Amsterdam.
  • “Ik ben niet eenzaam, God is hier”: fragmenten uit een interview met Karimbakhsh Witteveen. In: de Soefi-gedachte, 66e jaargang nummer 3, september 2012, p. 16-18. Zie: “Ik ben niet eenzaam, God is hier”: fragmenten uit een interview met Karimbakhsh Witteveen. In: de Soefi-gedachte, 66e jaargang nummer 3, september 2012, p. 16-18. Zie: https://www.soefi.nl/images/pdf/soefi-gedachte19.september2012.pdf

[1] Bron: Hazrat Inayat Khan (1882-1927) in 1911

Wite (Ameen) Carp

werd in 1949 ingewijd in het soefisme. Hij richtte in 1966 uitgeverij East-West Publications op, dat later Sufi Publications is geworden. Hij was vijftig jaar leider van het centrum voor universeel Soefisme in Den Haag en gedurende 32 jaar, tot 2014 voorzitter van de Soefi Beweging Nederland.