Het Boeddhafenomeen

0

Erik Hoogcarspel

Het Boeddhafenomeen, naar een westers boeddhisme, 2015

Inleiding[1]

Culturen en culturele producten hebben de neiging zich te transformeren. Het kopje koffie zoals dat in de dertiende eeuw in Ethiopië werd gedronken, is niet meer te vergelijken met de espresso of cappuccino van vandaag. Het boeddhisme ontkomt niet aan deze wetmatigheid. Al vanaf de eerste jaren van de introductie van het boeddhisme in Europa heeft men zich afgevraagd of er ook westerse vormen van boeddhisme mogelijk zijn. Arthur Schopenhauer dacht zelfs dat zijn filosofie als een westers equivalent van het boeddhisme kon dienen en Friedrich Nietzsche gespeculeerde over de mogelijkheid en wenselijkheid van zo’n equivalent.

De gedachte aan een westers boeddhisme werd echter doorkruist door de opkomst van de studie van Aziatische culturen en religies. Wetenschappers die oude boeddhistische teksten bestudeerden en waarvan velen ’s zondags trouw ter kerke gingen, kwamen tot de conclusie dat het boeddhisme toch wel heel erg oosters was. Er waren andere opvattingen. De theosofie verkondigde bijvoorbeeld dat er onder alle filosofische en religieuze verschillen een philosophia perennis, een eeuwige wijsheid, schuil ging, waarvan zij natuurlijk de ware inzichten leerde en waarvan de bestaande religies zonder dat ze het weten afgeleide mythische uitdrukkingen preken. Helena Blavatsky introduceerde heel wat boeddhistische elementen in de theosofische leer. De christelijk georiënteerde antroposofie, meende juist dat het westen in een verder gevorderd geestelijk stadium was dan andere culturen was gekomen en dat oosterse leren en praktijken een soort geestelijke teruggang in de westerse mens teweeg zou brengen.

Dit standpunt is echter beperkt gebleven tot een kleine kring. Vandaag de dag groeit het aantal aanhangers van het boeddhisme nog steeds, in vele gevallen gevoed door de mindfulness-industrie. Mindfulness wordt vandaag de dag in alle lagen van de bevolking aangeboden, van buurthuizen tot in kringen van managers en beleggers, als panacee voor alle kwalen en kommer.

En dan heb je ook nog de discussie over de vraag of het boeddhisme een religie is of een filosofie. Dit heeft veel te maken met de neiging het boeddhisme als een integrale eenheid op te vatten. Enerzijds is het boeddhisme een merknaam geworden van een internationale beweging die een grote verscheidenheid van activiteiten en producten voortbrengt en waarvan de medewerkers angstvallig de uitstraling trachten te bewaren. In die zin vertoont het alle kenmerken van een religie. Anderzijds is de kern van het boeddhisme zonder meer gelijksoortig aan verschillende beweging van zelfontwikkeling, die in zowel in het westen als in India en China in de laatste vijf eeuwen voor het begin van onze jaartelling floreerden. Het vertoont zelfs met sommige van die bewegingen grote verwantschap. Door een soort sneeuwbaleffect is de kern verborgen onder een veelheid van religieuze aangekleefde lagen, voornamelijk afkomstig uit het hindoeïstische milieu waarin het zich ontwikkelde, of liever gezegd inwikkelde.

De waarheid blijkt dus ingewikkelder dan in één enkele definitie kan worden samengevat. Er zijn verschillen en overeenkomsten tussen de westerse en oosterse filosofieën. Deze zijn deels principieel en deels bepaald door het toeval. De beste instelling is de avontuurlijke, met een open geest op zoek te gaan naar overeenkomsten en verschillen en je te laten verrassen. Elke vorm van vergelijkende filosofie lijdt aan een tegenstrijdige logische positie, naar het voorbeeld van de eerbiedwaardige baron Von Münchhausen probeert ze zich aan de eigen haren uit het moeras te trekken. Een vergelijkende filosofie die zich bekommert om inhoud en betekenis maakt immers noodzakelijk deel uit van één van de filosofische historische tradities die ze pretendeert te vergelijken met de andere. Elke vergelijking is perspectivisch, maar pretendeert universeel te zijn.

Mensen die tolerantie als hoogste in hun vaandel hebben, raken vaak geïntrigeerd bij elke aanraking met oosterse filosofische traditie en hebben de neiging het vreemde als geniaal te zien en veel beter dan het bekende. Op zich is er niets op tegen enthousiast te zijn over iets nieuws, maar in tweede instantie is er toch wat filosofische distantie nodig voor een beter begrip. Filosofen onderzoeken argumenten en inzichten en proberen hieruit inspiratie te krijgen om de wereld beter te begrijpen. Ze zijn op zoek naar tegenspraken en vergeten veronderstellingen, om waardevolle gedachten te scheiden van minder waardevolle. Zo gaan huidige filosofen om met hun eigen traditie en zo kun je het beste de filosofieën van andere tradities benaderen. Het resultaat kan een hernieuwde blik of kritiek op de eigen traditie zijn en zelfs een nieuw soort filosofie. De boeddhistische tradities die zich in het westen hebben gevestigd, hebben al grote aanpassingen ondergaan. De eerste boeddhistische monniken die in het westen gingen wonen, leerden bijvoorbeeld al gauw af om langs de huizen om voedsel te gaan bedelen. De al genoemde mindfulness heeft bijna alle sporen van haar boeddhistische afkomst uitgewist. Dit boek is een verkenning van een andere mogelijkheid, die van een fenomenologische interpretatie van de boeddhistische leer.

De fenomenologie is een filosofische traditie die in het begin van de 20e eeuw is begonnen en die nog steeds springlevend is. Er zijn echter eveneens aanzetten te vinden tot fenomenologisch denken in de Griekse oudheid en in de leer van de boeddha. Dit is een van de verrassingen die een intercultureel onderzoek oplevert en die ons iets leert over de Griekse oudheid, het boeddhisme en de fenomenologie. Natuurlijk kan men hier weer het bezwaar opperen van cultureel perspectivisme. Of dit bezwaar geldig is, hangt af de fenomenologie zijn pretentie van tot lagen door te dringen die aan culturele vorming vooraf gaan, kan waarmaken.

De boeddhistische leer heeft een ontwikkeling van 25 eeuwen achter de rug. Er is in deze tijd veel geschreven, gediscussieerd en vooral veel herhaald en opgezegd. De boeddhistische traditie is nooit losgekomen van zijn orale begintijd. Van de eerste lessen van de boeddha werden aanvankelijk verzen gecomponeerd, die vervolgens uit het hoofd werden geleerd en als maar herhaald en mondeling doorgegeven. Later werd er wel veel geschreven, maar de geschreven teksten hebben een orale structuur behouden, ze vertonen veel herhalingen en zijn soms akelig wijdlopig. De gebruikelijke verontschuldiging voor de verwarrende veelheid van boeddhistische systemen is dat de boeddha in zijn oneindige mededogen heel veel verschillende manieren heeft onderwezen om het hoogste goed te bereiken. Wie echter de overgeleverde teksten erop naslaat, ziet al direct dat dit volkomen onzin is. Het oudste boeddhisme was zeer consistent.

De beste, zo niet de enige manier om respect te tonen voor een leraar is te proberen hem of haar te begrijpen. Mijn verwijt aan de herhalers, de opzeggers, de mummelaars, de prevelaars, de buigers, de dwepers, de wierookstokers, de brokaatdragers, al dan niet met grappige hoedjes op, is dat zij de boeddha te weinig respect hebben betoond, omdat zij niet voldoende hebben geprobeerd hem te begrijpen. In hun hiërarchisch systeem, waar status het belangrijkste middel is om hogerop te komen, heeft begrijpen niet de hoogste prioriteit. Een boeddhistische discussie is daarom niets meer of minder dan een wedstrijd in het opzeggen van tekstfragmenten.

Er is al vaak gespeculeerd over de mogelijkheid van een westers boeddhisme. Zelfs Nietzsche heeft voorzichtig een opmerking gemaakt over de wenselijkheid hiervan. Zo’n boeddhisme moet zich baseren op de oudste bekende woorden van de boeddha, maar moet daarnaast een zekere consistentie hebben, bestand zijn tegen kritiek en vooral begrijpelijk zijn voor een publiek dat niet door verwijzingen naar hindoegoden en wonderverhalen uit zijn bol gaat.

De opzet van dit boek is eerst een poging te doen tot een consistente interpretatie te komen van de kern van de boeddhistische leer. Daarbij zal blijken dat deze kern geen religieuze element bevat, maar als psychologie en filosofie kan worden begrepen. Vervolgens komt, na een kort overzicht van de geschiedenis van de westerse filosofie, de fenomenologie aan bod en daar blijken dat vooral de nieuwere ontwikkelingen rondom het onderzoek naar de oergronden van ons bewustzijn een verhelderend perspectief geven op de inzichten van de boeddha.

Ik hoop dat wat nu volgt kan dienen als een schuchtere poging daartoe en zou het niet succesvol zijn, moge de mislukking dan een leerzame zijn.

[1] Deze tekst is de inleiding van het boek ‘Het Boeddhafenomeen, naar een westers boeddhisme’, Erik Hoogcarspel, 2015, 224 blz., ISBN: 978-94-91693-71-7, ISVW-uitgevers

studeerde hedendaagse continentale filosofie in Groningen, richtte een boeddhistisch meditatiecentrum op en studeerde Aziatische filosofieën en religies. Hij doceerde hindoeïsme aan de Radboud Universiteit te Nijmegen. Tijdens zijn werk als docent en leraar schreef hij studieboeken voor zijn studenten en columns. Hij praktiseert meditatie en taiji quan.