Slavernijverleden in het Onderwijs: het Caribisch gebied

0

Fred de Haas

Deel 1deel 2deel 3 – deel 4 
Eilanden in en bij de Caraïben[1]

In deze aflevering wordt ingegaan op de verbinding tussen Onderwijs en Slavernijverleden in het Caribisch gebied.

Haïti

Helaas zijn de nieuwe Haïtiaanse onderwijsprogramma’s (2015) een geschiedenis geworden van gemeenplaatsen en algemeenheden die leerlingen weinig inzicht biedt. Er wordt, merkwaardigerwijze, niet ingegaan op de Afrikaanse religieuze en culturele achtergronden. Ook is de voornaamste rol weggelegd voor de Creolen (de mulatten).

Aan de belangrijke rol van de vroegere ‘bossales’ (= de in Afrika geboren slaven) die op het moment van de onafhankelijkheid (1804) tweederde deel van de bevolking uitmaakten wordt geen aandacht geschonken en de superioriteit van de Creolen wordt als vanzelfsprekend aangenomen. Net als op andere Caribische eilanden.

Port-au-Prince, politieke muurschildering ― foto FdH

De Haïtiaanse mens van het platteland moet nog steeds worden opgenomen in de nationale geschiedenis.

Haïti is bepaald geen voorbeeld voor andere landen in het Caribisch gebied. Het is in veel opzichten een mislukte Staat.

Curaçao

Lerarenopleidingen hebben vanzelfsprekend de taak om toekomstige docenten de weg te wijzen naar informatie en interessant materiaal over het slavernijverleden. Dat houdt in dat Bibliotheken voorzien moeten zijn van relevante boeken en documenten voor alle leeftijdscategorieën. Docenten zullen zich graag laten bijscholen mits hen hiervoor tijd en geld wordt gegund.

Wat zijn de richtlijnen voor het onderwijs in het slavernijverleden? Het antwoord ligt in de Canon van Curaçao.

De Canon van Curaçao (2020)

Tulamonument, Parke di Lucha pa Libertat, Willemstad, Curaçao[2]

De Canon van Curaçao die, op initiatief van de Algemene Faculteit van de Universiteit van Curaçao, tot stand is gekomen in navolging van de Canon van Nederland (2006/2020) bestaat in ‘een lijst met 50 Vensters, die gezamenlijk een goede doorkijk bieden op de geschiedenis van Curaçao. Dit zijn slechts etalages waarin 50 onderwerpen in het kort (ca. 400 woorden) geëtaleerd worden. De bedoeling van deze lijst is uitsluitend om structuur aan te brengen in het lesprogramma’. Aldus de Inleiding.

Bij het lezen van de ‘Vensters’ die uitzicht bieden op het slavernijverleden vroeg ik mij af wat voor soort structuur de samenstellers hadden proberen aan te brengen. Je kan aan kinderen van de lagere school, die in een gevoelige leeftijd verkeren, immers niet hetzelfde vertellen als aan leerlingen op een middelbare school.

‘Doktoor’ op het spandoek achter Maal (Nationaal Archief Curaçao)

Daarom hebben docenten natuurlijk behoefte aan lesbrieven voor het onderwijs over het slavernijverleden. Voor elke leeftijdscategorie. Die lesbrieven zijn er niet. Ze zijn wel beloofd, maar daar hebben docenten voorlopig niets aan. Docenten worden ook niet didactisch ondersteund door de Overheid die het overlaat aan scholen en docenten zelf. Zo moeten de leraren van het funderend onderwijs het doen met kerndoelen als (zie LANDSBESLUIT, HOUDENDE ALGEMENE MAATREGELEN, van de 21ste januari 2009, ter uitvoering van artikel 11, derde lid, van de Landsverordening funderend onderwijs):

Kerndoel 12

De leerling kent de kaart van zijn eigen eiland, de regio en andere landen die voor ons belangrijk zijn

Kerndoel 13

De leerling begrijpt dat cultuur en multiculturaliteit op de Nederlandse Antillen en Aruba niet op zichzelf staan, maar zijn ingebed in een breder verband

Kerndoel 14

De leerling kan multiculturaliteit op de Nederlandse Antillen en Aruba herkennen en verklaren

Wat betreft het middelbaar onderwijs: alleen de transatlantische slavenhandel is als thema opgenomen in het eindexamenprogramma Geschiedenis Havo/Vwo uit 2007 dat nog steeds geldig is.

De lerarenopleiding van de University of Curaçao (UoC)

Universiteit van Curaçao[3]

De Algemene Faculteit van de Universiteit van Curaçao verzorgt de docentenopleiding voor het Funderend Onderwijs. Aangezien het onderwijs binnen de UoC ‘competentiegericht’ is, worden er in de Studiegids alleen algemene gebieden aangegeven waarin onderricht wordt gegeven. Kennelijk wordt de invulling van die gebieden aan de competentie van de UoC docenten zelf overgelaten. Dat zou wel eens tot vrijblijvendheid kunnen leiden. Alles hangt af van de docent.

Er worden in de Studiegids echter voldoende deelgebieden aangewezen waarbinnen het onderwijs in het slavernijverleden zou kunnen plaatsvinden, zoals: Taalbeschouwing, Culturele activiteiten, Wereldoriëntatie, Taal en Literatuur, Mens en Maatschappij.

Aangezien de UoC het tot haar Missie rekent de studenten een ‘integrale ontwikkeling’ te bieden, mag je hopen en verwachten dat het slavernijverleden een grondige neerslag vindt in het onderwijs dat door de UoC wordt aangeboden. Het feit dat de Universiteit prat gaat op het feit dat het onderwijs ‘klantgericht’ is, stemt mij niet gerust. We zijn hier niet bij Albert Heijn of Carrefour.

In de volgende aflevering kijken we naar de resultaten van een kleine enquête onder een aantal scholen op Curaçao en Aruba.

Een kleine enquête

Curaçao

Om iets meer te weten te komen over de aanpak van het onderwijs op de Curaçaose scholen heb ik een kleine enquête gehouden onder docenten op Curaçao die met dit onderwijs te maken hebben.
Natuurlijk geven hun antwoorden geen volledig beeld, maar wel een indicatie. Uit hun reacties blijkt dat docenten, ondanks hun vele, inspannende en onvoldoend betaalde werk toch de moeite doen om er iets van te maken. Zo worden er bezoeken gebracht aan musea en het Nationaal Archief en interdisciplinaire presentaties en debatten georganiseerd van klas 1 t/m 6. Een docente geschiedenis schreef me:

‘zelf heb ik ook onderwijs op het eiland gevolgd. Van lager onderwijs tot 6 VWO. Wij hebben het elk jaar over ons slavernijverleden gehad. Zoveel, dat wij (de leerlingen) het eigenlijk helemaal zat waren’.

Bij die eerlijke reactie kon ik een lach niet onderdrukken. Maar ik vroeg me wel af hoe dat onderwijs er moet hebben uitgezien. Zó saai? Teveel van het goede of slechte?

Een andere, overigens kundige en bevlogen docent schrijft dat er op zijn school een geschiedenismethode uit Nederland wordt gebruikt en dat de school zelf het lesmateriaal aanvult met wat van belang is voor het Caribisch gebied met behulp van de sterk verouderde methode ‘Nos Pasado’.

De Papiamentstalige scholen van de FSHP (Fundashon pa Skol Humanista na Papiamentu) voeren een progressief beleid en besteden expliciet aandacht aan het slavernijverleden. Eigen geschiedenis en cultuur dienen als vertrekpunt voor het onderwijs op deze scholen. Het Sinterklaasfeest zal je daar niet tegenkomen, maar wel wordt er verbinding gelegd tussen de taal, het Papiaments, en de geschiedenis van Afrika. De directie van het Middelbaar pre-universitair onderwijs (Papiamentstalig en Engelstalig) schrijft dat er aandacht wordt besteed aan het collectief slavernijverleden van Curacao en de eilanden in het Caribisch gebied. Vooral in de “Social Studies” lessen en in de bovenbouw bij geschiedenis en aardrijkskunde.

Aruba

Vlag van de West-Indische Compagnie (1783)[4]

Op Aruba schenkt de afdeling ‘Curriculum Ontwikkeling’ van het Departement van Onderwijs aandacht aan het thema van het slavernijverleden.
Wie de moeite neemt om een blik te werpen op de officiële website www.ea.aw/catalog, zal kunnen constateren dat de overheid het echter grotendeels aan de creativiteit van de scholen zelf overlaat om toepasselijke onderwijsprogramma’s te maken.

Aanwijzingen in de eindtermen voor het vak geschiedenis voor Mavo/Havo/Vwo zijn uiterst summier. Onder het hoofdje ‘Leerinhoud Arubaanse Geschiedenis’ staat dat ‘De West-Indische Compagnie’ behandeld kan/moet (?) worden. Onder ‘Latijns-Amerikaanse Geschiedenis’ wordt o.a. de tijd van de koloniale overheersing vermeld. Omdat de scholen zelf het lesmateriaal moeten produceren ziet de praktijk er nogal vrijblijvend uit.

In het basisonderwijs, zo vermeldt de Arubaanse website, bestaat ‘Geschiedenis’ niet meer als vak en is dit ondergebracht bij ASW (Algemene Sociale Wetenschappen (een samenvoeging van Aardrijkskunde, Geschiedenis en Economie).

In het Lager Beroepsonderwijs en het MBO is het vak Geschiedenis ver te zoeken, evenals Aardrijkskunde. Je zou toch zeggen dat juist ook deze, meer beroepsgerichte leerlingen baat zouden hebben bij dit soort onderwijs. Een leraar schreef me:

‘Op Colegio EPI wordt in het geheel geen geschiedenis gedoceerd. Het is beroepsonderwijs en het is blijkbaar vanzelfsprekend dat je daar geen geschiedenis, maar ook geen aardrijkskunde, filosofie of literatuur aanbiedt’.

Registro di Esclavo Aruba (1840-1863)

Vragen die ik aan een aantal Arubaanse scholen richtte werden, jammer genoeg, niet beantwoord. Ook deskundigen die, op het gebied van het Onderwijs, zich bezighouden met de rol van het Papiaments, dat bij uitstek gerelateerd is aan het slavernijverleden, lieten niets van zich horen.
Maar geen antwoord is ook een antwoord.

Toch zal ook Aruba enige aandacht moeten besteden aan een slavernijverleden dat meestal wordt ontkend maar dat onmiskenbaar is.
In het jaar van de Emancipatie in 1863 waren er 500 slaven op Aruba. Ze zijn allen gedocumenteerd in het slavenregister van 2015 dat tot stand is gekomen op initiatief van Rosa M. Arends in samenwerking met het Archivo Nacional Aruba, Oranjestad.
In de kolom van de namen van ‘eigenaren’ komen we bekende namen tegen als Croes, Tromp, Lacle, Oduber, Lampe, Wever, Yarzagaray, Gravenhorst, Evertsz, Eman, Frigerio, Capriles e.a.

Een woord over didactiek en programma’s

Voor een kind is de wereld niet open maar grotendeels ‘dicht’. De wereld moet worden ont-dekt. Stap voor stap en met gepaste middelen. Net zo min als je een 9-jarige lastig valt met de stelling van Pythagoras of de formule van Einstein, moet je aankomen met de mededeling dat er in het verleden blanke en zwarte slaven operaties ondergingen die hen tot eunuch maakten zodat ze, bijvoorbeeld, dienst konden doen in een Oosterse harem. Dat moge duidelijk zijn.

Het is belangrijk om kinderen eerst duidelijk te maken wat voor ― letterlijke ― ‘plaats’ ze in de wereld innemen. Veel schoolvakken, zo niet de meeste, kunnen daar een belangrijke rol in spelen. Een wereldbol kan daarbij helpen. Het is van belang dat ze weten in welk land hun woonplaats ligt, door welke andere landen hun eigen land wordt omgeven, in welk continent ze wonen etc. Vraag hen wat voor mensen en gewoontes ze zien als ze om zich heen kijken. Waar komen die mensen vandaan? Waarom is de een donkerder gekleurd dan de ander? Waarom spreekt niet iedereen dezelfde taal?

Aanknopingspunten voor lessen

De taal van de Benedenwindse eilanden, het Papiaments, biedt een goed aanknopingspunt. Aan zo’n onderwerp kan een geïnteresseerde docent allerlei andere thema’s en vragen verbinden, zoals: hoe kwam het Papiaments tot stand? Van welke andere talen is het afgeleid? Uit welke landen is het afkomstig? Hoe komt het dat er zoveel Hollandse en Afrikaanse woorden in het Papiaments voorkomen? Weten de kinderen dat ‘maribomba’ en ‘tutu’ Afrikaanse woorden zijn uit het Kimbundu en dat het woord ‘bolo’ komt van het Kikongo ‘mbolo’, allebei Bantutalen uit Angola? Dat het verouderde woord ‘kachimba’ (= pijp) van het Kimbundu ‘kishima’ afkomstig is, net als ‘tanga’ (‘ntanga’ = lendedoek)?

Weten de kinderen waarom ze vroeger op school allemaal Nederlands moesten leren en waarom het eeuwenlang ‘verboden’ was om Papiaments op school te spreken? En wie waren die mannen in de witte jurken?

Later kunnen dan andere onderwerpen aan bod komen, zoals de Portugese ontdekkingsreizen, de verdeling van de wereld tussen Spanje en Portugal, de interne Afrikaanse handel (in o.a goud, ivoor, zout, koper en mensen), de Afrikaanse Koninkrijken in de Middeleeuwen, de Arabische slavenhandel (vanaf de 7e eeuw), de eeuwenlange overheersing van Spanje en Portugal door Berbers en Arabieren, de handel in blanke en zwarte slaven in o.a. Centraal Europa, Spanje, Portugal en het Ottomaanse Rijk, de slavenmarkten in Spanje (Sevilla, Cádiz), Kaapverdië (Santiago), Senegal (St. Louis), Afrika (Elmina, Zanzibar), de eerste bewoners van de Caribische eilanden, de verovering, kolonisatie en uitbuiting van de eilanden en Zuid-Amerika door Portugezen, Spanjaarden, Fransen, Engelsen en Nederlanders, de invoer van Afrikaanse dwangarbeiders (‘slaven’) de strijd tegen de onderdrukking (Toussaint Louverture in St. Domingue-Haïti, Delgrès en Solitude in Guadeloupe, Tula in Curaçao, ‘el negro’ Miguel in Venezuela). Enzovoorts.

Kijk ook eens in de ‘Studiewijzer Geschiedenis’ van het Curaçaose Kolegio Alejandro Paula (kap-geschiedenis.scienceontheweb.net) en de daarbij behorende katernen met onderwerpen over de transatlantische slavenhandel (Transatlantische Slavenhandel Lesboek.pdf en Transatlantische Slavenhandel Werkboek.pdf). Daar staan aanknopingspunten die, naar believen, aangevuld kunnen worden en aangepast voor het funderend onderwijs.

Een voorbeeld ter illustratie

Om de les interessant te maken kunnen docenten op het internet talloze voorbeelden vinden. Ik zal op deze plaats een voorbeeld geven van een schilderij uit Frankrijk dat de tijdgeest weerspiegelt.

Afkondiging van de afschaffing van de slavernij in de Franse koloniën in 1848 ― Auguste Biard[5]

Het is een schilderij van Auguste Biard (1799-1882) dat werd tentoongesteld op de Salon van 1849. Het werd indertijd aangekocht door de Franse Staat en hangt in het Musée National du Château de Versailles. Het stelt de afkondiging voor van de afschaffing van de slavernij in de Franse koloniën in 1848.

Het schilderij is veelzeggend en draagt bij tot een bepaalde beeldvorming van een situatie die past bij de tijd. We zien hier ex-slaven en ex-meesters die wel bij elkaar staan maar toch een aparte (!) groep vormen. De Franse gedeputeerde met zijn driekleurige sjerp wijst op de Franse vlag alsof hij wil zeggen dat iedereen dank is verschuldigd aan de Franse Staat.
Slaven met ontbloot (!) bovenlijf heffen hun armen in de lucht en lijken over te lopen van dankbaarheid. In het midden omhelst een slavenechtpaar elkaar vol vreugde. Hun blik is omhoog gericht en in één hand houden ze losgemaakte ketenen vast.
Andere slaven drukken, geknield voor twee blanke dames, hun gevoel van dankbaarheid uit. Een slaaf in het midden houdt de hand vast van een gekleurde man in een gestreepte blauwe broek en een mooi roodgestreept hemd, waarschijnlijk een opziener (‘bomba’). Achter de Franse gedeputeerde staan een paar matrozen waarvan er één de vlag vasthoudt.

Het is verleidelijk om meer voorbeelden aan te dragen. Ik denk, bijvoorbeeld, aan het prachtige monument (1998) Cap 110 in Martinique: 15 menselijke, maar ontmenselijkte gestalten van tweeënhalve meter hoog dat de schipbreuk van een slavenschip in 1830 memoriseert.

Maar we laten dit graag aan de creativiteit van anderen over.

Noten

[1] Bron: Eilanden in en bij de Caraïben
[2] Bron: Tulamonument,  Parke di Lucha pa Libertat, Willemstad, Curaçao
[3] Bron: Hoofdingang van de University of Curacao
[4] Bron: Vlag van de West-Indische Compagnie (1783)
[5] Bron: L’Abolition de l’esclavage dans les colonies françaises, 27 April 1848 (1849) Auguste Biard

studeerde cum laude af in de Franse, Spaanse en Portugese taal- en letterkunde. Vanaf het begin combineerde hij zijn functies met werkzaamheden als literair vertaler. Fred de Haas vertaalde onder meer uit het Papiaments, het Frans, het Spaans en het Russisch. Hij is leider, zanger en gitarist bij het Latijns-Amerikaans ensemble Alma Latina.

Schrijf een reactie