Perspectieven vanuit de Advaita Vedānta

Wim van de Laar

Advaita vedānta is één van de klassieke tradities binnen de hindoeïstische filosofie. Preciezer gezegd is ze een onderscheiden, radicalere tak binnen de bredere zienswijze (darshana) die ‘vedānta’ heet.

Net als de andere ‘scholen’, zoals sāmkhya en yoga, richt ze zich op de bevrijding van het lijden dat inherent lijkt aan het menselijke bestaan. Verlossing geldt ook als het voornaamste oogmerk voor andere spirituele stromingen in India, zoals het boeddhisme en jaïnisme.

De grondleggers van advaita vedānta zijn de vermaarde Shankara (788-820) en diens voorganger Gaudapāda. Belangrijke leraren van de twintigste eeuw zijn Ramana Maharshi, Nisargadatta Maharaj en Atmananda (Krishna Menon).

Non-dualiteit

Advaita betekent ‘niet-dualiteit’ of ‘vrij van dualiteit’. Vedānta, of veda-anta, betekent ‘het einde of het summum van kennis’ en verwijst naar de oerteksten van de hindoeïstische filosofie: de Veda’s, en dan in het bijzonder de slotdelen daarvan, de Upanishads. De oudste van deze teksten dateert van 750 vC. Hoewel de Upanishads spreken over de totstandkoming en werkzaamheid van de wereld en over de plaats en het handelen van de mens daarin, betreft het kernonderricht het Zelf (ātman).

De Upanishads geven antwoord op de meest fundamentele vraag van de mens: ‘wie ben ik?’ Wie dat antwoord ontbeert, is veroordeeld tot lijden of slechts kortstondig geluk.
Zelf-kennis is de sleutel tot vrijheid. Dat Zelf, ‘verblijvend in het hart van ieder schepsel’, is niets anders dan de uiteindelijke werkelijkheid (brahman) van al wat is. Ofwel, dat wat ten grondslag ligt aan alle bestaan is de essentie van het ‘zelf-zijn’. Brahman is Ᾱtman.

Advaita vedānta stelt dat de uiteindelijke werkelijkheid zonder dualiteit is. Het onmiddellijke besef hiervan, de herkenning van het Zelf, bevrijdt de mens van al wat hem kwelt. Anders gezegd, het ‘geloof’ in dualiteit doet ons lijden. Dualiteit houdt in dat er een idee is van scheiding, van tweeheid. Ik ben hier, als mijzelf, en al het andere is daar, buiten mijzelf. Volgens advaita vedānta is dit idee een misvatting, ingegeven door onwetendheid. Die misvatting wordt gevoed door een ik-gevoel (aham-kāra), dat maakt dat alles wat ervaren wordt voortdurend betrokken wordt op het onjuist veronderstelde zelf.

Onwetendheid

Onwetendheid (avidyā), of niet-besef, is in haar kern het ontbreken van kennis over wie of wat je werkelijk bent. Het is een verwarring. Die verwarring veronderstelt al dat er meer dan een zelf is, een zelf dat werkelijk is en een zelf dat onwerkelijk is. Advaita Vedānta onderscheidt daarom twee niveaus van werkelijkheid, de een uiteindelijk of absoluut, de ander relatief of illusoir (mithya, of māyā). De wereld van fenomenen, de mens als persoon en zelfs god behoren tot de laatste.

De definitie van ‘werkelijkheid’ is dat het iets betreft dat blijvend, onveranderlijk en onafhankelijk is. Het kan daarom niet anders dan ‘één’ zijn. Het is ongeboren (ofwel, zonder oorzaak), oneindig en zonder vorm. Het onwerkelijke of relatief werkelijke is vergankelijk, afhankelijk en veranderlijk. Het is samengesteld, veroorzaakt, eindig. Het is de wereld van handeling, de plaats waar de dingen zich voltrekken. Voor wie zich daarmee als persoon vereenzelvigt — en dat is iedereen die zichzelf ervaart als een min of meer afgebakende en zelfstandige (id)entiteit — is het onwerkelijke werkelijk. Het wordt gevoeld als ‘dat het echt zo is’. Het onwerkelijke is onwerkelijk omdat het geen op zich staand bestaan heeft. Het heeft wel een relatief bestaan, afhankelijk van degene die haar kent of ervaart

Een mens verhaspelt dus twee zelven. Het ene zelf, aangeduid als Bewustzijn (chit), is werkelijk. Het is er steeds, onberoerd en onbeweeglijk. Het andere, het geheel van lichaam en geest, is onwerkelijk, hoe evident en tastbaar zijn aanwezigheid ook moge zijn. Het is zeker niet wat we ten diepste zijn. Wat een mens vanuit onwetendheid bovendien doet, is dat hij kwaliteiten van het ene zelf overdraagt aan het andere. Het onbegrensde, in zichzelf vervulde, vredige en blijvende dat eigen is aan Bewustzijn wordt toegekend aan het fysieke bestaan. Zo wordt het lichaam de bron van vervulling, terwijl het naar zijn aard juist tegengesteld is daaraan. Meer nog, Bewustzijn wordt begrepen als een ding, een ‘ik’, dat zich laat vangen in ruimte en tijd terwijl het zich juist níet laat toe-eigenen. Bewustzijn is ongrijpbaar, hoewel het ten grondslag ligt aan alles.

Het wonderlijke van het zelf van Bewustzijn is dat het zich ophoudt in het lichamelijke zelf, maar zich daar ook aan onttrekt. Het is erin en erbuiten. Dit samengaan van twee zelven noemt vedānta jīva, het individuele zelf. Het is hoe de ‘onwetende’ mens bestaat, gebonden aan een niet vervullend bestaan, maar met de mogelijkheid tot vrijheid. Soms vertaalt men dit samengaan van essentie en voertuig als ‘ziel’. Het vereist onderscheiding om te zien welk zelf wat is. De mens die zich vereenzelvigt met het lichaam en vervulling zoekt in de uiterlijke wereld maakt het ogenschijnlijke tot het absolute. Hem ontgaat het zelf van Bewustzijn, dat herkend kan worden juist door het verlangen naar buiten los te laten.

Juiste kennis of inzicht

Bevrijding vindt dus plaats door de juiste kennis of inzicht (jñāna), de herkenning van het ware Zelf. Advaita vedānta maakt voor de bewerkstelliging hiervan gebruik van verschillende methoden, alle ingebed in de relatie van leraar en leerling.
Een ingang vormen de zogenoemde Grote Uitspraken (mahā-vākhya’s) van de Upanishads. Het doorgronden hiervan kan voeren tot een direct herkennen van de uiteindelijke werkelijkheid.
Een van die fundamentele verklaringen is ‘Dat ben Jij’ (tat tvam asi). Dat verwijst naar het werkelijke, Jij naar het zelf van Bewustzijn. Deze uitspraak toont aan wat het ware zelf wel is, en daarmee ook wat het niet is (het vergankelijke, relatief werkelijke, dan wel het geheel van lichaam en geest).

Hoe eenvoudig dit gegeven ook lijkt, het vereist juist onderricht. Het ik dat zich heeft vastgebeten in een onwerkelijk bestaan laat niet makkelijk los en kent allerlei slinkse wegen om zichzelf staande te houden. De noodzaak van een leraar staat in de traditie buiten kijf. En een leerling kan alleen leerling zijn als hij zijn ‘tekortkoming’ erkent en beseft dat hij hulp nodig heeft. Vanuit die ontvankelijke houding kan hij wijsheid ontvangen, zijn twijfel overwinnen en tot de herkenning van zijn ware zelf komen. Herkenning is hier een gepast woord, want het gaat niet om iets nieuws. Een vrij mens is hij bij wie de verhullende sluier van onwetendheid is weggenomen. Hij ziet zichzelf als wie hij werkelijk is, en altijd is geweest.

Werkelijke en onwerkelijke zelf

Naast de Grote Uitspraken ‘doceert’ advaita vedānta het onderscheid tussen het werkelijke en onwerkelijke zelf via de vijf omhulsels (kosha’s) van voedsel (het fysieke lichaam), adem, denken, intelligentie en gelukzaligheid. De omhulsels behoren tot het domein van materie, maar geven — vanuit het ik-gevoel — aanleiding tot onjuiste identificatie. Wie verder zoekt, komt ten slotte uit bij de ‘buitencategorie’ die geen omhulsel is maar het zelf van Bewustzijn. Dan blijkt dat het ware Zelf niet de omhulsels is, maar hen wel doordringt en ‘bezielt’.

Vier toestanden

Eenzelfde vergaande analyse van de persoon (het niet-zelf) en het Zelf vindt plaats bij de zogeheten vier toestanden: waken, dromen, diepe slaap en Bewustzijn. In elk van deze toestanden is er een identificatie met een zelf-zijn. In het kort gezegd is de waaktoestand de vereenzelviging met een ik en een wereld zoals die algemeen verondersteld wordt te zijn. Het ik zoekt zijn vervulling in relatie tot de wereld en is gericht naar buiten. De droomtoestand is daar nauw aan gerelateerd. Het is de vereenzelviging met de innerlijke belevingswereld van verlangens, neigingen, voorstellingen en overtuigingen. In feite is de grove wereld van waken een voortzetting of projectie van de subtielere droomwereld.

De ik-gerichtheid en daarmee de ervaring van dualiteit lossen op in de toestand van de diepe slaap. Deze toestand wordt omschreven als inhoudsloos en gelukzalig. Er is geen besef, niet van een afgescheiden ik, maar ook niet van het zelf van Bewustzijn. Hoewel ik-loos en daarom zonder dualiteit vormt deze toestand de oorzaak van dromen en waken. Hier ligt het oerbeginsel van onwetendheid. Het kent geen vast te stellen begin, maar wel een einde.

De vierde toestand, die eigenlijk geen toestand heten mag, is die van Bewustzijn. Het is de enige toestand die er voortdurend is, die schuilgaat achter de andere drie en die hun bestaan mogelijk maakt. Anders gezegd, door te zien wat blijft, kan het ware zelf herkend worden. In advaita vedānta ligt een nadruk op het zien van wat steeds aanwezig is, het uiteindelijke subject. Dat kan onmogelijk een afhankelijk of afgescheiden iets zijn. Wie in zichzelf blijft kijken, stuit op ‘de ongeziene ziener’ of ‘de ongekende kenner’. Dat is de vierde, het zelf van Bewustzijn.

Onwerkelijkheid

weg-vuur-hindoe-om
Aum

Wanneer advaita vedānta spreekt over ‘onwerkelijkheid’ of ‘illusie’ (māyā), bedoelt ze niet zozeer dat de wereld als zodanig niet bestaat. Het is eerder dat wat we aan de wereld toekennen wat niet bestaat. Objecten bestaan wel, maar eigenlijk kennen we ze alleen zoals we hen beleven, vanuit het subject ‘ik’. We zien de dingen niet zoals ze werkelijk zijn, zolang ze door dit ik gekleurd zijn. De kleuring verdwijnt pas als de dingen gezien worden door het uiteindelijk subject, Bewustzijn. Dan blijkt dat Bewustzijn alle dingen opwerpt, hen doet oplichten. De dingen bestaan louter op grond van het licht van Bewustzijn. Ze hebben geen afzonderlijk, eigen bestaan.
De Upanishads spreken daarom over ‘Dit is Dat’.

Of, zoals de aanroeping aan het begin van de Brihad-āranyaka Upanishad luidt:

Aum. Dat is volledig. Dit is volledig. Volledigheid komt voort uit volledigheid. Wanneer volledigheid opgaat in volledigheid, is al wat blijft louter volledigheid.
Aum. Vrede! Vrede! Vrede!

  • Atmananda, Shri (Shri Krishna Menon) (2009). Atmananda Upanishad. Cothen: Felix.
  • Balsekar, R.S. (2003) Bewustzijn spreekt, Haarlem: Altamira Becht.
  • Balsekar, R.S. (2014) Vingerwijzingen — van Nisargadatta Maharaj, Hillegom: InZicht.
  • Berger, M.F.W. (2010) Vrij zijn van willen. Hillegom: Uitgeverij InZicht.
  • Boogaard, H. van den (2004) Sprekende stilte, leven en leer van Sri Ramana Maharshi. Utrecht: Kosmos Uitgevers.
  • Klein, J. (1993) Wie ben ik? Het heilige zoeken. Heemstede: Altamira.
  • Kramers Schippers, J. (1997; 2001) Leven vanuit neutraliteit, de Advaita Vedanta filosofie toegepast op het dagelijks leven in het westen. Katwijk: Panta Rhei.
  • Laar, W. van de (2015) De Upanishads. Hilversum: uitgeverij Nachtwind.
  • Maharaj, Sri Nisargadatta (1992) De ultieme werkelijkheid. Heemstede: Altamira.
  • Maharaj, Sri Nisargadatta (2015) Ik ben/Zijn. Heemstede: Altamira-Becht
  • Maharaj, Sri Nisargadatta (2015) Niets is alles. Hillegom: Uitgeverij InZicht.
  • Maharaj, Sri Nisargadatta (2016) Momenten van verstilling. Hillegom: Uitgeverij InZicht.
  • Maharaj, Sri Nisargadatta (2017) Het ervaren van niets. Hillegom: Uitgeverij InZicht
  • Maharshi, Ramana, Atmananda & Nisargadatta Maharaj (2008) ‘Ik’ is een deur. Rotterdam: Asoka.
  • Maharshi, Sri Ramana (2008) Ramana Maharshi in woord en beeld. Amsterdam: Samsara Uitgeverij.
  • Maharshi, Sri Ramana (2009) Wie ben ik? Hillegom: InZicht.
  • Om, Sri Sadhu (2001) Vrij Zijn. Een praktische handleiding. Heemstede: Altamira-Becht
  • Renard, Philip (1999) Ramana Upanishad. De verzamelde geschriften van Ramana Maharshi. Utrecht: Servire.
  • Renard, Philip (2005) Non-dualisme. De directe bevrijdingsweg. Cothen: Felix.
  • Smit, Alexander (1990) Bewustzijn. Gesprekken over dat wat nooit verandert. Heemstede: Altamira.
  • Tiemersma, D. (red. 2000) Advaita Vedanta. De vraag naar het zelf-zijn. Rotterdam: Asoka.
  • Waite, Dennis (2014) Een introductie tot Advaita. Het antwoord op de vraag: Wie ben ik? Amsterdam: Samsara (Dit boek is geschikt als kennismaking.)
2017-12