De leer van het boeddhisme

Hoofdredactie m.m.v. Greg Suffanti

De drie juwelen van toevlucht

De boeddhistische leer kent als kern van haar leer de drie juwelen van de toevlucht, in het Sanskriet de triratna, te weten:
  1. Boeddha, de historische figuur, zijn levensgeschiedenis, zijn visie en als beginsel van verlichting
  2. Dharma, de leer en kosmische wet
  3. Sangha, de gemeenschap, ook van monniken en van degenen die de kosmische wet hebben verwezenlijkt

Bij het Vajrayana boeddhisme komt hier een vierde juweel, de rol van een leraar bij.

De boeddha, het eerste juweel van toevlucht

Het eerste juweel van toevlucht bestaat uit de mythische verhalen over zijn geboorte en zijn leven. Deze staan symbool voor de basis van de leer. Hij deed zijn psychologische inzichten op door ervaringen tijdens zijn leven.

Prins Siddharta Gautama [1]

Nadat hij het ouderlijk paleis driemaal ‘s nachts had verlaten, kwam hij voor het eerst in aanraking met ziekte, ouderdom en dood. De 4e rijtoer kwam hij een bedelmonnik tegen die rust en vrede uitstraalde. Vanaf dat moment besloot hij monnik te worden en daarmee zijn kaste te verlaten. Hij besloot naar de waarheid te zoeken en deed dat achtereenvolgens via yoga, verzaking en ascese.
Na zes jaar een weg van ascese en versterving te hebben gevolgd — zijn conclusie was dat dit pad niet tot waarheid leidt — ontwikkelde hij ‘de weg van het midden’. Dit pad vermijdt extremen en wijst de beoefenaar een richting tot de de uiteindelijke werkelijkheid. Na vele beproevingen door de godin van de dood, Mara, doorstaan te hebben, geraakte hij op circa vijfendertigjarige leeftijd verlicht onder de Bodhi boom.

Er bestaan verschillende versies van dit verhaal waarin Boeddha verlichting bereikt, soms wordt er over 1 nacht gesproken, soms een langere tijd tot 49 dagen. Dan zou hij het drievoudige weten hebben gerealiseerd, namelijk over al zijn vroegere levens, alle geboorten en sterften van levende wezens en over de vier edele waarheden.

De mythische verhalen vertellen hierover, dat de goden in de hemel juichten om zijn inzicht. Boeddha ging na zeven weken zijn leer verkondigen, nadat de scheppergod Brahma zich verheugde in Siddhartha’s afgelegde weg en hem verzocht zijn leer aan de mensen over te dragen, alvorens het nirvana te betreden.
Boeddha verzonk eerst in stilte en vertelde daarna de vier nobele waarheden aan zijn vijf beste leerlingen. Daarna verspreidde hij de leer aan een steeds groter publiek tot ongeveer 80-jarige leeftijd. Volgens een klassiek verhaal zou hij 84.000 lessen hebben gegeven voor de 84.000 verschillende soorten mensen. Met de mythen over de betekenis van Boeddha’s verlichtingservaring wordt zelfs aan de rol van de goden een relatief begrip gegeven.

De dharma, de leer, het tweede juweel van toevlucht

Dharma is gebaseerd op de doctrine van de weg van het midden. Deze omvat het vermijden van uitersten, zowel wat betreft ascese als losbandigheid. Het ideaal is het nirvana te bereiken en daarmee bevrijding van de kringloop der geboorten. Noodzakelijk daarbij is ethisch gedrag onder meer het niet kwetsen, de vergeving van vijanden, vriendelijkheid, motivering van handelen, geweldloosheid, verzaking, kuisheid en het niet hechten aan het bestaan noch aan het niet-bestaan. De leer biedt een methode voor geestelijke oefening, een discipline die tot verlossing kan leiden waarbij concentratie en meditatie onmisbaar zijn. Men gaat ervan uit dat positieve gedachten en handelingen tot goed karma leiden en kunnen bijdragen aan het herboren worden in een hogere vorm. Daarentegen kunnen negatieve gedachten en handelingen leiden tot een wedergeboorte in een lagere vorm. Het herboren worden in een oneindige cyclus heet reïncarnatie en weerspiegelt de vergankelijke natuur van de mens.

De basis voor de dharma wordt gevormd door de vier edele waarheden en de weg ernaartoe door het edele achtvoudige pad.

De vier edele of verheven waarheden Aryan, uit de rede van Benares:

1 Het bestaan van het lijden (of frustratie, onrust), Dukha

Boeddha onderwijst de vier edele waarheden [2]

Het woord Dukha (werkwoord) verwijst naar de opvatting dat alle wezens lijden ten gevolge van het vastklampen aan het leven en het vasthouden aan een ‘zelf’, terwijl het permanente zelf noch zelf bestaan. Het bestaan is pijnlijk, van geboorte tot dood. Geboorte, ziekte, ouderdom en de dood zijn alle vormen van lijden. Dit komt voort uit onvermogen te aanvaarden, dat alles om ons heen tijdelijk en voorbijgaand is. Alle dingen ontstaan en vergaan. Stroming en verandering zijn basiseigenschappen van de natuur. Het lijden ontstaat wanneer we de stroom willen trotseren en ons aan vastliggende vormen willen vastklampen die maya (illusie, suggestie, …) zijn. Dit geldt ook voor het vasthouden aan een op zichzelf staand individueel zelf dat uiteindelijk ook maya is.

2 De oorzaak van het lijden, Samodaya

Het is nutteloos vanuit een illusoir standpunt aan het leven vast te klampen. De oorzaak hiervan is onwetendheid. Als men probeert vast te houden aan dingen die als onwrikbaar of blijvend worden gezien, terwijl ze van voorbijgaande aard en voortdurend in verandering zijn, dan raakt men verstrikt in de vicieuze cirkel, waarbinnen elke handeling verdere handelingen oproept en elke vraag nieuwe vragen.
De drie vergiften, trivisa, ofwel ongezonde mentale disposities, die tot nieuw karma leiden zijn: 1. onwetendheid, 2. gehechtheid and 3. afkeer. De vicieuze cirkel waarin men door deze vergiften verstrikt raakt wordt het ‘rad’ van samsara’ genoemd. Dit wiel van geboorte en dood, de nooit eindigende keten van oorzaak en gevolg, wordt in beweging gehouden door karma.

Karma is een Sanskriet woord dat letterlijk ‘handeling’ betekent. Het verwijst naar de leer die Boeddha van de Brahmanen heeft overgenomen en heeft vernieuwd. Deze oude leer van vergelding van de daden, waarin de aard van de volgende existentie wordt bepaald door handelingen en daden in het huidige leven, herdefinieert hij als ‘cetanda’, motivatie. Waar het volgens de oude leer zo is dat automatisch bepaalde handelingen en daden leiden tot opbouw van (goed of slecht) karma (wat door het doen van de juiste offerrituelen en devotie weer kon worden omgebogen), daar verbindt het boeddhisme de ethische gezindheid van het handelen als essentiële schakel in het doorwerken van karma. Het gaat vooral om de intentie, de instelling die uit die handeling blijkt en dus niet alleen om de handeling zelf. Deze herkadering van een bekend hindoeïstisch begrip in een nieuwe context en zienswijze is kenmerkend voor de ontwikkeling van het boeddhisme.

De drie drijfveren of smetten die dat karma oproepen is de vicieuze cirkel van:

  • de onwetendheid, avidya
  • de begeerte en lusten kama
  • de drang tot zelfhandhaving bhava

3 Het opheffen van het lijden, Nirodha

Het is de beëindiging van dorst en hartstocht, het gaat om het streven naar de onthechting en de bevrijding. Dat betekent niet dat men moet streven naar vernietiging van het leven, maar naar vernietiging van het vasthouden (en daarmee verstarring, vastklampen, gespannen zijn, gehechtheid) aan het leven. Het is mogelijk om boven de vicieuze cirkel van samsara uit te stijgen, om zichzelf van de gebondenheid aan karma te bevrijden en om het nirvana — de verlichting, de bevrijding — te bereiken.

4 De weg die leidt tot het beëindigen van het lijden, Magga

Het edele achtvoudige pad van zelfontwikkeling omvat aanwijzingen om aan alle lijden een einde te maken. Het is een methode voor morele en geestelijke ontwikkeling die naar verlichting leidt. Boeddha zou in de Dhammapada hebben gezegd dat boeddhisten zelf hun bevrijding hebben te bewerkstelligen; de buddha’s kunnen hen slechts de weg wijzen. Zij kunnen hen het gereedschap geven, maar ze moeten dit zelf ter hand nemen.

Het edele achtvoudige pad

Dharmachakra, het achtspakige wiel symboliseert het edele achtvoudige pad [3]

Alle acht stappen van het pad zijn deel van een geheel. Het zogenoemde ‘heilige achtvoudige pad’ astangika-marga bestaat uit drie aspecten: ethiek (sjila), meditatie (samadhi) en wijsheid (prajna). Astangika-marga betekent edel en deugdzaam. Daarom kan het achtvoudige pad ook worden geïnterpreteerd als een weg die leidt naar innerlijk adeldom. De drie aspecten omvatten de acht stappen van dit pad als volgt: ethiek door middel van het juiste spreken, het juiste handelen en de juiste leefwijze; meditatie door middel van het juiste streven, de juiste aandacht en de juiste concentratie; en wijsheid door middel van het juiste inzicht en het juiste besluit (resolve’?).

In de ontwikkeling van de boeddhistische filosofie is de focus in de verlossingsleer verschoven van inzicht en meditatie naar het volgen van een individueel pad naar verlichting.

Door het achtvoudige pad aldus in drieën te groeperen doorloopt de leerling via geloof en vertrouwen in de vierde edele waarheid de stappen die uiteindelijk culmineren in het bevrijdende inzicht:

  • het juiste inzicht (sammā diṭṭhi) … is het resultaat van het leven in de vier edele waarheden en de dingen zien zoals ze werkelijk zijn.
  • het juiste besluit (sammā sankappa) … wordt genomen door de dorst naar het leven te vernietigen en te oefenen in een positieve intenties van vriendelijkheid, een goede wil, geweldloosheid en compassie.

De tweede groep behelst de drie morele voorschriften.

Deze handelingen hebben betrekking op het ethische handelen, het praktisch zedelijk gedrag, beheerste taal, correcte daden en een levenswijze die met dharma overeenstemt. De voorschriften zijn:

  • het juiste spreken (sammā vācā): het vermijden van laster, grove taal of ijdel geklets en het cultiveren van het schone, goede en ware spreken.
  • het juiste handelen (sammā kammanta) volgens de vijf voorschriften (pancha sjila):
  • niet doden (ontzien van leven, het leven zijn gang laten gaan, sympathie hebben voor alles dat leeft, verbod van alle geweld),
  • niet stelen
  • niet liegen
  • niet onzedelijk handelen
  • geen bedwelmende drank of drugs. Dat laatste belemmert immers het tot ‘ontwaken’ komen.
  • de juiste wijze van voorzien in levensonderhoud (ājīva): arbeid waarbij een slechte leefwijze wordt vermeden, zoals het maken of verhandelen van wapens, drugs en alcohol, prostitutie, mensen- en dierenhandel, het slachten van dieren, …

De meditatieve voorschriften zijn methoden die bijdragen tot de kalmering van het gemoed door meditatie. Daarbij wordt de inspanning gericht op een juiste geesteshouding en het opzij zetten van de oorzaken die waar geluk in de weg staan, die je onrustig maken en dorstig maken (begeerte). De gehechtheid aan geluk moet plaatsmaken voor helderheid en gelijkmoedigheid: dan is de geest gereinigd en komt het denken tot stilte. In de stilte komt men tot diepe concentratie, vervolgens moet men de concentratie vasthouden door gelijkmoedigheid en volharding.

Pas dan is men klaar voor de uiteindelijke wijsheid — het verlossend inzicht — via de laatste drie stap naar het nirvana:

  • het juiste streven (vāyāma): het cultiveren van wat goed, deugdzaam en gezond is voor lichaam en geest; het vermijden van slechte en schadelijke gedachten, woorden en daden.
  • het juiste aandacht (sati): door de juiste aandacht te geven aan onszelf en anderen kunnen we opmerkzaam blijven en ons niet verliezen in gepieker, gezwelm of fantasieën.
  • de juiste concentratie (samādhi): door ons te oefenen in een-puntige aandacht bereiken we een staat van meditatieve verzonkenheid (jnana). Zo bereikt men inzicht in hoe de dingen werkelijk zijn, wat tot het beëindigen van zelfbedrog en uiteindelijk tot ontwaken (nirvana) leidt.

De Sangha, de gemeenschap, het derde juweel van toevlucht

Sangha [4]

‘Sangha’ is een Pali woord dat gemeenschap, orde of broederschap betekent. Het boeddhisme kent en kende vooral in de vroege geschiedenis — afhankelijk van de stroming — een uitgebreide monniken- en nonnenorde. Boeddha zag het leven als monnik als een ideale manier om de weg te volgen. Deze weg behelst onder meer celibaat en het bedelen om dagelijks voedsel (het boeddhisme schrijft geen vegetarische leefwijze voor, zoals wel vaak wordt beweerd, omdat men deze giften altijd waardeert). Binnen de Sangha is in het boeddhisme geen sprake van het kastensysteem, dat wordt in de lekenwereld wel gehanteerd.

De Sangha kreeg in de loop der jaren kloosters en werd een kloosterorde. Hierdoor nam de afstand tot de gelovigen toe, hetgeen wel gepaard is gegaan met strubbelingen.

In sommige landen is het gewoonte dat jongeren voor hun opvoeding een paar jaar het klooster ingaan. Monniken zijn niet door een blijvende gelofte gebonden en kunnen in de ‘wereld’ terugkeren. De diversiteit in de stromingen heeft ertoe geleid, dat in sommige kloosterorden het celibaat niet vereist is. Vooral de Chinezen met hun voorouderverering verwierpen het celibaat als onnatuurlijk.

Naast de vijf geloften voor iedereen moeten monniken en nonnen er nog eens vijf opvolgen: niet na de middag eten, geen werelds vermaak bijwonen en geen cosmetica, sieraden gebruiken of persoonlijke bezittingen hebben, het afzien van het aannemen van goud en zilver en het gebruik van een luxueus bed. Er zijn 227 regels voor monniken en nonnen, en voor nonnen een extra 110 regels, waaronder regels voor menstruatie, het niet spreken met een man in een afgesloten ruimte of in het donker, geen monnik beledigen en andere spreek- en leefregels die beschermen tegen het veroorzaken van negativiteit.

Sangha als een toevluchtsoord is een belangrijk onderdeel van de praktijk van meditatie. Boeddhisten stellen belang in de ‘sangha’ teneinde eraan deel te nemen en zo te kunnen groeien. Hen aan de sangha toe te vertrouwen geeft veiligheid en kracht van reisgenoten op het pad. Ze kunnen een beroep op de gemeenschap doen, wanneer ze daar behoefte aan hebben, wanneer ze raad nodig hebben of om zich in een veilige haven te voelen. Hoewel het boeddhisme, vanuit het beeld van een persoon alleen op een plek en in meditatie verzonken, vaak wordt gezien als het bewandelen van een eenzaam pad, is de sangha als gemeenschap bijzonder belangrijk. Boeddhisten leren hierdoor zowel gedragen te zijn door de sangha als steun en vriendelijkheid te ontvangen van degenen die hen omringen.

  • Hoogcarspel, E. (2016) Het Boeddhafenomeen. Leusden: ISVW Uitgevers
  • Muller, M. (2014). Dhammapada. North Charleston, SC: CreateSpace.
  • Siderits, Mark, 2007. Buddhism As Philosophy, Indianapolis: Hackett.
  • Wit, H.F. de (1993; 2013) De Verborgen Bloei. Over de psychologische achtergronden van spiritualiteit. Utrecht: Ten Have.
  • Wit, H.F. de (1998; 2016) De lotus en de roos. Boeddhisme in dialoog met psychologie, godsdienst en ethiek. Herziene editie. Utrecht: Ten Have.
  • Wit, H.F. de (2005) De Drie Juwelen. Hoe het pad van de Boeddha op te gaan. Utrecht: Ten Have.
  • Wit, H.F. de (2009) Het open veld van de ervaring. De Boeddha over inzicht, compassie en levensgeluk. Utrecht: Ten Have.
  • Wit, H.F. de (2014) Wijsheid in emotie. Utrecht: Ten Have.
  • Wit, H.F. de (2015; 2017) Boeddhisme voor denkers. Samen met Jeroen Hopster. Utrecht: Ten Have.
Noten

[1] Bron: Prince Siddharta Gautama shaves the hair off his head as the sign to decline his status as ksatriya (warrior class) and becomes an ascetic hermit, his servants hold his sword, crown, and princely jewelry while his horse Kanthaka stands on right. Bas-relief panel at Borobudur, Java, Indonesia. 
[2] Bron: The Buddha teaching the Four Noble Truths
[3] Bron: Dharmachakra
[4] Bron: Sangha (Luang Prabang, Laos)

2017-12