Begijnenbeweging

0

Sieth Delhaas

Doorkijk, december 1999

Inleiding

Begijnhof Breda[1]

De keurige, opgepoetste begijnenhofjes, waarmee sommige van onze steden toeristen proberen te trekken, vormen geen waardige herinnering aan de vurige begijnen van de twaalfde eeuw. In die tijd trokken mannen ter kruistocht. Het was de tijd van fanatici onder gelovigen. Van ketterbewegingen, zoals de Katharen en de Waldenzen. En het was de tijd van vrijwillige armoede.

Vooral de drie laatste bewegingen keren zich tegen de macht, de rijkdom van kerk en opkomende steden. Santa Clara en Sint Franciscus spelen een rol. In die stroom van bewegingen mengen vrouwen zich. Zij zetten zich bovendien af tegen de altijd weer vanzelfsprekende minachting voor vrouwen.

In die tijd van nieuwe vroomheid ontstaat ook aandacht voor het mens-zijn van Jezus. In de taal van het geloof komt innigheid en liefde tot uitdrukking. Ook dat raakt vrouwen. Door zo vaak mogelijk ter communie te gaan, proberen zij de eenheid met de hemelse bruidegom te ervaren.

Er zijn verhalen, dat monniken uit die tijd jaloers zijn op de bewogenheid van vrome vrouwen, hun tranen, hun invloed in de zielzorg en hun kluizenaarsleven. Men zegt dat Walter van Utrecht naar een begijn in Wallonië reisde om van haar ‘de gave der tranen’ te ontvangen.

De Nederlanden

Begijnhof Amsterdam[2]

In de Lage Landen doet de Minnemystiek opgeld. Het is een mystiek die verwant is aan de hoofse poëzie, afkomstig uit het Zuidwesten van Frankrijk. Eleonora van Aquitanië, later koningin van Frankrijk, weer later van Engeland, spoort vrouwelijke en mannelijke dichters-muzikanten aan hun liefde uit te drukken in tekst en muziek.

Adellijke dames in onze streken, die zich aangetrokken voelen tot de Begijnenbeweging en de traditie van de trouvères en troubadours kennen, gebruiken deze hoofse (van het hof) taal om haar innige liefde voor Jezus onder woorden te brengen. Beatrijs van Nazareth ( 1200-1268), is hiervan een bekend voorbeeld.

Onduidelijke herkomst

Priorij van Doignies (1740) [3]

De herkomst van de naam begijn is een raadsel gebleven. Deze zou verwijzen naar het beige ongeverfde kleed van de vrouwen, naar de ketterse Albigenzen, vooral de middelste twee lettergrepen. Ze zouden vernoemd kunnen zijn naar Beatrix, de echtgenote van de koning van Bohemen, de heilige Begga van Turnhout of naar de Luikse priester Lambert Lebègue.

Zeker is dat een grote schare vrouwen, vervuld van het religieuze ideaal van wereldverzaking, niet terecht kan in de vrouwenkloosters. Deze zijn door de kruistochten — mannen van huis en rovers op de weg — overvol geraakt. In het bisdom Luik is onder deze omstandigheden een duidelijk begin van de begijnenbeweging te traceren.

Maria, dochter van rijke ouders in de Brabantse stad Nijvel, speelt hierin een duidelijke rol. Op haar veertiende wordt ze uitgehuwelijkt. Het jonge echtpaar echter besluit kuis, als broer en zus te leven en zij verdelen hun bezit onder de armen. Ze dragen kleren als de armen, van ongeverfde wol en werken onder de paria’s en leprozen in hun stad. Maria gaat wonen in een klein huisje bij de priorij van Oignies. Maria wil preken. Maar dat is haar als vrouw en leek verboden. Ze vindt er iets op: ze sluit zich met een dienares en de prior op in de kerk en legt al zingend bijbelteksten uit.

Vroomheid

het leven van Maria Petyt[4]

De vroomheid van de begijnen wordt door de geestelijkheid en vrome tijdgenoten als luidruchtig gebrandmerkt. Omdat ze geen geloften afleggen, zich meestal niet ergens vestigen, op luide toon bedelen en om brood vragen, staat het publiek verdeeld tegenover hen. Kinderen schelden hen uit. Hun vroomheid uit zich ook in sociale activiteiten als onderwijs en ziekenverpleging. Al naar gelang de streek waar ze leven, verschillen leefwijze en gedrag.

Er zijn stadskluizenaressen die zich voegen naar de gebedstijden van de monniken bij wier kerk zij zich laten inmetselen. Anderen hebben taken als zielzorgsters onder de stedelingen.

Laten zij zich inpalmen door de bestaande orde waartegen zij zich eerder afzetten?

Begijnhoven

Onze hedendaagse rustige begijnhoven lijken het eindstation van een beweging die principieel, opstandig en luidruchtig de toon zette.

Het begint al enkele decennia na het vermoedelijke begin: rechtgelovige vrouwen groeperen zich als stadskluizenaressen rond een kerk of kapel onder pastoraal toezicht. Dat is kenmerkend voor de Lage Landen.
Er blijft wel een stroom vrouwen uit de lagere klassen, onder andere boerendochters, in Frankrijk vooral, die zich niet aan kerk of kapel binden. Zij blijven zwerven en verkondigen ketterse ideeën, maken grote indruk op het volk waaruit ze voort komen. Men zegt dat Sint Dominicus een klooster stichtte met een aantal van deze vrouwen die zich van hun ketterse ideeën hadden bekeerd, een klooster stichtte.
En hoe kan het anders: op het concilie van 1311 wordt de begijnenbeweging veroordeeld. Vanaf die tijd begint de inkapseling in kerkelijke instituties. Maar ook die relatie wekt ergernis. Ergernis voor pastoors die de begijnen in hun parochies niet dulden. Begijnen stellen zich tenslotte onder bescherming van de Franciscaanse en Dominicaanse orden en hun derde regel.

Verloop

voormalig Groot Begijnhof in ‘s-Hertigenbosch . circa 1645 op kaart van Joan Blaeu (detail)[5]

Uit latere eeuwen zijn er nog berichten over hun leven. Uit een Antwerps statuut: de begijnen moeten één mis per dag bijwonen. Gaan ze te weinig of helemaal niet meer? Soms woont een dienstbode in bij de begijn. Anderen kopen een pandje op het hof. Zijn dit rijke burgerdochters?

Als begijnen zich voor levensonderhoud in de zeventiende eeuw gaan bezighouden met de wolindustrie krijgen ze het aan de stok met de gilden. Een bron van inkomsten is ook het repareren van paramenten, het wassen van altaarlinnen en de kerkgewaden.

Afgewezen mannen

Begijnen hebben in het algemeen veel last gehad van mannen. In 1197 schrijft ene Petrus Cantor: ‘Wie de daders zijn? Afgewezen mannen.’ Vitry, die veel op had met Maria uit Nijvel beschuldigt ‘wijzen van deze wereld, dat wil zeggen prelaten en andere boosaardige mensen’. Gregorius X vraagt in 1235 ‘deze vrouwen te beschermen tegen molestatie en verleiding door clerici, monniken en leken en de boosdoeners te straffen.’ Margaretha, gravin van Vlaanderen schrijft in 1245: ‘Jonge vrouwen die zich tot de Here bekeren, hebben, wanneer zij met de begijnen verkeren en in hun woningen willen verblijven, soms zware druk te verduren.’

De brandstapel is de begijnen evenmin bespaard.

Dagblad ‘Trouw’ meldt in 1990: ‘In Breda is op Goede Vrijdag de laatste nog levende begijn in Nederland overleden. Met de dood van juffrouw Cornelia Frijters (81) kwam een einde aan zeven eeuwen van begijnendom in Nederland.

  • Maria Petyt, Het leven van Maria Petyt (1623-1677) autobiografie, uitgeverij Thieme Zutphen 1976
  • Florence Koorn en Michel van der Eycken, Begijnen in Brabant, uit Esso-Nederland 1987
  • Wim Tepe, Begijnen in de Lage Landen, Luyten-Aalsmeer 1987
  • Paul Mommaers, De brieven van Hadewijch, Kok-Kampen 1990
  • Elisja van Kessel, De Klopjes
Noten

[1] Begijnhof Breda
[2] Begijnhof Amsterdam
[3] Priorij van Oignies
[4] Het leven van Maria Petyt
[5] Voormalig begijnhof Den Bosch

Avatar foto

deed freelance journalistiekwerk en zeven jaar hoofdredacteurschap bij een regionaal kerkblad, een theologie-opleiding Daarnaast ook cursussen en lezingen — tussen 1990 en 2005 vanuit haar Werkplaats ‘In de Weegschaal’ te Vught —, tegelijkertijd een studie cultuurwetenschappen bij de Open Universiteit en last but not least de driejarige cursus ‘Filosofie Oost-West’ te Utrecht.