Spaans benauwd in de Cariben in de 17e eeuw

0

Fred de Haas

Spaanse bevelhebbers, Indianen in het nauw, Peter Stuyvesant verliest zijn been…
Francisco Pizarro, een van de eerste Spaanse veroveraars (1471-1541)[1]

Onderstaande brieven tonen de Spanjaarden die omstreeks het midden van de 17e eeuw nog heer en meester waren in het Caribisch gebied in al hun menselijkheid.

Zij waren naar ‘de West’ (Las Indias) gestuurd om de belangen van de Spaanse monarchie te verdedigen en verkeerden vaak in weinig benijdenswaardige omstandigheden.

Don Lope López de Morla, don Ruy Fernández de Fuenmayor, don Diego Guajardo Fajardo waren commandanten in het Caribisch gebied in dienst van de Spaanse koning, die soms jarenlang vergeefs wachtten op een antwoord van de Spaanse Kroon op hun brieven en noodkreten.
Het waren soldaten die zich verwant voelden met de soldaten tegen wie zij moesten vechten, soldaten die elkaar met wederzijds respect behandelden als zij elkaars krijgsgevangenen waren (zie hieronder de correspondentie van Fuenmayor met Stuyvesant).

Deze Spanjaarden waren degenen die, lang voordat de Hollanders kwamen, de scepter zwaaiden op de eilanden waarvan een deel ooit de Nederlandse Antillen zouden worden en ― in het prille begin van de 21ste eeuw ― semionafhankelijke eilanden of bijzondere gemeentes van Nederland.

Curaçao ― Uitgegeven door Arent Roggeveen in 1675[2]

Spanjaarden en Hollanders schreven elkaar in de 17e eeuw in het Latijn of in het Spaans en spraken met elkaar via tolken.
Hun brieven geven een goed inzicht in de manier waarop zij streden, leefden en dachten. Het Spaans waarin de brieven zijn gesteld is soms verrassend beeldend.

Ook Peter Stuyvesant speelt in onderstaande brieven een rol en verliest zijn befaamde been in een gevecht met de Spanjaarden.

De Spaanse teksten, in de eerste helft van de 20e eeuw bijeengebracht door Irene A. Wright B.A., werden door het Historisch Genootschap in 1935 uitgegeven onder de titel “Nederlandsche Zeevaarders op de eilanden in de Caraïbische Zee en aan de kust van Columbia en Venezuela gedurende de jaren 1621-1648” bij Kemink en Zoon N.V. Over den Dom te Utrecht.

Prof. Dr. C.F.A. van Dam heeft toen de vertaling verzorgd. De Spaanse teksten zijn opnieuw door mij in het Nederlands vertaald; ook heb ik de oude 17e-eeuwse Spaanse versie wat gemoderniseerd, zodat deze eventueel kan worden gebruikt voor onderwijsdoeleinden.

Het zou niet onredelijk zijn om de literatuur van Caribische eilanden als Curaçao, Aruba, Bonaire en St. Maarten te laten beginnen met fragmenten uit die Spaanse brieven. Dat zou op zijn minst het sociale en literaire perspectief van waaruit men nu naar de eilanden pleegt te kijken enigszins veranderen.

De (literatuur)geschiedenis van deze eilanden begint met de Indiaanse bevolking, de Spanjaarden, de Nederlanders en de Afrikaanse ― gedwongen ― migranten.

Philips IV en zijn Caribische bezittingen

Philips IV ― Diego Velázquez (1644)[3]

Ja, Curaçao was hij in 1634 kwijtgeraakt aan de Hollanders. Maar Philips IV (1605-1665) had wel iets anders aan zijn hoofd dan zich te bekommeren om die paar eilanden in de Caribische zee. Het glorieuze verleden, de schitterende overwinningen, de heerschappij op zee, de schatten van de Azteken en de Inca’s, de kracht van de Spaanse legioenen behoorden goeddeels tot het verleden, maar hij droomde er nog steeds van de oude luister van het grote Spaanse rijk te herstellen.

Het zou echter bij een droom blijven. Zestig jaar lang hadden de Spanjaarden de wegen naar het Westen en het Oosten gecontroleerd, maar na 1640 zouden zij hun macht verliezen aan andere Europese mogendheden en zouden ze administrateurs worden van hun eigen overzeese bezittingen.

Nee, Philips had andere zorgen. Frankrijk had Spanje de oorlog verklaard en een verbond gesloten met de Hollanders om de Spaanse Nederlanden onderling te verdelen, Paus Urbanus XVIII was geen vriend van Spanje en zou de ineenstorting van het Spaanse rijk met een welgevallig oog gadeslaan en in 1639 was de Spaanse Armada onder bevel van de grote Oquendo door Tromp bij Duins verslagen.

Maarten Harpertszoon Tromp voor den zeeslag bij Duins (1639)[4]

In 1640 was er een opstand uitgebroken in Portugal en Catalonië, waardoor hij maatregelen moest nemen tegen de macht van de Portugezen in zijn Spaanse bezittingen overzee om een door hem gevreesde vijfde colonne te voorkomen.
Zijn leger was op de Montjuich bij Barcelona door de Catalanen verslagen en in Frankrijk bij Rocroy door Condé.

En Holland, een Calvinistische verzameling losse provincies met allerlei tegengestelde belangen, bleef een luis in de pels van de eens zo machtige, goed gestructureerde Spaanse monarchie. Nee, die paar eilanden ver weg konden hem nauwelijks boeien.
Hij had de oplossing van dat probleem overgelaten aan een Oorlogsraad, de Consejo de Curazao, die niet veel kon uitrichten en na de nederlaag van Oquendo bij Duins zijn tanden had verloren. Tijd om de brieven van zijn commandanten in het Caribisch gebied te beantwoorden had Philips niet. Hij had andere zorgen aan zijn hoofd.

Don Lope López De Morla

Van Curaçao naar Coro

Kapitein don Lope López de Morla was in de jaren ‘30 van de 17e eeuw een belangrijk man op Curaçao.
Waarschijnlijk had hij nog een andere functie dan die van militair bevelhebber, want van dit laatste kon je nauwelijks spreken, gezien het feit dat er in totaal maar acht Spanjaarden en een betrekkelijk klein aantal weerbare Indianen op het eiland zaten.

Toen de cartograaf en navigator Johannes van Walbeeck ― voor de Spanjaarden “Juan de Balbeque” ― het eiland bezette, werden de onderhandelingen gevoerd door Juan Mateos, de hoogste justitiële ambtenaar ter plaatse.

De Morla, verraden door een zekere Adriaan, een Indiaanse vertrouweling, werd met de andere Spanjaarden en de inheemse bevolking ― op 14 gezinnen na ― door Van Walbeeck op transport gesteld naar Venezuela en op 15 mijl van Coro aan land gezet.
Hoewel De Morla berooid en ontredderd aankwam in Venezuela belette hem dit niet zich in te zetten voor de Indianen die hem trouw waren gebleven en die nu gedesoriënteerd in Cumarebo rondliepen. Hij trok zich hun lot aan en bepleitte hun behouden terugkeer bij gouverneur Francisco Núñez Melián.

Don Lope zette zich, berooid en ellendig, aan de wrakke stellage die hem tot schrijftafel diende in Coro en dacht na over de inhoud van de brief die hij aan de Spaanse gouverneur Francisco Núñez Melián zou gaan schrijven.
Hij had het te doen met de Curaçaose Indianen met wie hij door de Hollanders op transport was gesteld naar het vasteland van Venezuela. Dat was immers de prijs geweest die hij en het geringe aantal van zijn Spaanse lotgenoten had moeten betalen voor het sparen van hun leven.

De Hollandse bevelhebber Juan de Balbeque (Johannes van Walbeeck) had er geen gras over laten groeien en hun met een paar honderd inheemse Indianen aan boord van een Hollands schip gebracht en naar Venezuela verscheept. En nu zaten ze daar met zijn allen.
De Indiaanse families waren er slecht aan toe. Enkelen waren al het binnenland ingetrokken en de rest leidde een kommervol bestaan in Cumarebo of werd in dienst gehouden door de Spanjaarden.

Ja, don Lope had het met hen te doen. Ze waren hem altijd trouw gebleven op Curaçao en ze verdienden het om terug te keren naar de eilanden waar ze thuishoorden.

Hij was vastbesloten met hen mee te gaan. Dat zou voor hem een mooie gelegenheid zijn om die Hollanders een lesje te leren. Ja, hij zou Núñez Melián om hulp vragen en zo proberen te bewerkstelligen dat de Indianen konden terugkeren naar een eiland dat nog niet door de Hollanders was bezet. Hij besloot zijn wederwaardigheden zo kort en bondig mogelijk aan de gouverneur te schrijven en een lans te breken voor ‘zijn’ Curaçaose Indianen.

Indianen, uit het Caribisch gebied

El enemigo me echó quince leguas de este puerto, con la gente de la isla, excepto catorce casas que este perro de Adrián, que fue él que me destruyó, las redució a que se quedasen con el enemigo. La cual gente, señor, queda en Cumarebo; yo en este lugar de Coro, tan pobre y desdichado con tan solamente la camisa que saqué en el cuerpo, de que es testigo todo en este lugar de la manera que entré en él, y estoy tan sin remedio que sólo la limosna que en San Francisco se me ha hecho de darme de comer y de algunos vecinos con que he podido vivir.

No quiero cansar a vuestra merced con mis trabajos y desdichas y en el miserable estado que estoy, porque aun contadas dan pena. Yo quedo aquí, sólo teniendo de consuelo el qu mis causas; y así, mi señor, si es posible el socorrer aquella isla, lo que mi desventurado estado y mi persona pueden ofrecer es el ir a morir en defensa de aquella isla, y en el servicio de mi rey y señor, que con llevar el lugar del más mínimo soldado lo tendré a dichosísima suerte.

Suplico a vuestra merced, si vuestra merced es servido de darme licencia, quisiera amparar esta gente, pasándole a la isla de Uruba, donde estuviera recogida hasta que su majestad, el rey, mi señor, mandara otra cosa; porque en esta tierra es imposible sustentarla, por la pobreza de ella, y mi poco posible, y de quedarse en ella, se han de perder y dividirse, como se han perdido más de treinta casas, como a vuestra merced tengo dado cuenta, que están en estas partes.

Y así, si a vuestra merced le parece, le pasaré a Uruba haciéndome merced de un mandamiento para que ninguna persona de cualquier calidad y condición que sea me oculte ninguno, ni me impide el pasarlos, antes me den el favor y ayuda necesario para su cumplimiento; y así suplico a vuestra merced me haga merced y favorezca, pues es causa tan piadosa de si hubiere alguna fragata en ese puerto de mandarle que venga a éste para pasar esta gente, a la cual fragata me obligo de cargarla en Uruba ydarle el interés justo que a vuestra merced le pareciere que merece.

In Venezuela, op 15 mijl van Coro aan land gezet[5]

Y en todo, mi señor, quedo esperando lo que vuestra merced me mandare y ordenare, sin tener más bien que el reconocerme y haber reconocido siempre ser criado de vuestra merced, cuyas causas le suplico las mire como de quien está con la necesidad y pobreza que yo estoy y en tan miserable estado, de que doy a Dios infinitas gracias.

Y guarde Nuestro Señor a vuestra merced con los acrecentamientos y aumentos de mi deseo.

Coro, 2 de setiembre de 1634 años.

Don Lope López de Morla

(Sevilla, Archivo de Indias 54-3-7)
Archivo de Indias, gesticht door Carlos III in 1785[6]

“De vijand (= de Hollanders) heeft me op een afstand van 15 mijl van deze haven (= Coro) aan land gezet, tegelijk met de inheemsen van het eiland (= Curaçao), met uitzondering van de 14 gezinnen die door die hond van een Adriaan (de man die mijn ongeluk heeft bewerkstelligd) overreed waren om bij de vijand te blijven. Deze mensen, heer, verblijven in Cumarebo. Ikzelf zit, berooid en ongelukkig, in Coro met alleen het hemd dat ik aan mijn lijf heb. Alle mensen uit deze plaats kunnen getuigen hoe ik hier aankwam. Ik ben zo verstoken van alles dat ik alleen heb kunnen leven dankzij het feit dat mensen in San Francisco en enkele inwoners mij uit naastenliefde te eten hebben gegeven.

Ik wil u niet vermoeien met het schilderen van mijn ellende en ontberingen en van de ongelukkige toestand waarin ik mij bevind, want van het verhaal alleen al zou je treurig worden. De enige hoop hier put ik uit de gedachte dat u, eerlijk en christelijk van inborst als u bent, mij zal beschermen en begunstigen. En, heer, als het mogelijk is om dat eiland te hulp te komen, kan ik u, in de ongelukkige toestand waarin ik verkeer alleen maar aanbieden om te gaan sterven bij het verdedigen van dat eiland en ik zal, in dienst van mijn heer en koning, mij zeer gelukkig prijzen als ik dat kan doen als eenvoudig soldaat.

Ik smeek u, indien u dit goed vindt, om die mensen in bescherming te nemen door hen naar het eiland Aruba over te brengen waar zij zouden kunnen wonen totdat zijne majesteit, mijn heer en koning, hierover anders mocht beschikken. Want het is onmogelijk hen in dit gebied in leven te houden, want de grond is arm en ik kan weinig voor hen doen. Als ze hier zouden moeten blijven zouden ze verloren zijn en verstrooid raken, zoals dit al is gebeurd met meer dan dertig gezinnen hier. Maar dat heb ik u reeds verteld.

Aruba ― foto Fred de Haas

En, als u het goed vindt, zal ik hen naar Aruba brengen en misschien kunt u mij dan een bevelschrift meegeven zodat niemand, van welke rang of stand dan ook, een inheemse voor mij verborgen kan houden of mij beletten hen over te varen, maar mij veeleer de nodige hulp zal bieden om, in overeenstemming met de inhoud van het bevelschrift, de overtocht mogelijk te maken. En dus smeek ik u om mij deze gunst te verlenen; immers het zou van mededogen getuigen een fregat, mocht dit in de haven liggen, hierheen te zenden om deze mensen over te varen.

Ik verplicht mij ertoe dit fregat op Aruba van lading te voorzien en hieraan de aandacht te geven welke het naar uw oordeel verdient. Hoe dan ook, heer, ik wacht op wat u mij mocht bevelen en opdragen. Ik kan alleen maar bevestigen, zoals ik dit altijd heb gedaan, dat ik voor altijd uw dienaar ben, wiens zaak ik u smeek te bekijken als die van iemand die in de staat van armoe en nood zit waarin ík mij bevind. Waar ik God overigens oneindig dankbaar voor ben.

Moge God u bewaren met alle voorspoed die ik u toewens’.

Coro, 2 september 1634

Was getekend: Don Lope López de Morla

Don Diego Guajardo Fajardo: Sint Maarten

Commandant van het Spaanse garnizoen

Uit de brieven die de commandant van het Spaanse garnizoen op St. Maarten in 1644 naar de koning van Spanje schrijft doemt het beeld op van een trouwe soldaat die wanhopig probeert de eindjes op het eiland aan elkaar te knopen.
Don Diego zit daar met een garnizoen van ongeveer 250 man, waarvan nauwelijks de helft van de soldaten, verzwakt als zij zijn, in staat is de wapens te hanteren.

Zijn manschappen lijden aan alles gebrek, maar vooral aan voedsel en munitie. Ze proberen wat groente te verbouwen en wat vee te fokken om niet van honger om te komen. Diego weet dat zijn mannen maar al te graag zouden deserteren om aan hun wanhopige situatie te ontkomen.

Ze moeten daarbij voortdurend op hun hoede zijn voor de Hollandse vijand die er op uit is St. Maarten te heroveren en elk ogenblik met zijn schepen op de rede kan verschijnen.

De ene brief na de andere die Don Diego schrijft om hulp blijft onbeantwoord.

Don Diego staarde peinzend over de diepblauwe Caribische zee. Al vier jaar schreef hij brief na brief aan Zijne Katholieke Majesteit in Spanje.
Keer op keer had hij de moeilijke omstandigheden waarin hij verkeerde uitgelegd en om hulp gevraagd, maar geen brief werd beantwoord en hulp bleef uit.

De paar honderd soldaten over wie hij het bevel voerde in de vesting St. Maarten moesten leven op 4 ons scheepsbeschuit per dag en van het beetje groente dat ze probeerden te kweken op de onvruchtbare grond. Sommigen waren al jaren op het eiland en over hun vechtlust maakte don Diego zich geen illusies. Hij durfde de officieren ook niet op verkenning op zee te sturen omdat hij bang was dat ze zouden deserteren. Maar hij was door de Kroon aangesteld om het eiland te verdedigen tegen de Hollanders, de Fransen, de Engelsen en de piraten en hij bleef op zijn post.

Gelukkig dat de Hollanders niet zo geïnteresseerd waren in het koloniseren van gebieden, maar zich liever bezighielden met smokkelhandel en zeeroverij. Hoewel … ze hadden zich nu stevig genesteld in Curaçao en misschien koesterden ze andere plannen.

Hij besluit om toch maar weer eens een bericht naar Spanje te sturen waarin hij de benarde situatie waarin hij verkeert nog eens zal uitleggen. Het eiland had pas een belegering door de Hollanders doorstaan, maar het zou niet lang duren, vreesde hij, of ze kwamen terug om een nieuwe poging te wagen.

Haber cuatro años que estoy gobernando la poca infantería que vuestra majestad tiene en este fuerte y haber avisado en todas las embarcaciones que a él han llegado de las muchas miserias que esta pobre gente pasa, y como cada día se va apocando al paso que ellas creciendo, y haber suplicado a vuestra majestad por los medios que me han parecido más a propósito para su conservación, y no haber tenido ninguna respuesta desde que llegué aquí, me obliga a referirlas de nuevo a vuestra majestad, aunque no todas, por no dificultar su remedio en tales tiempos.

[…]

De San Martín y marzo 19 de 1644

Esta estaba escrita cuando llegó el enemigo.

Don Diego Guajardo Fajardo

(Sevilla, Archivo de Indias, 136-6-13, 28)

“Al vier jaar voer ik het bevel over het geringe aantal grondtroepen waarover uwe majesteit in deze vesting beschikt. Met alle boten die dit eiland (= St. Maarten) hebben aangedaan heb ik berichten meegestuurd over de grote ellende waarin deze arme mensen verkeren en u geschreven dat er elke dag meer mensen sterven, naarmate deze ellende toeneemt. Ik heb uwe majesteit dringend verzocht mij de middelen te sturen die mij het meest geschikt leken om deze vesting te behouden, maar heb, sinds ik hier aankwam, nooit enig antwoord ontvangen. Daarom zie ik mij genoodzaakt uwe majesteit nog eens van onze moeilijke omstandigheden op de hoogte te brengen, hoewel ik niet álle moeilijkheden zal vermelden. Want dat zou, gezien de tijden die wij beleven, de oplossing ervan in gevaar kunnen brengen [… …].

St. Maarten, 19 maart 1644

Was getekend: Don Diego Guajardo Fajardo

NB Deze brief was al geschreven toen de vijand eraan kwam.

De vijand was inderdaad aangekomen met acht schepen om de vesting St. Maarten op de Spanjaarden te heroveren en ― in plaats van Curaçao ― van dít eiland het centrum van de Hollandse handel in het Caribisch gebied te maken.

De Hollanders zetten ongeveer 800 soldaten aan land en bestookten de vesting van Don Diego dagenlang met hun karabijnen en het meegebrachte geschut. Het geluk is echter met de Spanjaarden. De aanval wordt afgeslagen en de Hollanders vertrokken.
Don Diego zal later dankbaar schrijven over “God die zijn zaak niet had vergeten” (“Dios que no se olvidó de su causa”).

De strijd was nogal onoverzichtelijk geweest en veel was tijdens de belegering aan de waarneming van Don Diego ontsnapt.
Maar hij zou bijzonderheden vernemen van enkele Spanjaarden die op Curaçao krijgsgevangen hadden gezeten en via St. Christopher, dat door de Engelsen en Fransen was bezet, op St. Maarten waren beland:

Dicen vino de Holanda nuevo gobernador a Curaçao y orden al que estaba para que viniese por general de esta armada con los ocho bajeles que aquí tuvo; y que salió de allí con ellos, dejando en aquella plaza no más de sesenta hombres, y esos enfermos y el desecho de toda su gente, y sin bastimentos porque embarcó los que allí había y cuatrocientos hombres escogidos y algunos indios flecheros.

[…]

Standbeeld van Peter Stuyvesant dat jarenlang (tot 2011) op het schoolplein van een middelbare school op Curaçao stond[7]

“Deze vertellen dat er een nieuwe gouverneur op Curaçao was aangekomen met het bevel aan de dienstdoende gouverneur (= Stuyvesant) om zich aan het hoofd te stellen van de vloot van de acht schepen die hij bij zich had en met die schepen uit te varen. In die vesting moest hij niet meer achterlaten dan de zestig manschappen die ziek waren en als uitschot konden worden beschouwd. Hij moest ook geen voedselvoorraden achterlaten, omdat hij dat voedsel nodig had op de schepen voor de vierhonderd mannen die waren geselecteerd en voor die paar Indianen die bewapend waren met pijl en boog en die ook meegingen’.

[…]

Ook de bedoelingen van de Hollanders werden duidelijk:

Y dicen que lo que se entendió de ellos es que querían dejar a Curaçao y hacer esto su aduana, por estar incorporados con estotras islas de enemigos, y hacer daño a las flotas al pasar.

—–

“Naar hun zeggen heeft men van hen begrepen dat zij (= de Hollanders) Curaçao wilden verlaten en St. Maarten tot hun doorvoerhaven maken omdat het tussen die andere vijandelijke eilanden lag, waardoor het mogelijk was de passerende vloten schade toe te brengen’.

Soldaten die niet langer voor de Hollanders wilden vechten en op St. Christopher waren achtergebleven wisten te vertellen wat er zich had afgespeeld tijdens de aanval op de Spaanse vesting op St. Maarten.
Zo werd bij Stuyvesant een been afgeschoten, vertelden ze.

Don Diego:

Y dicen que la segunda pieza que se disparó de esta plaza le llevó una pierna al general, que se la aserraron junto a la rodilla, estando poniendo su estandarte en su batería que lo quiso hacer por su mano. Y el mismo balazo levanté una piedra que le llevó a otro camarada suyo, que era capitán de su capitana un pedazo de la mejilla y le sacó un ojo.

Y que la noche que vinieron a dar el primer asalto fueron doscientos hombres los que ocuparon las peñas que están junto a este castillo, y que quedaron otros tantos en la playa para socorrerlos, los cuales, por hacer oscuro, no los vimos. Y que unos y otros recibieron muy gran daño, y que perdieron más de sesenta. Y en las lanchas que desembarcaban de noche se les había muerto mucha gente y en la mar alguna. Y al capitán de la admiranta le había llevado un balazo un brazo, y a otro capitán un pie, de que murió; sin otros muchos heridos y muertos que hubo en su real y batería. Y que habían ahorcado a un prisionero de los que cogió el primer día porque le había dicho que teníamos poca gente. Y que se había ido a Curaçao a reforzarse, jurando de volver a perder la vida donde había perdido la pierna.

[…]

De San Martín y mayo 24 de 1644

Humilde vasallo de vuestra majestad

Don Diego Guajardo Fajardo

(Sevilla, Archivo de Indias, 54-4-2)
Sint Maarten[8]

“En ze zeggen dat de kogel van het tweede kanon dat uit deze vesting werd afgeschoten de generaal een been kostte dat vlakbij de knie moest worden afgezaagd. Op het ogenblik dat er werd gevuurd was hij net bezig eigenhandig zijn vaandel op de batterij te zetten.

En dezelfde kogel trof een steen die omhoog schoot en bij een van zijn medesoldaten een stuk wang en een oog meenam.

Verder, dat de tweehonderd man die de eerste aanval inzetten de rotsen innamen die zich vlakbij het fort bevonden en dat er nog eens tweehonderd man ter ondersteuning op het strand achterbleef; maar die konden we door het donker niet zien.
En dat beide contingenten zware verliezen leden en meer dan zestig man verloren. En er waren veel manschappen gedood in de boten waarmee ze ‘s nachts aan land gingen; en ook verdronk er een aantal in zee.

En de kapitein van het admiraalsschip was door een kanonskogel een arm kwijtgeraakt en een andere kapitein had een been verloren, wat hem zijn leven kostte. En dan heb ik het nog niet eens over de vele doden en gewonden die er in het legerkamp te betreuren waren. En ze hadden iemand die door Stuyvesant de eerste dag krijgsgevangen was gemaakt opgehangen omdat die man hem had verteld dat wij maar met weinig mensen waren.
En dat de bevelhebber naar Curaçao was gegaan om weer op krachten te komen en had gezworen terug te keren om het leven te laten op de plek waar hij zijn been had verloren’.

[…]

Uit St. Maarten, 24 mei 1644

De onderdanige dienaar van uwe majesteit

Was getekend: Don Diego Guajardo Fajardo

Ruy Fernández De Fuenmayor

Expeditie naar Bonaire vanuit Caracas

Ruy Fernández de Fuenmayor, gouverneur van de toenmalige Spaanse Provincie Caracas, Venezuela, had ― waarschijnlijk in een opwelling ― de Spaanse koning Philips IV beloofd om de Hollanders, die Curaçao bezet hielden, van het eiland te verdrijven.
Maar jaar na jaar stelde hij die onderneming totdat hij aan het einde van zijn mandaat was gekomen en uitstel niet langer mogelijk was.

Hij verzamelde enkele honderden soldaten en zette koers naar Bonaire vanwaar hij de aanval op Curaçao wilde inzetten. Aangekomen op Bonaire ziet hij nog net een Hollands schip onder zeil gaan. In de verte zien de Spanjaarden een brandende vesting.

De Spaanse soldaten die zich aan boord van de schepen bevonden werden ziek nadat ze van het water hadden gedronken dat ze op het eiland hadden aangetroffen. Fuenmayor beschuldigt Stuyvesant ervan het drinkwater te hebben vergiftigd. Deze had hem vervolgens per kerende post in slecht Latijn geantwoord dat hij daar niets mee te maken had.

Ruy Fernández de Fuenmayor wiste het zweet van zijn voorhoofd en vervloekte de dag dat hij gouverneur van de provincie Caracas was geworden. Vóór hem lagen twee brieven. Een ervan was van de bisschop Santiago de León die hem op minachtende toon de mislukking van zijn expeditie naar Bonaire verweet en de tweede was van een zekere Jacob…die hem er in slecht maar beleefd Spaans op attent maakte dat hij een paar Spaanse schepen vóór de kust van Venezuela in brand had gestoken. Een vergeldingsmaatregel voor wat hij, Fuenmayor, op Bonaire had aangericht.

Hoe had hij het ooit in zijn hoofd kunnen halen om Philips te beloven dat ie de Hollanders uit Curaçao zou verdrijven? Onmiddellijk na zijn belofte had ie er spijt van gekregen. Maar hij had gelukkig kans gezien om zijn beloofde actie jaar na jaar uit te stellen totdat hij in zijn laatste jaar als gouverneur was beland en niet meer onder zijn belofte uit kon.

Met veel tamtam, zodat iedereen goed kon zien dat hij zijn best deed, was hij uiteindelijk toch maar aan de voorbereidingen begonnen. Hij had om zijn onkosten te dekken een flinke greep in de Koninklijke schatkist gedaan ― zo’n 80.000 dukaten ― en de inwoners van de provincie Caracas beroofd van Indiaanse slaven, muildieren en voedselvoorraden.

Allemaal voor zijn troepen. Voor de zekerheid had hij ook nog Indianen uit het binnenland gevangen, geboeid en onder militaire bewaking naakt naar de kust laten lopen. Onderweg waren er nogal wat gestorven.

Daar kon hij nog flink last mee krijgen want over het oordeel van de krijgsraad die ook het verslag van zijn afgezant Rodríguez over zijn tocht naar Curaçao onder ogen had gekregen maakte hij zich geen illusies.
Hij voelde hoe een onzichtbare cirkel zich langzaam om hem sloot en hem verstikte. Zijn gedachten dwaalden af naar de mislukte bevrijdingsexpeditie naar Bonaire.

Hij had spijt als haren op zijn hoofd dat hij Andrés Rodríguez naar Curaçao had gestuurd vanuit Bonaire om ― met de witte vlag ― poolshoogte te gaan nemen bij de Hollanders om te weten te komen hoe sterk de vijand zich had verschanst aan de St. Annabaai.
En die bleek inmiddels flinke verdedigingswerken te hebben aangelegd. En die verdomde Rodríguez was nog als een vorst door Stuyvesant onthaald ook! En samen hadden ze geklonken op de gezondheid van Oranje en Philips. Verdomme!

De toekomst was één groot, zwart gat.

Hij las de kopie van de brief die hij op 14 oktober 1642 naar Stuyvesant had geschreven nog eens over:

Fort Amsterdam, Curaçao eind jaren 60 (20e eeuw) ― foto Fred de Haas

Señor General

A los créditos que vuestra señoría ha sabido granjear de soldado desdice, por no ser usada en buena guerra, la acción de emponzoñar las aguas de esta isla; y si este medio se eligió para apestar, como ha sucedido, la infantería de mi armada, frustrando mis diseños de desposeer a vuestra señoría de las fortificaciones que ― tan poco atento ― ha formado en tierras de mi rey y señor, será prudencia dejarlas antes de experimentar los aceros españoles, puesto que el volverme es a reformarme de nueva gente.

Y si conforme a estilo militar quisiere vuestra señoría hacer trueque de dos prisioneros que me trajeron de esa isla por los que tuviere míos, me lo podrá avisar, con lo más que fuere servido.

Mucha vida tenga vuestra señoría con lo que merece.

Bunayre, 14 de octubre de 1642

Ruy Fernández de Fuenmayor (rubricado)

—–

Generaal

“Het feit dat U het drinkwater van dit eiland heeft vergiftigd ontsiert de reputatie die U als militair heeft weten op te bouwen. Zoiets hoort niet bij een eerlijke manier van oorlog voeren.

En als U dit middel te baat heeft genomen om, zoals is gebeurd, de infanterie van mijn leger ziek te maken en mij daardoor te beletten de door mij voorgenomen plannen uit te voeren om de versterkingen die U in het gebied van mijn heer en koning onrechtmatig heeft aangebracht weer aan Uw bezit te onttrekken, zou U er verstandig aan doen deze te verlaten, voordat U kennis maakt met de Spaanse wapens; U moet weten dat ik terugga om nieuwe soldaten te halen.

En als U, volgens militair gebruik, de Spaanse krijgsgevangenen die u heeft gemaakt zou willen ruilen tegen de twee die mij uit Curaçao zijn gebracht, wees dan zo goed mij hiervan in kennis te stellen, tegelijk met al het andere dat U mij zou willen berichten.

Ik wens U een lang leven toe en alles wat U door verdienste toekomt’.

Bonaire, 14 oktober 1642

Was getekend: Ruy Fernández de Fuenmayor

Waterfort, ingang St. Annabaai, Curaçao ― foto Fred de Haas

Bovenstaande brief werd door Fuenmayor aan soldaat Andrés Rodríguez meegegeven naar Curaçao. Rodríguez had daarbij de opdracht gekregen de St. Annabaai binnen te varen, een witte vlag te voeren en te proberen zoveel mogelijk te weten te komen over de wijze waarop het eiland door de Hollanders werd verdedigd.

Rodríguez wordt door Stuyvesant zelf opgewacht aan de wal, maar weet aanvankelijk niet met wie hij te maken heeft. De Hollanders behandelen hem zeer correct en hij wordt zelfs aan tafel uitgenodigd. Vóór de maaltijd klinkt hij samen met Stuyvesant uit dezelfde beker bier op de gezondheid van de Spaanse koning en de Prins van Oranje.
Later zal hij in La Guaira tot in details vertellen wat hij allemaal op Curaçao had gezien.

De zoutpannen van Bonaire ― foto Fred de Haas

Tijdens de maaltijd stelde Stuyvesant een aantal vragen aan Rodríguez en vroeg hem onder andere waarom de Spaanse vloot nog steeds niet was komen opdagen. Uit brieven die ze in Venezuela hadden onderschept had hij namelijk begrepen dat er een vloot onderweg was.

Maar na negen maanden was er nog niets te zien geweest.
Hij vroeg zich af waarom Fuenmayor Bonaire niet had verlaten. Het verhaal gaat dan als volgt verder (termen als “de genoemde generaal” en “de getuige” worden in de vertaling voor de duidelijkheid vervangen door namen):

A lo cual le respondió este declarante que la causa porque no había pasado su general de la isla de Buinare era haberle enfermado cuatrocientos infantes de la armada del agua que habían bebido en la dicha isla, la cual estaba emponzoñada; y el dicho general le respondió a este declarante que no estaba posible, porque no era usanza de guerra, y que si las aguas tenían ponzona la habrían echado los negros y los indios que estaban en dicha isla, pero que no por su orden, y que de qué aguada había bebido la gente de dicha armada. Y respondiendo este declarante que de un arroyuelo que estaba cerca de la dicha fuerza a la ceja del monte. Y el dicho general le respondió que por eso habían enfermado, porque no era aquella el agua que ellos bebían, sino de junto a la salina.

Y habiendo acabado estas razones, el dicho general mandó poner las mesas para comer, y habiéndolas puesto, preguntó a este declarante, estando todos los oficiales de guerra en pie, que cómo se llamaba, y este declarante le respondió que se llamaba Andrés Rodríguez. El dicho general le hizo preguntar si era capitán, a lo cual este declarante le respondió que no, sino un pobre soldado.

A lo cual le respondió dicho general:

“No te dé cuidado. Que el príncipe de Oranxes también es soldado, y yo, y todos estos capitanes”., Y le mandó sentar a cabecera de mesa junto de si.

Archivo de Indias, Sevilla, 54-4-37

“Rodríguez antwoordde dat de reden waarom Fuenmayor niet van Bonaire naar Curaçao was gevaren gelegen was in het feit dat vierhonderd infanteristen van het Spaanse leger ziek waren geworden van het water dat ze hadden gedronken en dat vergiftigd bleek te zijn. Stuyvesant antwoordde dat dit onmogelijk was; als het water was vergiftigd dan hadden de zwarten en de Indianen van het eiland dat gedaan, maar híj had daar zeker geen bevel toe gegeven. Van welk water hadden die infanteristen eigenlijk gedronken? Rodríguez antwoordde dat ze water hadden gedronken uit een beekje bij het fort, aan de voet van de heuvels. Stuyvesant zei dat ze dáárom ziek waren geworden, omdat dat niet het water was dat ze hadden gedronken, maar het water vlakbij de zoutpan.

Na dit gesprek liet Stuyvesant de tafels dekken en vroeg, toen de tafels waren gedekt en alle officieren nog stonden, hoe hij heette en Rodríguez antwoordde dat hij Andrés Rodríguez heette. Stuyvesant vroeg hem via zijn tolk of hij kapitein was. Hierop antwoordde Rodríguez dat hij maar een eenvoudige soldaat was. Daarop zei Stuyvesant: “Dat geeft niets, hoor! De Prins van Oranje is ook een soldaat, net als ik en al deze officieren”. En hij liet hem vervolgens aan het hoofd van de tafel plaats nemen’.

Verklaring afgelegd door Andrés Rodríguez te La Guaira op 27 oktober 1642
Het stoffelijk overschot van Pizarro in de kathedraal van Lima: Sic transit Gloria Mundi…[9]

Na de maaltijd trok Stuyvesant zich met een paar officieren terug om een antwoord aan Fuenmayor op te stellen.

De antwoordbrief was in (slecht) Latijn gesteld. Stuyvesant schreef dat er geen sprake van was dat de Hollanders het water zouden hebben vergiftigd. Dergelijke gemene streken haalden ze niet uit.

Verder schreef hij dat hij akkoord ging met de gevangenenruil en dat de Hollanders zich met alle macht zouden verdedigen (“summis viribus defendere”) bij een Spaanse aanval.

Daarvan is het echter nooit gekomen.

Noten

[1] Bron: Portrait of Francisco Pizarro by Amable-Paul Coutan, 1835
[2] Bron: curacao-1675-roggeveen
[3] Bron: Philip IV of Spain – Velázquez (1644) 
[4] Bron: Maarten Harpertszoon Tromp voor den zeeslag bij Duins (1639)
[5] Bron: Venezuela-Coro-World-Heritage-site
[6] Bron: monumentos/archivo-de-indias
[7] Bron: foto knipselkrant curacao  In 2011 werd het standbeeld met een takelwagen op initiatief van de politieke partij Pueblo Soberano van zijn sokkel gehaald. De naam ‘Peter Stuyvesant College’ werd veranderd in “Kolegio Jandi Paula”.
[8] Bron: Sint Maarten
[9] Bron: Francisco Pizarro Tumba

studeerde cum laude af in de Franse, Spaanse en Portugese taal- en letterkunde. Vanaf het begin combineerde hij zijn functies met werkzaamheden als literair vertaler. Fred de Haas vertaalde onder meer uit het Papiaments, het Frans, het Spaans en het Russisch. Hij is leider, zanger en gitarist bij het Latijns-Amerikaans ensemble Alma Latina.