Liever lui dan moe

0

Rosalie de Wildt

Lezing 7 juni 2009, Amsterdam, Vrije Gemeente
Fokke en Sukke[1]

Toen ik klein was zat ik vaak te dromen. Op school keek ik naar buiten naar de wuivende kastanjetakken of het opvliegen van de mussen op het schoolplein. Ik bedacht mooie verhalen die niets met rekenen te maken hadden. Maar omdat de sommetjes meestal al allemaal af waren mopperde er toen nog niemand. De meester bedacht wel dat het voor mij erg goed zou zijn een klas over te slaan, zomaar van de tweede naar de vierde. Dan zou ik vast wat beter bij de les blijven.

En daar zat ik dan ineens, als achtjarige tussen de groten van wel tien. Ik ontdekte al snel dat ik door veel grapjes te maken een plaats kon veroveren tussen de andere kinderen. Dat deed ik dan ook veelvuldig en het gevolg daarvan was inderdaad wel dat er wat minder tijd over bleef voor mijn gedroom.

Toen ik op mijn elfde naar het gymnasium ging en er inmiddels achter was hoe een populair kind zich dient te gedragen, kostte die taak mij zoveel energie dat er weinig tijd voor huiswerk overbleef. Ik bleef achtereenvolgens in de tweede, derde, en vierde klas zitten en dat op drie verschillende scholen. Zo kwam het dat ik al bijna twintig was toen er, wonder boven wonder, uiteindelijk toch nog een eindexamen uitrolde. Inmiddels waren de meeste leraren er erg van overtuigd dat ik van nature ‘liever lui dan moe’ was.

Nu ging het bij ons thuis niet veel anders. Ik zie nog de grote leren stoel in het hoekje van de kamer en hoe ik daar van kleins af aan, tot ver in mijn tienerjaren, opgerold in te vinden was, met een boek of zomaar wat voor me uit kijkend. De grote verdienste van mijn ouders was, achteraf bezien, dat ik daar vaak ongestoord kon luieren, waarschijnlijk vanuit het rustgevende besef dat er toch wel van me gehouden werd.

Met de tent naar Zuid-Frankrijk

Naar Zuid-Frankrijk[2]

Om te vieren dat het onmogelijke toch geschied was en dat ik mijn eindexamen gehaald had, mocht ik met mijn ouders en een vriendin met de tent naar Zuid-Frankrijk.

Daar ontmoette ik mijn eerste echtgenoot, een Fransman met mooie zwarte krullen. Het vervolg laat zich raden, ik trouwde, ging in Parijs wonen en werd moeder van twee zoons. Na een paar jaar terug in Nederland en inmiddels de Franse taal machtig, koos ik natuurlijk voor een studie Frans. Het zou vast makkelijk worden … ik beheerste de taal immers toch al.

Zo belandde ik als jonge moeder voor de klas.

Nu is lesgeven en moeder-zijn een ideale combinatie om het luieren af te leren. Ik vloog van huis naar school, kreeg nog meer lesuren aangeboden, organiseerde reisjes naar Parijs, kortom, voor het eerst in mijn leven deed ik, hoewel ik vaak erg moe was, toch helemaal mee.

Na een paar jaar echter betekende vrije tijd voor mij alleen nog maar bedtijd. Tot ik ineens helemaal niet meer op kon staan. Overspannen heette dat toen; in onze tijd zouden we spreken van burn-out, want de kwalen veranderen niet maar wel hun namen.

Toen ik, na een paar jaar, weer een beetje opgekrabbeld was, besloot ik mijn oude liefde voor de filosofie te gaan volgen en ik schreef me in aan de VU. Ik ging wijsbegeerte studeren en had het geluk tijdens die studie een filosoof te ontmoeten die op een opvallende manier tegen de tijd aankeek. Zo bracht hij dromen en luieren in direct verband met vreugde en vrijheid.

Henri Bergson

Henri Bergson[3]

Die filosoof was Bergson, hij werd nu 150 jaar geleden geboren en leefde en werkte in Parijs van 1859 tot 1941. Zijn ouders waren van gegoede Pools-Joodse afkomst.

Toen de rest van het gezin in 1869 naar Londen vertrok, bleef de 11-jarige Henri alleen achter als beursstudent in Parijs. Op de middelbare school blonk hij uit in zowel wiskundige vakken als in de richting van taal en letteren. Na het lycée studeerde hij wijsbegeerte aan de École Normale Supérieure, in onze tijd nog steeds een kweekplaats voor de intellectuele elite van Frankrijk. Daarna gaf Bergson een aantal jaren filosofieles aan verschillende middelbare scholen waaronder het prestigieuze Henri Quatre lyceum in Parijs tot hij in 1900 een leerstoel aan het Collège de France kreeg aangeboden.

College de France

Als je bij het historische universiteitsgebouw van de Sorbonne, direct achter de Boulevard Saint-Michel, rechtsaf slaat, sta je op het kleine Place Marcelin-Berthelot. Daar bevindt zich de ingang van het Collège de France en 100 jaar geleden stond daar op vrijdagmiddag vaak een verwachtingsvolle, roezemoezende groep mensen. Ze kwamen om het, voor het publiek toegankelijke, college van Henri Bergson, bij te wonen. Voor in de overvolle collegezaal stond een kalende, tengere man in een soort zwart habijt te wachten op hun binnenkomst. Omdat niet iedereen de zaal in kon, probeerden buiten voor het geopende raam nog tientallen mensen op hun tenen een glimp van de beroemde man op te vangen.

Wat vertelde Bergson?

Wat vertelde Bergson dan eigenlijk dat blijkbaar in die dagen zoveel weerklank vond?
Wij zijn gewend, spreekt hij zijn gehoor toe, tijd te zien als een rechte lijn van verleden naar heden en weer door naar de toekomst. En we kunnen die tijd meten, de klokkentijd is netjes verdeeld in jaren, maanden, uren, minuten en secondes. Onze tijdsopvatting is als het ware te vergelijken met een machine om een filmspoel af te wikkelen, een filmspoel die er altijd al is geweest, met het hele verhaal er op opgeslagen. Maar soms, bijvoorbeeld als we met vakantie zijn of verliefd zijn, lijkt het of de tijd even stilstaat.

Als de tijd stilstaat[4]

Wat zijn dat voor momenten, vraagt Bergson zich af, wat gebeurt er als de tijd stilstaat bijvoorbeeld, met de overzichtelijke opeenvolging van uren en minuten? Waar is de meetbare tijd bijvoorbeeld gebleven als we dromen, wanneer verleden, heden en toekomst zo gemakkelijk door elkaar lopen.

Het raadsel van de tijd is in de filosofie door de eeuwen heen altijd een bron van weerbarstige vragen geweest: Bestaat de tijd eigenlijk wel? Of is de tijd alleen maar een theoretisch begrip dat niet bestaat buiten ons denken? Wat is de relatie tussen de tijd en de delen van de tijd, zoals verleden, heden en toekomst?

De Griekse filosoof Aristoteles bedacht al zo’n driehonderd jaar voor Christus dat tijd een kwantiteit moet zijn, een hoeveelheid. Tijd moet beschouwd worden naar het model van de ruimte. Het ‘nu’ en trouwens ieder moment in het verleden of in de toekomst is vergelijkbaar met een langs een lijn bewegende punt.

Het is eigenlijk gewoon dezelfde manier waarop wij nu nog tegen tijd aankijken.

Een andere tijdsopvatting die ook van grote invloed geweest is die van Augustinus, de oude kerkvader, die zevenhonderd jaar na Aristoteles het volgende bedacht: verleden, heden en toekomst zijn niets anders dan drie verschillende vormen van aanwezigheid. Het verleden is aanwezig in de herinnering, het heden in de aandacht en de toekomst in de verwachting.

Tijd is dus een subjectieve beleving en toont zich via ons bewustzijn. Maar, zei Augustinus ook, tijd bestaat uiteindelijk niet zonder God die de tijd geschapen had!

Tijd is beweging

Pierre Le Roy chronometer (1766)[5]

De centrale gedachte van de tijdsfilosofie van Bergsons is dat tijd niet uit een oneindig aantal vaste punten bestaat, maar dat tijd beweging is. Onze klokkentijd is weliswaar heel bruikbaar en onontbeerlijk om de praktische kant van het bestaan soepel te laten verlopen, maar het is een abstracte tijd die niets meer is dan een product van ons verstand.
Onze hersenen zijn volgens Bergson erg nuttig om te kunnen kiezen uit al die verschillende indrukken om tot handelen te kunnen komen. Het verstand geeft, om alles prettig overzichtelijk te houden, de illusie dat er beweging is, als er een oneindig aantal meetbare punten doorgelopen wordt, die elk een stukje van een lijn vormen. Minuten, uren en dagen: naast elkaar suggereren ze een beweging maar omdat ze meetbaar en dus afgebakend zijn, zijn het in feite vaste en statische momenten.

Ons op de praktijk gerichte verstand kan prettig uit de voeten met het meetbare en weet niet om te gaan met het onmeetbare. En, laten we eerlijk zijn, we zouden gewoon ook niet overleven als de keuzemachine dat ons brein is en dat de veelheid van indrukken schift en verbergt, niet zou werken.

Maar Bergson is van mening dat het juist die afscherming om de stromende werkelijke tijd te ervaren is, die het ook veelal onmogelijk maakt de ware aard van de menselijke vrijheid te begrijpen. Hij stelt voor de blik naar binnen te richten en het eigen bewustzijn gade te slaan. De innerlijke waarneming openbaart volgens Bergson meer werkelijkheid dan ooit in de uitwendige kan worden gekend.

Daar ligt de sleutel tot de levensverschijnselen en de materie kan slechts vanuit die ervaring begrepen worden. Het gaat om een directe waarneming, zonder inmenging van het verstand, zien wat er aan het gebeuren is op het moment zèlf.

Hoe moeilijk dat ook is, als het maar even lukt, merken we dat de levende ervaring niet een stip in een rij is, maar eerder een stuwing, waar het voorafgaande niet verdwenen is en het komende al wordt gegrepen: het is een ander soort tijd ; niet abstract en kwantitatief zoals de kloktijd, maar continu en kwalitatief, geen reeks van stilstanden maar iets stuwends en levends.

Durée réelle

Bergson noemt de tijd waar hij op doelt: durée réelle, meestal vertaald met duur of zuivere, werkelijke tijd. De duur vergelijkt hij met

‘het afwikkelen van een rol, wan, zegt hij ergens, er bestaat geen levend wezen dat zijn einde niet steeds dichter voelt naderen; en leven bestaat uit ouder worden. Maar het is evenzeer een voortdurend oprollen , zoals van een draad op een kluwen, want ons verleden volgt ons en wordt steeds voller door het heden dat het onderweg opraapt; en bewustzijn betekent herinnering.’

Penser en durée[6]

Hoe nu is het de stroom van de werkelijke tijd te ervaren? Hoe, al is het maar even, mee te gaan met de beweging, die het leven in werkelijkheid is? Bergson ontwikkelt daartoe een filosofische methode die hij ‘de methode van de intuïtie’ noemt. Het intuïtieve denken betekent bij Bergson dat je bij alles wat je denkt en doet altijd de duur op de achtergrond houdt. ‘Penser en durée’ noemde hij dat. Of leven: ‘sub specie durationis’… in het licht van de duur.

Je kunt je voorstellen dat menig serieus wetenschapper en filosoof tot op de dag van vandaag in opstand kwam tegen deze subjectieve en in hun ogen vage en niet wetenschappelijke methode.

Gilles Deleuze, de in 1995 overleden Franse filosoof, noemde de methode van de intuïtie in een studie over B. echter:

Het Bergsonisme is één van de meest uitgewerkte methode in de geschiedenis van de Westerse wijsbegeerte.

In het kort komt het er op neer dat Bergson zegt dat we toegang tot de durée hebben via het intuïtieve denken.

‘Iets absoluuts, stelt hij, kan alleen door intuïtie gegeven worden, terwijl al het overige op het vlak van de analyse ligt. Intuïtie noemen we de sympathie waardoor men zich verplaatst in het innerlijk van een voorwerp om samen te vallen met wat noemde het aan unieks en dus onuitdrukbaars bezit.

Interessant is, dat Bergson, deze methode van de intuïtie als een exactere vorm van wetenschap beschouwt dan de gebruikelijke manier van analyseren en onderzoeken, die zich kenmerkt door het bestuderen van een statisch gegeven. Normaliter zetten wetenschappers de tijd stil als ze een afgebakend object, zoals bijvoorbeeld de inhoud van de maag van een dode olifant, bestuderen en analyseren.

Pas als we in staat zijn samen te vallen, te sympathiseren met de duur, de stromende tijd, van het te bestuderen object, kan er volledige kennis bereikt worden, kennis van het object in de echte tijd, dus in de werkelijkheid. En dat geldt ook voor de bestudering van de werking van ons eigen bewustzijn.

Feit is, zegt Bergson, dat het van zichzelf vervreemde ik — door de opdeling van de tijdsbeleving in berekenbare eenheden — zich zeer gemakkelijk inpast in de gewoonten en de eisen van het sociale leven in het algemeen en zich zonder veel moeite aanpast aan de vereisten van de communicatie in het bijzonder. Het ik verliest daardoor zichzelf als oorspronkelijke en fundamentele werkelijkheid uit het oog.

Het ligt voor de hand dat als er iets mis is met ons geestelijk welzijn en we voor hulp naar een psychiater gaan, het het op de praktijk gerichte denken is waar hij in eerste instantie aan gaat sleutelen. Zijn taak is immers om ons leven weer behapbaar te maken.

Maar wat nu als er iemand bij de psychiater aanklopt die nog best in staat is het alledaagse leven aan te gaan maar die desalniettemin erg ongelukkig is?

Als het gaat om het bestuderen van wat de psychiatrie nu eigenlijk kan bewerkstelligen om iemands geestelijk functioneren wat te bij te schaven, duikt er een probleem op. Luisterend naar Bergson zagen we dat er, als het gaat om de werking van ons bewustzijn, een naar buiten gerichte, praktische beweging plaatsvindt. Maar onder die op de dagelijkse praktijk gerichte werking knaagt vaak een verwarrende onrust en een onbestemd verlangen.

Ons leven lijkt zich heen en weer te bewegen tussen twee manieren van denken, en we botsen steeds weer tegen grenzen aan. Bij het overschrijden van die grenzen kunnen problemen optreden in het behappen van ons dagelijks bestaan. We zijn nu eenmaal niet zo geschikt voor grenzeloosheid. Menig psychiater houdt zich dan ook voornamelijk bezig om met pillen of praten die begrenzende muren weer dicht te metselen.

Een extra moeilijkheid bij die pogingen om hun cliënten weer op de been te krijgen, lijkt dat de intensiteit van alles wat we denken of voelen, of we nu sterk gericht zijn op het bewerken van de buitenwereld of dat we daarentegen maar niet kunnen stoppen met het exploreren van ons verwarrende innerlijk, telkens zo verschilt van mens tot mens, dat het bijna onmogelijk lijkt te spreken over ‘het’ bewustzijn.

DSM5 (diagnostic and statistical manuel of mental disorders) handboek of niet, goede hulpverleners kennen hun grenzen wat betreft het diagnosticeren en categoriseren van hun cliënten maar al te goed. Het bewustzijn is nu eenmaal niet een statisch gegeven maar kenmerkt zich door beweging en verandering.

De werking van ons bewustzijn

Maar wat kunnen we dan wèl zeggen over de werking van ons bewustzijn?

Duidelijk is dat het de nuttige functie vervult van indelen en categoriseren om ons in de praktijk van het leven staande houden. Verder is het brein bijvoorbeeld ook in staat onze armen en benen aan te sturen en het bevat veel handige zenuwcentra, zoals het spraakcentrum of de frontaalkwab. Het kan dingen onthouden waardoor het leven een stuk overzichtelijker wordt.

Maar het herbergt ook een minder onbetrouwbaar geheugen en een onvoorspelbare heftigheid van emoties, die onze tenen kunnen doen krommen en onze buiken samentrekken of juist ons kan laten verstarren in ijzige kilte. Al dat vreemds en ongrijpbaars in het leven, ook dat lijkt aangestuurd door het bewustzijn.

Misschien brengt Bergson enige helderheid in het denken over het bewustzijn als hij zegt dat het bewuste leven zich op twee manieren toont; òf we hebben een onvertroebelde en onmiddellijke blik op de werkelijkheid, òf, helemaal aan de andere kant van het spectrum, we nemen de dingen des levens waar alsof we door een immense caleidoscoop kijken.

A travers l’espace — Alberto Magnelli[7]

Dat laatste is meestal het geval in het leven van alledag. In onze ‘struggle for life’ zijn we er nu eenmaal aan gewend geraakt onze omgeving in stukken en brokken waar te nemen. Volgens Bergson zien we de dingen meestal ‘à travers l’espace’, door het filter van de ruimte.

Ruimte die we kunnen meten en indelen. Hij beschreef, althans in de eerste drie van zijn vier grote werken, de ruimte als het verbrokkelende en wazige glas-in-lood raam waardoor we menen de werkelijkheid waar te nemen. Ruimte kenmerkt zich door deelbaarheid en meetbaarheid en daarom kan het niet anders dan dat we, kijkend in en door die ruimte, op het eerste gezicht de dingen des levens in stukjes en beetjes waarnemen, was zijn theorie.

Daartegenover stond dan tijd. En dan niet, zoals we zagen, de tijd van onze klokken en horloges met hun indeling in uren en minuten, maar de stromende, echte duur. Daar, in de zuivere werkelijkheid, stroomt het leven onafgebroken door, het verleden zwelt aan, grijpt in in het heden en leeft samen met het heden weer door in de toekomst.
Op die manier zetten de dingen zich in elkaar voort, terwijl ze tegelijkertijd steeds veranderen, juist omdat het verleden zijn stempel drukt op alles wat volgt en dat dus nooit meer hetzelfde kan zijn.

Mooi is de vergelijking met een muziekstuk waarin

‘de ondeelbare en niet af te breken voortgang van een melodie waarin het verleden in het heden binnengaat en er één ongedeeld geheel mee vormt, dat ongedeeld en zelfs ondeelbaar blijft ondanks dat wat er ieder moment bijkomt of veeleer dankzij hetgeen er bij komt’.

Samenvattend zou je kunnen zeggen dat het bewustzijn een praktische kant herbergt die bezighoudt met indelen en behapbaar maken van de dingen des levens. En dat is natuurlijk een functie van het bewustzijn, waar we niet buiten kunnen, willen we niet in de war raken. Maar als we het kleine stukje bewustzijn, dat we vaak intelligentie noemen, niet nodig hebben om te handelen, kan het gebeuren dat het bewustzijn de caleidoscoop even vermoeid laat zakken en dan plotseling met een niet vertroebelde blik in het vloeibare en veranderlijke kijkt, van wat Bergson de echte werkelijkheid noemt.
Daar stroomt het leven zelf steeds maar door, voedt de ene gebeurtenis of ervaring de andere weer. Een continu proces aangedreven door het ‘élan vital’, een levenskracht die, volgens Bergson, voort springt uit het leven zelf en die alles en iedereen aanzet tot het scheppen van wat er nog niet was. Zo balanceert het bewustzijn tussen de veranderlijkheid, die hoort bij de stromende werkelijkheid, en de verstarring, die nu eenmaal altijd het gevolg is van het indelen en meten.

Het fameuze topje van de ijsberg

Het topje van de ijsberg[8]

Ik denk wel eens dat het bewustzijn misschien wel niets anders ìs dan die heen en weer gaande beweging.

Het bewustzijn, evolutionair bepaald of niet, heeft vaak zo’n sterke voorkeur voor structuur en geslotenheid, dat het lijkt alsof die zogenaamde rationele kant van onze intelligentie de overhand heeft. Alsof de intelligentie vooral aan die zijde van ons bewustzijn te vinden is. Maar die praktische kant van ons denken zou wel eens het fameuze topje van de ijsberg kunnen zijn, ontegenzeggelijk een onmisbaar hulpmiddel, maar vooral een praktisch hulpmiddel, dat vaak erg overschat lijkt te worden als je ziet hoeveel meer we eraan toevertrouwen en van verwachten, dan het blijkt aan te kunnen.

In dat licht bekeken is ook niet verwonderlijk dat we keer op keer teleurgesteld zijn in bijvoorbeeld de ontwikkelingen bij het kankeronderzoek of dat we zo schrikken van de crises op de beurs, maar vaak ook in onszelf.

De knagende en onvervulbare onrust

Zou de minder indelende en opener kant van onze denkvermogen, het deel van ons bewustzijn dat filosofen en theologen voor het gemak wel ziel of geest noemen ons te hulp kunnen schieten als het leven chaotisch lijkt? Als ons onrustig verlangen de levensvreugde lijkt te af te remmen?

Soms bij het maken van een boswandeling of tijdens het gadeslaan van een spelend kind overkomt het me wel eens. Dan hoor ik er ineens zomaar bij, bij alles wat er maar is, en ga ik gewoon een beetje ‘op’ in de beweging van het leven, terwijl ik me tegelijkertijd zoveel scherper dan anders bewust ben van mijn omgeving.

Maar op de een of andere manier lukt het dan vaak niet de prettige rust vast te houden en wat speelser en dus nauwlettender om te gaan met de mogelijkheden die het leven biedt.

Gedreven door ogenschijnlijk onverklaarbare rusteloosheid storten velen van ons zich dan ook in het ervaren van kicks of verliefdheden en krijgen we onbedwingbare neigingen tot het maken van verre reizen of het parachutespringen met vooral een lange vrije en navertellenswaardige val.

De knagende en onvervulbare onrust die ons drijft tot het, op wat voor manier dan ook, loslaten van de verplichtende structuur en het vinden van meer vrijheid en openheid in de verstarring kan ons flink in de war brengen.

Wachtkamer[9]

De wachtkamers van psychologen en psychiaters zitten vol met onrustige en zoekende mensen, die het niet langer uithouden in een al te mechanisch bestaan. Aan de andere kant bestaat de rest van de clientèle dan wellicht weer uit mensen die het juist niet makkelijk hebben omdat ze zich onvoldoende beschermd weten door de begrenzing van een veilig en afgebakend bestaan.
Ons bewustzijn voelt zich met een teveel én een te weinig aan grenzen gewoon niet prettig. Teveel verstarring geeft rusteloze honger naar meer stromend leven, maar met te weinig inperking wordt het bestaan vaak weer een erg verwarrende en eenzame bezigheid, vooral als de anderen om ons heen net zo ijverig aan het indelen en vastleggen zijn.

De twee richtingen waar ons bewustzijn zich tussen heen en weer beweegt, die van praktische werktuig om het bestaan te behappen en die van onmiddellijke schouwen van het immer in beweging zijnde leven, lijken om een soort evenwicht te vragen, willen we ons goed voelen.
Soms lukt het balanceren ons niet meer, zijn de muren te beklemmend en stikken we bijna in onze eigengemaakte gevangenis en een andere keer is er juist weer teveel om ons heen afgebrokkeld en vallen we om bij gebrek aan stevigheid.

De hulpverlener achter het bureau schommelt dan al naar gelang de mate van zelfinzicht tussen het strak hanteren van het DSM5 boek, waar alle afwijkingen met hun bijbehorende medicatie zo overzichtelijk in beschreven staan en het vermogen zijn cliënt in de ogen te zien en mee te gaan met wat hem of haar beweegt.

Openheid en geslotenheid

In Bergsons laatste grote werk ‘Les deux sources de la morale et de la religion’ dat verscheen in 1932, negen jaar voor zijn dood, draait alles om de begrippen openheid en geslotenheid. Een ontwikkeling in zijn gedachtegang die mij goed bevalt en die veel verder lijkt te reiken dan de tijdsopvatting die hem in zijn hoogtijdagen zo populair maakte.

Openheid en geslotenheid bestrijken namelijk alle gebieden van ons bestaan, dat is het centrale punt van ‘Les deux Sources’. Het is eigenlijk een uiterst eenvoudige gedachte, van de soort eenvoud die eigen is aan alle werkelijk diepe inzichten.

Er is dus nu niet slechts sprake van ruimte, die verstard is en tijd die duurt, nee, zowel in de ruimte als in de tijd als trouwens waar en wanneer dan ook, stroomt het leven van open naar gesloten, van beweging naar verstarring, en weer terug.
Die heen en weer gaande schurende beweging is misschien wel gewoon wat we leven noemen. Een vergelijking met de huidige ideeën van de kwantumfysica met zijn non-lokaliteit dringt zich op!

Bergson laat het licht van de manier waarop ‘open- en geslotenheid’ zich langs elkaar heen bewegen, schijnen over het gebied van de moraal, de religie en de politiek. Hij schrijft in ‘Les deux sources’ over verplichtingen bij een open of gesloten moraal, dynamische of statische religie en democratie of dictatuur. Over de ‘sprong’ die nodig is om dwars door de normale gang van zaken uit de geslotenheid in de openheid te geraken.

Daarbij combineert hij zijn prachtige stijl, die hem de bijnaam filosoof-dichter opleverde, met een uiterst wetenschappelijke precisie, het resultaat van 25 jaar studie op de meest uiteenlopende gebieden.

Laat ik mij ten slotte, op mijn zoektocht naar een beter begrip naar de warrige kronkels van ons bewustzijn en wat een psychiater daar allemaal aan recht zou kunnen breien, nu eens laten leiden door Bergsons gedachtegang over de twee richtingen waartussen het leven zich onophoudelijk beweegt.

Net als alles om ons heen begeeft ook het bewustzijn zich, als een soort accordeon, heen en weer tussen ‘open’ staan en ‘gesloten’ zijn.

Hoe nu kunnen de psychiater en de cliënt zo op elkaar afgestemd raken dat er welluidende en weldadige klanken uit hun samenzijn zullen opklinken? Hoe leren ze samenspelen met de instrumenten die ze ter beschikking hebben?

Luiaard — foto Joke Koppius

Veel lijkt gewonnen bij de erkenning dat heen en weer gaan tussen ‘open- en geslotenheid’ gewoon horen bij leven, sterker nog het leven zíjn en dat beide bewegingen zowel goede als kwade dingen in hun kielzog meevoeren. Dat begrensdheid en grenzeloosheid dus beide zowel kunnen bevallen als problemen kunnen geven.

Dat wat de één luieren noemt, voor de ander niets minder dan leven betekent.

Noten

[1] Bron: Fokke en Sukke website
[2] Bron: Zuid-Frankrijk
[3] Bron: Henri Bergson
[4] Bron: Als de tijd nu even stilstaat
[5] Bron: Pierre Le Roy chronometer (1766)
[6] Bron: Penser en durée  
[7] Bron: Alberto Magnelli – a travers lespace
[8] Bron: montagefoto topje van een ijsberg
[9] Bron: wachtkamer

studeerde af in de wijsbegeerte op Meer feest! een beschouwing over tijdsdruk aan de hand van de tijdsopvatting van de Franse filosoof Henri Bergson. Zij probeert met haar filosofisch getinte lezingen over tijd en tijdsdruk een adempauze in het vaak zo gehaaste bestaan te brengen. De levensbeschouwing van Bergson is daarbij een belangrijke inspiratiebron.

0