De reuzen van Sotavento

0

Columbus, West-Indië, de Antillen

Fred de Haas

Albino de Canepa, kaart met fantoom eilanden Antillia and Roillo (1489)[1]

Op 15e en 16e-eeuwse Portugese zeekaarten kan men, op 200 mijl ten Westen van de Canarische eilanden en vrijwel midden in de Atlantische Oceaan, het (ei)land Antillia aantreffen.

Lang vóór Columbus hadden Portugese zeevaarders de Atlantische Oceaan al verkend en zo goed mogelijk in kaart gebracht.
Onder Hendrik de Zeevaarder en Koning João II kwamen de Portugese zeevaart en cartografie tot grote bloei en ging men op zoek naar landen en eilanden waarover door zeelieden werd verhaald maar die nog niet in kaart waren gebracht…

Zo werd, tegelijk met de Azoren in 1427, de Sargassozee (de Wierzee) ontdekt. Dat betekent dat de Portugezen zich in die tijd op de Atlantische Oceaan al ver naar het Westen hadden gewaagd. Zij maakten daarbij gebruik van de nieuwste technologie en van hun gedegen kennis van stromingen en windrichtingen die een behouden terugkeer naar Portugal konden waarborgen.
Het is zelfs heel goed mogelijk dat de Portugezen in die tijd een enkel Antilliaans eiland of zelfs Brazilië hebben bereikt, maar dat zij dit uit concurrentieoverwegingen stil hebben gehouden.

Columbus en andere ontdekkingsreizigers hebben dankbaar van de uitstekende Portugese zeekaarten uit die tijd gebruik gemaakt en zijn niet zomaar op goed geluk naar het Westen gevaren. De ontdekking van Amerika door Columbus in oktober 1492 is dus niet een op zichzelf staand feit, maar een logische schakel in een historische keten van vindingen.

Door de veranderde politieke omstandigheden wilde men graag een andere weg naar Azië en de specerijenlanden vinden; de Florentijnse arts Paolo dal Pozzo Toscanelli (1397-1482) had al eerder de mogelijkheid verdedigd om Azië te bereiken via een westelijke zeeroute.

Antonio de Herrera[2], de officiële Spaanse kroniekschrijver, vertelt dat

“een inwoner van het eiland Madeira in het jaar 1484 toestemming had gevraagd aan de Koning van Portugal om een bepaald land te gaan verkennen dat hij elk jaar ― hij kon er een eed op doen ― in het oog kreeg en dat ter hoogte van de Azoren lag; en zo kwam het dat er in het midden van de Atlantische Oceaan een paar eilanden werden getekend, waaronder het eiland dat ‘Antilla’ werd genoemd en dat op 200 mijl ten Westen van de Canarische eilanden en de Azoren op de kaart werd ingetekend”.

Columbus was er tot aan zijn dood van overtuigd dat de gebieden die hij had ontdekt tot India behoorden. Reden waarom de Spanjaarden die pas ontdekte gebieden ‘Las Indias’[3], de Indiën, noemden. Korte tijd later, toen men erachter kwam dat Las Indias niet tot het Aziatische Verre Oosten behoorden werd ― door Columbus zelf ― de aanduiding ‘Occidentales’ (= westelijk) eraan toegevoegd en was de naam ‘West-Indië’ geboren. 

Verdeling van de Spaans-Portugese invloedssferen

Afbakening op 7 juni 1494 in Tordesillas[4]

De invloedssferen van Spanje en Portugal werden door de vertegenwoordigers van de Portugese koning João II en de katholieke Koningen Fernando en Isabella van Spanje op 7 juni 1494 in Tordesillas afgebakend met behulp van een denkbeeldige meridiaan die van pool tot pool liep op 2.217,4 km ten Westen van de Kaapverdische eilanden.

Alle landen ten Westen van die meridiaan zouden aan Spanje toekomen, en alle landen ten Oosten van die meridiaan aan Portugal.
Zo kwam het dat de Portugezen zeggenschap kregen over Brazilië en West-Afrika en dat Midden-Amerika en een groot deel van het Zuid-Amerikaanse continent toevielen aan Spanje.
Om die reden zouden ook Aruba, Curaçao en Bonaire ― de ‘Reuzeneilanden’ ― tot de Spaanse invloedssfeer gaan behoren.

Naamgeving van de ontdekte gebieden

Het behoorde tot de taak van ontdekkingsreizigers, in dit geval de Spanjaarden en Portugezen, om een naam te geven aan de gebieden die zij ‘ontdekten’. Dat betrof gebieden waar niemand woonde en gebieden die bevolkt waren en die dus al een ― inheemse ― naam hadden.
Tot de onbewoonde gebieden behoorden, bijvoorbeeld, Kaapverdië, Madeira en de Azoren. Tot de bewoonde landen behoorden gebieden in Afrika en Amerika.

Indiana Arruwukas[5]

Voor de zeevaart was het uiteraard handig als er tijdens de ontdekkingsreizen door cartografen en stuurlieden herkenningspunten werden aangegeven en benoemd die vanaf de schepen te zien waren; rotspartijen, rivieren, bergen, heuvels, stranden, wouden, algemene kenmerken van de kust, dorpen etc.:
Cabo Verde (Groene Kaap), Cabo Roxo (Blauwe Kaap), Cabo Branco (Witte Kaap), Serra Leão (Leeuwenberg), Ilha Formosa (Mooi Eiland), Penha Grande (Grote Rots), Praia Verde (Groen Strand) etc.

De cartograaf, stuurman of kapitein schreven die namen op in een aantekenboek. Ze hadden ook een katholieke kalender bij zich waarop de katholieke feestdagen en heiligen van de dag stonden aangegeven. Kwamen ze op een bepaalde dag bij een stuk land of eiland dan was de naam gauw gevonden:
São Roque (Heilige Rochus), Santa Marta (Heilige Martha), Santa Cruz (Het Heilige Kruis), Santiago (Sint Jacob), Santo Domingo (Sint Dominicus), etc.

Ook inheemse namen werden overgenomen. Het lag voor de hand dat ze werden verbasterd en opgeschreven in Spaanse en Portugese klanken. We zien echter ook dat Columbus, hoewel hij wist dat bepaalde eilanden eigen ― inheemse ― namen hadden er toch de voorkeur aan gaf zèlf een naam te verzinnen:

“Het eerste eiland dat ik ben tegengekomen heb ik de naam San Salvador (De Heiland) gegeven, ter ere van Zijne Hoge Majesteit (= God) die mij dit alles heeft gegeven.
De Indianen noemen dit eiland Guanahaní.
Het tweede eiland heb ik Santa María de la Concepción (De Heilige Maria van de Onbevlekte Ontvangenis) genoemd, het derde Fernandina (naar de Spaanse Koning Ferdinand), het vierde Isabella (naar Koningin Isabella), het vijfde Juana (= Cuba) naar de dochter van Ferdinand en Isabella) en zo verder…”

Uit: Carta a Luis de Santángel, 1493[6]

Vanzelfsprekend beschouwde hij zijn eigen namen als de definitieve. En met die nieuwe naam maakte hij op symbolische wijze de ontdekte gebieden eenvoudigweg tot Spaans bezit.
Omdat hij natuurlijk niet alle gebieden naar God, María, de Spaanse koningen en familie kon noemen, ging hij over tot het geven van praktische, gewone namen zoals Cabo Hermoso (= Mooie Kaap) en Cabo de la Laguna (Meerkaap).

Een akte opmaken voor het in bezit nemen van een eiland

De procedure van inbezitneming was zeer eenvoudig: als Columbus een eiland ontdekte, stapte hij met het koninklijke banier en een paar vlaggen en vergezeld van zijn twee kapiteins, de administrateur en de betaalmeester, in een bootje en, in aanwezigheid van de ongetwijfeld verbouwereerde Indianen, liet hij akte nemen van het feit dat hij het bewuste eiland in bezit nam. Diario de a bordo / Scheepsdagboek, Vrijdag 12 oktober 1492.

De autodidact en door de Bijbel geïnspireerde Columbus legde, in tegenstelling tot de goed opgeleide Vespucci, ook doodgemoedereerd verbanden tussen inheemse plaatsnamen en namen uit de Bijbel. Zo zag hij een betrekking tussen de naam van het eiland Saba en het land waar de Wijzen uit het Oosten vandaan kwamen.
De inheemse bevolking sprak, volgens hem, de Hebreeuwse naam niet goed uit….

Het mythisch wereldbeeld van de ontdekkingsreiziger

Columbus geloofde niet alleen in het katholieke dogma en de profetieën van Jesaja, hij geloofde ook enigszins in cyclopen, sirenes, amazones en mensen met staarten.
Zo lezen we in zijn Diario de a bordo (Scheepsdagboek, Zondag 4 november 1492):

“Wat hij óók te weten kwam, was, dat er, heel ver weg, mensen woonden met één oog en met een hondensnuit, die mensen aten. Als ze een man te pakken krijgen, onthoofden ze hem, drinken zijn bloed en snijden zijn geslachtsdelen af”

In de reeds genoemde Carta a Luis de Santángel (1493) schrijft hij (in het Spaans van eind 15e eeuw):

“Ya dixe como yo hauia andado cvii leguas por la costa de la mar por la derecha liña de osidente a oriente por la isla Juana segun el qual camino puedo desir que esta isla es maior que Inglaterra y Escosia juntas; porque, allende destas cvii leguas, me quedan de la parte de poniente dos prouinsias que io no he andado, la una de las quales llaman Auan, adonde nasen la gente con cola…”
(Vert. Ik heb u al verteld dat ik 107 mijl langs de kust van west naar oost ben gevaren langs het eiland Juana (= Cuba), een tocht waaraan ik kan afmeten dat dit eiland groter is dan Engeland en Schotland samen; buiten die 107 zeemijl zijn er naar het westen toe nog twee gebieden waar ik niet ben geweest; een daarvan heet Auan, waar mensen met een staart worden geboren…”

Monsterachtig wezen

De Iberische ontdekkingsreizigers waren aan de ene kant nuchtere mensen die gebruik maakten van de nieuwste wetenschappelijke vindingen, maar aan de andere kant stonden ze nog met één been in het mythische en sprookjesachtige denken van Oudheid en Middeleeuwen. Ze waren daarom steeds bedacht op het aantreffen van afwijkende menselijke of zelfs monsterachtige bestaansvormen. Het is daarom niet te verwonderen dat we in hun verslagen regelmatig reminiscenties aantreffen aan eeuwenoude reisverhalen.

Zo beschrijft de 13e-eeuwse Middeleeuwse Franciscaner monnik en reiziger Jean du Plan Carpin, die door Paus Innocentius IV naar Mongolië werd gestuurd, de meest fantastische situaties en gebeurtenissen:

“Hij (= de Aziatische hertog Cyrpodan) vond monsters in de vorm van mensen die elk maar één arm en één been hadden die uit hun borst groeiden. […] en als ze moe waren van het lopen draaiden ze op één hand en één been in het rond, als het ware in een cirkel… [Isidore noemde hen Cyclopedes]”[7]

Ook de reisverslagen van Marco Polo hebben niet nagelaten een onuitwisbare indruk te maken op de geesten van hen die eeuwen na hem kwamen.
Zo bleef het geloof in kannibalisme levend door de volgende passage uit het boek van Marco Polo. Schrijvend over priesters en sjamanen uit Tibet en Kashmir zegt Marco Polo:

“Diezelfde mensen, de gemeenste soort tovenaars waarover ik u heb verteld, hebben de volgende bestiale en afschuwelijke gewoonte. Wanneer een man ter dood is veroordeeld vanwege het kwaad dat hij heeft aangericht en door de autoriteiten ter dood moet worden gebracht, pleegt men de veroordeelde aan die priesters te geven. Deze nemen hem in ontvangst, koken hem en eten hem op; maar als hij een natuurlijke dood zou zijn gestorven, dan zouden ze hem voor geen prijs hebben opgegeten”[8] .

In de 16e-eeuwse gravures (o.a. van Theodoor de Bry) die de ontdekking van Amerika in beeld brengen komen we, mutatis mutandis, de uitbeelding van de praktijk van het kannibalisme bij Indianen ruimschoots tegen. Maar laten we daarbij vooral niet vergeten, dat die afbeeldingen voornamelijk ontsproten zijn aan de door Middeleeuwse verhalen geïnspireerde geesten van Europeanen.

Kannibalen ― Theodoor de Bry, 16e-eeuwse gravure[9]

Een ander bekend verhaal in het boek van Marco Polo dat later in de beschrijving van Indiaanse gewoonten zou opduiken, is het verhaal over de gewoonte om vrouwen die tot het huishouden van de man behoren aan reizigers aan te bieden.
Zo bieden ― om de goden gunstig voor hen te stemmen ― in de Chinese provincie Gaindu (= Tch’engtou) getrouwde mannen hun zusters, dochters en vrouwen grootmoedig aan alle reizigers aan met de opdracht hen in alles ter wille te zijn. De gastheer maakt zich vervolgens uit de voeten en komt pas terug als de vreemdeling is vertrokken. Vervolgens laten zij hun vrouwen in geuren en kleuren vertellen wat de vreemdeling allemaal heeft uitgespookt:

“il s’amuse à leur faire raconter tous les ébats qu’elles ont pris avec l’étranger, et tous, d’un même cœur, rendent grâces à leurs dieux!”
(Vert. hij schept er plezier in om ze alle bokkesprongen die ze met de vreemdeling hebben gemaakt te laten vertellen en allen brengen ze, eensgezind, dank aan hun goden) [10] .

Ook vertelt Marco Polo in hoofdstuk 116 van La Description du Monde over de gewoonte die Tibetanen hadden om hun meisjes vóór het huwelijk met zoveel mogelijk mannen te laten copuleren met als reden dat niemand een onervaren vrouw, die kennelijk niet door de goden bemind werd, wilde trouwen.

De ontdekkingsreiziger van de 15e en 16e eeuw was dus op alles voorbereid en zag niet alleen wat hij wérkelijk zag, maar ook wat hij wílde zien. Reuzen, bijvoorbeeld.

Reuzen

Tehuelche ― ‘Reus’ van Patagonië[11]

Reuzen waren altijd al populair geweest. Bij Homerus lezen we over Odysseus en de Cycloop en ook de Bijbel laat zich niet onbetuigd:

“In die dagen waren er reuzen op aarde, en ook daarna, als Gods zonen tot de dochteren der mensen ingegaan waren en zich kinderen gewonnen hadden…”

Genesis, 4

Reuzen bleven een hele tijd in de mode en aan het eind van de Middeleeuwen had je niet alleen stadsgekken en dorpsidioten, maar ook stadsreuzen en hele reuzenfamilies, c.q. groot uitgevallen mensen, die meeliepen in allerlei volksoptochten, een gebruik dat tot in de 19e eeuw heeft voortgeduurd.

Ontdekkingsreizigers waren dus maar al te gaarne bereid om reuzen te zien waar ze niet waren en in hun reisverslagen, die met graagte in Europa werden gelezen, de lichaamsverhoudingen van mensen die ± 20 cm langer waren dan zijzelf tot buitenissige proporties op te blazen.

Magelhães [12]

Zo beschrijft de jonge Italiaanse aristocraat Pigafetta in 1519 zijn ontmoeting met de ‘reuzen’ van Patagonië. Pigafetta bevond zich aan boord van een van de schepen van de Portugese zeevaarder Magelhães die een doortocht naar de Stille Oceaan ontdekte via een zeepassage in het Zuiden van Argentinië:

“Un dì a l’improvviso vedessemo un uomo, de statura de gigante, che stava nudo nella riva del porto, ballando, cantando e buttandose polvere sovra la testa. Il capitano generale mandò uno de li nostri a lui, acciò facesse li medesimi atti in segno di pace, e, fatti, lo condusse in una isoletta dinanzi il capitano generale. Quando fu nella sua e nostra presenzia, molto se meravigliò e faceva segni con un dito alzato, credendo venissemo dal cielo”
(Vert.: Op een dag zagen we een man van reusachtige afmetingen die naakt aan de oever van onze haven stond te dansen, te zingen en stof op zijn hoofd gooide. De bevelvoerder stuurde een van onze mensen op hem af en gaf hem de opdracht om, ten teken van vrede, precies dezelfde bewegingen te maken en om hem vervolgens naar een eilandje te varen en naar hem toe te brengen. Toen de man eenmaal in ons gezelschap verkeerde maakte hij een stomverbaasde indruk en wees met zijn vinger voortdurend omhoog als om aan te geven dat hij geloofde dat wij uit de hemel kwamen”).

Van die misvatting hebben de Spanjaarden overigens handig gebruik gemaakt bij hun veroveringstochten. Maar op den duur kregen de Indianen door dat de Spanjaarden bepaald niet uit de hemel kwamen.

De Arubaanse en Curaçaose reuzen van Alonso de Hojeda

Alonso de Hojeda[13]

De artistieke dokter Chris Engels (1907-1980), met wie ik in het verleden menig gesprek heb mogen voeren in zijn 18e-eeuwse Curaçaose huis Stroomzigt, heeft in 1970 namens het Curaçaosch Museum een publicatie het licht doen zien met de titel “Opgravingen te Malmok op Aruba. De kwestie Gigan”.

Wie zich door het elliptische en compacte proza van Chris Engels niet laat weerhouden kan in deze publicatie zijn mening lezen over de vermeende Indiaanse “Reuzen” van de Antilliaanse eilanden.

Engels brengt in zijn geschrift de Reuzen tot menselijke proporties terug en staaft zijn mening met de conclusies uit het in opdracht van het Curaçaosch Museum door mevrouw dr. A.J. van Bork Feltkamp verrichte onderzoek van enkele van Aruba afkomstige schedels. De conclusies uit dit onderzoek waren niet opmerkelijk in de zin dat we hier met echt reusachtige mensen te maken zouden hebben.
Ook spreekt Engels nog over een persoonlijk onderzoek:

“De veterinair M.J.W. Diemont, die op mijn verzoek een totaal skelet had blootgelegd (op Malmok, Aruba) gaf als zijn indruk, dat het een flinke kerel was. Een man zo groot als hij, d.w.z. een flinke Hollander van één meter tachtig. Zo drukte hij zich uit, en wat is normaler?
Onwillekeurig vergelijkt men met zichzelf. Vespucci moet een nogal kleine man zijn geweest, niet bepaald een grote indruk maken, als we hem nu konden zien. Ook hij ging niet met een centimeter op zak op wereldreis. Veterinair en koopman doen eender.”[14]

Ik neem u nu mee naar enkele Spaanse kroniekschrijvers die de Benedenwindse, Antilliaanse eilanden onder de naam Islas de los Gigantes ― Reuzeneilanden ― in hun werk hebben opgenomen en allereerst naar degene die uitdrukkelijk heeft vermeld dat híj verantwoordelijk is voor de naam Reuzeneilanden.

Amerigo Vespucci

Amerigo Vespucci (Florence 1454; Sevilla, 1512), tijdgenoot van Columbus, was een goed opgeleide koopman en navigator die goede betrekkingen onderhield met de befaamde familie de Medici uit Florence.

Hij vertrok in 1489 naar Sevilla in dienst van Lorenzo Pierfrancesco de Medici als agent en scheepsbevrachter. Tussen 1496 en 1504 was hij actief betrokken bij de Spaanse en Portugese ontdekkingsreizen en schreef daar uitgebreide verslagen over. Over de authenticiteit van deze verslagen bestaat een uitgebreide discussie, waar we in dit kader niet op in zullen gaan, als zijnde niet relevant voor ons onderwerp.

Amerigo Vespucci[15]

In 1508 werd Vespucci benoemd tot Hoofd Navigatie bij het Handelshuis (Casa de Contratación) in Sevilla.

Zijn bekendste verslag was de Mundus Novus (de Nieuwe Wereld), waarschijnlijk geschreven tussen 1502 en 1503 en gericht tot Lorenzo Pietro de Medici. Het origineel is helaas verloren gegaan.
Zijn laatste briefverslag (Lissabon, 1504) is getiteld: “Lettera di Amerigo Vespucci delle isole nuovamente trovate in quattro suoi viaggi” (Vert. Brief van Amerigo Vespucci over de pas ontdekte eilanden op zijn vier reizen).
De brief is gericht tot Pier Soderini, de hoogste magistraat ― Gonfaloniere ― van Florence.

In de ‘Lettera’, de Brief aan Soderini zijn verschillende verhalen bij elkaar gevoegd. Deze verhalen hebben soms een roman-achtig karakter en zijn duidelijk bedoeld om de lezer te vermaken, vooral waar het pikante details betreft. Dat was niet ongewoon.
Zowel Columbus als Vespucci maken soms ook gebruik van overdreven beelden om het belang en de wonderlijke verschijningsvormen van de pas ontdekte Nieuwe Wereld op de mensen in Europa over te brengen.

Hier treden beiden in de voetsporen van Marco Polo en andere Middeleeuwse reizigers. Zeer veel zaken worden namelijk groter en grootser voorgesteld dan ze in werkelijkheid zijn en al gauw wordt iets een ‘maravilla’, een wonder, genoemd.
De Spanjaarden zijn, bijvoorbeeld, al vlug geneigd om een paar Indiaanse inwoners gevangen te nemen en in te schepen naar Spanje als ‘cosa de maravilla’, iets waar de mensen thuis zich als een wonder aan konden vergapen.

Bij het beschrijven van al die nieuwe dingen deinzen de kroniekschrijvers er niet voor terug om ― zonder bronvermelding ― hele stukken en zinnen van elkaar over te nemen.
Zo neemt Vespucci zinnen over uit de geschriften van Columbus als hij de Indiaanse zeden en gewoonten beschrijft.

Enkele voorbeelden hiervan mogen dit verduidelijken.

Columbus schrijft (Diario de a bordo, 16 december 1492):

‘Ellos andan todos desnudos como sus madres los parieron, y así las mujeres sin empacho’
(Vert. Ze lopen helemaal naakt zoals hun moeders hen baarden, en ook de vrouwen, zonder enige schaamte).

Vespucci:

‘…del tutto vanno disnudi, sì gli uomini come le donne senza coprire vergogna nessuna, non altrimenti che come saliron del ventre di lor madri’
(Vert. Ze lopen helemaal naakt, zowel de mannen als de vrouwen, zonder hun schaamte ook maar enigszins te bedekken, niet anders dan zoals ze uit de buik van hun moeders kwamen).

We zien hier ook hoe het Florentijnse Italiaans van Vespucci, die met een Sevilliaanse was getrouwd, door zijn lange verblijf in Sevilla en Lissabon met iberismen is doorspekt: in het Italiaans zegt men ‘nudi’, geen ‘disnudi’ (Sp. desnudos); in het Italiaans betekent ‘salire’ ‘naar boven gaan, klimmen’ en niet ‘naar buiten gaan’ (Sp. salir).

Landing op Reuzeneiland

Zowel in de Brief aan Soderini als in die aan Lorenzo di Pierfrancesco de Medici doet Vespucci verslag van zijn landing op de Benedenwindse eilanden[16] .
Wij volgen hier de versie uit de Brief aan Soderini. Houd er rekening mee, beste lezer, dat de syntaxis van Vespucci wat krakkemikkig is en dat dit uit de vertaling zal blijken.

Vooraf: de Spaanse schepen waren, varend langs de kust van Venezuela, bij de Benedenwindse eilanden gekomen; de Spanjaarden constateerden, na een bezoek te hebben gebracht aan een van die eilanden, dat daar niets te halen viel en voeren weer verder:

“En toen we hadden gezien dat daar niets bruikbaars te vinden was, zijn we vertrokken en naar een ander eiland gegaan; we hebben later geconstateerd dat dit eiland bewoond werd door erg grote mensen.
We zijn direct aan land gegaan om te kijken of we vers water konden vinden en verkeerden in de mening dat het eiland onbewoond was omdat we geen mensen zagen; langs de kust lopend zagen we ineens heel grote sporen van mensen in het zand en we trokken toen de conclusie dat, als hun andere ledematen met die afmetingen overeen zouden komen, het ontzettend grote mensen moest betreffen.
Vervolgens kwamen we bij een weg die landinwaarts liep en we stuurden negen van onze mensen op pad omdat we dachten dat er op het eiland wel niet veel mensen zouden zijn omdat het zo klein[17] was.
We liepen verder om te kijken wat voor mensen dat waren. En toen we bijna een mijl[18] hadden gelopen zagen we in een vallei vijf hutten die ons verlaten leken. We liepen ernaartoe en kwamen slechts vijf vrouwen tegen (twee oude vrouwen en drie meisjes) die zó groot waren dat we ze verbaasd aankeken.

Zodra ze ons zagen waren ze zo verstijfd van schrik dat ze niet in staat waren om de benen te nemen; de twee oudjes spraken ons met uitnodigende gebaren toe, brachten ons een grote verscheidenheid aan eten, lieten ons in een hut en ze waren groter dan een flinke man, zoiets als Francesco degli Albizi[19] , maar beter gebouwd, zodat we allemaal voornemens waren de drie jongedames gevangen te nemen en naar Castilië te brengen, zodat de mensen zich aan hen konden vergapen.
En toen we dit zo aan het overwegen waren, kwamen er door de deur van de hut ongeveer 36 mannen naar binnen die veel groter waren dan de vrouwen, mannen die zo goed waren gebouwd dat het mooi was om te zien, maar die ons zo van ons stuk brachten dat we liever op de schepen waren geweest dan in deze situatie te verkeren, met dat soort mensen.

Ze hadden grote bogen en pijlen bij zich en grote knuppels, en ze spraken met elkaar op een toon alsof ze ons wilden aanvallen. Toen we zagen dat we in zo’n gevaar verkeerden begonnen we met elkaar te overleggen: sommigen zeiden dat we ons binnen de hut op hen moesten werpen, anderen vonden dat dit beter buiten kon; weer anderen vonden dat we niet moesten beginnen te vechten voordat we gezien hadden wat ze van plan waren; en we spraken af dat we de hut zouden verlaten en onopvallend op weg naar de schepen zouden gaan.

En dat deden we en begaven ons op weg naar de schepen. Zij bleven op een steenworp afstand van ons, druk met elkaar pratend en ik denk dat ze niet minder bang waren dan wij, omdat we even uitrustten en zij ook, zonder dat ze dichterbij kwamen, totdat we bij het strand kwamen waar onze boten op ons lagen te wachten; we stapten in en toen we ervandoor gingen sprongen ze in het water en schoten veel pijlen op ons af, maar toen hadden we onze grootste angst voor hen al verloren; we schoten twee kanonnen af, meer om hen schrik aan te jagen dan om ze te verwonden en bij dat geluid vluchtten ze allemaal het bos in en zo scheidden zich onze wegen en het leek ons dat we heelhuids thuis waren gekomen van een gevaarlijke dag. Ze liepen helemaal naakt net als de andere inheemsen.

Ik noem dit eiland Eiland van de Reuzen, vanwege hun grote lichaamslengte”.

In een brief[20] die Vespucci schreef op 18 juli 1500 aan Pierfrancesco de Medici in Florence kunnen we een variant op dit verhaal lezen:

‘Reuzinnen’ van de Reuzeneilanden

“E noi, quando vedemo tan grande donne, acordamo di rubarne dua di loro, ch’erano giovane di 15 anni, per fare el presente d’esse a questi Re. E sanza dubio erano creature fuora della statura di li uomini comuni.
E mentre stavamo in questa pratica, venono 36 uomini, ch’entronno nella casa dove stavamo bevendo, ed erano di tanta alta statura che ciascuno di loro era più alto, stando ginocchioni, che io ritto. E in concrusione erano statura di giganti, secondo la loro grandezza; e ciascuna delle donne pareva una Pantasilea e li uomini Antei…”
(Vert. En toen wij zulke grote vrouwen zagen vatten we het plan op om twee van hen, meisjes van 15 jaar, te ontvoeren en ze cadeau te doen aan de Koningen (i.e. Ferdinand en Isabella). Ongetwijfeld waren het schepsels met een lichaamslengte die uitstak boven die van gewone mensen. En terwijl we hierover aan het beraadslagen waren kwamen er 36 mannen het huis binnen waar we zaten te drinken; ze waren zo groot dat elk van hen, als ie op zijn knieën zat, langer was dan ik als ik rechtop stond. Kortom, het waren, naar hun lichaamslengte, reuzen en hun lichaamsbouw kwam overeen met hun lengte; en elk van de vrouwen leek wel een Pentesileia en elk van de mannen een Anteus…”

Dat Vespucci zijn klassieken kenden blijkt wel uit de vergelijking die hij maakt met Pentesileia, de mythische koningin van de Amazonen en Antaeus, een reus uit Libië die we kennen uit o.a. de Griekse mythologie. Beide figuren komen ook voor in de Hel van Dante, die Vespucci ongetwijfeld had gelezen. Overigens, u ziet dat de Spanjaarden ― die zichzelf te pas en te onpas ‘Christenen’ noemen om zich te onderscheiden van de Indianen ― er geen been in zagen om zomaar mensen te roven.

Gonzalo Fernández de Oviedo y Valdés (1478-1557)

Dat de naam ‘Reuzeneiland’ algemeen bekend werd blijkt wel uit andere Spaanse bronnen, zoals de boeken van Gonzalo Fernández de Oviedo y Valdés.

Op verzoek van Karel V begon deze in 1526 met het schrijven van een Sumario de la natural historia de las Indias, d.w.z. een samenvatting van de natuurlijke historie van West-Indië, waar hij 22 jaar van zijn leven heeft doorgebracht.
In hoofdstuk 10 van deze Sumario schrijft hij, in de wat moeizame verteltrant van de 16e-eeuwse kroniekschrijvers, het volgende[21] :

“Die Indianen van het vasteland hebben dezelfde lichaamsbouw en kleur als die van de eilanden, en als er al een verschil is dan zijn ze eerder groter dan kleiner, vooral die Indianen die, zoals ik hiervoor heb gezegd, een soort tonsuur[22] hebben, die flinkgebouwd en groot zijn, meer dan alle anderen die ik in die streken heb gezien, behalve dan die van de Reuzeneilanden, die ten zuiden van het eiland Española[23] liggen, dichtbij de kust van het vasteland. En zo zien ook degenen die ze lucayos[24] noemen eruit; de bewoners van de eilanden ten noorden van Española; en met name de Indianen uit die twee gebieden, zijn, hoewel geen reuzen, ongetwijfeld de grootste Indianen die men tot nu toe kent, en ze zijn over het algemeen groter dan Duitsers, en velen van hen, zowel mannen als vrouwen, zijn vooral heel lang, en zowel mannen als vrouwen schieten met pijl en boog, hoewel ze niet schieten met giftige pijlen”.

Bartolomé de las Casas contra Vespucci

Bartolomé de las Casas[25]

Een van de Spaanse rapporteurs die ook enkele malen het Reuzeneiland noemt is Bartolomé de las Casas (1474-1566), die echter een ander, wat nuchterder, licht op de zaak werpt.

Bartolomé de las Casas is de kroniekschrijver van de orde der Dominicanen die, twee jaar na de Franciscanen, in 1526 in de Nieuwe wereld arriveerden.

Las Casas is bekend geworden als de verdediger van de Indianen tegen de wreedheid van de Spanjaarden en heeft met zijn verslaggeving veel bijgedragen tot wat men is gaan noemen de ‘Leyenda Negra’, de zwarte legende.

Spaanse wreedheden in de Nieuwe Wereld, zoals verteld door Bartolome de Las Casas[26]

De Spanjaarden werden door hem vergeleken met wrede wolven, tijgers en leeuwen, terwijl de Indianen werden afgeschilderd als weerloze schapen. Hij deinst er overigens niet voor terug hen later af te schilderen als wilde beesten als het erop aankomt hen het christelijk geloof bij te brengen.

Zijn bekendste boek is de Brevísima relación de la destrucción de las Indias (Vert. Kort verslag van de vernietiging van West-Indië), dat hij in de jaren ‘40 van de 16e eeuw schreef.
De titel heeft betrekking op de vernietiging van de Indiaanse volken en hun cultuur, niet op de flora en fauna van het gebied.
Las Casas gebruikt krachtige taal als het erom gaat de daden van de Spanjaarden te beschrijven: despoblar (= ontvolken, d.w.z. genocide plegen), matar (= doden), robar (= roven), destruir (= vernietigen), despedazar (= aan stukken scheuren), allemaal acties die werden uitgevoerd om de Indianen af te persen, tot dwangarbeid te verplichten en tot slaaf te maken. Zelfs Columbus, de door hem zo bewonderde admiraal, ontkomt niet aan de kritiek van de latere bisschop van het Mexicaanse Chiapas.

Historia general de las Indias[27]

Las Casas kan het niet uitstaan dat Vespucci zich, volgens hém althans, de eer toekent het vasteland van Zuid-Amerika te hebben ontdekt, waardoor zijn naam voor altijd met het continent verbonden zou blijven. Op zijn tweede reis stond Vespucci en de cartograaf Juan de la Cosa onder bevel van Alonso de Hojeda, aan wie dus, zo schrijft Las Casas impliciet, in feite de eer toekomt namen te hebben gegeven aan de door hem ontdekte gebieden.

In zijn Historia de las Indias dat de periode beslaat van 1492-1520 schrijft las Casas het volgende[28] :

“Hojeda zette zijn reis voort tot de provincie en Golf die door de Indianen in hun taal Cuquibacoa wordt genoemd; nu heet het, in onze taal, Venezuela, en vandaar voer hij naar Cabo de la Vela, waar ze nu parels vissen en hij gaf het de naam Cabo de la Vela (Zeilkaap) en zo heet het nog steeds (met nog een rijtje eilanden die van Oost naar West lopen en waarvan er een door Hojeda ‘Reuzeneiland’ werd genoemd”).

Een alinea verder merkt las Casas op dat Columbus heel goed diezelfde gebieden ontdekt kon hebben:

“Paria en het eiland Margarita waren al op het oog door de admiraal (= Columbus) ontdekt alsmede het gebied tussen Margarita en Cabo de la Vela (waartussen de afstand 200 leguas (± 1200 km) bedraagt), omdat de admiraal zag hoe het land en de bergketens naar het Westen toe verliepen en daarom is de ontdekking van dat hele gebied aan hém te danken, omdat het niet nodig is dat je een land of een eiland helemaal hebt verkend om te kunnen zeggen dat je het hebt ontdekt; zoals hij het eiland Cuba heeft ontdekt en het niet vereist was dat hij het tot in alle uithoeken bezocht; en hetzelfde geldt voor het eiland Española en de andere en zo ook voor het hele vasteland; hoe groot dit ook is en hoe ver het zich ook uitstrekt, de Admiraal heeft het ontdekt”.

Las Casas laat geen gelegenheid voorbijgaan om Vespucci in een kwaad daglicht te stellen en diens vermeende leugenachtigheid aan te tonen. Hij laat dit ook uit de titels van de hoofdstukken blijken. Zo luidt de titel van Hoofdstuk 167:

“Se termina de probar la falsedad de Américo… etc.”
(Vert. Slot van de bewijsvoering dat Américo liegt…).

Columbus zelf blijkt gunstiger over Vespucci te oordelen, want drie maanden vóór zijn dood schrijft hij op 5 februari 1505 aan zijn zoon Diego: [29]

Na je vertrek heb ik met Amérigo Vespucci gesproken […] hij was er altijd op uit om me een genoegen te doen, het is een zeer fatsoenlijk man; het lot is hem, als vele anderen, niet gunstig geweest. Zijn prestaties hebben hem niet opgeleverd wat ze hem in alle redelijkheid hadden móeten opleveren.

Las Casas vertelt dat er, tijdens een rechtzaak in Spanje, getuigen waren geweest die hadden verklaard dat Hojeda de eilanden had ontdekt:

“Een andere getuige die op die eerste reis met hen mee was geweest zegt dat hij de Monnikeneilanden en de Reuzeneilanden had gezien […] en nog twee of drie anderen zeggen hetzelfde, enz.; dus niet op de tweede, maar op de eerste reis die Hojeda maakte ontdekte hij het Reuzeneiland, en niet op de tweede, zoals Amerigo Vespucci beweert…”[30]

Verderop krijgt Vespucci nóg een veeg uit de pan:

“dat eiland, dat bijna rond is en een omtrek heeft van 20 mijl (±110 km) wordt nú bevolkt door Indianen en dat is altijd al zo geweest, niet door reuzen dus, maar door mensen als alle anderen; ik ken geen mens die in die tijd noch daarna die reuzen heeft gezien en ik ben er ook niet achter gekomen hoe dat met die reuzen zo is gekomen; maar ik weet wel dat sinds die tijd wij die eilanden Reuzeneilanden noemen; ik weet niet waarom en ook niet of er op de andere vijf (sic!) eilanden reuzen waren”[31] .

Het is al met al een vrij verward verhaal en het is niet helemaal duidelijk of de Spanjaarden maar één eiland ― Curaçao ― Isla de los Gigantes noemden of ook nog andere eilanden, wat de geschreven bronnen wel zouden doen vermoeden. Het staat wel vast dat het eiland of de eilanden maar korte tijd zo hebben geheten, want al spoedig verschenen er andere namen op de zeekaarten.

De Reuzen in kaart gebracht: Juan de la Cosa (1449-1510)

Juan de la Cosa, door Bartolomé de las Casas ‘de Grote Stuurman’ genoemd, heeft deelgenomen aan zeven ontdekkingsreizen. Zijn eerste reis maakte hij met Columbus op zijn eigen schip La Gallega dat werd omgedoopt tot Santa María. Ook vergezelde hij Columbus op zijn tweede reis in de hoedanigheid van eerste stuurman en met de opdracht de landen in kaart te brengen die bezocht en ontdekt zouden worden. Zijn derde reis (1499-1500) was de ontdekkingsreis van Alonso de Hojeda waaraan ook Vespucci deelnam.

Juan de la Cosa[32]

Aan Juan de la Cosa komt de eer toe in het jaar 1500[33] de eerste kaart te hebben vervaardigd waar de gebieden op staan die ontdekt zijn na de belangrijkste zeven ontdekkingsreizen. Ook het Caraïbisch gebied. Deze op ossenhuid getekende kaart bevindt zich in het Museo Naval te Madrid en heeft een bewogen geschiedenis.

De befaamde kaart bevond zich eerst in de Casa de Contratación (Handelshuis) van Sevilla waar, op bevel van Koning Ferdinand, alle kaarten bewaard werden. Vandaar werd de kaart, met alle andere kaarten, overgebracht naar de Archivos de Indias (Archief van West-Indië).

Dan wordt de geschiedenis duister. Het is mogelijk dat de kaart in een klooster terechtkwam, hetgeen in die tijd nogal makkelijk kon. Op een gegeven ogenblik werd de kaart gestolen en overgebracht naar Frankrijk waar hij na drie eeuwen weer opdook en ontdekt werd op een veiling door baron Walckenaer, gevolmachtigd minister van Nederland in Parijs. Via Walckenaer kreeg de grote ontdekkingsreiziger en geleerde von Humboldt hem onder ogen. Deze heeft de kaart beschreven in zijn boek “Examen critique de la géographie”. Von Humboldt publiceerde een facsimile van de kaart in de atlas van zijn reizen. In 1853 is de kaart voor Spanje aangekocht op een veiling door Ramón de la Sagra, een vriend van Walckenaer, om uiteindelijk een plaats te krijgen in het Museo Naval van Madrid.

De maker van de kaart, Juan de la Cosa, vond zijn einde tijdens zijn laatste reis langs de Noordkust van het vasteland van Zuid-Amerika. Tijdens die reis had hij talloze Indianen gevangen genomen en tot slaaf gemaakt. De Indianen uit de streek rond Cartagena waren gebeten op de Spanjaarden ― ze waren er inmiddels achter gekomen dat deze niet uit de hemel kwamen ― en boden verbitterd tegenstand. Juan de la Cosa werd dodelijk getroffen door vergiftigde pijlen en stierf ver van zijn vaderland.

Gigan

De beroemde kaart van Juan de la Cosa[34]

Juan de la Cosa had op zijn kaart de geografische plaatsen aangegeven die ontdekt waren als resultaat van zeven belangrijke ontdekkingsreizen. Omdat de kaart erg aangetast was na zoveel eeuwen waren vele namen nauwelijks meer te lezen. De historicus Henry Harrisse (1830-1910) heeft drie gebieden onderscheiden waarvan hij de namen op de kaart kon lezen: het noordoostelijk, het noordelijk en de Braziliaanse deel van het continent.

In het rijtje namen die Juan de la Cosa heeft ingetekend op en langs de noordkust staan enkele herkenbare namen die nog zijn terug te voeren op de huidige[35] : C. de la bela (= Cabo de la Vela op het schiereiland Guajira), Venuçuela (= Venezuela), Boca del drago (= Boca del Dragón, de zeeëngte ten westen van Trinidad) en ook de naam Gigan.
Deze laatste naam is, net als de andere namen, waarschijnlijk niet duidelijk leesbaar geweest en ik neem aan dat er oorspronkelijk heeft gestaan ‘Gigantes’. Dus de naam van de Reuzeneilanden.
De plaats waar ‘Gigan’ op de kaart staat aangegeven ligt ongeveer op de plaats waar nu Curaçao ligt in de groep Benedenwindse eilanden.

Een andere reden dat de meeste namen vervormd of misvormd tot ons zijn gekomen kan gelegen zijn in het feit dat de kaart vele malen is gekopieerd, hoewel het de cartografen was verboden kaarten te kopiëren ten behoeve van andere landen.
Dit gebeurde echter toch op grote schaal. Zo zit de mens nu eenmaal in elkaar.

Dat ‘Gigan’ ongetwijfeld een misvorming is blijkt uit de kaart die Martin Waldseemüller[36] omstreeks 1507 (gedrukt in 1513 in Straatsburg) tekende van hetzelfde gebied. Dit is de eerste kaart waarop de naam ‘America’ voorkomt. Op de kaart van Waldseemüller zien we heel duidelijk de naam ‘insula gigant’ (= Reuzeneiland) staan.
De ‘u’ met de tilde erboven geeft aan dat het hier de gebruikelijke afkorting betreft van ‘gigantum’. De tilde vervangt gewoon een ‘m’.

Dat de naam Isla(s) de los Gigantes niet lang heeft bestaan wordt duidelijk als we de latere zeekaarten bekijken. Hiertoe heb ik de Portugallae Monumenta Cartografica geraadpleegd.

De Benedenwindse eilanden op oude Portugese zeekaarten

Ik heb in totaal 12 oude Portugese zeekaarten[37] van het Caraïbisch gebied geraadpleegd om te kijken wanneer de tegenwoordige, inheemse, namen van de ABC eilanden op de kaarten verschijnen.

Zeekaart van het eiland Curaçao, met een inzetkaart van Willemstad en de St. Annabaai een aanzicht van Fort Amsterdam en landverkenningen (circa 1790)[38]

Vanaf 1519 verschijnen op de Portugese zeekaarten de namen Curaçao, Aruba en Bonaire in verschillende spellingen en met afwijkende vormen. Het valt op dat de naam van Aruba vrij consequent als ‘Aruba’ wordt geschreven, behalve op de kaart van Pedro Reinal van ± 1535 waarop het gebied als ‘Ruba’ staat aangegeven.

Merkwaardig genoeg staat op de kaart van Joannes Blaeu die in 1648 bij het verdrag van Westfalen is uitgegeven de naam ‘Oruba’. Ook valt op dat de lettergrepen in de geografische aanduiding voor Bonaire zesmaal worden geschreven als ‘boina(i)re’ of ‘boyna(i)re’

Het is in dit verband interessant om het boek van Fray Ramón Pané, Relación acerca de las antigüedades de los indios,1498 (Vert. Verslag over de oude gebruiken van de Indianen), over de betekenis van het woord ‘Boina’ te raadplegen. Pané had van Columbus opdracht gekregen om aspecten van de Taíno cultuur te beschrijven. En Pané heeft zich goed van zijn taak kunnen kwijten, omdat hij vier jaar te midden van de Taínos op Española leefde en zo hun taal, hun zeden, gewoonten en hun verhalen goed leerde kennen.

Pané vertelt op bladzij 21 van de moderne uitgave van zijn boek (Siglo veintiuno editores, Mexico, 1998) dat een van de goden van de Taínos de naam ‘Boinayel’ draagt.
De Cubaanse professor en taalgeleerde José Juan Arrom zegt in zijn commentaar dat ‘Boina’ in het Taíno ‘donkere slang’ betekent en een metafoor is voor ‘regenwolken’. ‘Y-el’ betekent ‘Zoon van’. De naam Bonaire zou dus heel goed kunnen betekenen: ‘Zoon van de donkere slang’. Het feit dat op de oude kaarten consequent ‘Boina.. wordt geschreven wijst erop dat het woord in elk geval niet is afgeleid van het Spaanse ‘Buen(o)’ of het Portugese ‘Bom’ en dat Bonaire in elk geval niet ‘gunstige wind’ betekent, hetgeen bij ‘Buenos Aires’ duidelijk wél het geval is.

De naam ‘Curaçao’ ondergaat op de verschillende kaarten de meeste veranderingen: curacao, curasante (1519), curazante, curaçao (Anónimo-Gaspar Viegas, ±1537), quraçao, curaçante, curacant, guraçoo, curação. De huidige naam treffen we dus aan op een kaart van omstreeks 1537.

De oorsprong van de naam is erg speculatief.

We mogen, lijkt mij, de voorzichtige conclusie trekken dat de naam ‘Reuzeneiland(en)’ ongeveer twee decenniën heeft bestaan. Althans op de zeekaarten. Misschien dat ze nog wel een tijdlang hebben voortgeleefd in het mondelinge verkeer.

Een korrel zout

De geschriften van de Spaanse kroniekschrijvers leveren uitermate boeiende lectuur op omdat ze tal van wetenswaardigheden bevatten over taal, zeden en gewoonten van de Indianen uit die tijd, al moeten we erop bedacht zijn dat de chroniqueurs zich soms schuldig maken aan sterke overdrijving en onwaarachtige beschrijvingen.

Tratado de Tordesilhas (Portugese versie)[39]

Het is, wat de taal betreft, wel aardig om te weten dat Columbus weigert te erkennen dat de Indianen überhaupt een taal spreken, want hij schrijft in zijn Scheepsdagboek op 12 oktober 1492:

“Als het onze Heer (= God) behaagt zal ik bij mijn vertrek zes van hen (= Indianen) naar Uwe Hoogheid meenemen, zodat ze leren spreken”.

Later draait Columbus wat bij, maar hij blijft die Indiaanse talen maar een vreemde zaak vinden. Hij doet net of hij begrijpt wat ze zeggen, maar in werkelijkheid begrijpt hij alleen maar wat hij denkt te moeten begrijpen of wat hij ergens heeft gelezen.
Zo denkt hij dat het woord ‘Caniba’ dat de Indianen gebruiken om de ‘menseneters’ van het Caraïbisch gebied aan te duiden slaat op de grote ‘Khan’, de heerser over het Aziatische gebied waarnaar hij op weg was.
Het feit dat de Indianen naakt rondliepen was ook enigszins een teleurstelling voor hem want hij wist dat de onderdanen van de grote Khan gewoon in kleren rondliepen.

Ook Vespucci schrijft soms maar wat en krijgt hierdoor te maken met de venijnige spot van Bartolomé de las Casas:

“Américo zegt dat de Indianen, nadat ze zijn gedoopt, ‘Charaïbi’ zeiden, dat, volgens Vespucci, in hun taal, waarin ze zichzelf zo noemen, ‘mannen van grote wijsheid’ betekent. Dat is een lachertje, omdat ze (= de Spanjaarden) nog niet eens wisten welk woord de Indianen gebruikten voor brood of water, wat toch het eerste is dat we in die talen leren, en in die twee of tien dagen dat ze daar waren, of misschien zelfs in zes dagen, wil Américo ons wijsmaken dat hij begreep dat het woord ‘Charaibi’ ‘mannen van grote wijsheid’ betekent”[40] .

Bij Gonzalo Fernández de Oviedo vinden we uitgebreide, soms zeer amusante beschrijvingen van de flora, fauna en cultuur van de Indianen op het vasteland en de eilanden. Zo beschrijft hij als volgt een leguaan (Arawak: Yuana):

“ze aten ook een slangachtig wezen dat er op het oog woest en afschrikwekkend uitziet; maar die wezens doen niets en het staat ook niet vast of het vissen of een ander soort beesten zijn, omdat ze zich zowel in het water als in de bomen en op de grond voortbewegen; en ze hebben vier poten, en ze zijn groter dan een konijn, en ze hebben een staart als een hagedis en een volledig gekleurde huid […] en op hun ruggegraat opstaande stekels; en ze hebben scherpe tanden en hoektanden en een lange, brede halskwab die vanaf hun kin aan hun buik hangt […] en waar ze zo’n beest ook vastbinden, hij doet niets en maakt geen enkel geluid en hij kan tien, vijftien, twintig dagen zonder eten of drinken….”[41]

Maar, zoals gezegd, wees bedacht op overdrijving en fantasie. Tot besluit enkele voorbeelden van die wat overtrokken voorstelling van zaken uit de verslagen van Amerigo Vespucci:

“[…] en mensenvlees is bij hen een gewoon soort voedsel. Dat is zo waar als ik dit schrijf, want ze hebben gezien hoe een vader zijn zoons en zijn vrouwen opat, en ik heb een man gekend ― ik heb zelf met hem gesproken ― van wie men zei dat hij 300 menselijke lichamen had opgegeten en ik verbleef 27 dagen in een bepaalde stad, waar ik in de huizen gezouten mensenvlees aan de balken zag hangen, zoals ze bij ons de stukken spek en varkensvlees ophangen…”[42]

Ook waren de Spanjaarden bijzonder dapper:

“[…] en toen we met de boten naar de kust voeren, probeerden ze te verhinderen dat we aan land sprongen, zodat we gedwongen waren met hen te vechten; en aan het eind van de strijd waren ze er slecht aan toe, want, zoals gewoonlijk, richtten we een grote slachting onder hen aan, omdat ze naakt waren; en het gebeurde meer dan eens dat 16 van de onzen het opnamen tegen 2000 Indianen, hen tenslotte verjoegen, velen van hen doodden en hun huizen plunderden”[43]

Ook de Indiaanse vrouwen waren niet voor de poes:

“[…] ze hebben nog een andere gewoonte, heel verschrikkelijk en voor een menselijke geest niet te geloven; omdat hun vrouwen immers buitensporig wellustig zijn, laten ze het lid van hun mannen zodanig opzwellen dat het misvormde knotsen lijken en dat doen ze met een bepaald kunstje en door giftige dieren erin te laten bijten; en daarom verliezen veel Indianen hun lid en worden eunuchen…”[44]

We zullen het de chroniqueur niet kwalijk nemen.

Monument voor de Indiaan

Miljoenen Indianen zijn omgekomen door geweld, slechte behandeling en ziektes, nog voordat er talloze Afrikanen aan huis en haard werden ontrukt om onder ellendige omstandigheden op de plantages in het Caraïbisch gebied te werken.

Ook de Indianen hebben er recht op dat er, op de Benedenwindse eilanden, ter herinnering aan de voormalige bewoners van de Reuzeneilanden een Monument wordt geplaatst dat een blijvende herinnering is aan de tijd dat er nog Indianen woonden op de Islas de los Gigantes.  Een monument, voorstellende een Indiaanse man, een Indiaanse vrouw en een Indiaans kind. Bijna naakt. En van een flink postuur!

De naam? Los Gigantes de Sotavento! De Reuzen van de Benedenwinden!

Noten

[1] Bron: Albino de Canepa (1489) Antillia Roillo
[2] Antonio de Herrera, Historia general de los hechos de los castellanos en las Islas y Tierra Firme del Mar Océano, Madrid 1601-1615, heruitgegeven in 1730. Geciteerd wordt uit de uitgave van 1934, Madrid, Tipografía de archivos, publicada por acuerdo de la Academia de la Historia, Tomo II, p.20.
[3] Een illustratie hiervan is het feit dat de Spanjaarden de ― nu Colombiaanse ― stad Cartagena ‘Cartagena de Indias’ noemden, om het te onderscheiden van het Spaanse Cartagena.
[4] Bron: http://bibliotecaestense.beniculturali.it/info/img/geo/i-mo-beu-c.g.a.2.pdf geraadpleegd op 2021-02-12
[5] Bron: Indiana-Arrowukas
[6] Brief van Columbus aan Luis de Santángel, financieel administrateur van Ferdinand en Isabella.
[7] The long and wonderful voyage of Frier John de Plano; The University of Adelaide library, chap. 16 p.2, web edition by eBooks@Adelaide.
[8] Marco Polo, La Description du Monde, Grange Batelière, Paris, 1969, p.96. Louis Hambis merkt in zijn commentaar op dat niet alleen Westerlingen gewag hebben gemaakt van dit kannibalisme, maar ook ― vanaf de 11e eeuw ― de Chinezen. Ook de Tibetaanse en Mongoolse religieuze teksten spreken over het eten van ‘la grande chair’, d.w.z. van mensenvlees. “Deze magische praktijken hadden tot doel de zich opdringende krachten van het instinct te bedwingen door de ontkenning van elke morele dwang en natuurlijke afkeer. […] de asceet kent een nieuwe waarde toe aan de verwerpelijke instincten en gebruikt hun kracht om tot begrip te komen, tot het begrijpen van de leegte” (p.384, op. cit.)
[9] Bron: Theodor de Bry-Canibais
[10] Marco Polo, op.cit. p. 167
[11] Bron: Tehuelche_o_Aónikenk
[12] Bron: Ferdinand_Magellan
[13] Bron: Alonso De Ojeda
[14] Chris Engels bedoelt hier dat Diemont en Vespucci de zaak op dezelfde manier bekeken.
[15] Bron: Amerigo Vespucci
[16] Voor de Italiaanse teksten kan men terecht bij Il Mondo Nuovo di Amerigo Vespucci, Serra e Riva Editori, a cura di Mario Pozzi, Milano, 1984 (zie voor de tekst van het fragment p. 158/159); de Spaanse teksten zijn opgenomen in Amerigo Vespucci, Cartas de Viaje, El libro de bolsillo, Alianza Editorial, 1986 met een voorwoord van Luciano Formisano (zie voor de tekst van het fragment p. 124/125).
[17] Je kan je afvragen of dit eiland wel Curaçao was, zoals algemeen wordt aangenomen. De Spanjaarden hebben onmogelijk kunnen constateren dat het eiland klein was.
[18] Een Spaanse Legua was ± 5 km.
[19] Een niet geïdentificeerde Italiaan uit die tijd die blijkbaar nogal groot van stuk was.
[20] Il Mondo Nuovo di Amerigo Vespucci, Serra e Riva Editori, Milaan, 1984, p.66
[21] Gonzalo Fernández de Oviedo, Sumario de la natural historia de las Indias, Historia 16, Madrid 1986; p.75: “Estos indios de Tierra Firme son de la misma estatura y color que los de las islas, y si alguna diferencia hay es antes declinando a mayores que no a menores, en especial los que atrás dije que eran coronados, que son recios y grandes sin duda más que los otros todos que por aquellas partes he visto, excepto los de las islas de los Gigantes, que están puestos a la parte del mediodía de la isla Española, cerca de la costa de Tierra Firme. E asimismo otros que llaman los lucayos, que están puestos a la banda del norte, y los unos y los otros de estas dos partes señaladamente, aunque no son gigantes, sin duda son la mayor gente de los indios que hasta ahora se sabe, y son mayores que los alemanes comúnmente, y en especial muchos de ellos, así hombres como mujeres, son muy altos, y ellos y ellas flecheros, pero no tiran con yerba”.
[22] Oviedo had in een vorige hoofdstuk Indianen beschreven die hun hoofdhaar droegen als een Augustijner monnik, in het midden kaalgeschoren en met een kringvormige rand haar aan de buitenkant, een soort ‘corona’, een priesterlijke tonsuur
[23] Española was de eerste naam die Columbus had gegeven aan Haïti en Santo Domingo samen.
[24] De Indianen van ‘Las Lucayas’, de tegenwoordige Bahama eilanden.
[25] Bron: Fray Bartolomé de las Casas
[26] Bron: Narratio Regionum indicarum per Hispanos Quosdam devastatarum verissima-Theodore de Bry
[27] Bron: Portada Historia general de las Indias Zaragoza (1553) 
[28] Historia de las Indias por Fray Bartolomé de las Casas, edición de Agustín Millares Carlo, Fondo de Cultura Económica, Mexico, 1951; p. 129: “Extendió su viaje Hojeda hasta la provincia y golfo de Cuquibacoa, en lengua de indios; agora se llama en nuestro lenguaje Venezuela, y de allí al Cabo de la Vela, donde agora se pescan las perlas, y él le puso aquel nombre de Cabo de la Vela, y hoy permanece, [con una renglera de islas que van de Oriente a Poniente, alguna de las cuales llamó Hojeda de los Gigantes”.
[29] Cristóbal Colón, Textos y documentos completos, Relaciones de viajes, cartas y memoriales, edición Consuelo Varela, Alianza Universidad, Madrid, 1984, p. 353: “Después de partido fablé con Amérigo Vespuchi […] él siempre tubo deseu de me hazer plazer, es mucho hombre de bien; la fortuna le ha sido contraria como a otros muchos. Sus trabajos non le han aprovechado tanto como la razón requiere”.
[30] Historia de las Indias, edición A.M.Carlo, Fondo de Cultura Económica, p. 211: “Otro testigo que fue con ellos a aquel viaje primero y dice que vido las islas de los Frailes y de los Gigantes […] y otros dos o tres dicen lo mismo, etc.; luego no en el segundo, sino en el primer viaje que Hojeda hizo, descubrió la isla de los Gigantes, y no en el segundo, como Américo Vespucio afirma’.
[31] Historia de las Indias, edición A.M.Carlo, Fondo de Cultura Económica, p. 212
[32] Bron: Juan-de-la-Cosa
[33] Op de kaart staat aangegeven: “Juan de la cosa la fizo en el puerto de S. ma en año de 1500” (Juan de la Cosa maakte hem in de haven van Santa María in het jaar 1500).
[34] Bron: 1500_map by Juan de la Cosa
[35] Zie: John Boyd Thacher, The continent of America, New York, 1896, herdruk Meridian Publishing Co, Amsterdam, 1971, p.202
[36] Men kan raadplegen de Universalis cosmographia secundum Ptolomaei traditionem et Americi Vespucci alioruque lustrationes, Martin Waldseemüller, Schuler Verlag, Stuttgart, 1970.
[37] Lope Homem Reinéis, Atlas de 1519; Anónimo-Diogo Ribeiro, 1527; Pedro (?) Reinal, ± 1535; Anónimo-Gaspar Viegas, ± 1537; Diego Homem, 1558; Anónimo, ± 1560; Livro de marinheria (Arquivo histórico do Ministerio das Finanças, Lisboa, ± 1560; Diego Homem, 1561; Lázaro Luis, 1563; Anónimo Diego Homem, ± 1565; Fernão Vaz Dourado, 1575; Anónimo-Fernão Vaz Dourado, ± 1576.
[38] Bron: Zeekaart van het eiland Curaçao, met een inzetkaart van Willemstad en de St. Annabaai een aanzicht van Fort Amsterdam en landverkenningen
[39] Bron: Front page of the Portuguese-owned treaty
[40] Historia de las Indias, texto fijado por Juan Pérez de Tudela Bueso, vol. I, Madrid, 1957, p. 374b
[41] Gonzalo Fernández de Oviedo, Sumario de la natural historia de las Indias, colección historia 16, hoofdstuk VI, p.64
[42] Amerigo Vespucci, Cartas de viaje, Alianza Editorial 1986, p.94
[43] Cartas de viaje, Alianza Editorial, p. 59
[44] Cartas de viaje, Alianza Editorial, p. 94

studeerde cum laude af in de Franse, Spaanse en Portugese taal- en letterkunde. Vanaf het begin combineerde hij zijn functies met werkzaamheden als literair vertaler. Fred de Haas vertaalde onder meer uit het Papiaments, het Frans, het Spaans en het Russisch. Hij is leider, zanger en gitarist bij het Latijns-Amerikaans ensemble Alma Latina.