Wim van de Laar
Met toestemming van de auteur overgenomen uit: Yoga Vizier, … 2026

Er gaat een oud verhaal rond dat speelt in Arabië, waarschijnlijk afkomstig uit het soefisme, de mystieke stroming binnen de islam. Het vertelt over een vader en een zoon, die samen door een woestijngebied trekken. Wat precies hun bestemming is, is onduidelijk, maar ze lijken op weg naar huis, naar hun ‘oorsprong’ zogezegd.
Aan het einde van een lange dag maken ze een kampement aan de rand van een oase. De vader vraagt de zoon de watervoorraad aan te vullen bij de bron achter de bomenrij iets verderop. De zoon, gehoorzaam als hij is, vertrekt meteen met een kameel en een viertal waterzakken. Bij de waterput aangekomen treft de jongeling een wonderschone jongedame. Er trekt een rilling door hem heen als hij in haar lotusogen kijkt. Verlegen wisselen ze wat beleefdheden uit. Zal hij niet haar gevulde karaf dragen? Wil hij niet een kleine maaltijd nuttigen en wat tot rust komen in het huis van haar ouders? Ach, welja, het is maar voor even. Zijn vader zal hem nauwelijks missen…
De hartelijke ontvangst van het gezin ontroert hem. Het is alsof hij hier al jaren thuis is. Met gevulde maag voelt hij de vermoeidheid van de lange dagmars en doezelt weg, al snel dromend van de lieftallige dochter des huizes. Als hij wakker wordt, is het badhuis voor hem in gereedheid gebracht, en later die avond doet de vader hem het voorstel om dienst te nemen in zijn handelsonderneming. De jongeling, wederom verrast, knikt driemaal ja. Als hij vervolgens in stoute schoenen gestoken om de hand van zijn dochter vraagt, stemt de vader welwillend toe. Verheugd ziet hij haar ogen twinkelen van vreugde.
Jaren van geluk en voorspoed volgen. Hij ontdekt de liefde en andere geneugten, weet zich in de wijde omtrek gerespecteerd en proeft de zoete smaak van rijkdom en faam. Kinderen volgen, gezond en wel, en hij, trots en opperblij, waant zich in de bovenste hemel. Er is niets dat hem ontbeert, niets wat hij nog te wensen heeft.
Met het schrijden van de jaren keert het lot zich evenwel tegen hem, zo is nu eenmaal de aard van het wereldse gebeuren. Twee van zijn kinderen overlijden en ook zijn schoonvader sterft vroegtijdig. Een lange tijd van droogte legt het land en zijn handel vrijwel stil. Hij voelt zich gedwongen onvoordelige contracten af te sluiten en veel van zijn dure koopwaar blijft stoffig en onaangeroerd in de opslagplaatsen liggen.
Op een avond, terwijl hij piekert over mogelijke strategieën, herinnert hij zich plots zijn vader. Wat is er toch in hem omgegaan, hoe kon hij hem vergeten? Hij spoedt zich naar de rand van de oase, naar het kampement waar hij zijn vader jaren terug achterliet. Daar aangekomen groet deze hem allervriendelijks. ‘Ach, ben je daar weer! Met het water, naar ik hoop? Mijn keel is wat droog.’ De zoon kijkt zijn vader verbijsterd aan. Hij is geen dag ouder geworden.
Afdwalen
Zelf loop ik weleens naar boven om iets te pakken. Halverwege de trap ben ik kwijt wat het was waarvoor ik ging. Soms ben ik boven geweest en kom ik terug met iets wat ik helemaal niet nodig had. Mijn gedachtestroom heeft daar gewoon een handje van – er schiet me ongevraagd wat te binnen en oeps, weg is wat ik voorhad. Of er komt zo’n ongenadig spookbeeld over ‘straks’ dat ik maar niet afschudden kan.
Dit welbekende verschijnsel heet ‘afdwalen’. Je zou kunnen zeggen dat bij ‘geestelijke oefening’ afdwalen een van de grootste hinderpalen is. Afdwalen is een heel gevarieerd gebeuren. Soms ben je ergens helemaal niet bij, is je aandacht verslapt of dwarrelt weg met iets wat zomaar in je geest opborrelt. Of het kan zijn dat je je aandacht verlegt en je een allereerste interesse inruilt voor wat anders. Zo gebeurt het nogal eens dat een authentiek verlangen – naar vrijheid bijvoorbeeld – gaandeweg een zelfzuchtige inkleuring krijgt, met status en ander ‘persoonlijk’ gewin (‘kijk mij eens!’). Nog een mogelijkheid is dat je weliswaar naar iets waarachtigs op zoek bent, maar steeds ergens anders. Iedereen kent het verhaal van de schatgraver die een ondiepe kuil graaft en vervolgens denkt: ‘oh, misschien kan ik beter daar gaan graven’. Aan het einde van de dag zie je op het terrein waar hij bezig was overal molshoopjes liggen, terwijl de schatgraver zelf allang naar huis is, vast overtuigd van het idee dat er nergens een schat te vinden is. In het laatste geval kan afdwalen er de oorzaak van worden dat je de zoektocht naar wat er werkelijk toe doet stopt. Dat is het meest jammere wat er kan gebeuren.
Terugkeren
De zoon verloor zich, net als wij allemaal, in de wereld. Toen hij zijn vader – zijn gids door de woestijn – terug vond, was deze niet ouder geworden. Wonderlijk natuurlijk, maar het symboliseert, denk ik, dat wat je werkelijk bent tijdloos is. En dat ware zelf blijft altijd op je wachten, het heeft zeeën van tijd. Geen reden overigens om de je gegeven tijd te verkwisten…
In de boeddhistische mahāmudrā traditie verdeelt men het ‘onmiddellijke’ pad naar bevrijding in vier aspecten: zicht, meditatie, handelwijze en voleinding. Het zicht kom als allereerste: het is het besef van de werkelijkheid en je ware natuur. Het is zaak dát steeds in het vizier te hebben. Iets voor ogen houden is een andere term voor niet-afdwalen, je niet laten verleiden tot iets anders. Steeds zien: dát is werkelijk, en dat andere is begoocheling. In meditatie kom je samen met die werkelijke natuur en ontdoe je je van allerlei twijfel en conditioneringen. In de handelwijze vervolgens toetst het leven zelf de waarachtigheid van je voortgang op het pad. Wat leg je aan de dag? Hoe reageer je op tegenslag en voorspoed? Ben je jezelf trouw? In de voleinding ten slotte ‘val je in vrijheid’. Er is geen hinder of afdwalen meer, enkel een natuurlijke helderheid waarin je steeds het werkelijke beleeft. Je bent uitgeoefend, de boeken vol wijsheid kunnen de deur uit. En de wereld, fris en ongerept, ligt voor je open, zonder strikken of valse bekoring.