Naar een Ethiek van Dynamisch Leven
en een Dynamische Wetenschap – deel 4
Daan de Boer
Deel 1 – deel 2 – deel 3 – deel 4 – deel 5

In dit vierde deel vervolg ik mijn onderzoek ‘naar een Ethiek van Dynamisch Leven en een Dynamische Wetenschap’ – nadat ik tijdens mijn stage bij de Quest for Wisdom foundation (QfWf) en na het schrijven van mijn stageverslag voor de QfWf een herwaardering heb ontwikkeld voor Levinas’ filosofie. In het vorige deel heb ik de implicaties van Levinas’ primaat van de relatie met de Ander en het concept van ‘Oneindigheid’ voor de (moleculaire) biologie en de natuurkunde besproken. Hieronder ga ik in op het ‘nomadische denken’ van Deleuze en Guattari.
“Un Jour, le Siècle sera Deleuzien”
In de vorige delen van mijn beschouwing over “Oneindigheid het artikel zijn wij drie ogenschijnlijk gescheiden domeinen langsgegaan; de dynamiek tussen het Ego en de Ander bleek slechts een van de vele toepassingen van een onderliggend principe. Levinas biedt met Totalité et Infini niet alleen een ander perspectief op de relatie tussen het Ego en de Ander, maar laat tegelijkertijd zien dat het totaliserende zijnsdenken zich niet beperkt tot mensen. In de (moleculaire) biologie en de natuurkunde vinden wij een vergelijkbare tendens – welke het laatste decennium steeds vaker ter discussie komt te staan. x = x = ¬y blijkt niet alleen begrenzend, maar doet tevens geen recht aan de natuur van de werkelijkheid, zoals ook Deleuze en Guattari beweren in L’Anti-Œdipe en Mille Plateaux: dat x, x is, betekent niet dat x, niet ook y is, of kan zijn; x = y, zou je zeggen, maar dat brengt ons terug bij Levinas, en totaliseert y ten opzichte van x, met als gevolg dat y ondergeschikt raakt aan x.

In Mille Plateaux bieden Deleuze en Guattari zicht op een mogelijke uitkomst: stel je het Ego en de Ander eens voor als twee strata (ofwel lagen), welke op elkaar liggen. In een reductie van zowel het Ego als de Ander doet men aan dat wat Deleuze en Guattari ook wel regressie noemen: ergens onder het stratum van, bijvoorbeeld, het Ego bevindt zich een centrum op basis waarvan het stratum gevat kan worden. In werkelijkheid bestaat er echter geen centrum; het stratum van het Ego voltrekt zich namelijk niet lineair vanuit een of ander centrum, maar evolueert middels een wisselwerking: het centrum breidt zich uit naar buiten – naar dat wat Deleuze en Guattari de periferie noemen, waar het stratum van het Ego zich bevindt.
De periferie breidt zich echter ook uit naar buiten, waaronder richting het centrum, waardoor het centrum van het centrum constant verandert, en er continu nieuwe periferieën ontstaan. In Mille Plateaux stellen Deleuze en Guattari, zodoende, dat er geen stabiel, rigide centrum bestaat – zoals wij gewend zijn – waar wij naar terug kunnen gaan om het stratum te vatten; de essentie van het centrum is nu juist dat zij altijd al gelaagd, meervoudig, en veranderlijk is, net zoals de strata die erop liggen. In de wisselwerking tussen het centrum en het stratum – of beter gezegd: de centra en de strata – ontstaan zogenoemde epistrata en parastrata; zo breidt het systeem zich op den duur uit tot volstrekt onnavolgbaar.
In een dergelijk systeem bevinden zich ook de strata van het Ego en de Ander, beide onmogelijk te herleiden tot een centrum, laat staan een gedeeld centrum; x ≠ y, maar tegelijkertijd x = y, want het Ego en de Ander bevinden zich te midden eenzelfde systeem, en de strata zijn niet stabiel en rigide, maar hebben een uitwerking op elkaar. Dat maakt niet alleen de Ander oneindig voor het Ego, en andersom; maar het leidt logischerwijs opnieuw tot de gedachte dat het Ego oneindig is voor zichzelf – zoals Deleuze en Guattari uitgebreid duidelijk maken in L’Anti-Œdipe en Mille Plateaux.

In het systeem waar de strata van het Ego en de Ander zich – noodzakelijkerwijs gescheiden bevinden, om een totaliserende tendens te voorkomen, bevinden zich echter nog ontelbare andere strata, waarvan sommigen bekend, maar veel meer onbekend. Je kunt het je voorstellen dat een rhizome, een concept dat Deleuze en Guattari uitgebreid uitwerken in Mille Plateaux, raakt aan het concept van strata. Voor een stratisch systeem geldt daarom hetzelfde als voor een rhizome: een lokale verandering kan leiden tot onvoorspelbare, complexe gevolgen elders binnen het systeem. Je begrijpt dat deze gedachte leidt tot het probleem dat Cortês, Kauffman, Liddle, en Smolin uiteenzetten in Biocosmology (2022): de ever-expanding phase space, maar voor Deleuze en Guattari beperkt het zich niet tot de (moleculaire) biologie en de natuurkunde; het geldt voor alles, van persoonlijkheid tot kosmologie. Met andere woorden: oneindigheid, onvoorspelbaarheid, en complexiteit beperken zich niet tot de relatie tussen het Ego en de Ander, maar bieden een gigantische uitdaging voor alle wetenschappen; het maakt het mogelijk om zowel een ethiek als een nieuwe wetenschappelijke houding te formuleren.
Is het zinvol om de phase space van dat wat wij onderzoeken, alsmaar uit te breiden, totdat dat wat wij onderzoeken, voorspelbaar wordt? Ik heb al gesteld dat een dergelijke operatie niet alleen logisch onmogelijk, maar ook praktisch ronduit absurd lijkt. Ik beantwoord de vraag over de betekenis van het uitbreiden van een phase space, als volgt: als de wetenschap draait om het constant uitbreiden van een phase space, lijkt het mij niet dat wij nog kunnen spreken over wetenschap. En daarnaast lijkt het mij, zelfs gezien de opkomst van de datawetenschap, een overschatting van wat wij met wetenschap kunnen bereiken; terwijl het kenmerk van de wetenschap, voorspelling betreft. Ik ben niet tegen voorspelling. Ik ben wel tegen voorspelling als het voorspellen voorbij gaat aan betekenisvolle wetenschap.
In Mille Plateaux poneren Deleuze en Guattari ‘n – 1’-denken, wat betekent dat je altijd het Ene – de voorbedachte oorzaak – dient af te trekken van het systeem dat je probeert te analyseren. Je kunt deze werkwijze vergelijken met het ontwikkelen van een achtergrond-onafhankelijke kwantummechanica (zie The Trouble with Physics (2006) en Einstein’s Unfinished Revolution (2019, van Smolin). In plaats van op zoek te gaan naar de oorzaak, omdat men denkt dat het eindresultaat voorspelbaar maakt – wat, zoals gezien, helemaal niet zo evident is, om meerdere redenen – dien je te observeren wat het systeem laat zien. Deleuze en Guattari maken hiervoor het onderscheid tussen het vastleggen van een kaart van een systeem, versus het traceren van een systeem. Het vastleggen van een kaart van een systeem doet recht aan het feit dat wat geweest is, geweest is; en dat wat nog komen gaat, niet per se afhankelijk is van dat wat geweest is. Je weet op voorhand al dat een kaart niet het systeem is: een kaart representeert een deel van het systeem, en daar blijft het bij.
Je kaart kan, zodoende, veranderen, omdat er een territorium bestaat buiten de kaart, welke jij nog niet geobserveerd hebt, of zelfs helemaal niet kunt observeren – denk hierbij aan Rule 30 van Wolfram, een cellulaire automaat met simpele regels, op basis waarvan je zou verwachten dat het verloop van het systeem voorspelbaar wordt, maar naarmate het systeem evolueert, wordt duidelijk dat je onmogelijk het volgende stadium van het systeem kunt voorspellen.

In dat wat Deleuze en Guattari het traceren van een systeem noemen, komen wij nog eens terug op de metafoor van schakelingen in The Hallmarks of Cancer van Hanahan en Weinberg: constant hetzelfde circuit afgaan, denkende – hopende – dat je plots wat nieuws zult ontdekken wat mogelijkerwijs kan leiden tot een behandeling en/of genezing van kanker, is waanzin. Het reduceert de onvoorspelbare en complexe essentie van tumorontwikkeling, en gaat ervan uit dat wat jij geobserveerd hebt om tot het circuit te komen, overeenkomt met de werkwijze van de natuur. In plaats van in deze x + x = ¬y te blijven hangen, zouden Deleuze en Guattari ons uitnodigen om de boel open te breken: dat doet recht aan de rhizomatische structuur van de werkelijkheid, wat inzichten op kan leveren die normaliter buiten beeld blijven; en die misschien nog veel meer bij kunnen dragen aan de behandeling en/of genezing van de aandoening.
In plaats van te denken dat wij zicht hebben op de waarheid door de wetenschap als voorspelbaar te benaderen, lijkt mij een andere wetenschappelijke houding zinvoller. Ik bedoel hiermee niet dat er geen plek (meer) moet zijn voor stabiel, rigide zijnsdenken – of zoals Deleuze en Guattari het noemen in Mille Plateaux: boomachtig (arborescent) denken – maar dat de wetenschap haar arsenaal uitbreidt met dynamisch, onnavolgbaar procesdenken; niemand zal de successen van een boomachtige (arborescent) wetenschappelijke praxis ontkennen, maar de wetenschap van de toekomst zal zich hier niet door laten begrenzen. Misschien krijgt Foucault gelijk met zijn opmerking dat op een dag, deze eeuw bekend zal komen te staan als deleuziaans: “un jour, le siècle sera deleuzien.”